Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | Vacatures | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
» Energiewijzer « advertorial
Bespaar geld en stap over!
Energiewijzer.nl, eerlijk over energie.

Juridische vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Powered by Jbmatch.nl

Inhoudsopgave
+ Titel I. Algemene bepalingen
- Titel II. Het onderwijs
+ Titel III. Aanvang, grondslagen, wijze en beëindiging der bekostiging
+ Titel IV
+ Titel IVA. Onderwijsachterstanden
+ Titel IVB. Bestrijding voortijdig schoolverlaten niet-leerplichtigen
+ Titel IVC. Zij-instroom in het beroep
+ Titel IVD. Experimenten
+ Titel IVE. Overgangsbepalingen
+ Titel V. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht

Artikel 10b Wet op het voortgezet onderwijs

Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Ook bekend als:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
1.
Aan scholen voor voorbereidend beroepsonderwijs wordt, in elke afdeling als bedoeld in artikel 10c, onderwijs in de basisberoepsgerichte leerweg en de kaderberoepsgerichte leerweg gegeven.
2.
De beroepsgerichte leerwegen omvatten een door het bevoegd gezag in te richten in schooltijd verzorgd samenhangend onderwijsprogramma. Het programma is gericht op:
a. een algemene maatschappelijke voorbereiding en persoonlijke vorming, en
b. een voorbereiding op naar inhoud verwante opleidingen in het aansluitend beroepsonderwijs.
3.
Het onderwijs in de beroepsgerichte leerwegen wordt met ingang van het derde leerjaar gegeven in een of meer van de volgende sectoren:
a. techniek,
b. zorg en welzijn,
c. economie, en
d. landbouw.
4.
Het onderwijs in de beroepsgerichte leerwegen bestaat voor elke sector uit:
a. een gemeenschappelijk deel, dat voor alle sectoren gelijk is,
b. een sectordeel, dat kenmerkend is voor die sector, en
c. een vrij deel, dat bestaat uit door de leerling te kiezen afdelingsvakken, intrasectorale programma’s of intersectorale programma’s.
5.
Het gemeenschappelijk deel van de beroepsgerichte leerwegen omvat Nederlandse taal, Engelse taal, maatschappijleer, lichamelijke opvoeding en ten minste één van de vakken behorende tot de beeldende vorming, muziek, dans of drama.
6.
Het sectordeel van de basisberoepsgerichte leerweg omvat wat betreft:
a. de sector techniek: wiskunde en natuur- en scheikunde I,
b. de sector zorg en welzijn: biologie en, ter keuze van de leerling, wiskunde, maatschappijleer II, geschiedenis en staatsinrichting, of aardrijkskunde, met dien verstande dat het bevoegd gezag beslist welke van de laatste drie vakken wordt of worden aangeboden,
c. de sector economie: economie en, ter keuze van de leerling, wiskunde, Franse taal of Duitse taal,
d. de sector landbouw: wiskunde en, ter keuze van de leerling, biologie of natuur- en scheikunde I.
De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op de kaderberoepsgerichte leerweg.
7.
Het vrije deel van de beroepsgerichte leerwegen:
a. omvat door de leerling te kiezen bij de sector behorende afdelingsvakken, intrasectorale programma’s of intersectorale programma’s,
b. kan omvatten door het bevoegd gezag vast te stellen vakken en programma-onderdelen.
8.
Het bevoegd gezag beslist welke keuzetaal, genoemd in het zesde lid, onderdeel c, en welke vakken, genoemd in het zevende lid, onderdeel a, worden aangeboden. Het bevoegd gezag kan tevens beslissen dat door het bevoegd gezag aan te wijzen vakken en andere programma-onderdelen, bedoeld in het zevende lid, onderdeel b, door alle leerlingen in het vrije deel moeten worden gevolgd.
9.
Het bevoegd gezag kan de leerling in de gelegenheid stellen:
a. in plaats van de vakken van de basisberoepsgerichte leerweg, genoemd in het vijfde en zesde lid, en de vakken die in de plaats komen van een tweede moderne vreemde taal, de overeenkomstige vakken van de kaderberoepsgerichte leerweg of de overeenkomstige vakken, genoemd in de artikelen 10 en 10d of de overeenkomstige vakken, genoemd in dan wel aangewezen op grond van de artikelen 13 en 14 te volgen,
b. in plaats van de vakken van de kaderberoepsgerichte leerweg, genoemd in het vijfde en zesde lid, en de vakken die in de plaats komen van een tweede moderne vreemde taal, de overeenkomstige vakken, genoemd in de artikelen 10 en 10d of de overeenkomstige vakken, genoemd in dan wel aangewezen op grond van de artikelen 13 en 14 te volgen,
c. in plaats van de vakken van de basisberoepsgerichte leerweg, genoemd in het zevende lid, onderdeel a, de overeenkomstige vakken van de kaderberoepsgerichte leerweg te volgen,
d. een of meer bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen extra vakken te volgen.
10.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld:
a. de afdelingsvakken, intrasectorale programma’s en intersectorale programma’s, bedoeld in het zevende lid, onderdeel a,
b. voorschriften met betrekking tot intrasectorale programma’s en intersectorale programma’s, met inbegrip van voorschriften waarin de voorwaarden zijn opgenomen waaronder kan worden afgeweken van het eerste lid alsmede de voorwaarden waaronder aan een agrarisch opleidingscentrum voor zover het betreft het voorbereidend beroepsonderwijs binnen het kader van regionale samenwerking als bedoeld in artikel 72 een intersectoraal programma kan worden verzorgd, en
c. voorschriften over de mogelijkheid van vrijstelling en de bevoegdheid van het bevoegd gezag om ontheffing te verlenen van onderdelen van dit artikel.
Onverminderd het zesde en zevende lid, kan bij algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld het door alle leerlingen in het derde leerjaar te volgen minimum aantal vakken waarin eindexamen kan worden afgelegd, alsmede welke vakken het betreft.
11.
De in het tiende lid bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens een van beide kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.