Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | Vacatures | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
» Energiewijzer « advertorial
Bespaar geld en stap over!
Energiewijzer.nl, eerlijk over energie.

Juridische vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Powered by Jbmatch.nl

Inhoudsopgave
+ Titel I. Algemene bepalingen
+ Titel II. Het onderwijs
- Titel III. Aanvang, grondslagen, wijze en beëindiging der bekostiging
+ Titel IV
+ Titel IVA. Onderwijsachterstanden
+ Titel IVB. Bestrijding voortijdig schoolverlaten niet-leerplichtigen
+ Titel IVC. Zij-instroom in het beroep
+ Titel IVD. Experimenten
+ Titel IVE. Overgangsbepalingen
+ Titel V. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht

Wet op het voortgezet onderwijs

Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Ook bekend als:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
1.
Bekostiging uit de openbare kas van een school neemt geen aanvang dan krachtens de bepalingen van deze afdeling.
2.
Artikel 4:32 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op de bekostiging van scholen.
1.
Onze Minister brengt voor bekostiging in aanmerking een school waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze, gelet op de belangstelling voor de desbetreffende schoolsoort, de verlangde richting en het leerlingenverloop, blijkens statistische gegevens, onder meer verstrekt door het Centraal Bureau voor de Statistiek, zal worden bezocht door ten minste:
a. 390 leerlingen, wat een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs betreft;
b. 325 leerlingen, wat een school en 130 leerlingen wat een afdeling voor hoger algemeen voortgezet onderwijs betreft;
c. 260 leerlingen, wat een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs betreft;
d. 260 leerlingen, wat een school voor voorbereidend beroepsonderwijs met één afdeling als bedoeld in artikel 10c betreft, met dien verstande dat meer dan één afdeling binnen de desbetreffende nieuw te vormen school voor bekostiging in aanmerking wordt gebracht, indien voor elke afdeling aannemelijk wordt gemaakt dat deze door ten minste 160 leerlingen zal worden bezocht, of
e. 120 leerlingen, wat een school voor praktijkonderwijs betreft.
2.
Een scholengemeenschap die twee of meer van de in het eerste lid genoemde scholen omvat, wordt in ieder geval voor bekostiging in aanmerking gebracht indien op dezelfde manier als volgens het eerste lid kan worden aangetoond, dat het aantal leerlingen van elk van de samenstellende scholen ten minste drie kwart zal bedragen van het daarvoor in het eerste lid genoemde aantal.
3.
Een op grond van het eerste of tweede lid voor bekostiging in aanmerking gebrachte school of scholengemeenschap wordt aangeduid als hoofdvestiging.
4.
Onze Minister kan voor bekostiging in aanmerking brengen een school waarvoor een aanvraag als bedoeld in artikel 67, eerste lid, is ingediend. Onze Minister brengt voor bekostiging in aanmerking een school waarvoor een aanvraag als bedoeld in artikel 67, tweede lid, is ingediend.
5.
Onverminderd artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht worden de besluiten, bedoeld in het eerste, tweede en vierde lid, gepubliceerd in de Staatscourant.
1.
Het bevoegd gezag kan bij Onze Minister een aanvraag indienen om een school of scholengemeenschap voor bekostiging in aanmerking te brengen. De aanvraag wordt ingediend voor 1 november.
2.
Elke aanvraag vermeldt de schoolsoorten, de verlangde richting en de plaats van vestiging van de school of scholengemeenschap en gaat vergezeld van een prognose over de te verwachten omvang. Een aanvraag voor een school voor praktijkonderwijs wordt ingediend in overeenstemming met de bevoegde gezagsorganen in het samenwerkingsverband waarvan de school deel gaat uitmaken en na overleg met de gemeente.
3.
Onze Minister besluit met inachtneming van artikel 65 voor 1 mei volgend op de aanvraag of de school of scholengemeenschap voor bekostiging in aanmerking wordt gebracht. Indien het besluit niet voor 1 mei kan worden genomen, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen het besluit wel tegemoet kan worden gezien.
4.
De bekostiging vangt aan op 1 augustus van enig kalenderjaar, ten vroegste in het eerste en ten laatste in het zesde kalenderjaar na het besluit van Onze Minister. Behoudens in het laatste geval vangt de bekostiging aan in het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin het bevoegd gezag, voor 1 augustus, heeft aangetoond dat burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente uiterlijk met ingang van 1 augustus van het eerstgenoemde kalenderjaar de benodigde huisvesting ter beschikking zullen stellen.
1.
Gedeputeerde staten dragen er zorg voor dat is voorzien in de behoefte aan openbaar onderwijs door een voldoende aantal scholen in de provincie. Daartoe kunnen gedeputeerde staten burgemeester en wethouders van de gemeente opdragen, een aanvraag bij Onze Minister in te dienen om een openbare school voor bekostiging in aanmerking te brengen indien de ouders, voogden en verzorgers van een naar hun oordeel voldoende groot aantal leerlingen hebben aangegeven dat zij dat wensen en burgemeester en wethouders van de gemeente daaraan niet hebben voldaan.
2.
Onze Minister kan burgemeester en wethouders van de gemeente opdragen een aanvraag bij hem in te dienen om een openbare school voor bekostiging in aanmerking te brengen, indien gedeputeerde staten het eerste lid niet toepassen en ouders, voogden of verzorgers van een naar zijn oordeel voldoende groot aantal leerlingen hebben aangegeven dat zij indiening van een dergelijke aanvraag wensen.
3.
Indien een besluit van Onze Minister op een aanvraag als bedoeld in dit artikel onherroepelijk is geworden, gaan burgemeester en wethouders van de gemeente over tot stichting van de daarbij voor bekostiging in aanmerking gebrachte school.
4.
De bekostiging vangt aan op 1 augustus van enig kalenderjaar, ten vroegste in het eerste en ten laatste in het zesde kalenderjaar na het besluit van Onze Minister, afhankelijk van het moment dat burgemeester en wethouders van de gemeente huisvesting ter beschikking hebben.
1.
Onze Minister brengt voor bekostiging in aanmerking een nieuw te vormen afdeling als bedoeld in artikel 10c aan een reeds bekostigde school voor voorbereidend beroepsonderwijs indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze afdeling, gelet op de belangstelling voor de desbetreffende afdeling, de verlangde richting en het leerlingenverloop, blijkens statistische gegevens, onder meer verstrekt door het Centraal Bureau voor de Statistiek, zal worden bezocht door ten minste 260 leerlingen, met dien verstande dat meer dan één afdeling voor bekostiging in aanmerking wordt gebracht indien voor elke nieuw te vormen afdeling aannemelijk wordt gemaakt dat de desbetreffende afdeling door ten minste 160 leerlingen zal worden bezocht.
2.
Artikel 65, vijfde lid, en artikel 66 zijn van overeenkomstige toepassing.
2.
Onze Minister kan op aanvraag van het bevoegd gezag van een school of scholengemeenschap dat is aangesloten bij een samenwerkingsverband leerwegondersteunend onderwijs voor bekostiging in aanmerking brengen indien dat doelmatig is gelet op het geheel en de spreiding van het aanbod van leerwegondersteunend onderwijs en de meerderheid van de bevoegde gezagsorganen van de overige scholen en scholengemeenschappen in het desbetreffende samenwerkingsverband instemt met de aanvraag.
1.
Onze Minister kan, onder door hem te stellen voorwaarden, voor bekostiging in aanmerking brengen een school die wordt opgericht door omzetting van een bekostigde openbare school in een gelijksoortige bijzondere school.
2.
Onze Minister brengt voor bekostiging in aanmerking een school die wordt opgericht door omzetting van een bekostigde bijzondere school in een gelijksoortige openbare school of door omzetting van een bekostigde bijzondere school in een gelijksoortige bijzondere school van een andere richting.
3.
Een omzetting kan slechts plaatsvinden met ingang van 1 augustus van enig kalenderjaar.
1.
De aanspraak op bekostiging blijft bestaan indien het bevoegd gezag een vestiging van een school of scholengemeenschap verplaatst over een hemelsbreed gemeten afstand van minder dan drie kilometer van de vorige vestigingsplaats.
2.
Onze Minister kan voor bekostiging in aanmerking brengen:
a. een school of scholengemeenschap die is ontstaan door samenvoeging van scholen of scholengemeenschappen, indien voor elke bij de samenvoeging betrokken school of scholengemeenschap geldt dat ten minste een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage van de leerlingen van een vestiging van die school of scholengemeenschap en van de leerlingen van een vestiging van een andere bij de samenvoeging betrokken school of scholengemeenschap afkomstig is uit dezelfde postcodegebieden, of
b. een scholengemeenschap die is ontstaan door samenvoeging van een scholengemeenschap als bedoeld in artikel 2.6 van de Wet educatie en beroepsonderwijs waarvan een regionaal opleidingencentrum deel uitmaakt, met een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of een school voor voorbereidend beroepsonderwijs, indien ten minste een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage van de leerlingen van een vestiging van laatstgenoemde scholengemeenschap en van de leerlingen van een vestiging van een bij de samenvoeging betrokken school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend beroepsonderwijs, afkomstig is uit dezelfde postcodegebieden.
3.
Het tweede lid, aanhef en onderdeel b, is van overeenkomstige toepassing op een scholengemeenschap als bedoeld in artikel 2.6 van de Wet educatie en beroepsonderwijs waarvan een agrarisch opleidingscentrum deel uitmaakt, die wordt samengevoegd met een school voor middelbaar algemeen voorgezet onderwijs, een school voor voorbereidend beroepsonderwijs waarin slechts onderwijs wordt verzorgd als bedoeld in artikel 10c, onderdeel d, of een school voor praktijkonderwijs.
4.
Na een samenvoeging wordt op een vestiging onderwijs verzorgd in dezelfde schoolsoorten als bedoeld in artikel 5, in dezelfde afdelingen als bedoeld in artikel 10c, en in dezelfde leerjaren als op de desbetreffende vestiging voor de samenvoeging, behoudens wijzigingen in het onderwijsaanbod op grond van artikel 68 of artikel 72.
5.
Onze Minister kan voor bekostiging in aanmerking brengen een tijdelijke nevenvestiging als bedoeld in artikel 16, indien het bevoegd gezag heeft aangetoond dat burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente de benodigde huisvesting ter beschikking zullen stellen. De voorwaarde in de eerste volzin is niet van toepassing ten aanzien van scholengemeenschappen als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs en scholen waarvoor jaarlijks een bedrag voor huisvestingskosten wordt betaald op grond van artikel 76v.
6.
Artikel 65, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing bij toepassing van het tweede, derde en vijfde lid.
1.
Een bevoegd gezag van een school of scholengemeenschap kan samenwerken met ten minste één ander bevoegd gezag met als doel het onderwijsaanbod af te stemmen op de vraag van de leerlingen, ouders en andere belanghebbenden in hun regio. Een regio omvat een aaneengesloten gebied bestaande uit het grondgebied van een of meer gemeenten, met dien verstande dat:
a. op de deelnemende vestigingen van scholen of scholengemeenschappen van de samenwerkende bevoegde gezagsorganen per gemeente ten minste zestig procent staat ingeschreven van alle leerlingen die op het grondgebied van die gemeente voortgezet onderwijs volgen, en
b. ten minste vijfenzestig procent van de bevoegde gezagsorganen die binnen een gemeente een of meer vestigingen van scholen of scholengemeenschappen hebben, bij de samenwerking betrokken is.
2.
Samenwerkende bevoegde gezagsorganen stellen voor hun regio een regionaal plan onderwijsvoorzieningen vast. Een dergelijk plan:
a. wordt niet vastgesteld voordat over een concept van het plan overleg plaats heeft gevonden met de bevoegde gezagsorganen van de overige scholen of scholengemeenschappen in de regio en vertegenwoordigers van de desbetreffende provincie of provincies alsmede voor zover het betreft het voorbereidend beroepsonderwijs met vertegenwoordigers van het bedrijfsleven in de regio en met de bevoegde gezagsorganen van de regionale opleidingencentra en de agrarische opleidingscentra in de regio,
aa. wordt niet vastgesteld voordat over een concept van het plan op overeenstemming gericht overleg is gevoerd met burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente of gemeenten, overeenkomstig een procedure die daartoe is vastgesteld door de samenwerkende bevoegde gezagsorganen en burgemeester en wethouders van die gemeente of gemeenten, welke procedure een voorziening voor het beslechten van geschillen bevat,
b. geldt voor een periode van vijf jaar, die aanvangt op 1 augustus van enig kalenderjaar, en
c. bevat een gezamenlijk gedragen visie op het onderwijs in de regio, waarin in elk geval tot uitdrukking worden gebracht:
1°. de omvang en begrenzing van de regio,
2°. gegevens over het aanbod en gebruik van onderwijsvoorzieningen,
3°. een overzicht van de onderwijsvoorzieningen, bedoeld in het derde lid, die de bevoegde gezagsorganen binnen de periode, bedoeld in onderdeel b, voor bekostiging in aanmerking willen laten brengen en een prognose van het aantal leerlingen per vestiging,
4°. de relatie van het bestaande en toekomstige onderwijsaanbod met het vervolgonderwijs en de arbeidsmarkt, en
5°. de visie van de deelnemers aan het overleg, bedoeld in onderdelen a en aa, op het bestaande en toekomstige onderwijsaanbod in relatie tot het vervolgonderwijs, de arbeidsmarkt en de onderwijshuisvesting.
3.
Onze Minister brengt voor bekostiging in aanmerking een onderwijsvoorziening als bedoeld in de onderdelen a tot en met f, indien de voorziening is opgenomen in een regionaal plan onderwijsvoorzieningen als bedoeld in het tweede lid en indien nodig tevens wordt voldaan aan de in genoemde onderdelen opgenomen voorwaarden. Een bevoegd gezag kan bij Onze Minister een aanvraag indienen voor bekostiging van:
a. een vestiging van een school of scholengemeenschap die door het bevoegd gezag wordt verplaatst over een hemelsbreed gemeten afstand van drie kilometer of meer van de huidige vestigingsplaats,
b. een nieuwe nevenvestiging als bedoeld in artikel 16 van een school of scholengemeenschap, indien ten minste een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage van de leerlingen voor de nieuwe nevenvestiging en van de leerlingen van één van de al bestaande vestigingen van de school of scholengemeenschap afkomstig is uit dezelfde postcodegebieden,
c. een of meer scholen die door het bevoegd gezag worden afgesplitst van een scholengemeenschap,
d. onderwijs vanaf het vierde leerjaar op een nevenvestiging als bedoeld in artikel 16 aan een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7, of aan een school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 8, en onderwijs vanaf het derde leerjaar op een nevenvestiging als bedoeld in artikel 16 aan een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 10, of aan een school voor voorbereidend beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 10a,
e. onderwijs in de gemengde leerweg aan een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend beroepsonderwijs of aan een agrarisch opleidingscentrum voor zover het betreft het voorbereidend beroepsonderwijs, indien wordt voldaan aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, of
f. een afdeling als bedoeld in artikel 10c met uitzondering van een afdeling als bedoeld in artikel 10c, onderdeel a, onder 6, en de afdelingen Kust-, Rijn- en Binnenvaart en Haven en Vervoer School, aangewezen op grond van artikel 24, vijfde lid, indien wordt voldaan aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden.
4.
In afwijking van het derde lid kan Onze Minister voor bekostiging in aanmerking brengen een onderwijsvoorziening als bedoeld in het derde lid, onderdelen c tot en met f, die niet is opgenomen in een regionaal plan onderwijsvoorzieningen als bedoeld in het tweede lid, indien de overige bevoegde gezagsorganen die deelnemen aan de samenwerking instemmen met de aanvraag en indien nodig tevens wordt voldaan aan de in genoemde onderdelen opgenomen voorwaarden.
5.
Op de voorbereiding van de besluiten, bedoeld in het derde en vierde lid, is afdeling 3.4, met uitzondering van artikel 3:18, van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
6.
Een aanvraag als bedoeld in het derde of vierde lid wordt afgewezen indien de onderwijsvoorziening leidt tot meer dan tien procent leerlingverlies bij een vestiging van een school of scholengemeenschap van een bevoegd gezag dat niet deelneemt aan de samenwerking, tenzij dat bevoegd gezag heeft verklaard, daarmee in te stemmen.
7.
Artikelen 65, vijfde lid, en 66, eerste en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op besluiten als bedoeld in het derde en vierde lid.
8.
Bij besluiten over een onderwijsvoorziening als bedoeld in het derde lid, onderdelen a en b, is artikel 66, vierde lid, van overeenkomstige toepassing. Bij besluiten over overige in het derde lid bedoelde onderwijsvoorzieningen vangt de bekostiging aan op 1 augustus van enig kalenderjaar.
1.
Onze Minister kan in bijzondere gevallen cursussen voortgezet onderwijs, niet zijnde voorbereidend beroepsonderwijs, geheel of gedeeltelijk en voor een door hem te bepalen periode voor bekostiging in aanmerking brengen, indien naar zijn oordeel daaraan behoefte bestaat.
2.
Onze Minister kan aan de bekostiging verplichtingen verbinden.
3.
Onze Minister kan in verband met de in het eerste lid bedoelde bekostiging een bekostigingsplafond instellen. In dat geval worden bij ministeriële regeling regels over de verdeling vastgesteld.
4.
Indien een cursus voortgezet onderwijs als bedoeld in het eerste lid voor bekostiging in aanmerking wordt gebracht, is artikel 6e van overeenkomstige toepassing.
Artikel 74. Aanvullende middelen
Onze Minister kan onder door hem nader te stellen voorwaarden aanvullende middelen ter beschikking stellen die niet strekken tot bekostiging van het onderwijs, bedoeld in deze wet, en de schoolbegeleiding als bedoeld in de artikelen 179 van de Wet op het primair onderwijs en 165 van de Wet op de expertisecentra ten behoeve daarvan, maar die direct of indirect dienstig zijn voor de uitvoering van het onderwijs of voor verhoging van de mogelijkheid tot deelname aan het onderwijs. Voor zover toepassing van de eerste volzin het verstrekken van subsidie betreft, zijn de artikelen 4 tot en met 19 van de Wet overige OCW-subsidies van toepassing.
Artikel 76. Uitvoeringsvoorschriften
Bij ministeriële regeling worden nadere voorschriften vastgesteld voor de uitvoering van deze afdeling.