Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | Vacatures | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
» Energiewijzer « advertorial
Bespaar geld en stap over!
Energiewijzer.nl, eerlijk over energie.

Juridische vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Powered by Jbmatch.nl

Inhoudsopgave
+ 1. Algemeen deel
+ 2. Deel Markttoegang Financiële Ondernemingen
- 3. Deel Prudentieel Toezicht Financiële Ondernemingen
+ 3a. Deel Bijzondere maatregelen en voorzieningen betreffende financiële ondernemingen
+ 4. Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen
+ 5. Deel Gedragstoezicht financiële markten
+ 6. Deel bijzondere maatregelen betreffende de stabiliteit van het financiële stelsel
+ 7. Deel Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht

Wet op het financieel toezicht

Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Ook bekend als:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
1.
De Nederlandsche Bank kan, indien een bank met zetel in Nederland of een beleggingsonderneming met zetel in Nederland, die beleggingsdiensten verleent of beleggingsactiviteiten verricht in Nederland, niet voldoet aan de bij of krachtens deze wet of de verordening kapitaalvereisten gestelde eisen met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering, de solvabiliteit of de liquiditeit, of indien er tekenen zijn van een ontwikkeling die de beheerste en integere bedrijfsuitoefening, de liquiditeit of de solvabiliteit van de bank of beleggingsonderneming in gevaar kan brengen, dan wel indien een bank of beleggingsonderneming niet voldoet aan het bepaalde ingevolge artikel 3:62b, tweede lid, de onderstaande maatregelen treffen ten aanzien van die bank of beleggingsonderneming:
a. met inachtneming van artikel 104, derde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten voorschrijven dat zij over een hogere solvabiliteit of liquiditeit beschikt dan ingevolge de artikelen 3:57 en 3:63 van deze wet of ingevolge de verordening kapitaalvereisten is vereist;
b. voorschrijven dat ingevolge artikel 3:17 ingevoerde strategieën, maatregelen en procedures worden aangescherpt;
c. voorschrijven dat de bank of beleggingsonderneming een plan opstelt ten einde duurzaam te kunnen voldoen aan de in de aanhef bedoelde eisen en een datum vaststelt waarop het plan zal zijn uitgevoerd;
d. wijzigingen aanbrengen aan het plan, bedoeld in onderdeel c, voor wat betreft de reikwijdte daarvan en de datum waarop het plan zal zijn uitgevoerd;
e. voorschrijven dat in verband met de liquiditeitseisen of de solvabiliteitseisen een specifiek voorzieningenbeleid wordt gevoerd of de liquiditeitsposten of de activa op een specifieke wijze worden behandeld;
f. beperkingen opleggen aan bedrijfsactiviteiten en transacties van of netwerkrelaties tussen banken of beleggingsondernemingen;
g. voorschrijven dat activiteiten die een buitensporig risico met zich meebrengen voor de soliditeit van de bank of beleggingsonderneming worden beperkt of beëindigd;
h. voorschrijven dat de door de bank of beleggingsonderneming gelopen risico’s worden beperkt;
i. voorschrijven dat de bank of beleggingsonderneming het variabele deel van de beloning tot een bepaald percentage van de totale netto-inkomsten beperkt, indien deze beloning niet met het in stand houden van de soliditeit van de bank of beleggingsonderneming te verenigen is;
j. voorschrijven dat de bank of beleggingsonderneming haar nettowinsten gebruikt om de solvabiliteit te versterken;
k. beperkingen of een verbod opleggen ten aanzien van het doen van uitkeringen aan aandeelhouders of leden dan wel het doen van betalingen op aanvullende kapitaalinstrumenten als bedoeld in artikel 52 van de verordening kapitaalvereisten, voor zover dat niet leidt tot een tekortkoming in de nakoming van een betalingsverplichting;
l. voorschrijven dat de staten, bedoeld in artikel 3:72, en de rapportages, bedoeld in de artikelen 99 en 100 van de verordening kapitaalvereisten, frequenter worden verstrekt of dat daarin aanvullende informatie wordt opgenomen, onder meer met betrekking tot de solvabiliteit en de liquiditeitspositie;
m. bepaalde liquiditeitsvereisten opleggen, waaronder beperkingen met betrekking tot verschillen in looptijd tussen bepaalde activa en passiva;
n. voorschrijven dat de bank of beleggingsonderneming bij de toepassing van deel 8 van de verordening kapitaalvereisten aanvullende informatie openbaar maakt; of
o. haar voortdurende aanwezigheid instellen bij de bank of beleggingsonderneming.
2.
De Nederlandsche Bank treft in elk geval de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde maatregel indien:
a. de bank of beleggingsonderneming niet voldoet aan de bij of krachtens artikel 3:17 van deze wet of artikel 393 van de verordening kapitaalvereisten gestelde eisen;
b. bepaalde risico’s of aspecten daarvan worden niet gedekt door de vereiste solvabiliteit;
c. het opleggen van andere maatregelen naar het oordeel van de Nederlandsche Bank niet binnen een redelijke termijn zal leiden tot verbetering van de ingevolge artikel 3:17 ingevoerde strategieën, procedures en maatregelen;
d. op grond van de toetsing, bedoeld in artikel 3:18b, eerste lid, blijkt dat het niet voldoen aan de eisen voor het gebruik van een intern model naar het oordeel van de Nederlandsche Bank heeft geleid tot een vaststelling van de vereiste solvabiliteit op een te laag niveau;
e. de bank of beleggingsonderneming naar het oordeel van de Nederlandsche Bank de risico’s waar zij aan bloot staat te laag heeft ingeschat; of
f. uit de resultaten van de stresstest, bedoeld in artikel 377, vijfde lid, van de verordening kapitaalvereisten, blijkt dat de vereiste solvabiliteit met betrekking tot de correlatiehandelsportefeuille, bedoeld in artikel 338 van de verordening kapitaalvereisten, op een niveau is vastgesteld dat aanmerkelijk te laag is.
3.
De Nederlandsche Bank heft de maatregelen, bedoeld in het eerste en tweede lid, op zodra de omstandigheden, bedoeld in de aanhef van het eerste lid onderscheidenlijk het tweede lid, zich niet meer voordoen.
1.
Een betaalinstelling die voornemens is betaaldiensten te verlenen door tussenkomst van een betaaldienstagent, stelt de Nederlandsche Bank hiervan in kennis onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
2.
Indien de Nederlandsche Bank overeenkomstig het eerste lid de gegevens heeft ontvangen en zij er van overtuigd is dat de gegevens correct zijn, schrijft zij de agent in in het register, bedoeld in artikel 1:107.
3.
Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op elektronischgeldinstellingen met zetel in Nederland die door tussenkomst van een betaaldienstagent betaaldiensten verlenen.
Artikel 3:111c
Een levensverzekeraar, natura-uitvaartverzekeraar of schadeverzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, kan zijn rechten en verplichtingen uit verzekering uitsluitend overdragen aan een andere verzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang. De Nederlandsche Bank kan echter toestaan dat de rechten en verplichtingen uit verzekering worden overgedragen aan een verzekeraar met beperkte risico-omvang, die onder prudentieel toezicht staat.
1.
Een levensverzekeraar met zetel in Nederland die rechten en verplichtingen uit levensverzekering wenst over te dragen, behoeft daarvoor de instemming van de Nederlandsche Bank indien het betreft:
a. de overdracht van rechten en verplichtingen uit levensverzekering, gesloten vanuit een vestiging in een lidstaat, aan een andere levensverzekeraar met zetel in een lidstaat in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in een lidstaat;
b. de overdracht van rechten en verplichtingen uit levensverzekering, gesloten vanuit de zetel in Nederland, aan een andere levensverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor;
c. de overdracht van rechten en verplichtingen uit een levensverzekering, gesloten vanuit een in een andere lidstaat gelegen bijkantoor, aan een andere levensverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in een lidstaat gelegen bijkantoor.
2.
In het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, stemt de Nederlandsche Bank slechts met de overdracht in indien de betrokken toezichthoudende instanties daarmee eveneens op verzoek van de Nederlandsche Bank hebben ingestemd.
3.
In afwijking van het eerste lid behoeven levensverzekeraars met zetel in Nederland niet de instemming van de Nederlandsche Bank voor overdracht van hun rechten en verplichtingen uit een individuele levensverzekering op verzoek van de verzekeringnemer.
1.
Een natura-uitvaartverzekeraar met zetel in Nederland die rechten en verplichtingen uit natura-uitvaartverzekering wenst over te dragen, behoeft daarvoor de instemming van de Nederlandsche Bank indien het betreft:
a. de overdracht van rechten en verplichtingen uit natura-uitvaartverzekering, gesloten vanuit de zetel in Nederland, aan een andere natura-uitvaartverzekeraar of aan een levensverzekeraar met vestiging in Nederland in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in Nederland;
b. de overdracht van rechten en verplichtingen uit natura-uitvaartverzekering, gesloten vanuit een buiten Nederland gelegen bijkantoor, aan een andere natura-uitvaartverzekeraar of aan een levensverzekeraar in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in Nederland.
2.
Een levensverzekeraar met zetel in Nederland die rechten en verplichtingen uit natura-uitvaartverzekering wenst over te dragen, behoeft daarvoor de instemming van de Nederlandsche Bank indien het betreft:
a. de overdracht van rechten en verplichtingen uit natura-uitvaartverzekering, gesloten vanuit de zetel in Nederland, aan een andere natura-uitvaartverzekeraar met vestiging in Nederland in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in Nederland;
b. de overdracht van rechten en verplichtingen uit natura-uitvaartverzekering, gesloten vanuit een buiten Nederland gelegen bijkantoor, aan een andere natura-uitvaartverzekeraar in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in Nederland.
3.
In het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, onderdeel b, stemt de Nederlandsche Bank slechts met de overdracht in indien de betrokken toezichthoudende instantie van die staat, voorzover aanwezig, daarmee eveneens op verzoek van de Nederlandsche Bank heeft ingestemd.
4.
In afwijking van het eerste lid kan een natura-uitvaartverzekeraar met zetel in Nederland zijn rechten en verplichtingen uit een individuele natura-uitvaartverzekering op verzoek van de verzekeringnemer overdragen.
1.
Een schadeverzekeraar met zetel in Nederland die rechten en verplichtingen krachtens schadeverzekering wenst over te dragen, kan die overdracht met instemming van de Nederlandsche Bank doen plaatsvinden zonder medewerking of instemming van degenen die aan die schadeverzekeringen rechten kunnen ontlenen indien het betreft:
a. de overdracht van rechten en verplichtingen krachtens schadeverzekering, gesloten vanuit een vestiging in een lidstaat, aan een andere schadeverzekeraar met zetel in een lidstaat in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in een lidstaat;
b. de overdracht van rechten en verplichtingen krachtens schadeverzekering, gesloten vanuit de zetel in Nederland, aan een andere schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor;
c. de overdracht van rechten en verplichtingen krachtens schadeverzekering, gesloten vanuit een in een andere lidstaat gelegen bijkantoor, aan een andere schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in een lidstaat gelegen bijkantoor.
2.
In het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, stemt de Nederlandsche Bank slechts met de overdracht in indien de betrokken toezichthoudende instanties daarmee eveneens op verzoek van de Nederlandsche Bank instemmen.
1.
Een herverzekeraar met zetel in Nederland die rechten en verplichtingen uit herverzekering wenst over te dragen, kan die overdracht met instemming van de Nederlandsche Bank doen plaatsvinden zonder medewerking of instemming van degenen die aan die herverzekeringen rechten kunnen ontlenen indien het betreft:
a. de overdracht van rechten en verplichtingen uit herverzekering, gesloten vanuit een vestiging in een lidstaat, aan een andere herverzekeraar met zetel in een lidstaat in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in een lidstaat;
b. de overdracht van rechten en verplichtingen uit herverzekering, gesloten vanuit de zetel in Nederland, aan een andere herverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor;
c. de overdracht van rechten en verplichtingen uit herverzekering, gesloten vanuit een in een andere lidstaat gelegen bijkantoor, aan een andere herverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in een lidstaat gelegen bijkantoor.
2.
In het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, stemt de Nederlandsche Bank slechts met de voordracht in indien de betrokken toezichthoudende instanties daarmee eveneens op verzoek van de Nederlandsche Bank instemmen.
1.
Met een overdracht van de rechten en verplichtingen uit alle levensverzekeringen, uit alle natura-uitvaartverzekeringen, krachtens alle schadeverzekeringen of uit alle herverzekeringen door levensverzekeraars, natura-uitvaartverzekeraars, schadeverzekeraars onderscheidenlijk herverzekeraars met zetel in Nederland, wordt gelijkgesteld de overgang van deze rechten en verplichtingen bij een fusie als bedoeld in artikel 309 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of bij een splitsing als bedoeld in artikel 334a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
2.
Op een overgang als bedoeld in het eerste lid met betrekking tot een levensverzekeraar met zetel in Nederland, zijn de artikelen 3:112, eerste lid, aanhef en onderdeel a, en tweede lid, 3:113, tweede lid, aanhef en onderdeel a, 3:116, 3:117, eerste lid, 3:118, eerste lid, onderdeel a, vierde en vijfde lid, 3:119 en 3:120, eerste tot en met vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
3.
Op een overgang als bedoeld in het eerste lid met betrekking tot een natura-uitvaartverzekeraar met zetel in Nederland, zijn de artikelen 3:113, eerste lid, aanhef en onderdeel a, 3:116, 3:118, zesde lid, 3:119 en 3:120, eerste tot en met derde lid, van overeenkomstige toepassing.
4.
Op een overgang als bedoeld in het eerste lid met betrekking tot een schadeverzekeraar met zetel in Nederland, zijn de artikelen 3:114, eerste lid, aanhef en onderdeel a, 3:116, 3:117, tweede lid, 3:118, eerste tot en met vijfde lid, en 3:120, eerste tot en met derde, vijfde, zevende en negende lid, van overeenkomstige toepassing.
5.
Op een overgang als bedoeld in het eerste lid met betrekking tot een herverzekeraar met zetel in Nederland, zijn de artikelen 3:114a, eerste lid, aanhef en onderdeel a, 3:116, 3:118a en 3:120, eerste en derde lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3:116
De aanvraag van instemming met een overdracht als bedoeld in artikel 3:112, eerste lid, 3:113, eerste en tweede lid, 3:114, eerste lid, of  3:114a, eerste lid, geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.
1.
Indien een voorgenomen overdracht als bedoeld in artikel 3:112, eerste lid, onderdeel a, betrekking heeft op levensverzekeringen, gesloten vanuit een in een andere lidstaat gelegen bijkantoor, en in geval van een overdracht als bedoeld in artikel 3:112, eerste lid, onderdeel c, legt de Nederlandsche Bank na ontvangst van de gegevens, bedoeld in artikel 3:116 deze gegevens voor advies voor aan de toezichthoudende instantie van elke betrokken lidstaat.
2.
Indien een voorgenomen overdracht als bedoeld in artikel 3:114, eerste lid, onderdeel a, betrekking heeft op schadeverzekeringen, gesloten vanuit een in een andere lidstaat gelegen bijkantoor, en in geval van een overdracht als bedoeld in artikel 3:114, eerste lid, onderdeel c, legt de Nederlandsche Bank na ontvangst van de gegevens, bedoeld in artikel 3:116 deze gegevens voor advies voor aan de toezichthoudende instantie van elke betrokken lidstaat.
1.
De Nederlandsche Bank stemt slechts in met een overdracht als bedoeld in artikel 3:112, eerste lid, of artikel 3:114, eerste lid, aan:
a. een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in Nederland, indien deze levensverzekeraar of schadeverzekeraar, mede gelet op de voorgenomen overdracht,voldoet aan het solvabiliteitskapitaalvereiste en er bij de Nederlandsche Bank geen bedenkingen bestaan tegen de overdracht;
b. een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een andere lidstaat, indien de toezichthoudende instantie van die lidstaat op verzoek van de Nederlandsche Bank heeft verklaard dat deze levensverzekeraar of schadeverzekeraar, mede gelet op de voorgenomen overdracht, voldoet aan het solvabiliteitskapitaalvereiste en er bij de Nederlandsche Bank geen bedenkingen bestaan tegen de overdracht; of
c. een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, indien het betrokken bijkantoor, mede gelet op de voorgenomen overdracht, voldoet aan het solvabiliteitskapitaalvereiste en er bij de Nederlandsche Bank geen bedenkingen bestaan tegen de overdracht.
2.
Indien een toezichthoudende instantie van een lidstaat belast is met het toezicht op het solvabiliteitskapitaalvereiste van het bijkantoor, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, stemt de Nederlandsche Bank slechts in nadat die toezichthoudende instantie op verzoek van de Nederlandsche Bank heeft medegedeeld dat het bijkantoor, mede gelet op de voorgenomen overdracht, voldoet aan het solvabiliteitskapitaalvereiste.
3.
De Nederlandsche Bank stemt slechts in met een overdracht als bedoeld in artikel 3:112, eerste lid, of artikel 3:114, eerste lid, aan een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in een andere staat gelegen bijkantoor indien:
a. de toezichthoudende instantie van die lidstaat dan wel, indien een andere toezichthoudende instantie van een lidstaat belast is met het toezicht op het solvabiliteitskapitaalvereiste van het betrokken bijkantoor, laatstbedoelde instantie op verzoek van de Nederlandsche Bank heeft medegedeeld dat het bijkantoor, mede gelet op de voorgenomen overdracht, voldoet aan het solvabiliteitskapitaalvereiste; en
b. de betrokken toezichthoudende instantie op verzoek van de Nederlandsche Bank instemt met de overdracht.
4.
Voorzover een overdracht betrekking heeft op schadeverzekeringen bij het sluiten waarvan in een andere lidstaat gelegen risico’s zijn verzekerd dan wel op door middel van het verrichten van diensten naar een andere lidstaat gesloten levensverzekeringen, stemt de Nederlandsche Bank slechts in nadat de toezichthoudende instantie van die lidstaat op verzoek van de Nederlandsche Bank heeft verklaard met de overdracht in te stemmen.
5.
Indien de toezichthoudende instantie, bedoeld in het vierde lid of in artikel 3:117, niet binnen drie maanden na ontvangst van het daartoe strekkende verzoek van de Nederlandsche Bank heeft gereageerd, wordt zulks gelijkgesteld met een gunstig advies onderscheidenlijk een instemming.
6.
De Nederlandsche Bank stemt slechts in met een overdracht als bedoeld in artikel 3:113, eerste of tweede lid, aan:
a. een levensverzekeraar met zetel in Nederland, met zetel in een andere lidstaat of met zetel in een staat die geen lidstaat is, indien deze levensverzekeraar, mede gelet op de voorgenomen overdracht, voldoet aan het solvabiliteitskapitaalvereiste en er bij de Nederlandsche Bank geen bedenkingen bestaan tegen de overdracht;
b. een natura-uitvaartverzekeraar met zetel in Nederland, indien deze natura-uitvaartverzekeraar, mede gelet op de voorgenomen overdracht, voldoet aan het solvabiliteitskapitaalvereiste en er bij de Nederlandsche Bank geen bedenkingen bestaan tegen de overdracht; en
c. een natura-uitvaartverzekeraar met zetel buiten Nederland in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor indien het betrokken bijkantoor, mede gelet op de voorgenomen overdracht, voldoet aan het solvabiliteitskapitaalvereiste en er bij de Nederlandsche Bank geen bedenkingen bestaan tegen de overdracht.
1.
De Nederlandsche Bank stemt slechts in met een overdracht als bedoeld in artikel 3:114a, aan:
a. een herverzekeraar met zetel in Nederland, indien deze herverzekeraar, mede gelet op de voorgenomen overdracht, voldoet aan het solvabiliteitskapitaalvereiste;
b. een herverzekeraar met zetel in een andere lidstaat of een aangewezen staat, indien de toezichthoudende instantie van de staat op verzoek van de Nederlandsche Bank heeft verklaard dat deze herverzekeraar, mede gelet op de voorgenomen overdracht, voldoet aan het solvabiliteitskapitaalvereiste; of
c. een herverzekeraar met zetel in een niet-aangewezen staat in het kader van dienst bedrijfsuitoefening vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, indien het betrokken bijkantoor, mede gelet op de voorgenomen overdracht, voldoet aan het solvabiliteitskapitaalvereiste.
2.
De Nederlandsche Bank stemt slechts in met een overdracht als bedoeld in artikel 3:114a, eerste lid, aan een herverzekeraar met zetel in een niet-aangewezen lidstaat in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in een andere lidstaat gelegen bijkantoor:
a. de toezichthoudende instantie van die lidstaat op verzoek van de Nederlandsche Bank heeft medegedeeld dat het bijkantoor, mede gelet op de voorgenomen overdracht, voldoet aan het solvabiliteitskapitaalvereiste; en
b. de betrokken toezichthoudende instantie op verzoek van de Nederlandsche Bank instemt met de overdracht.
1.
Indien de gegevens, bedoeld in artikel 3:116 voldoende zijn voor de voorbereiding van de beschikking, geeft de Nederlandsche Bank opdracht aan de levensverzekeraar of natura-uitvaartverzekeraar om van zijn voornemen tot overdracht van rechten en verplichtingen mededeling te doen in de Staatscourant en op andere door de Nederlandsche Bank te bepalen wijze. Daarbij doet de Nederlandsche Bank mededeling van de termijn waarbinnen de betrokken polishouders zich bij de Nederlandsche Bank schriftelijk tegen de overdracht kunnen verzetten.
2.
Indien een vierde of meer van de polishouders zich binnen de door de Nederlandsche Bank gestelde termijn, bedoeld in het eerste lid, tegen de voorgenomen overdracht door een levensverzekeraar of natura-uitvaartverzekeraar heeft verzet, verleent de Nederlandsche Bank geen instemming.
3.
Heeft de Nederlandsche Bank bedenkingen tegen de overdracht, dan deelt zij deze bedenkingen na afloop van de gestelde termijn mee aan de levensverzekeraar of natura-uitvaartverzekeraar.
4.
Indien zich niet binnen de door de Nederlandsche Bank gestelde termijn, bedoeld in het eerste lid, een vierde of meer van de polishouders tegen de voorgenomen overdracht heeft verzet en tegen de overdracht ook bij de Nederlandsche Bank geen bedenkingen bestaan, verleent de Nederlandsche Bank de levensverzekeraar of natura-uitvaartverzekeraar instemming met de overdracht. De overdracht kan dan plaatsvinden en is van kracht ten aanzien van alle betrokkenen.
5.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder polishouder verstaan de verzekeringnemer of zijn rechtsopvolger, doch indien een uitkering uit de verzekering opeisbaar is, de tot de uitkering gerechtigde. In het geval van overdracht door een levensverzekeraar wordt, indien de verzekeringnemer bij een uitvoeringsovereenkomst als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet met een verzekeraar ontbreekt, onder polishouder verstaan degene die wegens het verbreken van de band met de onderneming van zijn werkgever een premievrije aanspraak op uitkeringen heeft verkregen. In afwijking van de eerste en tweede volzin wordt ingeval van een collectieve levensverzekering voor de toepassing van het tweede lid het aantal verzekerden in aanmerking genomen.
1.
De verzekeraar die rechten en verplichtingen met instemming van de Nederlandsche Bank heeft overgedragen, doet van de overdracht mededeling in de Staatscourant.
2.
Een levensverzekeraar of natura-uitvaartverzekeraar vermeldt bij de mededeling, bedoeld in het eerste lid, de datum waarop de overdracht is geschied. Een schadeverzekeraar doet tevens van de overdracht mededeling op andere door de Nederlandsche Bank te bepalen wijze.
3.
De inhoud van de mededelingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, behoeft voorafgaande instemming van de Nederlandsche Bank.
4.
Indien in de overdracht levensverzekeringen zijn betrokken die door middel van het verrichten van diensten naar een andere lidstaat zijn gesloten, doet de levensverzekeraar van de overdracht tevens mededeling in die lidstaat. Het derde lid is in dat geval van overeenkomstige toepassing.
5.
Indien in de overdracht schadeverzekeringen zijn betrokken, waarbij risico’s zijn verzekerd, die in een andere lidstaat zijn gelegen, doet de schadeverzekeraar van de overdracht tevens mededeling in die lidstaat. Het derde lid is in dat geval van overeenkomstige toepassing.
6.
De overdracht door een schadeverzekeraar wordt ten aanzien van alle andere betrokkenen dan de betrokken schadeverzekeraars van kracht met ingang van de tweede dag, volgend op die van de dagtekening van de Staatscourant waarin de publicatie is geplaatst.
7.
De bij de overdracht door een schadeverzekeraar betrokken verzekeringnemers kunnen gedurende drie maanden na de dagtekening van de Staatscourant waarin de publicatie is geplaatst de schadeverzekering schriftelijk opzeggen met ingang van de dag na afloop van deze termijn. De schadeverzekeraar geeft alsdan de vooruitbetaalde premie alsmede de voldane assurantiebelasting terug voor het gedeelte dat evenredig is aan het op de hiervoor bedoelde dag nog niet verstreken gedeelte van de termijn waarvoor de premie en de assurantiebelasting werden betaald.
8.
Indien een verzekeringnemer die lid is van een onderlinge waarborgmaatschappij met zetel in Nederland of van een onderneming op onderlinge grondslag met zetel in een staat die geen lidstaat is ingevolge de overdracht geen verzekering meer bij deze verzekeraar heeft lopen, eindigt zijn lidmaatschap uit dien hoofde van rechtswege met ingang van de tweede dag, volgend op die van de dagtekening van de Staatscourant waarin de publicatie is geplaatst.
9.
Indien bij de overdracht het lidmaatschap van een onderlinge waarborgmaatschappij met zetel in Nederland of van een onderneming op onderlinge grondslag met zetel buiten Nederland is verkregen, eindigt in geval van opzegging overeenkomstig het zevende lid dit lidmaatschap en de daaruit voortvloeiende aansprakelijkheid voor een tekort van rechtswege met ingang van de dag na afloop van de termijn, bedoeld in dat lid.
1.
Indien de wetgeving van een andere lidstaat niet voorziet in een instemmingprocedure voor een levensverzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, met zetel aldaar voor de overdracht van rechten en verplichtingen uit levensverzekering, gesloten vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, aan een andere levensverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is, in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, kan de overdracht plaatsvinden met instemming van de Nederlandsche Bank.
2.
Indien de wetgeving van een andere lidstaat niet voorziet in een instemmingprocedure voor een schadeverzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, met zetel aldaar voor de overdracht van rechten en verplichtingen krachtens schadeverzekering, gesloten vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, aan een andere schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is, in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, kan de overdracht plaatsvinden met instemming van de Nederlandsche Bank en zonder medewerking of instemming van degenen die aan die schadeverzekeringen rechten kunnen ontlenen.
3.
De Nederlandsche Bank verleent geen instemming alvorens de toezichthoudende instantie van de lidstaat van de zetel van de overdragende verzekeraar op verzoek van de Nederlandsche Bank aan haar heeft verklaard met die overdracht in te stemmen.
1.
Met een overdracht van de rechten en verplichtingen uit alle levensverzekeringen of krachtens alle schadeverzekeringen door levensverzekeraars onderscheidenlijk schadeverzekeraars, niet zijnde verzekeraars met beperkte risico-omvang, met zetel in een andere lidstaat, wordt gelijkgesteld de overgang van deze rechten en verplichtingen bij een fusie als bedoeld in artikel 309 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of bij een splitsing als bedoeld in artikel 334a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
2.
Op een overgang als bedoeld in het eerste lid met betrekking tot een levensverzekeraar zijn de artikelen 3:112, eerste lid, aanhef en onderdeel a, 3:113, tweede lid, aanhef en onderdeel a, 3:116, 3:117, eerste lid, 3:118, eerste, tweede en vijfde lid, 3:119 en 3:120, eerste tot en met vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
3.
Op een overgang als bedoeld in het eerste lid met betrekking tot een schadeverzekeraar zijn de artikelen 3:114, eerste lid, aanhef en onderdeel a, 3:116, 3:117, tweede lid, 3:118, eerste tot en met vijfde lid, en 3:120, eerste tot en met derde, vijfde, zevende en negende lid, van overeenkomstige toepassing.
1.
Indien een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat de Nederlandsche Bank vraagt om haar advies over of instemming met een voorgenomen overdracht van rechten en verplichtingen uit levensverzekering of krachtens schadeverzekering, geeft zij haar advies of instemming binnen drie maanden na ontvangst van het daartoe strekkende verzoek.
2.
Indien de overdracht geschiedt aan een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een andere lidstaat in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in een andere lidstaat stemt de Nederlandsche Bank niet in met:
a. een overdracht door een levensverzekeraar aan een levensverzekeraar met zetel in een andere lidstaat, indien de overdracht betrekking heeft op een vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor gesloten levensverzekering waarbij geen sprake is van het verrichten van diensten en de overdracht niet in het belang is van degenen die aan die levensverzekering rechten kunnen ontlenen; en
b. een overdracht door een schadeverzekeraar aan een schadeverzekeraar met zetel in een andere lidstaat, indien de overdracht betrekking heeft op een vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor gesloten schadeverzekering waarvan de risico’s in Nederland zijn gelegen en de overdracht niet in het belang is van degenen die aan die schadeverzekering rechten kunnen ontlenen.
3.
Indien de overdracht geschiedt aan een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een bijkantoor in een andere lidstaat stemt de Nederlandsche Bank niet in met:
a. een overdracht door een levensverzekeraar aan een levensverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is, indien de overdracht betrekking heeft op een vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor gesloten levensverzekering waarbij geen sprake is van het verrichten van diensten, tenzij de overdracht in het belang is van degenen die aan die levensverzekering rechten kunnen ontlenen;
b. een overdracht door een schadeverzekeraar aan een schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is, indien de overdracht betrekking heeft op een vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor gesloten schadeverzekering waarvan de risico’s in Nederland zijn gelegen, tenzij de overdracht in het belang is van degenen die aan die schadeverzekering rechten kunnen ontlenen.
1.
De instemming, verleend door een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat aan een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in die lidstaat met overdracht van rechten en verplichtingen uit een levensverzekering of krachtens een schadeverzekering in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor dan wel in het kader van het verrichten van diensten naar Nederland vanuit een vestiging in een andere lidstaat, treedt in de plaats van de medewerking of de instemming van degenen die aan die levensverzekeringen of schadeverzekeringen rechten kunnen ontlenen.
2.
De levensverzekeraar of schadeverzekeraar die rechten en verplichtingen ingevolge het eerste lid heeft overgedragen, doet van de overdracht mededeling in de Staatscourant en op andere door de Nederlandsche Bank te bepalen wijze. De inhoud van deze publicaties behoeft voorafgaande instemming van de Nederlandsche Bank.
3.
De overdracht wordt ten aanzien van alle andere betrokkenen dan de betrokken levensverzekeraars of schadeverzekeraars van kracht op het volgens het recht van de betrokken lidstaat te bepalen tijdstip, dan wel, bij gebreke van een regeling in die lidstaat, met ingang van de tweede dag, volgend op die van de dagtekening van de Staatscourant waarin de publicatie is geplaatst.
4.
In geval van overdracht door een schadeverzekeraar kunnen de bij een overdracht betrokken verzekeringnemers de schadeverzekering volgens de door het recht van de betrokken lidstaat bepaalde wijze opzeggen. Bij gebreke van een regeling in die lidstaat is artikel 3:120, zevende lid, van overeenkomstige toepassing.
5.
Indien bij de overdracht door een schadeverzekeraar het lidmaatschap van een onderlinge waarborgmaatschappij met zetel in Nederland of van een onderneming op onderlinge grondslag met zetel buiten Nederland is verkregen, eindigt in geval van opzegging ingevolge het vierde lid dit lidmaatschap en de daaruit voortvloeiende aansprakelijkheid voor een tekort van rechtswege volgens de door het recht van de betrokken lidstaat bepaalde wijze, dan wel, bij gebreke van een regeling in die lidstaat, met ingang van de dag na afloop van de termijn, bedoeld in artikel 3:120, zevende lid.
6.
Indien een verzekeringnemer die lid is van een onderneming op onderlinge grondslag ingevolge de overdracht geen levensverzekeringen meer bij de levensverzekeraar heeft lopen, eindigt zijn lidmaatschap van rechtswege volgens de door het recht van de betrokken lidstaat bepaalde wijze, dan wel, bij gebreke van een regeling in die lidstaat, met ingang van de tweede dag, volgend op die van de dagtekening van de Staatscourant waarin de publicatie is geplaatst.
1.
Indien een levensverzekeraar met zetel in een andere lidstaat instemming vraagt aan de toezichthoudende instantie van de lidstaat van zijn zetel om rechten en verplichtingen uit een levensverzekering in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor over te dragen aan een andere levensverzekeraar, doet hij van de voorgenomen overdracht onverwijld mededeling in de Staatscourant en op andere door de Nederlandsche Bank te bepalen wijze. Daarbij wordt mededeling gedaan van een door de Nederlandsche Bank vast te stellen termijn, waarbinnen de betrokken polishouders zich bij de Nederlandsche Bank schriftelijk tegen de overdracht kunnen verzetten.
2.
Indien een vierde of meer van de polishouders zich binnen de gestelde termijn tegen de overdracht heeft verzet, verleent de Nederlandsche Bank geen instemming.
3.
Artikel 3:119, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
1.
Een levensverzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, met zetel in een staat die geen lidstaat is, die rechten en verplichtingen uit levensverzekering wenst over te dragen, behoeft daarvoor instemming van de Nederlandsche Bank indien het betreft:
a. de overdracht van rechten en verplichtingen uit levensverzekering, gesloten vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, aan een andere levensverzekeraar met zetel in een lidstaat in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in een lidstaat;
b. de overdracht van rechten en verplichtingen uit levensverzekering, gesloten vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, aan een andere levensverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor.
2.
Voorzover levensverzekeringen als bedoeld in het eerste lid door middel van het verrichten van diensten naar een andere lidstaat zijn gesloten, kan de levensverzekeraar rechten en verplichtingen onder de in de aanhef van het eerste lid gestelde voorwaarde tevens overdragen aan een andere levensverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in die lidstaat gelegen bijkantoor.
3.
In afwijking van het eerste en tweede lid kunnen levensverzekeraars, niet zijnde verzekeraars met beperkte risico-omvang, met zetel in een staat die geen lidstaat is hun rechten en verplichtingen uit een individuele levensverzekering op schriftelijk verzoek van de verzekeringnemer overdragen.
4.
Op een overdracht als bedoeld in het eerste lid is het bepaalde ingevolge de artikelen 3:116, 3:119 en 3:120, eerste tot en met vierde lid en achtste lid, van overeenkomstige toepassing.
1.
Een schadeverzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, met zetel in een staat die geen lidstaat is, die rechten en verplichtingen krachtens schadeverzekering wenst over te dragen, kan die overdracht met instemming van de Nederlandsche Bank doen plaatsvinden zonder medewerking of instemming van degenen die aan die schadeverzekeringen rechten kunnen ontlenen indien het betreft:
a. de overdracht aan een andere schadeverzekeraar met zetel in een lidstaat in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in een lidstaat;
b. de overdracht aan een andere schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor.
2.
Voorzover bij het sluiten van de in het eerste lid bedoelde schadeverzekeringen in een andere lidstaat gelegen risico’s zijn verzekerd, kan de schadeverzekeraar rechten en verplichtingen onder de in de aanhef van dat lid gestelde voorwaarde tevens overdragen aan een andere schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een bijkantoor in de lidstaat waar het risico is gelegen.
3.
Op een overdracht als bedoeld in het eerste lid is het bepaalde ingevolge de artikelen 3:116 en 3:120, eerste tot en met derde en vijfde tot en met negende lid, van overeenkomstige toepassing.
1.
Met een overdracht van de rechten en verplichtingen uit alle levensverzekeringen of krachtens alle schadeverzekeringen door levensverzekeraars onderscheidenlijk schadeverzekeraars, niet zijnde verzekeraars met beperkte risico-omvang, met zetel in een staat die geen lidstaat is, wordt gelijkgesteld de overgang van deze rechten en verplichtingen bij een fusie als bedoeld in artikel 309 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of bij een splitsing als bedoeld in artikel 334a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
2.
Op een overgang als bedoeld in het eerste lid met betrekking tot een levensverzekeraar zijn de artikelen 3:112, eerste lid, aanhef en onderdeel a, 3:113, tweede lid, aanhef en onderdeel a, 3:116, 3:117, eerste lid, 3:118, eerste, tweede en vijfde lid, 3:119 en 3:120, eerste tot en met vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
3.
Op een overgang als bedoeld in het eerste lid met betrekking tot een schadeverzekeraar zijn de artikelen 3:114, eerste lid, aanhef en onderdeel a, 3:116, 3:117, tweede lid, 3:118, eerste tot en met vijfde lid, en 3:120, eerste tot en met derde, vijfde, zevende en negende lid, van overeenkomstige toepassing.
1.
De Nederlandsche Bank stemt slechts in met een overdracht als bedoeld in artikel 3:126, eerste en tweede lid, of 3:127, eerste en tweede lid, aan:
a. een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in Nederland indien deze levensverzekeraar of schadeverzekeraar, mede gelet op de voorgenomen overdracht, voldoet aan het solvabiliteitskapitaalvereiste en er bij de Nederlandsche Bank geen bedenkingen bestaan tegen de overdracht;
b. een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een andere lidstaat indien de toezichthoudende instantie van die lidstaat op verzoek van de Nederlandsche Bank heeft verklaard dat deze levensverzekeraar of schadeverzekeraar, mede gelet op de voorgenomen overdracht, voldoet aan het solvabiliteitskapitaalvereiste en er bij de Nederlandsche Bank geen bedenkingen bestaan tegen de overdracht en er bij de Nederlandsche Bank geen bedenkingen bestaan tegen de overdracht;
c. een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, indien het betrokken bijkantoor, mede gelet op de voorgenomen overdracht, voldoet aan het solvabiliteitskapitaalvereiste en er bij de Nederlandsche Bank geen bedenkingen bestaan tegen de overdracht;
d. een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit bijkantoor in een andere lidstaat met betrekking tot de naar die lidstaat in dienstverrichting gesloten verzekeringen indien de wetgeving van die lidstaat in de mogelijkheid van een dergelijke overdracht voorziet en de betrokken toezichthoudende instantie heeft verklaard met die overdracht in te stemmen.
2.
Indien een andere toezichthoudende instantie van een lidstaat belast is met het toezicht op het solvabiliteitskapitaalvereiste van het betrokken bijkantoor, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, stemt de Nederlandsche Bank slechts in nadat die toezichthoudende instantie op verzoek van de Nederlandsche Bank heeft verklaard dat het bijkantoor, mede gelet op de voorgenomen overdracht, voldoet aan het solvabiliteitskapitaalvereiste.
3.
Artikel 3:118, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
1.
Een levensverzekeraar of schadeverzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, met zetel in een staat die geen lidstaat is die rechten en verplichtingen uit levensverzekering onderscheidenlijk rechten of verplichtingen krachtens schadeverzekering, door hem bij het verrichten van diensten naar Nederland gesloten, met instemming van de bevoegde toezichthoudende instantie aan een andere levensverzekeraar onderscheidenlijk een andere schadeverzekeraar heeft overgedragen, doet van de overdracht in Nederland mededeling op door de Nederlandsche Bank te bepalen wijze.
2.
De inhoud van de mededeling, bedoeld in het eerste lid, behoeft voorafgaande instemming van de Nederlandsche Bank.
1.
Een levensverzekeraar met beperkte risico-omvang met zetel in een niet-aangewezen staat die rechten en verplichtingen uit levensverzekering wenst over te dragen, behoeft daarvoor instemming van de Nederlandsche Bank indien het betreft de overdracht van rechten en verplichtingen uit levensverzekering gesloten vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor. De overdracht geschiedt aan een andere levensverzekeraar in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in Nederland.
2.
Indien de wetgeving van een andere staat niet voorziet in een instemmingprocedure voor een levensverzekeraar met beperkte risico-omvang met zetel aldaar tot overdracht van zijn rechten en verplichtingen uit levensverzekering, gesloten vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, aan een andere levensverzekeraar in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, kan de overdracht slechts plaatsvinden met instemming van de Nederlandsche Bank.
3.
De Nederlandsche Bank stemt slechts in met een overdracht als bedoeld in het eerste lid aan een levensverzekeraar in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in Nederland indien deze levensverzekeraar, mede gelet op de voorgenomen overdracht, voldoet aan het solvabiliteitskapitaalvereiste en er bij de Nederlandsche Bank geen bedenkingen bestaan tegen de overdracht.
4.
De Nederlandsche Bank stemt in met een overdracht als bedoeld in het eerste lid nadat de toezichthoudende instantie in de staat van de zetel van de overdragende levensverzekeraar heeft verklaard met die overdracht in te stemmen.
5.
In afwijking van het tweede en vierde lid kan een levensverzekeraar met zetel in een niet-aangewezen staat zijn rechten en verplichtingen uit een individuele levensverzekering op verzoek van de verzekeringnemer overdragen.
6.
Op een overdracht als bedoeld in het eerste lid is het bepaalde ingevolge de artikelen 3:116, 3:119 en 3:120, eerste tot en met derde lid, van overeenkomstige toepassing.
1.
Een natura-uitvaartverzekeraar met zetel in een niet-aangewezen staat die rechten en verplichtingen uit natura-uitvaartverzekering wenst over te dragen, behoeft daarvoor instemming van de Nederlandsche Bank indien het betreft de overdracht van rechten en verplichtingen uit natura-uitvaartverzekering gesloten vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor. De overdracht geschiedt aan een andere natura-uitvaartverzekeraar of aan een levensverzekeraar in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in Nederland.
2.
Indien de wetgeving van een andere staat niet voorziet in een instemmingprocedure voor een natura-uitvaartverzekeraar met zetel aldaar tot overdracht van zijn rechten en verplichtingen uit natura-uitvaartverzekering, gesloten vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, aan een andere natura-uitvaartverzekeraar of aan een levensverzekeraar in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, kan de overdracht plaatsvinden met instemming van de Nederlandsche Bank.
3.
De Nederlandsche Bank stemt slechts in met een overdracht als bedoeld in het eerste lid aan:
a. een natura-uitvaartverzekeraar in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in Nederland indien deze natura-uitvaartverzekeraar, mede gelet op de voorgenomen overdracht, voldoet aan het solvabiliteitskapitaalvereiste en er bij de Nederlandsche Bank geen bedenkingen bestaan tegen de overdracht;
b. een levensverzekeraar in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in Nederland indien deze levensverzekeraar, mede gelet op de voorgenomen overdracht, voldoet aan het solvabiliteitskapitaalvereiste en, voor zover het betreft een levensverzekeraar met zetel in een lidstaat, er bij de Nederlandsche Bank geen bedenkingen bestaan tegen de overdracht.
4.
De Nederlandsche Bank stemt in met een overdracht als bedoeld in het eerste lid nadat de toezichthoudende instantie, voorzover aanwezig, in de staat van de zetel van de overdragende natura-uitvaartverzekeraar heeft verklaard met die overdracht in te stemmen.
5.
In afwijking van het tweede en vierde lid kan een natura-uitvaartverzekeraar met zetel in een niet-aangewezen staat zijn rechten en verplichtingen uit een individuele natura-uitvaartverzekering op verzoek van de verzekeringnemer overdragen.
6.
Op een overdracht als bedoeld in het eerste lid is het bepaalde ingevolge de artikelen 3:116, 3:119 en 3:120, eerste tot en met derde lid, van overeenkomstige toepassing.
1.
Een schadeverzekeraar met beperkte risico-omvang met zetel in een niet-aangewezen staat die rechten en verplichtingen uit schadeverzekering wenst over te dragen, kan die overdracht met instemming van de Nederlandsche Bank doen plaatsvinden zonder medewerking of instemming van degenen die aan die schadeverzekeringen rechten kunnen ontlenen indien het betreft de overdracht van rechten en verplichtingen uit schadeverzekering gesloten vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, aan een andere schadeverzekeraar in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in Nederland.
2.
Indien de wetgeving van een andere staat niet voorziet in een instemmingprocedure voor een schadeverzekeraar met beperkte risico-omvang met zetel aldaar tot overdracht van zijn rechten en verplichtingen uit schadeverzekering, gesloten vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, aan een andere schadeverzekeraar in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, kan de overdracht plaatsvinden met instemming van de Nederlandsche Bank.
3.
De Nederlandsche Bank stemt slechts in met een overdracht als bedoeld in het eerste lid aan een schadeverzekeraar in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in Nederland indien deze schadeverzekeraar, mede gelet op de voorgenomen overdracht, voldoet aan het solvabiliteitskapitaalvereiste en er bij de Nederlandsche Bank geen bedenkingen bestaan tegen de overdracht.
4.
De Nederlandsche Bank stemt in met een overdracht als bedoeld in het eerste lid nadat de toezichthoudende instantie in de staat van de zetel van de overdragende schadeverzekeraar heeft verklaard met die overdracht in te stemmen.
5.
Op een overdracht als bedoeld in het eerste lid is het bepaalde ingevolge de artikelen 3:116 en 3:120, eerste tot en met derde lid, van overeenkomstige toepassing.
1.
Met een overdracht van de rechten en verplichtingen uit alle levensverzekeringen, uit alle natura-uitvaartverzekeringen of krachtens alle schadeverzekeringen door levensverzekeraars, natura-uitvaartverzekeraars onderscheidenlijk schadeverzekeraars met beperkte risico-omvang met zetel in een niet aangewezen staat, wordt gelijkgesteld de overgang van deze rechten en verplichtingen bij een fusie als bedoeld in artikel 309 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of bij een splitsing als bedoeld in artikel 334a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
2.
Op een overgang als bedoeld in het eerste lid met betrekking tot een levensverzekeraar zijn de artikelen 3:112, eerste lid, aanhef en onderdeel a, 3:113, tweede lid, aanhef en onderdeel a, 3:116, 3:117, eerste lid, 3:118, eerste, tweede en vijfde lid, 3:119 en 3:120, eerste tot en met vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
3.
Op een overgang als bedoeld in het eerste lid met betrekking tot een natura-uitvaartverzekeraar zijn de artikelen 3:113, eerste lid, aanhef en onderdeel a, 3:116, 3:117, eerste lid, 3:118, zesde lid, 3:119 en 3:120, eerste tot en met derde lid, van overeenkomstige toepassing.
4.
Op een overgang als bedoeld in het eerste lid met betrekking tot een schadeverzekeraar zijn de artikelen 3:114, eerste lid, aanhef en onderdeel a, 3:116, 3:117, tweede lid, 3:118, eerste tot en met vijfde lid, en 3:120, eerste tot en met derde, vijfde, zevende en negende lid, van overeenkomstige toepassing.
1.
De Nederlandsche Bank kan in uitzonderlijke omstandigheden een verzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, met zetel in Nederland een kapitaalopslag op het solvabiliteitskapitaalvereiste opleggen.
2.
Een besluit tot het opleggen van een kapitaalopslag wordt tenminste eenmaal per jaar door de Nederlandsche Bank geëvalueerd en herzien indien de verzekeraar de tekortkomingen die aanleiding hebben gegeven tot het opleggen van een kapitaalopslag heeft verholpen.
3.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de omstandigheden waarin een kapitaalopslag kan worden opgelegd, de berekening en de gevolgen van de kapitaalopslag.
Artikel 3:133
Artikel 3:132 is van overeenkomstige toepassing op levensverzekeraars of schadeverzekeraars, niet zijnde verzekeraars met beperkte risico-omvang, met zetel in een staat die geen lidstaat is.
Artikel 3:134
Artikel 3:132 is van overeenkomstige toepassing op herverzekeraars met zetel in een niet-aangewezen staat.
1.
Binnen twee maanden na de constatering, bedoeld in artikel 3:57, vierde lid, tweede volzin, dat niet wordt voldaan aan het solvabiliteitskapitaalvereiste, dient de verzekeraar met zetel in Nederland een herstelplan ter instemming in bij de Nederlandsche Bank.
2.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld ten aanzien van de inhoud van het herstelplan.
3.
De verzekeraar treft de nodige maatregelen om binnen zes maanden na de in het eerste lid bedoelde constatering het in aanmerking komend eigen vermogen ter dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste weer op het vereiste niveau te brengen of zijn risicoprofiel zodanig aan te passen dat weer wordt voldaan aan het genoemde vereiste.
4.
De Nederlandsche Bank kan besluiten de in het derde lid bedoelde periode met drie maanden te verlengen.
5.
Bij uitzonderlijke ongunstige omstandigheden als bedoeld in artikel 138, vierde lid, van de richtlijn solvabiliteit II, kan de Nederlandsche Bank besluiten de in het vierde lid bedoelde periode voor de getroffen verzekeraars te verlengen met een periode van maximaal zeven jaar, rekening houdende met alle relevante factoren, inclusief de gemiddelde uitlooptermijn van de technische voorzieningen.
6.
Indien zich een situatie voordoet als bedoeld in het vijfde lid, dient de verzekeraar elke drie maanden een voortgangsverslag in bij de Nederlandsche Bank, waarin wordt aangegeven welke maatregelen zijn getroffen en welke vooruitgang is geboekt om het in aanmerking komend eigen vermogen ter dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste weer op het vereiste niveau te brengen of het risicoprofiel van de verzekeraar zodanig aan te passen dat weer wordt voldaan aan het genoemde vereiste.
7.
De Nederlandsche Bank trekt haar besluit tot verlenging, bedoeld in het vijfde lid, in indien uit het voortgangsverslag, bedoeld in het zesde lid, blijkt dat er geen significante vooruitgang is geboekt tussen de datum waarop is geconstateerd dat niet meer werd voldaan aan het solvabiliteitskapitaalvereiste en de datum van indiening van het voortgangsverslag.
1.
Binnen een maand na de constatering, bedoeld in het artikel 3:53, zesde lid, dient de verzekeraar met zetel in Nederland ter instemming bij de Nederlandsche Bank een financieel kortetermijnplan om binnen drie maanden na deze constatering weer te voldoen aan het minimumkapitaalvereiste in.
2.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld ten aanzien van de inhoud van een financieel kortetermijnplan.
1.
De Nederlandsche Bank kan de vrije beschikking door een verzekeraar met zetel in Nederland over zijn door de Nederlandsche Bank aangewezen waarden, waar zij zich ook bevinden, beperken of hem verbieden om anders dan met machtiging van de Nederlandsche Bank te beschikken over deze waarden, indien:
a. de verzekeraar niet voldoet aan het bij of krachtens artikel 3:67 bepaalde met betrekking tot de technische voorzieningen;
b. sprake is van een constatering als bedoeld in artikel 3:57, vierde lid, tweede volzin, en zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen op grond waarvan de Nederlandsche Bank verwacht dat de financiële positie van de verzekeraar nog verder zal verslechteren;
c. sprake is van een constatering als bedoeld in artikel 3:53, zesde lid; of
d. onverminderd de artikelen 3:135 en 3:136, sprake is van een aanhoudende verslechtering van de solvabiliteitspositie van de verzekeraar.
2.
De Nederlandsche Bank beperkt de vrije beschikking door een verzekeraar met zetel in Nederland over zijn door de Nederlandsche Bank aangewezen waarden, waar zij zich ook bevinden, of verbiedt hem om anders dan met machtiging van de Nederlandsche Bank te beschikken over deze waarden, indien de Nederlandsche Bank de vergunning van de verzekeraar intrekt op grond van artikel 1:104, eerste of tweede lid.
3.
Alvorens een besluit als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, te nemen, stelt de Nederlandsche Bank de toezichthoudende instanties van de andere lidstaten waar de herverzekeraar, levensverzekeraar of schadeverzekeraar een bijkantoor heeft of waarnaar hij vanuit zijn vestigingen in een lidstaat diensten verricht, in kennis van haar voornemen.
4.
In geval van toepassing van het eerste lid, onderdelen b, c, d of tweede lid, stelt de Nederlandsche Bank de toezichthoudende instanties van de andere lidstaten waar de verzekeraar een bijkantoor heeft of waarnaar hij vanuit zijn vestigingen in een lidstaat diensten verricht, in kennis van alle genomen maatregelen.
5.
Indien de Nederlandsche Bank een besluit als bedoeld in het eerste of tweede lid heeft genomen, kan zij de toezichthoudende instantie, bedoeld in het derde lid, verzoeken overeenkomstige maatregelen te treffen ten aanzien van de in de betrokken lidstaten aanwezige waarden, onder opgave van een overzicht van die waarden.
6.
De verzekeraar kan de ongeldigheid van een rechtshandeling, verricht in strijd met de beperking of het verbod, inroepen indien de wederpartij de maatregel kende of daarvan niet onkundig kon zijn.
7.
De Nederlandsche Bank heft de beperking of het verbod op zodra de verzekeraar weer voldoet aan het bepaalde bij of krachtens deze wet.
8.
De Nederlandsche Bank stelt de toezichthoudende instanties, bedoeld in het derde en vierde lid, in kennis van het besluit, bedoeld in het zevende lid.
1.
De Nederlandsche Bank neemt een besluit als bedoeld in artikel 3:137, eerste lid, indien de toezichthoudende instantie van een andere lidstaat waar een levensverzekeraar of schadeverzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, zijn zetel heeft hierom verzoekt.
2.
De Nederlandsche Bank kan in dringende gevallen de in het eerste lid bedoelde maatregelen treffen zonder een daartoe strekkend verzoek van de in dat lid bedoelde toezichthoudende instantie, indien de levensverzekeraar of schadeverzekeraar inbreuk maakt op bij of krachtens deze wet gestelde voorschriften.
3.
De beperking of het verbod heeft betrekking op de in Nederland aanwezige waarden. Indien de maatregel wordt getroffen op verzoek van de toezichthoudende instantie van de lidstaat waar de verzekeraar zijn zetel heeft en die instantie opgave van deze waarden heeft gedaan, houdt de Nederlandsche Bank daarmee rekening.
4.
Artikel 3:137, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
5.
De Nederlandsche Bank heft de beperking of het verbod op zodra de toezichthoudende instantie, bedoeld in het eerste lid, dat verzoekt of indien daartoe aanleiding bestaat.
6.
De Nederlandsche Bank stelt de toezichthoudende instantie, bedoeld in het eerste lid, in kennis van het besluit inzake de beperking of het verbod en van het besluit, bedoeld in het vijfde lid.
7.
Indien een levensverzekeraar of schadeverzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, met zetel in een andere lidstaat een bijkantoor heeft in Nederland of diensten verricht naar Nederland en de toezichthoudende instantie van die lidstaat de Nederlandsche Bank in kennis heeft gesteld van de intrekking van de aan die verzekeraar verleende vergunning, doet de Nederlandsche Bank daarvan mededeling in de Staatscourant. Bij deze publicatie wordt tevens mededeling gedaan van de beperking of het verbod, opgelegd ingevolge het eerste lid.
1.
Indien een levensverzekeraar of schadeverzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, met zetel in een staat die geen lidstaat is niet voldoet aan het ingevolge artikel 3:68 bepaalde met betrekking tot de technische voorzieningen, kan de Nederlandsche Bank de vrije beschikking door de levensverzekeraar of schadeverzekeraar over de waarden, die betrekking hebben op zijn vanuit Nederland uitgeoefende bedrijf van levensverzekeraar onderscheidenlijk bedrijf van schadeverzekeraar, beperken of hem verbieden om anders dan met machtiging van de Nederlandsche Bank te beschikken over deze waarden.
2.
Alvorens een besluit als bedoeld in het eerste lid te nemen, stelt de Nederlandsche Bank de toezichthoudende instantie van een andere lidstaat die belast is met het toezicht op de solvabiliteit van de levensverzekeraar of schadeverzekeraar, bedoeld in artikel 3:60, tweede lid, op de hoogte van haar voornemen.
3.
Artikel 3:137, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
4.
De Nederlandsche Bank heft de beperking of het verbod op zodra de levensverzekeraar of schadeverzekeraar, bedoeld in het eerste lid, weer voldoet aan de in het eerste lid bedoelde eisen.
5.
De Nederlandsche Bank stelt de toezichthoudende instantie, bedoeld in het tweede lid, alsmede de toezichthoudende instanties van de lidstaten waarnaar de levensverzekeraar of schadeverzekeraar, bedoeld in het eerste lid, vanuit Nederland diensten verricht in kennis van het besluit betreffende de beperking of het verbod en de opheffing daarvan.
Artikel 3:142
De artikelen 3:135 en 3:136 zijn van overeenkomstige toepassing op levensverzekeraars en schadeverzekeraars, niet zijnde verzekeraars met beperkte risico-omvang, met zetel in een staat die geen lidstaat is.
Artikel 3:143
Een levensverzekeraar of schadeverzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, met zetel in een staat die geen lidstaat is wiens solvabiliteit niet voldoet aan het bij of krachtens deze wet bepaalde dan wel aan de in een andere lidstaat gestelde eisen indien een ontheffing is verleend overeenkomstig artikel 3:60, doet aan de Nederlandsche Bank binnen een door haar te bepalen termijn en op een door haar te bepalen wijze opgave van de in artikel 3:68 bedoelde waarden en van de wijzigingen die daarin optreden.
1.
De Nederlandsche Bank kan indien zich in het geval, bedoeld in artikel 3:135, eerste lid of 3:136, eerste lid, uitzonderlijke omstandigheden voordoen op grond waarvan te verwachten is dat de financiële positie van de levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is nog verder zal verslechteren, de vrije beschikking door de levensverzekeraar of schadeverzekeraar over zijn waarden, die betrekking hebben op zijn vanuit Nederland uitgeoefende bedrijf van levensverzekeraar of schadeverzekeraar beperken of hem verbieden om anders dan met machtiging van de Nederlandsche Bank te beschikken over deze waarden.
2.
De Nederlandsche Bank deelt haar besluit, zo mogelijk voordat dit van kracht wordt, mee aan de toezichthoudende instantie van een andere lidstaat waar de levensverzekeraar of schadeverzekeraar een bijkantoor heeft of waarnaar hij vanuit zijn bijkantoor in een lidstaat diensten verricht. Zij kan deze toezichthoudende instantie verzoeken overeenkomstige maatregelen te treffen ten aanzien van de in de betrokken lidstaat aanwezige waarden.
3.
Ten aanzien van een levensverzekeraar of schadeverzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, waarvan op de solvabiliteit toezicht wordt gehouden door de toezichthoudende instantie van een andere lidstaat op grond van artikel 3:60, tweede lid, neemt de Nederlandsche Bank een besluit als bedoeld in het eerste lid ten aanzien van de hier te lande aanwezige waarden, indien die toezichthoudende instantie dit verzoekt op grond van het feit dat de levensverzekeraar of schadeverzekeraar in soortgelijke omstandigheden verkeert als bedoeld in het eerste lid.
4.
Artikel 3:137, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
5.
De Nederlandsche Bank heft de beperking of het verbod op zodra de levensverzekeraar of schadeverzekeraar weer voldoet aan de bij of krachtens deze wet gestelde eisen met betrekking tot de solvabiliteit, dan wel, indien het besluit uitsluitend berust op het derde lid, zodra de aldaar bedoelde toezichthoudende instantie hierom verzoekt. De Nederlandsche Bank doet van het besluit tot opheffing van de beperking of het verbod mededeling aan de toezichthoudende instantie, bedoeld in het tweede lid.
1.
Indien een herverzekeraar met zetel in een niet-aangewezen staat of verzekeraar met beperkte risico-omvang met zetel in een niet-aangewezen staat niet voldoet aan het bij of krachtens artikel 3:68a onderscheidenlijk 3:69 bepaalde met betrekking tot de technische voorzieningen, kan de Nederlandsche Bank de vrije beschikking door de verzekeraar met beperkte risico-omvang over de waarden, die betrekking hebben op zijn vanuit Nederland uitgeoefende bedrijf, beperken of hem verbieden om anders dan met machtiging van de Nederlandsche Bank te beschikken over deze waarden.
2.
Artikel 3:137, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3.
De Nederlandsche Bank heft de beperking of het verbod op zodra de herverzekeraar of verzekeraar met beperkte risico-omvang weer voldoet aan het bij of krachtens artikel 3:68a onderscheidenlijk 3:69 bepaalde.
Artikel 3:147
De artikelen 3:135, 3:136 en 3:137, eerste en zesde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op herverzekeraars en verzekeraars met beperkte risico-omvang met zetel in een niet-aangewezen staat.
1.
De Nederlandsche Bank kan indien zich in het geval, bedoeld in artikel 3:135, eerste lid of 3:136, eerste lid, uitzonderlijke omstandigheden voordoen op grond waarvan de financiële positie van de herverzekeraar met zetel in een niet-aangewezen staat of verzekeraar met beperkte risico-omvang met zetel in een niet-aangewezen staat nog verder zal verslechteren, de vrije beschikking door de herverzekeraar of verzekeraar met beperkte risico-omvang over zijn waarden, die betrekking hebben op zijn vanuit Nederland uitgeoefende bedrijf, beperken of hem verbieden om anders dan met machtiging van de Nederlandsche Bank te beschikken over deze waarden.
2.
Artikel 3:137, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3.
De Nederlandsche Bank heft de beperking of het verbod op zodra de herverzekeraar of verzekeraar met beperkte risico-omvang weer voldoet aan de bij of krachtens deze wet gestelde solvabiliteitseisen.
1.
Deze paragraaf is van toepassing op levensverzekeraars met zetel in Nederland die een vergunning als bedoeld in artikel 2:27, eerste lid, of 2:48, eerste lid, hebben.
2.
Deze paragraaf en de artikelen 1:79 tot en met 1:81, 1:85, 3:8, 3:9, 3:15, 3:17, 3:18, 3:70, 3:71, 3:95 en 3:99, zijn van overeenkomstige toepassing op opvanginstellingen die het bedrijf van levensverzekeraar uitsluitend als herverzekeraar uitoefenen in de zin van artikel 3:152, tweede lid.
1.
Er is een vertrouwenscommissie bestaande uit een voorzitter en ten minste twee en ten hoogste vier overige leden, die tot taak heeft:
a. de Nederlandsche Bank te adviseren in gevallen waarin dat in deze paragraaf is voorgeschreven;
b. desgevraagd de Nederlandsche Bank te adviseren bij de ingevolge deze paragraaf door haar te nemen beslissingen; en
c. desgevraagd de Nederlandsche Bank behulpzaam te zijn bij een onderzoek naar de mogelijkheden van samenwerking tussen een levensverzekeraar waarop de opvang kan worden toegepast en een andere verzekeraar, dan wel overname door laatstbedoelde verzekeraar.
2.
Onze Minister benoemt, schorst en ontslaat de voorzitter en de overige leden van de vertrouwenscommissie volgens een bij ministeriële regeling te bepalen procedure die ten minste voorziet in een recht van voordracht door de Nederlandsche Bank en de vertegenwoordigende organisaties van levensverzekeraars gezamenlijk.
3.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de werkwijze van de vertrouwenscommissie.
1.
De Nederlandsche Bank kan, gehoord de vertrouwenscommissie, besluiten tot opvang indien:
a. artikel 3:136, eerste lid, van toepassing is;
b. met betrekking tot het opgestelde financieel kortetermijnplan, bedoeld in artikel 3:136, eerste lid, van de levensverzekeraar, de instemming is geweigerd; en
c. de portefeuille van de levensverzekeraar nog overlevingskans heeft.
2.
Met het weigeren van instemming voor het financieel kortetermijnplan, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt voor de toepassing van deze paragraaf gelijk gesteld het intrekken van een verleende instemming voor een financieel kortetermijnplan, het niet binnen de door de Nederlandsche Bank bepaalde termijn indienen van een financieel kortetermijnplan, of het niet binnen de door de Nederlandsche Bank bepaalde termijn aanbrengen van door haar aangegeven wijzigingen in een financieel kortetermijnplan waarvoor instemming is verleend.
3.
Opvang geschiedt aan de hand van een door de Nederlandsche Bank, gehoord de vertrouwenscommissie, op te stellen opvangplan. De levensverzekeraar en de opvanginstelling handelen overeenkomstig het opvangplan.
4.
De Nederlandsche Bank deelt de inwerkingstelling van de opvang en het daarbij behorende opvangplan mede aan de levensverzekeraar en de opvanginstelling.
5.
De Nederlandsche Bank kan, gehoord de vertrouwenscommissie, het opvangplan wijzigen.
1.
De in het opvangplan geregelde opvang kan bestaan uit herverzekering door een opvanginstelling of overdracht van de portefeuille aan een opvanginstelling.
2.
In geval van herverzekering van de portefeuille worden de verplichtingen van de levensverzekeraar uit directe verzekering geheel of gedeeltelijk herverzekerd bij een door de Nederlandsche Bank aan te wijzen opvanginstelling. De voorwaarden waaronder herverzekering plaatsvindt, worden opgesteld door de opvanginstelling en behoeven instemming van de Nederlandsche Bank.
3.
In geval van overdracht van de portefeuille worden de rechten en verplichtingen van de levensverzekeraar uit directe verzekering overgedragen aan een door de Nederlandsche Bank aan te wijzen opvanginstelling. De opvanginstelling brengt daarbij het solvabiliteitskapitaalvereiste op de ingevolge artikel 3:57 vereiste omvang.
4.
De statuten van de opvanginstelling, met inbegrip van wijzigingen daarvan, behoeven voorafgaande instemming van de Nederlandsche Bank.
Artikel 3:153
De Nederlandsche Bank kan de levensverzekeraar en de opvanginstelling aanwijzingen geven in het belang van de goede werking van de opvang. De levensverzekeraar en de opvanginstelling volgen de aanwijzingen van de Nederlandsche Bank op. De aanwijzingen hebben geen betrekking op de herverzekeringsvoorwaarden, bedoeld in artikel 3:152, tweede lid, laatste volzin.
1.
Overdracht van de portefeuille van de levensverzekeraar ingevolge het opvangplan vindt slechts plaats nadat de rechtbank Amsterdam op verzoek van de Nederlandsche Bank daartoe een machtiging heeft verleend.
2.
De Nederlandsche Bank kan een verzoek tot het verlenen of tot het intrekken van een machtiging bij de rechtbank indienen zonder tussenkomst van een advocaat.
3.
De rechtbank verleent de machtiging, tenzij de Nederlandsche Bank in redelijkheid niet tot het oordeel heeft kunnen komen dat de portefeuille van de levensverzekeraar nog overlevingskans heeft.
4.
De Nederlandsche Bank zendt een afschrift van haar verzoek tot machtiging aan de levensverzekeraar.
5.
De rechtbank behandelt het verzoek van de Nederlandsche Bank tot machtiging met de meeste spoed op een niet openbare terechtzitting op de voet van de rechtspleging in burgerlijke zaken, voorzover daarvan bij deze wet niet is afgeweken. De uitspraak wordt niet in het openbaar gedaan.
6.
De rechtbank kan inzage nemen of doen nemen van de zakelijke gegevens en bescheiden van de levensverzekeraar.
7.
De rechtbank geeft geen beschikking dan nadat de levensverzekeraar en de Nederlandsche Bank zijn gehoord althans daartoe behoorlijk zijn opgeroepen.
8.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad, terugwerkend tot aan het begin van de dag waarop zij is uitgesproken, niettegenstaande enige daartegen gerichte voorziening.
9.
De rechtbank kan op verzoek van de Nederlandsche Bank de machtiging intrekken.
10.
De Nederlandsche Bank deelt de verlening van de machtiging mede aan de betrokken levensverzekeraar en de opvanginstelling.
11.
Tegen de beschikking staat uitsluitend beroep in cassatie open. Tot het instellen van beroep in cassatie tegen de beschikking van de rechtbank uit hoofde van deze paragraaf is, buiten de Nederlandsche Bank, de levensverzekeraar bevoegd, ongeacht of deze bij de rechtbank is verschenen.
12.
Beroep in cassatie tegen de beschikking wordt ingesteld binnen veertien dagen na de dag van de uitspraak van de rechtbank. De behandeling heeft in raadkamer plaats en geschiedt met de grootste spoed. De uitspraak wordt niet in het openbaar gedaan.
1.
De levensverzekeraar draagt, ter uitvoering van het opvangplan, aan de opvanginstelling de waarden over die dienen tot dekking van de technische voorzieningen, voorzover deze voorzieningen betrekking hebben op de verplichtingen die worden herverzekerd, onderscheidenlijk worden overgedragen.
2.
De levensverzekeraar draagt niet meer waarden over dan benodigd zijn voor de herverzekering, onderscheidenlijk overdracht, van de portefeuille.
3.
Indien voor de opvang meer waarden benodigd zijn dan de in het eerste lid bedoelde, draagt de levensverzekeraar aan de opvanginstelling tevens aanvullende waarden over tot het benodigde bedrag.
4.
Op de portefeuilleoverdracht door de levensverzekeraar aan de opvanginstelling zijn de artikelen 3:112, 3:117, eerste lid, 3:118, 3:119, 3:120, 3:126 en 3:128 niet van toepassing.
1.
Voor uitvoering van opvang wordt op enig moment ten hoogste € 213.610.176 [Red: voor het jaar 2015: € 269.372.650] ter beschikking gesteld, met dien verstande dat:
a. per opvangsituatie maximaal € 106.805.088 [Red: voor het jaar 2015: € 134.686.325] ter beschikking kan worden gesteld; en
b. het ter beschikking staande bedrag ten aanzien waarvan naar het oordeel van de Nederlandsche Bank bij het in werking stellen van de opvang, gehoord de vertrouwenscommissie, het aanmerkelijke risico bestaat dat het niet wordt terugbetaald, nooit hoger is dan € 106.805.088 [Red: voor het jaar 2015: € 134.686.325] .
2.
De bedragen, bedoeld in het eerste lid, worden jaarlijks door Onze Minister aangepast aan de procentuele ontwikkeling van het totaal van de solvabiliteitskapitaalvereisten van de levensverzekeraars, bedoeld in de artikelen 3:149, eerste lid, en 3:159, zoals die blijkt uit de meest recente jaarlijkse financiële verslaglegging van de Nederlandsche Bank.
3.
De bedragen, bedoeld in het eerste lid, worden in januari van het jaar waarop zij betrekking hebben door Onze Minister in de Staatscourant bekend gemaakt.
4.
Indien als gevolg van toepassing van de opvang voor een daarop volgende toepassing niet meer de maximale bedragen, bedoeld in het eerste lid, ter beschikking staan, bepaalt de Nederlandsche Bank de alsdan maximaal ter beschikking staande bedragen.
5.
De Nederlandsche Bank, gehoord de vertrouwenscommissie, stelt het bedrag vast dat in een voorkomend geval beschikbaar wordt gesteld voor de toepassing van de opvang. De Nederlandsche Bank bepaalt per levensverzekeraar in hoeverre dit bedrag in de vorm van aandelen in de opvanginstelling wordt genomen en in hoeverre dit bedrag in de vorm van een achtergestelde lening aan de opvanginstelling wordt verstrekt. De levensverzekeraars waarop deze paragraaf van toepassing is, nemen de aandelen en verstrekken de achtergestelde lening. Voor dit nemen van de aandelen, het houden ervan en het uitoefenen van de daarmee verbonden zeggenschap is geen verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:95, aanhef en eerste lid, onderdeel d, vereist. De Nederlandsche Bank bepaalt de voorwaarden van de achtergestelde lening.
6.
De levensverzekeraars waarop deze paragraaf van toepassing is verschaffen het ingevolge het vijfde lid vastgestelde bedrag. De Nederlandsche Bank legt daartoe aan de levensverzekeraars een aanslag op.
7.
Het zesde lid is niet van toepassing op opvanginstellingen en op levensverzekeraars ten aanzien waarvan opvang wordt toegepast of is toegepast en die uit dien hoofde nog verplichtingen hebben.
8.
De Nederlandsche Bank kan een levensverzekeraar ontheffing verlenen van het zesde lid, eerste volzin, indien de bijdrage tot gevolg zal hebben dat het solvabiliteitskapitaalvereiste van die levensverzekeraar niet meer zal voldoen aan artikel 3:57 en de levensverzekeraar niet in staat lijkt te zijn het solvabiliteitskapitaalvereiste binnen een redelijke termijn op de vereiste omvang te brengen.
9.
Ingeval een levensverzekeraar niet voldoet aan zijn verplichtingen, voortvloeiend uit het zesde lid, kan de Nederlandsche Bank een dwangbevel uitvaardigen, dat executoir kan worden verklaard door de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam en dan een executoriale titel oplevert, die met de toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering door de Nederlandsche Bank ten uitvoer gelegd kan worden.
10.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot opvang op grond van deze paragraaf.
1.
Indien de opvanginstelling de portefeuille overdraagt aan een andere levensverzekeraar, is artikel 3:119, eerste tot en met vierde lid, eerste volzin, niet van toepassing.
2.
Indien de Nederlandsche Bank geen bedenkingen heeft tegen de overdracht, verleent zij aan de opvanginstelling instemming met de overdracht.
1.
De Nederlandsche Bank stelt, gehoord de vertrouwenscommissie, het einde van de toepassing van de opvang vast.
2.
De Nederlandsche Bank deelt het einde van de toepassing van de opvang mede aan de levensverzekeraar en de opvanginstelling.
3.
Indien na beëindiging van de toepassing van de opvang, waarbij een portefeuilleoverdracht heeft plaatsgevonden, bij de opvanginstelling een batig saldo resteert, keert de opvanginstelling dit uit aan de levensverzekeraar ten behoeve waarvan de opvang is toegepast.
4.
De opvanginstelling trekt na beëindiging van de toepassing van de opvang in elk geval de aandelen in die niet het minimumkapitaal, bedoeld in artikel 67, tweede lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek vertegenwoordigen. De aandeelhouders werken hieraan mee.
Artikel 3:158a
Paragraaf 3.5.4.1 is van overeenkomstige toepassing op levensverzekeraars, niet zijnde verzekeraars met beperkte risico-omvang, met zetel in een staat die geen lidstaat is, die vanuit in Nederland gelegen bijkantoren het bedrijf van levensverzekeraar uitoefenen, voorzover het betreft overeenkomsten uit directe verzekering gesloten vanuit een bijkantoor in Nederland, tenzij met betrekking tot het bijkantoor een ontheffing is verleend in de zin van artikel 3:60.
Artikel 3:159
Paragraaf 3.5.4.1. is van overeenkomstige toepassing op levensverzekeraars met beperkte risico-omvang met zetel in een niet-aangewezen staat, die vanuit in Nederland gelegen bijkantoren het bedrijf van levensverzekeraar uitoefenen, voor zover het betreft overeenkomsten uit directe verzekering gesloten vanuit een bijkantoor in Nederland.
Artikel 3:159a
In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
aandeel: effect als bedoeld in onderdeel a van de definitie van effect in artikel 1:1;
groep: het geheel van een moederonderneming, haar dochterondernemingen, andere ondernemingen waarin de moederonderneming of een of meer van haar dochterondernemingen een deelneming heeft, alsmede ondernemingen die met een van de eerdergenoemde ondernemingen zijn verbonden door een centrale leiding die bestaat krachtens een met deze ondernemingen gesloten overeenkomst of een bepaling in de statuten van een of meer van deze ondernemingen, dan wel door het feit dat de bestuurs-, leidinggevende, of toezichthoudende organen van deze ondernemingen gedurende het boekjaar en tot de opstelling van de geconsolideerde jaarrekening in meerderheid bestaan uit dezelfde personen;
overbruggingsinstelling: rechtspersoon die is opgericht door of vanwege de Staat der Nederlanden of de Nederlandsche Bank met als doel op te treden als overnemer totdat een andere persoon, niet zijnde een rechtspersoon die is opgericht door of vanwege de Staat der Nederlanden of de Nederlandsche Bank, activa of passiva, of door de probleeminstelling uitgegeven aandelen overneemt;
overdrager: degene die door de rechtbank op grond van artikel 3:159z, eerste lid, als zodanig is benoemd;
overnemer: degene die activa of passiva, of door de probleeminstelling uitgegeven aandelen overneemt, degene die bereid is zulks te doen en degene die onderzoekt of hij daartoe bereid is;
probleeminstelling: een verzekeraar ten aanzien waarvan de Nederlandsche Bank van oordeel is dat de situatie, bedoeld in artikel 3:159c, eerste lid, zich voordoet.
Artikel 3:159b
Deze afdeling is van toepassing op een verzekeraar met zetel in Nederland of een moedermaatschappij met zetel in Nederland van een verzekeraar met zetel in Nederland, ongeacht het recht dat van toepassing is.
1.
Indien de Nederlandsche Bank oordeelt dat er ten aanzien van een verzekeraar die een vergunning als bedoeld in artikel 2:26a, 2:27, 2:48 of 2:54a heeft tekenen van een gevaarlijke ontwikkeling zijn met betrekking tot het eigen vermogen, de solvabiliteit of de technische voorzieningen en redelijkerwijs is te voorzien dat die ontwikkeling niet voldoende of niet tijdig ten goede zal keren, kan zij een overdrachtsplan voorbereiden.
2.
De Nederlandsche Bank kan een overdrachtsplan voorbereiden met betrekking tot een moedermaatschappij van een verzekeraar als bedoeld in het eerste lid, indien zich ten aanzien van die verzekeraar een situatie als bedoeld in het eerste lid voordoet en de Nederlandsche Bank oordeelt dat:
a. er ten aanzien van de moedermaatschappij tekenen zijn van een gevaarlijke ontwikkeling met betrekking tot het eigen vermogen, de solvabiliteit of de liquiditeit, en redelijkerwijs is te voorzien dat die ontwikkeling niet voldoende of niet tijdig ten goede zal keren, of dat de situatie waarin de verzekeraar verkeert, een bedreiging vormt voor de groep waartoe deze behoort; en
b. voor de afwikkeling van de verzekeraar of de groep waartoe de verzekeraar behoort een overdracht van activa of passiva van de moedermaatschappij of door de moedermaatschappij uitgegeven aandelen nodig is.
3.
Het overdrachtsplan kan betrekking hebben op activa of passiva of de uitgegeven aandelen.
4.
De omstandigheid dat de Nederlandsche Bank de vergunning van een verzekeraar heeft ingetrokken, staat niet eraan in de weg dat ten aanzien van die verzekeraar toepassing wordt gegeven aan deze afdeling.
5.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het overdrachtsplan en de voorbereiding daarvan.
1.
Indien de Nederlandsche Bank een overdrachtsplan voorbereidt, kan zij dat mededelen aan de probleeminstelling.
2.
Nadat de Nederlandsche Bank de mededeling, bedoeld in het eerste lid, heeft gedaan, kan zij:
a. de probleeminstelling verplichten gegevens of inlichtingen te verschaffen aan:
1°. een door de Nederlandsche Bank met name genoemde overnemer en deskundigen die de overnemer bijstaan;
2°. ingeval de Nederlandsche Bank voornemens is een of meer personen voor te dragen voor de benoeming van overdrager, bewindvoerder of curator, die met name genoemde persoon of personen; en
3°. door de Nederlandsche Bank met name genoemde deskundigen die de Nederlandsche Bank bijstaan bij de voorbereiding van het overdrachtsplan; en
b. de probleeminstelling verplichten toe te staan dat de in onderdeel a bedoelde persoon of personen elke plaats met uitzondering van een woning van de probleeminstelling betreden; en
c. een persoon benoemen als curator als bedoeld in artikel 1:76, ook indien een situatie als bedoeld in het tweede of vierde lid van dat artikel zich niet voordoet.
Op de personen, bedoeld in onderdeel a, zijn de artikelen 5:15 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.
3.
De personen, bedoeld in het tweede lid, maken van gegevens of inlichtingen, bedoeld in het tweede lid, gebruik en betreden een plaats als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, slechts voor zover dat redelijkerwijs in verband met het overdrachtsplan nodig is.
4.
Artikel 1:89 is van overeenkomstige toepassing op personen die op grond van het tweede lid vertrouwelijke gegevens of inlichtingen hebben verkregen.
5.
Onverminderd het eerste en tweede lid, is het een ieder verboden aan de voorbereiding van het overdrachtsplan bekendheid te geven.
6.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het derde, vierde en vijfde lid.
7.
De probleeminstelling en een onderneming die tot de groep behoort waartoe ook de probleeminstelling behoort alsmede de personen, bedoeld in het tweede lid, zijn uitgezonderd van bij of krachtens de wet geldende verplichtingen tot openbaarmaking van gegevens of inlichtingen tot het moment waarop het overdrachtsplan is goedgekeurd.
8.
De bevoegdheden van de Nederlandsche Bank, bedoeld in het tweede lid, en de verplichtingen van de probleeminstelling, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onderdelen a en b, en de benoeming van de curator, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, vervallen twee maanden nadat de Nederlandsche Bank de mededeling, bedoeld in het eerste lid, heeft gedaan tenzij de Nederlandsche Bank aan de probleeminstelling opnieuw mededeelt dat zij een overdrachtsplan voorbereidt, of zoveel eerder als de rechtbank de overdrachtsregeling, de noodregeling of het faillissement heeft uitgesproken.
9.
Indien, na een mededeling als bedoeld in het eerste lid, op grond van artikel 1 van bijlage 2 van de Algemene wet bestuursrecht geen beroep heeft opengestaan tegen een besluit op grond van artikel 1:75, eerste en tweede lid, 1:76, eerste en derde lid, of 3:159d, tweede lid, en de mogelijkheid van beroep tegen die besluiten op grond van artikel 1 van genoemde bijlage herleeft, vangt in afwijking van artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift aan met ingang van de dag waarop de mogelijkheid van beroep herleeft.
10.
Indien de Nederlandsche Bank een overdrachtsplan voorbereidt, stelt zij de Autoriteit Financiële Markten en de Autoriteit Consument en Markt daarvan in kennis.
11.
Onverminderd artikel 1:89, eerste lid, verstrekt de Nederlandsche Bank eigener beweging of desgevraagd vertrouwelijke gegevens of inlichtingen aan Onze Minister, indien dit met het oog op de toepassing van artikel 3:159u, tweede lid, noodzakelijk is. Artikel 1:42, vijfde en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
1.
Na de mededeling, bedoeld in artikel 3:159d, eerste lid:
a. verlenen de probleeminstelling en de organen en de vertegenwoordigers van de probleeminstelling medewerking aan de voorbereiding van het overdrachtsplan;
b. is voor schade ten gevolge van gedragingen die in strijd zijn met onderdeel a, elke persoon die deel uitmaakt van het orgaan van de probleeminstelling dat in strijd met onderdeel a handelde, en de vertegenwoordiger die in strijd met onderdeel a handelde, hoofdelijk aansprakelijk tegenover de probleeminstelling, tenzij deze gedragingen niet aan hem zijn te verwijten en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden.
2.
De artikelen 5:15 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
1.
Indien de Nederlandsche Bank van oordeel is dat de organen of vertegenwoordigers van de probleeminstelling onvoldoende medewerken aan de voorbereiding van het overdrachtsplan, kan de Nederlandsche Bank, indien zij een curator als bedoeld in artikel 1:76 benoemt of heeft benoemd, besluiten dat de curator de probleeminstelling kan verplichten tot het verrichten of nalaten van door de curator te bepalen handelingen.
2.
Na de mededeling, bedoeld in artikel 3:159d, eerste lid:
a. verrichten de organen of vertegenwoordigers van de probleeminstelling onderscheidenlijk laten de organen of vertegenwoordigers van de probleeminstelling na de door de curator bepaalde handelingen;
b. is voor schade ten gevolge van het niet voldoen aan de verplichting, bedoeld in het eerste lid of artikel 3:159d, tweede lid, elke persoon die deel uitmaakt van het orgaan van de probleeminstelling dat in strijd met onderdeel a handelde en de vertegenwoordiger die in strijd met onderdeel a handelde, hoofdelijk aansprakelijk tegenover de probleeminstelling, tenzij deze gedragingen niet aan hem zijn te verwijten en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden;
c. kan de Nederlandsche Bank besluiten dat de curator niet langer de probleeminstelling kan verplichten tot het verrichten of nalaten van door de curator te bepalen handelingen; en
d. zijn handelingen die de curator verplicht heeft na te laten en toch door de organen of vertegenwoordigers van de probleeminstelling zijn verricht, voor zover deze rechtshandelingen zijn, vernietigbaar indien de wederpartij wist of behoorde te weten dat de curator verplicht heeft deze na te laten.
3.
De artikelen 5:15 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3:159g
Gedingen op de voet van rechtspleging in burgerlijke zaken die betrekking hebben op handelingen in het kader van de voorbereiding van het overdrachtsplan, verricht na de mededeling, bedoeld in artikel 3:159d, eerste lid, worden behandeld op een niet openbare terechtzitting.
1.
In het overdrachtsplan wordt opgenomen:
a. de activa of passiva waarop het overdrachtsplan betrekking heeft;
b. de met name genoemde overnemer; en
c. de prijs die de overnemer bereid is te betalen en op grond waarvan deze prijs wordt geacht een redelijke prijs te zijn dan wel de wijze waarop de prijs die de overnemer bereid is te betalen wordt vastgesteld, en op grond waarvan deze methode wordt geacht een redelijke methode te zijn.
2.
Onverminderd artikel 3:267f worden door de goedkeuring van het overdrachtsplan niet aangetast de bevoegdheden die voortvloeien uit een verrekenbeding in een overeenkomst met betrekking tot financiële instrumenten, noch worden daardoor aangetast nevenrechten, gevestigde rechten tot zekerheid op aan de probleeminstelling of een derde toebehorende activa, andere rechten tot zekerheid en voorrechten op die activa die in verband met een overeenkomst of een daarmee verbonden overeenkomst konden worden uitgeoefend voorafgaand aan de goedkeuring van het overdrachtsplan.
3.
Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder verrekenbeding verstaan: een beding op grond waarvan bij het voldoen aan tussen partijen overeengekomen voorwaarden:
a. de verplichtingen van partijen onmiddellijk opeisbaar worden, alsmede omgezet in een verplichting tot het betalen van een bedrag dat hun geschatte actuele waarde vertegenwoordigt, dan wel de verplichtingen vervallen en worden vervangen door een verplichting tot het betalen van het voornoemde bedrag; of
b. de verplichtingen van partijen worden verrekend en alleen het saldo is verschuldigd.
4.
In een overdrachtsplan dat strekt tot overdracht van rechten en verplichtingen uit of krachtens verzekering, kan worden voorzien in wijziging van de verzekering, met inbegrip van verkorting van de duur en het tijdstip waarop de wijziging ingaat. Artikel 3:195, zesde en zevende lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
5.
In een overdrachtsplan kan erin worden voorzien dat de activa of passiva overgaan met uitsluiting van enig met de activa of passiva samenhangend recht op schadevergoeding.
1.
De rechtbank vermeldt op een beschikking waarbij het overdrachtsplan wordt goedgekeurd het tijdstip waarop de beschikking is gegeven tot op de minuut nauwkeurig.
2.
De in het overdrachtsplan genoemde activa of passiva gaan over door de goedkeuring van het overdrachtsplan op het tijdstip waarop de beschikking is gegeven, tenzij anders is bepaald in het overdrachtsplan.
3.
Indien de rechtbank het overdrachtsplan goedkeurt, stelt de griffier van de rechtbank de Nederlandsche Bank daarvan terstond in kennis. De Nederlandsche Bank doet van de goedkeuring onverwijld mededeling in de Staatscourant.
4.
Indien de overgang van activa of passiva betrekking heeft op vorderingen of overeenkomsten waaruit schulden voortvloeien, geeft de overnemer kennis van de overgang aan de betreffende schuldenaren onderscheidenlijk schuldeisers.
5.
Degene die een vordering waarop de overgang betrekking heeft voldoet aan de probleeminstelling na het in het eerste lid genoemde tijdstip doch voor de mededeling in de Staatscourant, bedoeld in het derde lid, heeft bevrijdend voldaan zolang zijn bekendheid met de goedkeuring van het overdrachtsplan niet wordt bewezen.
Artikel 3:159q
Het overdrachtsplan met betrekking tot door de probleeminstelling uitgegeven aandelen kan zo nodig afwijken van wettelijke voorschriften of statutaire bepalingen, met uitzondering van de bij of krachtens deze afdeling gestelde regels.
Artikel 3:159r
In het overdrachtsplan met betrekking tot door de probleeminstelling uitgegeven aandelen wordt in ieder geval opgenomen:
a. de door de probleeminstelling uitgegeven aandelen waarop het overdrachtsplan betrekking heeft;
b. de met name genoemde overnemer;
c. de prijs die de overnemer bereid is te betalen en op grond waarvan deze prijs wordt geacht een redelijke prijs te zijn, dan wel de wijze waarop de prijs die de overnemer bereid is te betalen wordt vastgesteld, en op grond waarvan deze methode wordt geacht een redelijke methode te zijn;
d. of er aandeelhouders zijn die meer dan 5% van de door de probleeminstelling uitgegeven aandelen hebben, en zo ja, wie dat zijn; en
e. of de overdracht afwijkt van wettelijke voorschriften of statutaire bepalingen, en zo ja, van welke wettelijke voorschriften en statutaire bepalingen en op welke wijze.
1.
De in het overdrachtsplan genoemde aandelen gaan, tenzij anders is bepaald in het overdrachtsplan, over op de overnemer op het tijdstip van de goedkeuring van het overdrachtsplan door de rechtbank.
2.
De toestemming of medewerking van de aandeelhouders of houders van certificaten met betrekking tot die aandelen is niet vereist.
3.
De Nederlandsche Bank doet van de goedkeuring onverwijld mededeling in de Staatscourant.
1.
De Staat der Nederlanden kan niet de overnemer zijn.
2.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de oprichting en beëindiging, de taak, de financiering, de inrichting, het bestuur en de werkwijze van een overbruggingsinstelling of van een rechtspersoon die tot taak heeft de eigendom in een overbruggingsinstelling te houden.
3.
De voordracht voor een krachtens het tweede lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. Indien binnen die termijn een der kamers besluit niet in te stemmen met het ontwerp, kan geen voordracht worden gedaan en kan een nieuw ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal worden overgelegd.
4.
De Nederlandsche Bank kan een overbruggingsinstelling of rechtspersoon als bedoeld in het tweede lid een aanwijzing geven met betrekking tot de taakuitoefening.
1.
De overbruggingsinstelling beschikt, voor zover nodig voor de uitoefening van haar werkzaamheden, van rechtswege over een vergunning als bedoeld in artikel 2:26a, eerste lid, 2:27, eerste lid, of 2:48, eerste lid.
2.
De Nederlandsche Bank kan tijdelijk ontheffing verlenen van een of meer van de vereisten, bedoeld in artikel 2:26b, eerste lid, 2:31, eerste lid, of 2:49, eerste lid, met het oog op:
a. het voorkomen van significante nadelige gevolgen voor de stabiliteit van het financiële stelsel;
b. het vermijden van een beroep op publieke middelen; of
c. het beschermen van de rechten van degenen die als verzekeringnemers, verzekerden of gerechtigden op uitkeringen betrokken zijn bij verzekeringen.
3.
de rechtspersoon, bedoeld in artikel 3:195t, tweede lid, beschikt, voor zover nodig voor de uitoefening van zijn taak, van rechtswege over een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:95, eerste lid.
1.
De Nederlandsche Bank kan een door haar voorbereid overdrachtsplan aan de rechtbank Amsterdam overleggen met het verzoek het overdrachtsplan goed te keuren en de overdrachtsregeling uit te spreken.
2.
Een verzoek als bedoeld in het eerste lid wordt, indien het overdrachtsplan waarop het betrekking heeft strekt tot overdracht van door de probleeminstelling uitgegeven aandelen, gedaan in overeenstemming met Onze Minister.
Artikel 3:159v
De rechtbank behandelt het verzoek van de Nederlandsche Bank tot het goedkeuren van het overdrachtsplan en het uitspreken van de overdrachtsregeling met de meeste spoed op een niet openbare terechtzitting op de voet van de rechtspleging in burgerlijke zaken, voor zover daarvan bij deze wet niet is afgeweken.
1.
Aandeelhouders worden niet in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. In uitzondering op de eerste volzin stelt de rechtbank een aandeelhouder die meer dan 5% van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigt in de gelegenheid te worden gehoord, op voorwaarde dat belangen van geheimhouding of spoed zich daartegen niet verzetten.
2.
Indien een aandeelhouder als bedoeld in het eerste lid, wordt gehoord, kan hij zich verweren tegen het oordeel van de Nederlandsche Bank dat zich een situatie als bedoeld in artikel 3:159c, eerste of tweede lid, voordoet en tegen de in het overdrachtsplan opgenomen prijs of wijze waarop de prijs die de overnemer bereid is te betalen wordt vastgesteld. Artikel 1:89 is van overeenkomstige toepassing op die aandeelhouder.
1.
De probleeminstelling kan, na in de gelegenheid te zijn gesteld te worden gehoord, zich verweren tegen:
a. beslissingen als bedoeld in artikel 3:159d, tweede lid;
b. een beslissing als bedoeld in artikel 3:159f, eerste lid;
c. beslissingen als bedoeld in de artikelen 1:75 en 1:76 die zijn genomen nadat de Nederlandsche Bank een mededeling als bedoeld in artikel 3:159d, eerste lid, heeft gedaan;
d. het oordeel van de Nederlandsche Bank dat zich een situatie als bedoeld in artikel 3:159c, eerste of tweede lid, voordoet;
e. in geval van een verzoek om goedkeuring van het overdrachtsplan met betrekking tot activa of passiva of aandelen, tegen de in het overdrachtsplan opgenomen prijs dan wel de wijze waarop de prijs die de overnemer bereid is te betalen wordt vastgesteld.
2.
Ingeval de probleeminstelling zich heeft verweerd tegen een beslissing of oordeel als bedoeld in het eerste lid, verklaart de rechtbank dat verweer uitsluitend dan gegrond, indien de Nederlandsche Bank in redelijkheid niet tot die beslissing of dat oordeel heeft kunnen komen.
1.
De rechtbank spreekt de overdrachtsregeling uit indien zij het overdrachtsplan goedkeurt, en indien summierlijk blijkt dat zich een situatie als bedoeld in artikel 3:159c, eerste of tweede lid, voordoet.
2.
Onverminderd artikel 3:159x, tweede lid, keurt de rechtbank het overdrachtsplan goed tenzij niet is voldaan aan artikel 3:159o of 3:159r of tenzij de in het overdrachtsplan genoemde prijs of wijze waarop de prijs die de overnemer bereid is te betalen wordt vastgesteld, gegeven de omstandigheden van het geval, niet een redelijke prijs of wijze is. Bij het vaststellen of de prijs of wijze redelijk is wordt uitgegaan van het te verwachten toekomstperspectief van de probleeminstelling in de situatie dat het overdrachtsplan niet wordt goedgekeurd en de overdrachtsregeling niet wordt uitgesproken. Het afwijken in het overdrachtsplan van wettelijke voorschriften of statutaire bepalingen is geen grond voor het niet goedkeuren van het overdrachtsplan.
3.
Onverminderd artikel 3:159x, tweede lid, keurt de rechtbank het overdrachtsplan met betrekking tot activa of passiva goed, tenzij schuldeisers daardoor zouden worden benadeeld.
4.
De rechtbank kan ambtshalve aan de goedkeuring voorwaarden verbinden met betrekking tot de voldoening van de prijs.
1.
Bij het uitspreken van de overdrachtsregeling benoemt de rechtbank een of meer overdragers. De Nederlandsche Bank kan voor de benoeming van de overdrager of overdragers voordrachten doen.
2.
Indien het verzoek wordt toegewezen, wordt de beschikking op een openbare terechtzitting uitgesproken en wordt een uittreksel ervan onverwijld door de overdrager bekendgemaakt in de Staatscourant, het Publicatieblad van de Europese Unie, alsmede in ten minste twee door de rechtbank aan te wijzen Nederlandse dagbladen en ten minste twee door de rechtbank aan te wijzen landelijke dagbladen van iedere lidstaat waar een bijkantoor van de probleeminstelling is gelegen of waarnaar zij diensten verricht. De uittreksels vermelden naam en zetel van de probleeminstelling, de woonplaats of het kantoor van de overdrager, de naam en de zetel van de overnemer, alsmede de datum van de beschikking. De publicatie in de landelijke dagbladen geschiedt in de officiële taal of talen van de betrokken lidstaat. In de bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie en de landelijke dagbladen van iedere lidstaat waar de probleeminstelling een bijkantoor heeft of waarnaar zij diensten verricht wordt daarenboven vermeld dat op de overdrachtsregeling, behoudens uitzonderingen, Nederlands recht van toepassing is, de rechtsgrondslag, dat de Nederlandsche Bank de bevoegde toezichthouder is, alsmede de uiterste datum waarop tegen de beschikking beroep in cassatie kan worden ingesteld met vermelding van het volledige adres van de Hoge Raad en het onderwerp van de beschikking.
3.
Indien het verzoek wordt toegewezen, stelt de griffier van de rechtbank de Nederlandsche Bank daarvan terstond in kennis. De Nederlandsche Bank stelt de Autoriteit Financiële Markten onmiddellijk in kennis van de toewijzing van het verzoek.
4.
Indien de goedkeuring een overdrachtsplan betreft met betrekking tot door de probleeminstelling uitgegeven aandelen die zijn toegelaten tot de handel op een in Nederland gelegen of functionerende gereglementeerde markt of een in Nederland geëxploiteerde multilaterale handelsfaciliteit, en de Autoriteit Financiële Markten een inkennisstelling als bedoeld in het derde lid, tweede volzin, daarvan ontvangt, verplicht zij door middel van een aanwijzing de betrokken marktexploitant of de in artikel 4:4b bedoelde beleggingsonderneming om de handel in die aandelen, alsmede de handel in daaraan gerelateerde financiële instrumenten, op te schorten of te onderbreken en de handel in die aandelen of in certificaten van die aandelen tot een door de Autoriteit Financiële Markten nader te bepalen tijdstip niet meer te hervatten.
5.
Voor de toepassing van het vierde lid worden met aandelen die zijn toegelaten tot de handel op een in Nederland gelegen of functionerende gereglementeerde markt of een in Nederland geëxploiteerde multilaterale handelsfaciliteit gelijkgesteld aandelen ten aanzien waarvan in Nederland systematische interne afhandeling plaatsvindt.
6.
Een door de rechtbank gegeven beschikking als bedoeld in dit artikel, is uitvoerbaar bij voorraad.
1.
Tegen een beschikking als bedoeld in artikel 3:159ij, eerste lid, heeft, indien het verzoek om het uitspreken van de overdrachtsregeling geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen, of aan de goedkeuring voorwaarden als bedoeld in artikel 3:159ij, vierde lid, zijn verbonden, de Nederlandsche Bank het recht van hoger beroep gedurende acht dagen na de dag van de afwijzing. Artikel 3:159v is van overeenkomstige toepassing.
2.
Tegen een beschikking als bedoeld in artikel 3:159ij, eerste lid, staat geen hoger beroep open indien het verzoek om het uitspreken van de overdrachtsregeling wordt toegewezen.
3.
Een aandeelhouder, met uitzondering van de aandeelhouder die ingevolge artikel 3:159w, eerste lid, tweede volzin, door de rechtbank in staat is gesteld te worden gehoord, heeft het recht van verzet tegen een beschikking als bedoeld in artikel 3:159ij, eerste lid, gedurende acht dagen na de dag van de goedkeuring indien het overdrachtsplan wordt goedgekeurd.
4.
Indien een aandeelhouder als bedoeld in het derde lid, in verzet komt, kunnen de aandeelhouder en de probleeminstelling die door de rechtbank in staat zijn gesteld te worden gehoord, zich voegen.
5.
Het verzet kan zich niet richten tegen de prijs die de overnemer bereid is te betalen of de wijze waarop de prijs die de overnemer bereid is te betalen, wordt vastgesteld.
6.
Indien de rechtbank het verzet gegrond verklaart, leidt dit niet tot vernietiging van de overdrachtsregeling indien de ongedaanmaking van de overdrachtsregeling onevenredig ernstige gevolgen zou hebben.
1.
Een aandeelhouder kan, indien hij van mening is dat de door de overnemer te betalen prijs geen volledige vergoeding vormt voor de schade die hij rechtstreeks en noodzakelijk door het verlies van zijn aandeel lijdt, de ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam verzoeken een aanvullende schadeloosstelling vast te stellen.
2.
Een verzoek als bedoeld in het eerste lid kan worden ingediend gedurende zes weken na de dag waarop de beschikking tot het uitspreken van de overdrachtsregeling in kracht van gewijsde is gegaan, dan wel, indien de overnameprijs op dat moment nog niet vaststaat, gedurende zes weken na de dag waarop de overnameprijs op de in het overdrachtsplan bepaalde wijze is komen vast te staan. De ondernemingskamer behandelt het verzoek op de voet van de rechtspleging in burgerlijke zaken.
3.
Indien de ondernemingskamer aannemelijk acht dat de door de overnemer te betalen prijs geen volledige vergoeding vormt van de door de aandeelhouder geleden schade, stelt zij een aanvullende schadeloosstelling vast. De artikelen 6:8, tweede lid, en 6:9 zijn van overeenkomstige toepassing.
4.
De Staat der Nederlanden stelt uiterlijk vier weken nadat de beschikking tot vaststelling van de aanvullende schadeloosstelling in kracht van gewijsde is gegaan, het bedrag van de schadeloosstelling betaalbaar. De artikelen 6:12, tweede, derde en vijfde lid, en 6:13 zijn van overeenkomstige toepassing.
1.
Door de beschikking, bedoeld in artikel 3:159ij, eerste lid, verliest de probleeminstelling van rechtswege de beschikking en het beheer over dat deel van haar vermogen dat in het overdrachtsplan als over te dragen is opgenomen, te rekenen van de dag waarop de beschikking is gegeven, die dag daaronder begrepen.
2.
In afwijking van het eerste lid werkt de beschikking niet terug ten aanzien van een door de probleeminstelling, indien deze een instelling is als bedoeld in artikel 212a, onder a, van de Faillissementswet:
a. gegeven overboekingsopdracht, opdracht tot verrekening of enige uit een dergelijke opdracht voortvloeiende betaling, levering, verrekening of andere rechtshandeling die benodigd is om de opdracht volledig in een systeem als bedoeld in artikel 212a, onderdeel b, van de Faillissementswet uit te voeren, of rechten en verplichtingen die voor een deelnemer ingevolge of in verband met zijn deelname aan een systeem als bedoeld in artikel 212a, onderdeel b, van die wet, zijn ontstaan; en
b. gesloten financiëlezekerheidsovereenkomst als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de richtlijn financiëlezekerheidsovereenkomsten of een overdracht of vestiging van een pandrecht of een opdracht tot verrekening op grond daarvan, ingeval deze opdracht of financiëlezekerheidsovereenkomst is gegeven onderscheidenlijk gesloten voor het tijdstip waarop de rechtbank de beschikking heeft gegeven.
3.
Het eerste lid kan niet aan derden worden tegengeworpen ten aanzien van een door een probleeminstelling die een instelling is als bedoeld in artikel 212a, onder a, van de Faillissementswet gegeven overboekingsopdracht, opdracht tot verrekening of enige uit een dergelijke opdracht voortvloeiende betaling, levering, verrekening of andere rechtshandeling die benodigd is om de opdracht volledig uit te voeren, ingeval de opdracht is gegeven na het tijdstip waarop de rechtbank een beschikking als bedoeld in artikel 3:159ij, eerste lid, heeft gegeven, indien de opdracht in een systeem als bedoeld in artikel 212a, onderdeel b, van de Faillissementswet, wordt uitgevoerd op de dag waarop de beschikking is gegeven en de centrale tegenpartij, de afwikkelende instantie of het verrekeningsinstituut als bedoeld in artikel 212a, onderdelen c, d en e, van de Faillissementswet kan aantonen dat deze ten tijde van de uitvoering van de opdracht de door de rechtbank gegeven beschikking niet kende of behoorde te kennen en kan evenmin aan derden worden tegengeworpen ten aanzien van een door de probleeminstelling gesloten financiëlezekerheidsovereenkomst als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de richtlijn financiëlezekerheidsovereenkomsten, een overdracht of vestiging van een pandrecht op grond daarvan, alsmede elke rechtshandeling op grond van een financiëlezekerheidsovereenkomst vanwege verbintenissen van de probleeminstelling die na het tijdstip waarop de rechtbank een beschikking als bedoeld in artikel 3:159ij, eerste lid, heeft gegeven zijn ontstaan, mits de betreffende rechtshandeling plaatsvindt op de dag waarop de beschikking is gegeven en de wederpartij kan aantonen dat deze ten tijde van de rechtshandeling de door de rechtbank gegeven beschikking niet kende of behoorde te kennen.
4.
Het tweede en het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op goederenrechtelijke zekerheidsrechten die door een probleeminstelling in verband met deelname aan een systeem als bedoeld in artikel 212a, onderdeel b, van de Faillissementswet, zijn gevestigd ten behoeve van een centrale bank als bedoeld in artikel 212a, onderdeel h, van de Faillissementswet of ten behoeve van een financiële onderneming die deelneemt aan het systeem alsmede in geval van een overdrachtsregeling ten aanzien van een systeemexploitant van een interoperabel systeem die geen deelnemer is.
1.
De overdrager is belast met de overdracht van de in het overdrachtsplan genoemde activa of passiva en aandelen, die niet reeds zijn overgegaan door goedkeuring van het overdrachtsplan en de daaruit voortvloeiende werkzaamheden.
2.
De overdrager is bij uitsluiting bevoegd alle handelingen te verrichten in verband met het overdrachtsplan.
3.
De bestuurders en commissarissen van de probleeminstelling en haar vertegenwoordigers verlenen alle door de overdrager gevraagde medewerking.
4.
De overdrager voert het overdrachtsplan uit zo spoedig mogelijk nadat de rechtbank het heeft goedgekeurd.
5.
Zijn er twee of meer overdragers, dan kan ieder van hen alle werkzaamheden verrichten, tenzij anders is bepaald. Bij verschil van mening tussen de overdragers beslist op verzoek van een hunner de rechtbank Amsterdam.
6.
De overdrachtsregeling houdt van rechtswege op van kracht te zijn doordat de probleeminstelling in staat van faillissement wordt verklaard of ten aanzien van de probleeminstelling de noodregeling wordt uitgesproken doordat de rechtbank op verzoek van de overdrager of de Nederlandsche Bank de overdrachtsregeling beëindigt, of doordat de Nederlandsche Bank vaststelt dat het overdrachtsplan en de daarmee samenhangende werkzaamheden zijn uitgevoerd.
7.
De Nederlandsche Bank doet van de beëindiging door de rechtbank of de vaststelling door de Nederlandsche Bank dat het overdrachtsplan en de daarmee samenhangende werkzaamheden zijn uitgevoerd onverwijld mededeling in de Staatscourant.
8.
De benoeming van de overdrager eindigt van rechtswege doordat de overdrachtsregeling ophoudt van kracht te zijn.
9.
De kosten in verband met de uitvoering van het overdrachtsplan, waaronder het salaris van de overdrager, komen voor rekening van de probleeminstelling, tenzij in het overdrachtsplan anders is bepaald.
1.
De overdrager houdt bij een financiële onderneming die ingevolge deze wet in Nederland het bedrijf van bank mag uitoefenen een rekening aan op zijn naam met vermelding van zijn hoedanigheid, die uitsluitend bestemd is voor gelden, die hij in verband met zijn werkzaamheden als zodanig onder zich neemt, tenzij in het overdrachtsplan anders is bepaald en tenzij de rechtbank ingevolge artikel 3:159ij, vierde lid, andersluidende voorwaarden aan de goedkeuring heeft verbonden.
2.
De overnemer voldoet de prijs, bedoeld in artikel 3:159i, eerste lid, onderdeel c, 3:159o, onderdeel c, en 3:159r, onderdeel c, door overmaking op de rekening, bedoeld in het eerste lid, zo spoedig mogelijk nadat de rechtbank de overdrachtsregeling heeft uitgesproken, tenzij in het overdrachtsplan anders is bepaald en tenzij de rechtbank ingevolge artikel 3:159ij, vierde lid, andersluidende voorwaarden aan de goedkeuring heeft verbonden.
1.
De overdracht van aandelen kan afwijken van wettelijke voorschriften of statutaire bepalingen, voor zover dit in het overdrachtsplan is bepaald.
2.
De overdrager maakt de goedkeuring van het overdrachtsplan en de in het overdrachtsplan opgenomen prijs of wijze waarop de prijs die de overnemer bereid is te betalen wordt vastgesteld zo spoedig mogelijk nadat de rechtbank de overdrachtsregeling heeft uitgesproken, bekend aan de rechthebbenden. In daarvoor in aanmerking komende gevallen geschiedt de bekendmaking overeenkomstig artikel 5:25m, eerste en tweede lid.
3.
Een in het overdrachtsplan genoemd door de probleeminstelling uitgegeven aandeel gaat onbezwaard over op de overnemer. Overgang van door de probleeminstelling uitgegeven aandelen doet de rechten op nieuw uit te geven aandelen vervallen.
4.
De op een overgegaan door de probleeminstelling uitgegeven aandeel rustende rechten van pand of vruchtgebruik en de aan de overnemer bekende beslagen op dat aandeel gaan op het tijdstip van de overgang over op het recht op de prijs met betrekking tot dat aandeel.
5.
Indien een aandeel overgaat dan wel wordt overgedragen waarvoor met medewerking van de probleeminstelling een certificaat of een daarmee vergelijkbaar financieel instrument is uitgegeven, komt het recht op de prijs toe aan de houder van dat certificaat of dat financiële instrument en vervalt het certificaat, onderscheidenlijk het financiële instrument.
1.
De Nederlandsche Bank kan, nadat zij de overdrager in staat heeft gesteld te worden gehoord, de rechtbank Amsterdam verzoeken om goed te keuren dat een reeds goedgekeurd overdrachtsplan wordt aangepast op een in het verzoek bepaalde wijze.
2.
Ingeval de rechtbank de aanpassing niet goedkeurt, wijst zij het verzoek om aanpassing van het overdrachtsplan af en blijft het overdrachtsplan ongewijzigd in stand.
3.
De artikelen 3:159c, derde lid, 3:159d tot en met 3:159s, 3:159t, tweede lid, 3:159v tot en met 3:159z, met uitzondering van artikel 3:159ij, eerste lid, 3:159ae en 3:159af zijn van overeenkomstige toepassing op de aanpassing van het overdrachtsplan.
Artikel 3:159ah
De artikelen 3:159a tot en met 3:159ag zijn van overeenkomstige toepassing op in Nederland gelegen bijkantoren van verzekeraars met zetel in een staat die geen lidstaat is, met dien verstande dat:
a. een overgang van activa of passiva uitsluitend mogelijk is ten aanzien van activa of passiva die zich in Nederland bevinden of die door Nederlands recht worden beheerst; en
b. het overdrachtsplan geen betrekking kan hebben op door de verzekeraar uitgegeven aandelen.
Artikel 3:159ai
De artikelen 3:159a tot en met 3:159ag zijn van overeenkomstige toepassing op in Nederland gelegen bijkantoren van verzekeraars met beperkte risico-omvang met zetel in een niet-aangewezen staat, met dien verstande dat:
a. een overgang van activa of passiva uitsluitend mogelijk is ten aanzien van activa of passiva die zich in Nederland bevinden of die door Nederlands recht worden beheerst; en
b. het overdrachtsplan geen betrekking kan hebben op door de verzekeraar uitgegeven aandelen.
Artikel 3:159ak
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder «verzekeraar» mede verstaan «entiteit voor risico-acceptatie» en onder «verzekering» mede «risico-acceptatie».
1.
Indien de Nederlandsche Bank oordeelt dat er ten aanzien van een bank of verzekeraar met zetel in Nederland die een door de Europese Centrale Bank of de Nederlandsche Bank verleende vergunning heeft, tekenen van een gevaarlijke ontwikkeling zijn met betrekking tot het eigen vermogen, de solvabiliteit dan wel de liquiditeit of de technische voorzieningen en redelijkerwijs is te voorzien dat die ontwikkeling niet voldoende of niet tijdig ten goede zal keren, kan zij de rechtbank Amsterdam verzoeken ten aanzien van die bank of verzekeraar de noodregeling uit te spreken. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op een bank of verzekeraar waarvan de Europese Centrale Bank onderscheidenlijk de Nederlandsche Bank de vergunning heeft ingetrokken.
2.
Ingeval het belang van de gezamenlijke schuldeisers bij de afwikkeling van een bank of verzekeraar met zetel in Nederland die niet een door de Europese Centrale Bank of de Nederlandsche Bank verleende vergunning heeft een bijzondere voorziening behoeft, kan de Nederlandsche Bank de rechtbank Amsterdam verzoeken ten aanzien van die bank of verzekeraar de noodregeling uit te spreken.
Artikel 3:161
De Nederlandsche Bank kan bij haar verzoek als bedoeld in artikel 3:160, eerste lid, een overdrachtsplan als bedoeld in artikel 3:159c, derde lid, onderdelen a en b, overleggen, met het verzoek het overdrachtsplan goed te keuren.
Artikel 3:162
De Nederlandsche Bank zendt een afschrift van het verzoekschrift aan de bank of verzekeraar en geeft kennis van de inhoud van het verzoekschrift aan de toezichthoudende instanties van de andere lidstaten waar een bijkantoor van de bank of verzekeraar is gelegen of waarnaar zij of hij diensten verricht vanuit haar of zijn vestigingen in een lidstaat.
Artikel 3:162a
De rechtbank behandelt het verzoek van de Nederlandsche Bank tot het uitspreken van de noodregeling met de meeste spoed op een niet openbare terechtzitting op de voet van de rechtspleging in burgerlijke zaken, voorzover daarvan bij deze wet niet is afgeweken.
1.
De bank of verzekeraar kan, na in de gelegenheid te zijn gesteld te worden gehoord, zich verweren tegen:
a. beslissingen als bedoeld in artikel 3:159d, tweede lid;
b. beslissingen als bedoeld in artikel 3:159f, eerste lid;
c. beslissingen als bedoeld in de artikelen 1:75 en 1:76 die zijn genomen nadat de Nederlandsche Bank een mededeling als bedoeld in artikel 3:159d, eerste lid, heeft gedaan;
d. het oordeel van de Nederlandsche Bank dat zich een situatie als bedoeld in artikel 3:159c, eerste lid, voordoet.
2.
Ingeval een bank of verzekeraar zich heeft verweerd tegen een beslissing of oordeel als bedoeld in het eerste lid, verklaart de rechtbank dat verweer uitsluitend dan gegrond indien de Nederlandsche Bank in redelijkheid niet tot die beslissingen of dat oordeel heeft kunnen komen.
1.
De rechtbank spreekt de noodregeling uit indien summierlijk blijkt dat zich een situatie, als bedoeld in artikel 3:160, eerste of tweede lid, voordoet.
2.
Ingeval de Nederlandsche Bank een overdrachtsplan als bedoeld in artikel 3:159c, derde lid, onderdeel a of b, heeft overgelegd, keurt de rechtbank het overdrachtsplan goed, tenzij de in het overdrachtsplan genoemde prijs of wijze waarop de prijs die de overnemer bereid is te betalen wordt vastgesteld, gegeven de omstandigheden van het geval, niet een redelijke prijs of wijze is. Bij het vaststellen of de prijs of wijze redelijk is wordt uitgegaan van het te verwachten toekomstperspectief van de bank of verzekeraar in de situatie dat het overdrachtsplan niet wordt goedgekeurd en de noodregeling niet wordt uitgesproken.
3.
Onverminderd het tweede lid, keurt de rechtbank het plan met betrekking tot de overdracht van activa of passiva goed, tenzij schuldeisers daardoor zouden worden benadeeld.
4.
De rechtbank kan ambtshalve aan de goedkeuring voorwaarden verbinden met betrekking tot de voldoening van de prijs.
1.
Bij het uitspreken van de noodregeling benoemt de rechtbank een van haar leden tot rechter-commissaris en benoemt zij een of meer bewindvoerders. De Nederlandsche Bank kan voor de benoeming van de bewindvoerder of bewindvoerders voordrachten doen.
2.
Indien het verzoek wordt toegewezen, wordt de beschikking op een openbare terechtzitting uitgesproken en wordt een uittreksel ervan onverwijld door de bewindvoerder bekendgemaakt in de Staatscourant, het Publicatieblad van de Europese Unie, alsmede in ten minste twee door de rechtbank aan te wijzen Nederlandse dagbladen en ten minste twee door de rechtbank aan te wijzen landelijke dagbladen van iedere lidstaat waar een bijkantoor van de financiële onderneming is gelegen of waarnaar zij diensten verricht. De uittreksels vermelden naam en zetel van de financiële onderneming, bedoeld in het eerste lid, de woonplaats of het kantoor van de bewindvoerders alsmede de datum van de beschikking. De publicatie in de landelijke dagbladen geschiedt in de officiële taal of talen van iedere betrokken lidstaat. In de bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie en de landelijke dagbladen van iedere lidstaat waar de financiële onderneming een bijkantoor heeft of waarnaar zij diensten verricht wordt daarenboven vermeld dat op de noodregeling, behoudens uitzonderingen, Nederlands recht van toepassing is, de rechtsgrondslag, dat de Nederlandsche Bank de bevoegde toezichthouder is, alsmede de uiterste datum waarop tegen de beschikking beroep in cassatie kan worden ingesteld met vermelding van het volledige adres van de Hoge Raad en het onderwerp van de beschikking.
1.
Bij het uitspreken van de noodregeling of daarna kan de rechtbank aan de bewindvoerders een machtiging verlenen die strekt tot:
a. overdracht van het geheel of een gedeelte van de verbintenissen van de bank, welke zij in de uitoefening van het bedrijf van bank tot het ter beschikking krijgen van gelden heeft aangegaan onderscheidenlijk van het geheel of van een gedeelte van de verbintenissen van de verzekeraar krachtens overeenkomsten van verzekering;
b. gehele of gedeeltelijke liquidatie van het bedrijf van de bank onderscheidenlijk van de portefeuille van de verzekeraar; of
c. zowel overdracht als bedoeld in onderdeel a als liquidatie als bedoeld in onderdeel b.
2.
In geval van een machtiging met betrekking tot een verzekeraar, strekt de machtiging, bedoeld in de onderdelen b en c, mede tot vereffening van het vermogen van de onderneming van de verzekeraar, zolang nog niet blijkt dat de verzekeraar een negatief eigen vermogen heeft.
3.
De Nederlandsche Bank kan in het verzoek, bedoeld in de artikelen 3:160, eerste of tweede lid, vermelden welke van de machtigingen, bedoeld in het eerste lid, naar haar oordeel het meest passend is.
4.
Geen machtiging is benodigd voor het uitvoeren door de bewindvoerders van een door de rechtbank goedgekeurd overdrachtsplan.
5.
Indien een machtiging in strijd komt met een door de rechtbank goedgekeurd overdrachtsplan, vervalt die machtiging van rechtswege.
1.
Indien de machtiging strekt tot overdracht als bedoeld in artikel 3:163, eerste lid, aanhef en onderdeel a, kan op voordracht van de rechter-commissaris of op verzoek van de bewindvoerders de machtiging worden uitgebreid tot een machtiging als bedoeld in artikel 3:163, eerste lid, aanhef en onderdeel c.
2.
De griffier zendt een afschrift van de voordracht of het verzoek aan de bank onderscheidenlijk de verzekeraar met zetel in Nederland en, indien het een voordracht betreft, tevens aan de Nederlandsche Bank.
3.
Op een voordracht of verzoek als bedoeld in het eerste lid wordt niet beslist dan nadat de rechter de Nederlandsche Bank in de gelegenheid heeft gesteld haar mening daaromtrent kenbaar te maken. De Nederlandsche Bank maakt met de meeste spoed haar mening kenbaar.
4.
Nadat de Nederlandsche Bank haar mening ingevolge het derde lid kenbaar heeft gemaakt, of, indien zij niet van de in het derde lid bedoelde gelegenheid gebruikt heeft gemaakt, behandelt de rechtbank de voordracht of het verzoek, bedoeld in het eerste lid, met de meeste spoed op een niet openbare terechtzitting op de voet van de rechtspleging in burgerlijke zaken, voorzover daarvan bij deze wet niet is afgeweken.
1.
De rechtbank is bevoegd inzage te nemen of te doen nemen, door daartoe door haar aangewezen deskundigen, van zakelijke gegevens en bescheiden van de betrokken bank of verzekeraar.
2.
Degene die de gegevens onder zich heeft, verstrekt de gegevens of inlichtingen binnen een door de rechtbank te stellen termijn.
Artikel 3:166
De Nederlandsche Bank zendt een afschrift van de voordracht of het verzoek, bedoeld in artikel 3:164, eerste lid, aan de bank of verzekeraar met zetel in Nederland en deelt de inhoud daarvan mede aan de toezichthoudende instanties van de andere lidstaten waar een bijkantoor van de desbetreffende financiële onderneming is gelegen of waarnaar zij diensten verricht vanuit haar vestigingen in andere lidstaten.
Artikel 3:167
De beschikkingen, bedoeld in de artikelen 3:162c, eerste lid, en 3:164, eerste lid, worden met redenen omkleed.
Artikel 3:168
Indien de rechtbank een machtiging als bedoeld in artikel 3:163, eerste lid, verleent, bepaalt de rechtbank de duur van de machtiging op ten hoogste anderhalf jaar. Indien een machtiging tot overdracht wordt uitgebreid tot een machtiging tot zowel overdracht als liquidatie, bepaalt de rechtbank de duur van de machtiging tot zowel overdracht als liquidatie op de resterende duur van de machtiging tot overdracht. Voor het verstrijken van de gestelde termijn kunnen de bewindvoerders eenmaal of meermalen verlenging van de geldigheidsduur voor ten hoogste anderhalf jaar verzoeken. Het verzoek wordt behandeld op dezelfde wijze als een verzoek tot het uitspreken van de noodregeling. Zolang bij de afloop van de geldigheidsduur van de machtiging op een verzoek tot verlenging niet is beschikt, blijft de machtiging gehandhaafd.
1.
De griffier van de rechtbank stelt de Nederlandsche Bank onverwijld in kennis van een beschikking als bedoeld in artikel 3:162c, eerste lid, of 3:164, eerste lid.
2.
De Nederlandsche Bank deelt, onverwijld nadat zij in kennis is gesteld van de beschikking, de toezichthoudende instanties van alle andere lidstaten de beschikking mede, alsmede de mogelijke gevolgen in het desbetreffende geval. Tevens deelt de Nederlandsche Bank onverwijld de door Onze Minister op grond van artikel 212d van de Faillissementswet aangewezen systemen de beschikking mede.
1.
De bewindvoerders geven van een machtiging als bedoeld in artikel 3:163, eerste lid, aanhef en onderdeel b of c, onmiddellijk schriftelijk kennis aan alle bekende schuldeisers.
2.
De kennisgeving aan schuldeisers met een vordering uit hoofde van verzekering vermeldt tevens welke de belangrijkste gevolgen van de machtiging voor de overeenkomsten uit hoofde van verzekering zijn en de rechten en verplichtingen van de schuldeiser met een vordering uit hoofde van verzekering.
3.
Iedere schuldeiser kan zijn vordering en schriftelijke opmerkingen betreffende zijn vordering indienen bij de bewindvoerders.
1.
De kennisgeving, bedoeld in artikel 3:170, eerste lid, aan een bekende schuldeiser met gewone verblijfplaats of woonplaats in een lidstaat, die een vordering uit hoofde van verzekering heeft, geschiedt in de officiële taal of talen van die lidstaat.
2.
De kennisgeving, bedoeld in artikel 3:170, eerste lid, aan een bekende schuldeiser met gewone verblijfplaats of woonplaats in een lidstaat, die een andere vordering heeft dan de vordering, bedoeld in het eerste lid, geschiedt in het Nederlands met een formulier dat in alle officiële talen van de lidstaten het opschrift draagt «Oproep tot indiening van opmerkingen betreffende schuldvorderingen. Termijnen».
3.
Iedere schuldeiser met gewone verblijfplaats of woonplaats in een lidstaat kan zijn vordering en schriftelijke opmerkingen betreffende zijn vordering indienen in een officiële taal van die lidstaat met een verklaring met als opschrift in de Nederlandse taal «Indiening van een vordering», onderscheidenlijk «Indiening van opmerkingen betreffende een vordering».
4.
In geval van een noodregeling ten aanzien van een bank kunnen de bewindvoerders een vertaling in het Nederlands van de indiening van de vordering en de opmerkingen verlangen.
Artikel 3:172
Indien een machtiging is gegeven als bedoeld in artikel 3:163, eerste lid, aanhef en onderdeel b of c:
a. stellen de bewindvoerders alle bekende schuldeisers regelmatig op passende wijze in kennis van in ieder geval het verloop van de noodregeling; en
b. deelt de Nederlandsche Bank de toezichthoudende instanties van de andere lidstaten die zulks verzoeken het verloop van de noodregeling mede.
1.
De rechter-commissaris houdt toezicht op de overdracht onderscheidenlijk de liquidatie, bedoeld in artikel 3:163, eerste lid, en op het beheer van de boedel.
2.
Met betrekking tot de beschikkingen van de rechter-commissaris, gegeven ter uitvoering van het in het eerste lid bepaalde, zijn de artikelen 66 en 67, eerste lid, van de Faillissementswet van overeenkomstige toepassing. Artikel 67, tweede lid, van de Faillissementswet is van overeenkomstige toepassing voorzover de daarin opgesomde artikelen in artikel 3:180, tweede lid, van overeenkomstige toepassing zijn verklaard. Hetgeen in de genoemde artikelen is bepaald met betrekking tot de curator onderscheidenlijk de gefailleerde is van overeenkomstige toepassing op de bewindvoerders onderscheidenlijk de verzekeraar.
1.
Een beschikking als bedoeld in artikel 3:162c, eerste lid, 3:163, eerste lid, of 3:164, eerste lid, is uitvoerbaar bij voorraad. Een beschikking als bedoeld in artikel 3:162c, eerste lid, werkt terug tot aan het begin van de dag waarop zij is uitgesproken. De in dit lid bedoelde uitvoerbaarheid en terugwerkende kracht gelden niettegenstaande enige daartegen gerichte voorziening.
2.
In afwijking van het eerste lid werkt een beschikking als bedoeld in het eerste lid niet terug ten aanzien van een door een bank of verzekeraar met zetel in Nederland:
a. gegeven overboekingsopdracht, opdracht tot verrekening of enige uit een dergelijke opdracht voortvloeiende betaling, levering, verrekening of andere rechtshandeling die benodigd is om de opdracht volledig uit te voeren in een systeem als bedoeld in artikel 212a, onderdeel b, van de Faillissementswet of rechten en verplichtingen die voor een bank of verzekeraar in verband met haar of zijn deelname aan een systeem als bedoeld in dat artikel zijn ontstaan; of
b. gesloten financiëlezekerheidsovereenkomst als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de richtlijn financiëlezekerheidsovereenkomsten of een overdracht of vestiging van een pandrecht op grond daarvan, of enige uit een dergelijke overeenkomst voortvloeiende betaling, levering of andere rechtshandeling die benodigd is om die overeenkomst volledig uit te voeren,
ingeval deze overboekingsoverdracht of financiëlezekerheidsovereenkomst is gegeven onderscheidenlijk gesloten voor het tijdstip waarop de rechtbank de beschikking heeft gegeven.
3.
Het eerste lid en artikel 3:175, eerste lid, kunnen niet aan derden worden tegengeworpen ten aanzien van een door een financiële onderneming als bedoeld in het tweede lid:
a. gegeven overboekingsopdracht, opdracht tot verrekening of enige uit een dergelijke opdracht voortvloeiende betaling, levering, verrekening of andere rechtshandeling die benodigd is om de opdracht volledig uit te voeren, ingeval de overboekingsopdracht is gegeven na het tijdstip waarop de rechtbank een beschikking als bedoeld in het eerste lid heeft gegeven, indien de opdracht in een systeem als bedoeld in artikel 212a, onderdeel b, van de Faillissementswet, wordt uitgevoerd op binnen een werkdag als omschreven in de regels van het systeem, gedurende welke de rechtbank de beschikking heeft gegeven en de systeemexploitant bedoeld in artikel 212a van de Faillissementswet, kan aantonen dat deze op het tijdstip waarop deze opdrachten onherroepelijk worden niet op de hoogte was of op de hoogte behoorde te zijn van de door de rechtbank gegeven beschikking; of
b. gesloten financiëlezekerheidsovereenkomst als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de richtlijn financiëlezekerheidsovereenkomsten, of enige uit een dergelijke overeenkomst voortvloeiende betaling, levering, verrekening of andere rechtshandeling die benodigd is om die overeenkomst volledig uit te voeren, ingeval de financiëlezekerheidsovereenkomst is gesloten na het tijdstip waarop de rechtbank een beschikking als bedoeld in het eerste lid heeft gegeven, indien de zekerheidsnemer kan aantonen dat deze ten tijde van het sluiten van die overeenkomst niet op de hoogte was of op de hoogte behoorde te zijn van de door de rechtbank gegeven beschikking.
4.
Het tweede en het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op goederenrechtelijke zekerheidsrechten die door financiële ondernemingen als bedoeld in het tweede lid in verband met deelname aan een systeem als bedoeld in artikel 212a, onderdeel b, van de Faillissementswet, zijn gevestigd ten behoeve van een centrale bank als bedoeld in artikel 212a, onderdeel h, van de Faillissementswet of ten behoeve van een financiële onderneming die deelneemt aan het systeem.
5.
In afwijking van het eerste lid werkt een in dat lid bedoelde beschikking niet terug ten aanzien van een door financiële ondernemingen als bedoeld in het tweede lid, voor het tijdstip waarop de rechtbank de beschikking heeft gegeven, gesloten financiëlezekerheidsovereenkomst als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de richtlijn financiëlezekerheidsovereenkomsten of een overdracht of vestiging van een pandrecht op grond daarvan, of enige uit een dergelijke overeenkomst voortvloeiende betaling, levering, verrekening of andere rechtshandeling die benodigd is om die overeenkomst volledig uit te voeren.
6.
Het eerste lid kan niet aan derden worden tegengeworpen ten aanzien van een, door een financiële onderneming als bedoeld in het tweede lid, na het tijdstip waarop de rechtbank een beschikking als bedoeld in het eerste lid heeft gegeven, gesloten financiëlezekerheidsovereenkomst als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de richtlijn financiëlezekerheidsovereenkomsten, of enige uit een dergelijke overeenkomst voortvloeiende betaling, levering, verrekening of andere rechtshandeling die benodigd is om die overeenkomst volledig uit te voeren, indien de zekerheidsnemer kan aantonen dat deze niet op de hoogte was of behoorde te zijn van de door de rechtbank gegeven beschikking.
7.
De rechtbank vermeldt op een beschikking als bedoeld in het eerste lid het tijdstip waarop de beschikking is gegeven tot op de minuut nauwkeurig.
Artikel 3:174a
De artikelen 3:159k, 3:159l en 3:159p zijn van overeenkomstige toepassing.
1.
Ingeval de Nederlandsche Bank bij haar verzoek tot het uitspreken van de noodregeling geen overdrachtsplan heeft overgelegd of indien zij dat wel heeft gedaan maar de rechtbank het overdrachtsplan niet heeft goedgekeurd, kan de Nederlandsche Bank alsnog of opnieuw een overdrachtsplan voorbereiden.
a. in de artikelen 3:159d en 3:159e voor «probleeminstelling» wordt gelezen: de bank of verzekeraar en bewindvoerder;
b. in de artikelen 3:159ad, eerste tot en met vijfde lid, 3:159ae, 3:159af, tweede lid en 3:159ag, eerste lid, voor «overdrager» of «overdragers» wordt gelezen «bewindvoerder» onderscheidenlijk «bewindvoerders».
1.
De bewindvoerders oefenen bij uitsluiting alle bevoegdheden van de bestuurders, commissarissen van de bank of verzekeraar met zetel in Nederland of, in geval van een verzekeraar met zetel in Nederland, vertegenwoordigers van de verzekeraar uit.
2.
De bewindvoerders waken voor de belangen van de gezamenlijke schuldeisers.
3.
De bestuurders en commissarissen van de bank of verzekeraar of de vertegenwoordigers van de verzekeraar verlenen alle door de bewindvoerders gevraagde medewerking.
4.
Indien meer dan een bewindvoerder is benoemd, is voor de geldigheid van hun handelingen toestemming van de meerderheid of bij staking van stemmen een beslissing van de president van de rechtbank vereist. De bewindvoerder aan wie bij een machtiging als bedoeld in artikel 3:163, eerste lid, een bepaalde werkkring is aangewezen, is binnen de grenzen daarvan zelfstandig tot handelen bevoegd.
5.
De rechtbank kan te allen tijde een bewindvoerder, na hem en de Nederlandsche Bank gehoord, dan wel behoorlijk opgeroepen te hebben, ontslaan en door een ander vervangen, of aan hem een of meer bewindvoerders toevoegen, een en ander op verzoek van de bewindvoerder zelf, de andere bewindvoerders, de Nederlandsche Bank of een of meer schuldeisers dan wel ambtshalve.
6.
De bewindvoerders kunnen de bestuurders van een bank of verzekeraar of de vertegenwoordiger van de verzekeraar machtigen bepaalde handelingen te verrichten.
7.
Een besluit van aandeelhouders of leden van de financiële onderneming, bedoeld in het eerste lid, behoeft, om van kracht te zijn, de toestemming van de bewindvoerders.
8.
Wordt een besluit van aandeelhouders of leden dat ingevolge de statuten of reglement van de financiële onderneming, bedoeld in het eerste lid, voor een handeling is vereist, niet genomen of verkrijgt dit besluit niet de volgens de statuten of reglementen vereiste toestemming, dan kunnen de bewindvoerders dit besluit nemen.
9.
De bewindvoerders kunnen personen machtigen alle of een deel van de bevoegdheden uit te oefenen die zij ingevolge het eerste lid hebben. De bewindvoerders kunnen de rechtbank verzoeken een beloning voor de gemachtigden vast te stellen. De bewindvoerders doen van de naam en woonplaats van een door hen gemachtigde alsook van de intrekking van een machtiging mededeling in de Staatscourant.
10.
Het loon van de personen, aangewezen ingevolge artikel 3:165, eerste lid, het loon en de verschotten van de bewindvoerders, alsmede de overige kosten van de noodregeling worden bepaald door de rechtbank en vormen een boedelschuld.
11.
De bewindvoerders kunnen de bestuurders, commissarissen en vertegenwoordigers namens de financiële onderneming, bedoeld in het eerste lid, ontslaan. Bij dit ontslag worden de overeengekomen of wettelijke termijnen in acht genomen, met dien verstande echter dat een termijn van zes weken in elk geval voldoende is.
12.
De bewindvoerders kunnen personen aanwijzen om hen te vertegenwoordigen of anderszins bij te staan.
13.
Artikel 69 van de Faillissementswet is van overeenkomstige toepassing.
1.
Het uitspreken van de noodregeling heeft tot gevolg dat de bank of verzekeraar met zetel in Nederland niet kan worden genoodzaakt tot nakoming van haar onderscheidenlijk zijn verplichtingen die voor het uitspreken van de noodregeling zijn ontstaan.
2.
Executies die zijn aangevangen voor het uitspreken van de noodregeling worden geschorst.
3.
Beslagen die zijn gelegd voor het uitspreken van de noodregeling vervallen.
4.
Artikel 36 van de Faillissementswet is van overeenkomstige toepassing op de in het eerste lid bedoelde verplichtingen.
5.
Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor:
a. vorderingen die door pand of hypotheek op goederen van de financiële onderneming, bedoeld in het eerste lid, zijn gedekt;
b. termijnen van huurkoop;
c. vorderingen tot nakoming van financiëlezekerheidsovereenkomst als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de richtlijn financiëlezekerheidsovereenkomsten; en
d. de verplichtingen die voortvloeien uit corresponderende posities en daarmee samenhangende cliëntposities als bedoeld in hoofdstuk 3b van de Wet giraal effectenverkeer, alsmede de verplichtingen met betrekking tot het stellen van zekerheid in verband met de betreffende derivatenposities, voor wat betreft de verplichtingen jegens cliënten beperkt tot de verplichtingen die kunnen worden voldaan uit het derivatenvermogen, bedoeld in artikel 49g, eerste lid, van die wet.
6.
Voorzover vorderingen die door pand of hypotheek zijn gedekt, niet op de daaraan onderworpen goederen kunnen worden verhaald, werkt de uitspraak wel ten aanzien van deze vorderingen.
1.
De artikelen 234 tot en met 241e van de Faillissementswet zijn van overeenkomstige toepassing.
2.
In afwijking van het eerste lid, bevrijdt voldoening na de bekendmaking van de vaststelling van de noodregeling ten aanzien van een bank niet zijnde een natuurlijke persoon tegenover de boedel indien degene die haar deed, bewijst dat hij niet bekend was met de vaststelling van de noodregeling, ingeval een machtiging is verleend als bedoeld in 3:163, eerste lid, aanhef en onderdeel b, of, ingeval een machtiging is verleend als bedoeld in artikel 3:163, eerste lid, aanhef en onderdeel c, vanaf het moment waarop activa van de desbetreffende financiële onderneming te gelde zijn gemaakt met het oogmerk de opbrengst te verdelen onder de schuldeisers, aandeelhouders of leden van de desbetreffende financiële onderneming.
1.
De bewindvoerders kunnen uitkeringen doen op vorderingen die niet voortvloeien uit handelingen met de bank of verzekeraar met zetel in Nederland na het uitspreken van de noodregeling verricht, voorzover dit gelet op de liquiditeitspositie van de desbetreffende financiële onderneming verantwoord is te achten en indien is voldaan aan het tweede lid en de artikelen 3:179 tot en met 3:184.
2.
Artikel 3:171 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de verwijzing naar de kennisgeving, bedoeld in artikel 3:170, moet worden gelezen: de kennisgeving, bedoeld in artikel 3:179, tweede lid, tweede volzin.
1.
De bewindvoerders maken een staat op waaruit blijken de aard en het bedrag van de baten en schulden van de financiële onderneming, de namen en woonplaatsen van de schuldeisers alsmede het bedrag der vorderingen van iedere schuldeiser. Een door de bewindvoerders gewaarmerkt afschrift van deze staat wordt ter kosteloze inzage van een ieder ter griffie van de rechtbank neergelegd.
2.
Op verzoek van de bewindvoerders bepaalt de rechter-commissaris de dag waarop uiterlijk de vorderingen moeten worden ingediend, en voorts dag, uur en plaats waarop de verificatievergadering zal worden gehouden. Nadat de rechter-commissaris op het verzoek, bedoeld in de eerste volzin, heeft beslist, geven de bewindvoerders daarvan onmiddellijk aan alle bekende schuldeisers schriftelijk kennis. Deze kennisgeving betreft in elk geval tevens de gevolgen van het indienen van een vordering na het verstrijken van de termijn, bedoeld in de eerste volzin, de mededeling dat de vordering bij de bewindvoerders moet worden ingediend, met, in het voorkomende geval, de opgave dat op een voorrecht of goederenrechtelijk recht aanspraak wordt gemaakt. Aan schuldeisers met een vordering uit hoofde van verzekering vermeldt de kennisgeving voorts welke de belangrijkste gevolgen van de noodregeling voor de overeenkomsten uit hoofde van verzekering zijn, en de rechten en verplichtingen van de verzekerde en anderen in verband met de overeenkomsten van verzekering.
3.
De bewindvoerders doen, ingeval van een bank, schadeverzekeraar of levensverzekeraar met zetel in Nederland, tevens mededeling van de beschikkingen in de Staatscourant, het Publicatieblad van de Europese Unie, alsmede in ten minste twee door de rechtbank aan te wijzen Nederlandse dagbladen en ten minste twee landelijke dagbladen van iedere lidstaat waar de desbetreffende onderneming een bijkantoor heeft of waarnaar zij diensten verricht en, ingeval van een natura-uitvaartverzekeraar met zetel in Nederland, in de Staatscourant en in ten minste twee door de rechtbank aan te wijzen Nederlandse dagbladen.
4.
De artikelen 110 tot en met 113 van de Faillissementswet zijn van overeenkomstige toepassing.
1.
Een afschrift van de lijst van voorlopig erkende schuldvorderingen en van de lijst van betwiste vorderingen wordt door de bewindvoerders ter griffie van de rechtbank neergelegd om aldaar gedurende veertien dagen voorafgaande aan de verificatievergadering kosteloos voor een ieder ter inzage te liggen. De bewindvoerders geven alle bekende schuldeisers voor het begin van deze periode schriftelijk van de nederlegging bericht waarbij zij een nadere oproeping tot de verificatievergadering voegen. Voorts doen de bewindvoerders van de nederlegging mededeling in een of meer door de rechter-commissaris aan te wijzen dagbladen.
2.
Met betrekking tot verificaties zijn de artikelen 59, 119 tot en met 122, 123 tot en met 127, 129, 132 tot en met 137, 260, eerste lid, 261 en 262, eerste en derde lid, van de Faillissementswet van overeenkomstige toepassing. Daarbij zijn de bepalingen met betrekking tot de curator onderscheidenlijk de gefailleerde van toepassing op de bewindvoerders onderscheidenlijk de financiële onderneming, bedoeld in het eerste lid. In afwijking van de in artikel 127, eerste lid, van de Faillissementswet genoemde termijn geldt de termijn die ingevolge artikel 3:179, tweede lid, voor de indiening van vorderingen is bepaald. De vorderingen welke opeisbaar worden op of na de datum van de beschikking, bedoeld in artikel 3:162c, eerste lid, worden geverifieerd voor de waarde welke zij hebben op het tijdstip waarop deze vorderingen opeisbaar worden, met dien verstande dat dit ten aanzien van vorderingen welke vallen onder de werking van artikel 3:195, eerste lid, slechts geldt voorzover deze bepaling niet reeds op deze vorderingen is toegepast.
1.
De bestuurders van de financiële onderneming, bedoeld in artikel 3:178, wonen de verificatievergadering bij teneinde aldaar alle inlichtingen over de oorzaken van de in artikel 3:160 bedoelde toestand en de staat van de boedel te geven die aan hen door de rechter-commissaris worden gevraagd. Ieder van de schuldeisers kan de rechter-commissaris verzoeken omtrent bepaalde door hem op te geven punten inlichtingen aan de bestuurders te vragen.
2.
De vragen aan de bestuurders gesteld en de door hen gegeven antwoorden worden in het proces-verbaal opgetekend.
3.
In afwijking van het bepaalde in artikel 121, vierde lid, van de Faillissementswet levert het proces-verbaal van de verificatievergadering ten aanzien van de verbintenissen van de financiële onderneming, bedoeld in het eerste lid, welke ingevolge artikel 3:194, eerste lid, onderscheidenlijk 3:195, eerste lid, worden overgedragen slechts kracht van gewijsde op voorzover de desbetreffende bedingen niet worden gewijzigd.
1.
Na de verificatie van de schuldvorderingen maken de bewindvoerders een uitdelingslijst op. Zij onderwerpen die aan de goedkeuring van de rechter-commissaris. De lijst houdt in een staat van ontvangsten en uitgaven, daaronder begrepen het loon van de bewindvoerders, de namen van de schuldeisers, en voorts het geverifieerde bedrag van ieders vordering en de daarop te ontvangen uitkering. De artikelen 180, tweede lid, 181 en 182, eerste lid, van de Faillissementswet zijn van overeenkomstige toepassing. Onverminderd artikel 3:184 is artikel 233 van die wet eveneens van overeenkomstige toepassing.
2.
Bij het opmaken van de uitdelingslijst wordt met betrekking tot de vorderingen die zijn betwist of waarvan de voorrang is betwist of die voorwaardelijk zijn toegelaten een bedrag aan liquide middelen afgezonderd tot ten minste het beloop van het totaal van de bedragen die bij de toepassing van dit artikel op deze vorderingen zullen kunnen worden uitgekeerd, dan wel wordt deze uitkering op andere wijze zeker gesteld.
1.
De door de rechter-commissaris goedgekeurde uitdelingslijst wordt door de bewindvoerders ter griffie van de rechtbank neergelegd om aldaar gedurende veertien dagen kosteloos voor de schuldeisers ter inzage te liggen. De bewindvoerders doen van de nederlegging mededeling in een of meer door de rechter-commissaris aan te wijzen dagbladen alsmede indien het een bank, levensverzekeraar of schadeverzekeraar betreft met zetel in Nederland in het Publicatieblad van de Europese Unie. Voorts geven de bewindvoerders aan ieder der erkende en voorwaardelijk toegelaten schuldeisers schriftelijk van de nederlegging kennis, onder vermelding van het voor hem uitgetrokken bedrag.
2.
De artikelen 184 tot en met 186, 187, eerste, tweede en derde lid, 189 en 191 van de Faillissementswet zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat hetgeen daarin is bepaald met betrekking tot de curator van toepassing is op de bewindvoerders en dat in afwijking van de in artikel 184 van de Faillissementswet bedoelde termijn de in het eerste lid, eerste volzin van dit artikel genoemde termijn geldt.
3.
Indien ten gevolge van het krachtens artikel 184 dan wel artikel 186 van de Faillissementswet gedane verzet een verificatiegeschil ontstaat, is ten aanzien van de vorderingen waarop dit verzet betrekking heeft artikel 3:182 van overeenkomstige toepassing, en kan vervolgens, nadat voorzover nodig tevens dienovereenkomstig wijziging van de overige in de ter inzage neergelegde lijst opgenomen uitkeringsbedragen heeft plaats gehad, met inachtneming van het overigens in de artikelen 3:178 tot en met 3:184 bepaalde, tot uitkering worden overgegaan. Indien het gedane verzet niet tot een verificatiegeschil leidt, kan met inachtneming van het bij de beschikking op het verzet bepaalde tot uitkering worden overgegaan zodra die beschikking in kracht van gewijsde is gegaan.
Artikel 3:184
In afwijking van artikel 3:182, tweede lid, laatste volzin, kan op geverifieerde vorderingen welke opeisbaar worden op of na de datum van de beschikking, bedoeld in artikel 3:162c, eerste lid, voorzover artikel 3:163, eerste lid, niet reeds op deze vorderingen werd toegepast, een uitkering eerst worden gedaan zodra deze vorderingen opeisbaar zijn geworden. Tot dat tijdstip wordt een bedrag aan liquide middelen afgezonderd tot ten minste het beloop van het totaal van de bedragen die bij de toepassing van dit artikel op deze vorderingen zullen kunnen worden uitgekeerd, dan wel wordt deze uitkering op andere wijze zeker gesteld.
Artikel 3:185
Ingevolge de hun verleende machtiging, bedoeld in artikel 3:163, eerste lid, kunnen de bewindvoerders, ongeacht hetgeen daaromtrent bij de statuten van de betrokken bank of verzekeraar met zetel in Nederland is bepaald:
a. alle nog niet gedane stortingen op de aandelen in het geplaatste kapitaal van de bank of verzekeraar met zetel in Nederland onderscheidenlijk het waarborgkapitaal van een verzekeraar met zetel in Nederland uitschrijven en innen; en
b. naheffingen opleggen en innen tot het in de statuten van een verzekeraar met zetel in Nederland die een onderlinge waarborgmaatschappij met zetel in Nederland is bepaalde maximum.
Artikel 3:186
De bewindvoerders brengen tijdens de noodregeling telkens na verloop van drie maanden, alsmede na beëindiging van de noodregeling, zo spoedig mogelijk verslag omtrent hun werkzaamheden uit aan de rechtbank. Een afschrift van dit verslag zenden de bewindvoerders aan Onze Minister en aan de Nederlandsche Bank.
Artikel 3:187
Voor de toepassing van de artikelen 194, 342 en 343 van het Wetboek van Strafrecht wordt met faillissement gelijkgesteld de rechtstoestand waarin een bank of verzekeraar met zetel in Nederland verkeert zolang de noodregeling ten aanzien van deze financiële onderneming van kracht is.
1.
De rechtbank kan op verzoek van de bewindvoerders of ambtshalve de noodregeling beëindigen.
2.
De bewindvoerders kunnen een verzoek tot beëindiging van de noodregeling bij de rechtbank indienen zonder tussenkomst van een advocaat.
3.
De rechtbank geeft geen beschikking dan nadat de bank of verzekeraar met zetel in Nederland en de Nederlandsche Bank zijn gehoord, althans behoorlijk zijn opgeroepen.
4.
De bewindvoerders maken het beëindigen van de noodregeling bekend in de Staatscourant en, indien het een bank, levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in Nederland betreft, in het Publicatieblad van de Europese Unie en in een of meer door de rechtbank aan te wijzen dagbladen.
5.
De Nederlandsche Bank deelt het beëindigen van de noodregeling mede aan de toezichthoudende instanties van andere lidstaten waar een bijkantoor van de financiële onderneming, bedoeld in het eerste lid, is gelegen of waarnaar zij diensten verricht vanuit haar vestigingen in lidstaten.
Artikel 3:190
Indien de bekendmaking, bedoeld in artikel 3:189, vierde lid, 3:194, derde lid, of artikel 212o, eerste lid, van de Faillissementswet betrekking heeft op alle verbintenissen van de bank of verzekeraar met zetel in Nederland, vervallen door deze bekendmaking van rechtswege de bevoegdheden, welke de bewindvoerders ingevolge het uitspreken van de noodregeling hadden verkregen.
1.
Tegen beschikkingen van de rechtbank ingevolge de artikelen 3:162c, eerste lid, 3:163, eerste lid, en 3:194, heeft, indien het verzoek om toepassing van de noodregeling wordt afgewezen, de Nederlandsche Bank het recht van hoger beroep gedurende acht dagen na de dag van de afwijzing.
2.
Tegen beschikkingen van de rechtbank ingevolge de artikelen 3:162c, eerste lid, 3:163, eerste lid, 3:194 en 3:195, eerste lid, hebben, indien het verzoek om toepassing van de noodregeling wordt toegewezen, de bank of verzekeraar met zetel in Nederland, nadat zij of hij op de aanvraag van de toepassing van de noodregeling is gehoord gedurende acht dagen na de dag van toewijzing, het recht van hoger beroep en, zo zij niet in staat zijn gesteld te worden gehoord, het recht van verzet.
3.
In afwijking van het tweede lid staat geen hoger beroep open tegen een beschikking als bedoeld in artikel 3:162c, eerste lid, indien de rechtbank eveneens het verzoek om goedkeuring van een overdrachtsplan heeft toegewezen.
4.
De behandeling heeft in raadkamer plaats en geschiedt met de grootste spoed.
5.
Indien het verzoek wordt toegewezen, wordt de beschikking op een openbare terechtzitting uitgesproken en wordt een uittreksel ervan onverwijld door de bewindvoerders bekendgemaakt in de Staatscourant, het Publicatieblad van de Europese Unie, alsmede in ten minste twee door het Gerechtshof aan te wijzen Nederlandse dagbladen en ten minste twee door het Gerechtshof aan te wijzen landelijke dagbladen van iedere lidstaat waar een bijkantoor van de desbetreffende onderneming is gelegen of waarnaar zij diensten verricht. De uittreksels vermelden de naam en zetel van de desbetreffende financiële onderneming, de woonplaats of het kantoor van de bewindvoerders alsmede de datum van de beschikking. De publicatie in de landelijke dagbladen geschiedt in de officiële taal of talen van de betrokken lidstaat. In de bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie en de landelijke dagbladen van iedere lidstaat waar een bijkantoor van de desbetreffende onderneming is gelegen of waarnaar zij diensten verricht wordt daarenboven vermeld dat op de noodregeling, behoudens uitzonderingen, Nederlands recht van toepassing is, de rechtsgrondslag, dat de Nederlandsche Bank de bevoegde toezichthouder is, alsmede de uiterste datum waarop tegen de beslissing beroep in cassatie bij de Hoge Raad kan worden ingesteld met vermelding van het volledige adres van de Hoge Raad, het onderwerp van de beslissing en de rechtsgrondslag.
6.
Beroep in cassatie tegen deze beschikking op het hoger beroep of het verzet moet worden ingesteld binnen veertien dagen na de dag van uitspraak. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing.
7.
Indien ten gevolge van verzet, hoger beroep of cassatie de uitspraak tot toepassing van de noodregeling wordt vernietigd, blijven niettemin geldig en verbindend voor de bank of verzekeraar de handelingen, door de bewindvoerders verricht vóór of op de dag waarop aan het voorschrift tot aankondiging in de Staatscourant overeenkomstig artikel 3:192, eerste lid, is voldaan.
1.
Zodra een beschikking waarbij de noodregeling is toegepast ten gevolge van verzet, hoger beroep of cassatie is vernietigd, en, in de eerste twee gevallen de termijn om in hoger beroep of cassatie te komen is verstreken zonder dat daarvan gebruik is gemaakt, wordt door de griffier van het rechtscollege dat de vernietiging heeft uitgesproken, van die uitspraak kennis gegeven aan de bewindvoerders. De bewindvoerders doen daarvan aankondiging in de bladen, bedoeld in artikel 3:162, vijfde lid.
1.
Een vereniging waarvan ten minste 35 procent van:
a. de schuldeisers met een vordering op de bank met zetel in Nederland uit hoofde van een overeenkomst die de bank heeft gesloten in de uitoefening van haar bedrijf tot het ter beschikking krijgen van gelden heeft aangegaan; of
b. de schuldeisers met een vordering uit hoofde van verzekering;
lid is, kan zich melden bij de bewindvoerders.
2.
De bewindvoerders horen de vereniging alvorens zij de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 3:194 of 3:195, uitoefenen, indien deze op een door de bewindvoerders te bepalen moment ten genoegen van de bewindvoerders heeft aangetoond dat zij aan de in het eerste lid gestelde vereisten voldoet.
1.
De rechtbank kan tegelijk met een machtiging als bedoeld in artikel 3:163, eerste lid, of daarna de bewindvoerders op hun verzoek een bijzondere machtiging verlenen die strekt tot wijziging, bij de overdracht van rechten en verplichtingen uit overeenkomsten die de bank met zetel in Nederland in de uitoefening van haar bedrijf als bank tot het ter beschikking verkrijgen van gelden heeft aangegaan, van die overeenkomsten, met dien verstande dat de bedingen in de overeenkomsten, waaruit vorderingen voortvloeien als bedoeld in artikel 3:176, vijfde lid, vorderingen die door pand of hypotheek op goederen van de bank worden gedekt of termijnen van huurkoop daarbij niet kunnen worden gewijzigd.
2.
Met betrekking tot bijzondere machtigingen, bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 3:162, eerste tot en met derde lid en vijfde lid, eerste volzin, 3:165, 3:168, 3:169, eerste en tweede lid, eerste volzin, en 3:174, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.
3.
Zodra overdracht van verbintenissen heeft plaatsgevonden, maken bewindvoerders de overdracht en, ingeval de bedingen in de overeenkomsten zijn gewijzigd, deze wijzigingen bekend door plaatsing in de Staatscourant, in het Publicatieblad van de Europese Unie en in ten minste drie door de rechtbank aan te wijzen dagbladen.
4.
De overdracht en de wijziging worden ten aanzien van alle andere belanghebbenden dan de betrokken banken van kracht met ingang van de tweede dag, volgende op die van de dagtekening van de Staatscourant waarin de bekendmaking is geplaatst.
5.
De Nederlandsche Bank deelt de overdracht mede aan de toezichthoudende instanties van de andere lidstaten waar een bijkantoor van de bank is gelegen of waarnaar zij diensten verricht vanuit haar vestigingen in lidstaten.
6.
Wijzigingen als bedoeld in het eerste lid laten onverlet de uitkeringen die overeenkomstig artikel 3:178 zijn gedaan voor de dag van de indiening van het verzoek om de machtiging, bedoeld in het eerste lid.
7.
Gedurende de liquidatie, bedoeld in artikel 3:163, eerste lid, aanhef en onderdeel b of c, regelt de rechtbank naar behoefte de bijzonderheden en gevolgen van de liquidatie, waaronder begrepen verkorting van de geldingsduur van lopende overeenkomsten, nadat zij daaromtrent het advies van de bewindvoerders en de Nederlandsche Bank heeft ingewonnen.
1.
De rechtbank kan tegelijk met een machtiging als bedoeld in artikel 3:163, eerste lid, of daarna de bewindvoerders op hun verzoek een bijzondere machtiging verlenen die strekt:
a. bij de overdracht van rechten en verplichtingen krachtens verzekering die de verzekeraar met zetel in Nederland heeft gesloten, tot wijziging van die verzekering; of
b. tot verkorting van de duur van verzekering.
2.
Met betrekking tot de bijzondere machtiging, bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 3:162, 3:162a, 3:162b en 3:162d, tweede lid, eerste volzin, 3:165, 3:168, 3:169, eerste en tweede lid, eerste volzin, en 3:174, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.
3.
Zodra overdracht van rechten en verplichtingen krachtens de in artikel 3:163, eerste lid, bedoelde machtiging heeft plaatsgevonden, doen de bewindvoerders van deze overdracht en, zo handelingen door hen zijn verricht krachtens de in het eerste lid bedoelde bijzondere machtiging, van deze handelingen mededeling in de Staatscourant, in ten minste twee door de rechtbank aan te wijzen dagbladen en indien het een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in Nederland betreft in het Publicatieblad van de Europese Unie. De bewindvoerders kunnen, indien zij dit in het belang van verzekeringnemers, verzekerden of gerechtigden op uitkeringen achten, de bedoelde overdracht en handelingen tevens op andere wijze publiceren.
4.
De overdracht en de wijziging, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, worden ten aanzien van alle andere belanghebbenden dan de betrokken verzekeraar van kracht met ingang van de tweede dag, volgende op die van de dagtekening van de Staatscourant waarin de publicatie is geplaatst. Op overdrachten zijn de artikelen 3:112 tot en met 3:114, 3:116 en 3:120 niet van toepassing.
5.
De Nederlandsche Bank deelt de overdracht en de handelingen indien het een levensverzekeraar of schadeverzekeraar betreft, mede aan de toezichthoudende instanties van de andere lidstaten waar een bijkantoor van de desbetreffende financiële onderneming is gelegen of waarnaar hij diensten verricht vanuit zijn vestigingen in lidstaten.
6.
Wijzigingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, laten onverlet de uitkeringen die overeenkomstig artikel 3:178 zijn gedaan voor de dag van de indiening van het verzoek om de machtiging, bedoeld in het eerste lid.
7.
Wijzigingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, die op een levensverzekering betrekking hebben, kunnen niet tot gevolg hebben dat aan verzekeringnemers meer verplichtingen worden opgelegd.
Artikel 3:196
In geval van overdracht van rechten en verplichtingen ingevolge een machtiging als bedoeld in artikel 3:163, eerste lid, of een bijzondere machtiging als bedoeld in artikel 3:195, eerste lid, draagt de verzekeraar met zetel in Nederland de waarden over die dienen tot dekking van de technische voorzieningen voorzover deze voorzieningen betrekking hebben op de verplichtingen die worden overgedragen.
Artikel 3:197
Een overdracht van rechten en verplichtingen ingevolge een machtiging als bedoeld in artikel 3:163, eerste lid, aanhef en onderdeel a of c, mag geen nadeel toebrengen aan de rechten van de overblijvende schuldeisers.
1.
In geval van toepassing van de noodregeling op grond van dit hoofdstuk worden de boedelschulden, overeenkomstig de bepalingen van de Faillissementswet , al naar gelang de aard van de betrokken boedelschuld hetzij omgeslagen over ieder deel van de boedel, hetzij uitsluitend van een bepaalde bate van de boedel afgetrokken. Onder boedelschulden vallen in ieder geval de kosten van inschrijving in een openbaar register in een andere lidstaat.
2.
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid en behoudens vorderingen door pand of hypotheek gedekt, worden in geval van een noodregeling van een schadeverzekeraar met zetel in Nederland de volgende vorderingen verhaald op de boedel in de volgende volgorde:
a. de vorderingen uit hoofde van verzekering betreffende periodieke uitkeringen ter zake van ziekte, letsel of overlijden van natuurlijke personen, ontstaan krachtens een schadeverzekering, en van uitkeringen ter zake van pensioenen, toegezegd aan werknemers of gewezen werknemers van de verzekeraar of aan hun nabestaanden;
b. de vorderingen van werknemers en gewezen werknemers alsmede de vorderingen van hun nabestaanden met betrekking tot reeds vervallen termijnen van pensioen voorzover de vordering niet ouder is dan een jaar;
c. de vorderingen van werknemers, niet zijnde bestuurders van de verzekeraar bij wie zij in dienst zijn, en gewezen werknemers alsmede de vorderingen van hun nabestaanden met betrekking tot in de toekomst tot uitkering komende termijnen van overeengekomen pensioen;
d. de vorderingen van werknemers met betrekking tot het loon over het voorafgaande jaar en hetgeen over het lopende jaar is verschuldigd, benevens het bedrag van de verhoging van dat loon ingevolge artikel 625 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek alsmede het bedrag van de uitgaven, door de werknemer voor de verzekeraar als werkgever gedaan, en de bedragen, door de verzekeraar aan de werknemer krachtens titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst verschuldigd;
e. de vorderingen uit hoofde van verzekering betreffende niet-periodieke uitkeringen ter zake van ziekte, letsel of overlijden van natuurlijke personen, ontstaan krachtens een schadeverzekering;
f. de vorderingen uit hoofde van verzekering betreffende uitkeringen ter zake van andere dan in de onderdelen a en e bedoelde schaden, ontstaan uit overeenkomsten van schadeverzekering;
g. de vorderingen tot teruggave van bedragen die zonder rechtsgrond zijn betaald of aan de betaling waarvan de rechtsgrond is komen te ontvallen, welke betaling heeft plaatsgevonden in de veronderstelling dat daarmee premies zijn betaald.
3.
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid en behoudens vorderingen door pand of hypotheek gedekt, worden in geval van een noodregeling van een levensverzekeraar met zetel in Nederland de volgende vorderingen verhaald op de boedel in de volgende volgorde:
a. de vorderingen van werknemers en gewezen werknemers alsmede de vorderingen van hun nabestaanden met betrekking tot reeds vervallen termijnen van pensioen, voorzover de vordering niet ouder is dan een jaar;
b. de vorderingen van werknemers, niet zijnde bestuurders van de verzekeraar waarbij zij in dienst zijn, en gewezen werknemers alsmede de vorderingen van hun nabestaanden met betrekking tot in de toekomst tot uitkering komende termijnen van toegezegd pensioen;
c. de vorderingen van werknemers met betrekking tot het loon over het voorafgaande jaar en hetgeen over het lopende jaar verschuldigd is, benevens het bedrag van de verhoging van dat loon ingevolge artikel 625 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek alsmede het bedrag van de uitgaven, door de werknemer voor de verzekeraar gedaan, en de bedragen, door de verzekeraar aan de werknemer krachtens titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst verschuldigd;
d. de vorderingen uit hoofde van verzekering en rechten betreffende uitkeringen, die zijn ontstaan of nog zullen ontstaan uit een levensverzekering;
e. de vorderingen tot teruggave van bedragen die zonder rechtsgrond zijn betaald of aan de betaling waarvan de rechtsgrond is komen te ontvallen, welke betaling heeft plaatsgevonden in de veronderstelling dat daarmee premies zijn betaald.
4.
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid en behoudens vorderingen door pand of hypotheek gedekt, worden in geval van een noodregeling van een natura-uitvaartverzekeraar met zetel in Nederland de volgende vorderingen verhaald op de boedel in de volgende volgorde:
a. de vorderingen van werknemers en gewezen werknemers alsmede de vorderingen van hun nabestaanden met betrekking tot reeds vervallen termijnen van pensioen, voorzover de vordering niet ouder is dan een jaar;
b. de vorderingen van werknemers, niet zijnde bestuurders van de verzekeraar waarbij zij in dienst zijn, en gewezen werknemers alsmede de vorderingen van hun nabestaanden met betrekking tot in de toekomst tot uitkering komende termijnen van overeengekomen pensioen;
c. de vorderingen van werknemers met betrekking tot het loon over het voorafgaande jaar en hetgeen over het lopende jaar verschuldigd is, benevens het bedrag van de verhoging van dat loon ingevolge artikel 625 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek alsmede het bedrag van de uitgaven, door de werknemer voor de verzekeraar als werkgever gedaan, en de bedragen, door de verzekeraar aan de werknemer krachtens titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst verschuldigd;
d. de vorderingen en rechten betreffende prestaties, die zijn ontstaan of nog zullen ontstaan uit een natura-uitvaartverzekering, gesloten vanuit de zetel in Nederland.
5.
Vorderingen die niet worden genoemd in het tweede, derde en vierde lid, worden eerst dan voldaan indien de vorderingen, bedoeld in het tweede, derde en vierde lid zijn voldaan en, in geval van vorderingen, bedoeld in het tweede en derde lid, indien vaststaat dat in de toekomst zodanige vorderingen niet meer zullen ontstaan, naar evenredigheid van elke vordering, behoudens de door de wet erkende redenen van voorrang.
6.
De in het vijfde lid bedoelde redenen van voorrang gelden zowel voor vorderingen van schuldeisers met gewone verblijfplaats, woonplaats of statutaire zetel in Nederland als voor soortgelijke vorderingen van schuldeisers met gewone verblijfplaats, woonplaats of statutaire zetel in een andere lidstaat.
7.
Artikel 212ra van de Faillissementswet is van overeenkomstige toepassing.
1.
Indien de opvang, bedoeld in artikel 3:152, eerste lid, ten tijde van het uitspreken van de noodregeling reeds in werking is gesteld, kan de toepassing ervan door de Nederlandsche Bank worden voortgezet in de in artikel 3:152, derde lid, bedoelde vorm.
2.
De bewindvoerders verlenen hieraan hun medewerking.
1.
De Nederlandsche Bank kan, gehoord de vertrouwenscommissie, de opvang, bedoeld in artikel 3:152, eerste lid, in werking stellen tijdens de noodregeling indien de portefeuille van de levensverzekeraar overlevingskans heeft.
2.
De bewindvoerders verlenen hieraan hun medewerking.
3.
De opvang blijft in een in het eerste lid bedoeld geval beperkt tot de in artikel 3:152, derde lid, bedoelde verplichte overdracht van de portefeuille.
4.
Artikel 3:151, eerste en tweede lid, is niet van toepassing.
1.
Indien na de inwerkingstelling van de opvang overeenkomstig artikel 3:151, tweede lid, of 3:200 verplichte overdracht van de portefeuille niet tot stand kan worden gebracht, doet de Nederlandsche Bank hiervan mededeling aan de bewindvoerders.
2.
Zolang de Nederlandsche Bank deze mededeling niet heeft gedaan, verleent de rechtbank de bewindvoerders geen bijzondere machtiging als bedoeld in artikel 3:195, eerste lid.
3.
De rechtbank verleent de bijzondere machtiging evenmin zolang de Nederlandsche Bank de opvang niet in werking heeft gesteld, tenzij de Nederlandsche Bank aan de bewindvoerders mededeling heeft gedaan van de omstandigheid dat er geen aanleiding is tot die inwerkingstelling.
Artikel 3:201a
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over het verwerken van persoonsgegevens ten behoeve van de afwikkeling van een verzekeraar. Bij die maatregel kan worden bepaald dat bij de verwerking van persoonsgegevens het burgerservicenummer kan worden gebruikt.
Artikel 3:202
Indien het belang van de gezamenlijke schuldeisers bij de afwikkeling van een in Nederland gelegen bijkantoor van een bank of een verzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, die geen vergunning heeft een bijzondere voorziening behoeft, kan de rechtbank Amsterdam op verzoek van de Nederlandsche Bank de noodregeling uitspreken.
Artikel 3:204
De artikelen 3:162 tot en met 3:201 zijn van overeenkomstige toepassing op banken en verzekeraars als bedoeld in artikel 3:202, voor zover deze artikelen betrekking hebben op de desbetreffende financiële ondernemingen.
1.
Indien de rechtbank het noodzakelijk acht dat in verband met een in Nederland gelegen bijkantoor van een bank met zetel in een andere lidstaat die krachtens artikel 2:15 in Nederland het bedrijf van bank mag uitoefenen, een saneringsmaatregel wordt vastgesteld, stelt de griffier van de rechtbank de Nederlandsche Bank hiervan in kennis.
2.
De Nederlandsche Bank deelt nadat zij overeenkomstig het eerste lid in kennis is gesteld de toezichthoudende instanties van alle andere lidstaten dat mede.
1.
Ingeval de Nederlandsche Bank oordeelt dat er ten aanzien van een in Nederland gelegen bijkantoor van een bank of een levensverzekeraar of schadeverzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, met zetel in een staat die geen lidstaat is die een vergunning als bedoeld in artikel 2:20 onderscheidenlijk 2:40 heeft, zich een situatie als bedoeld in artikel 3:159c, eerste lid, voordoet, kan de rechtbank Amsterdam op verzoek van de Nederlandsche Bank ten aanzien van die bank of verzekeraar de noodregeling uitspreken.
2.
In geval het belang van de gezamenlijke schuldeisers bij de afwikkeling van een in Nederland gelegen bijkantoor van een bank of een levensverzekeraar of schadeverzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, met zetel in een staat die geen lidstaat is die niet een door de Nederlandsche Bank verleende vergunning heeft een bijzondere voorziening behoeft, kan de rechtbank Amsterdam op verzoek van de Nederlandsche Bank de noodregeling uitspreken.
1.
De Nederlandsche Bank zendt een afschrift van het verzoekschrift aan de bank, levensverzekeraar of schadeverzekeraar, bedoeld in artikel 3:206, eerste en tweede lid en aan het bijkantoor en deelt de inhoud van het verzoekschrift mede aan:
a. de toezichthoudende instanties van de andere lidstaten waarnaar zij diensten verricht vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor; en
b. indien het een levensverzekeraar of schadeverzekeraar betreft en een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat is belast met het toezicht op het solvabiliteitskapitaalvereiste van de betrokken verzekeraar, die toezichthoudende instantie.
2.
Artikel 3:162, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3.
De griffier van de rechtbank zendt een afschrift van de oproeping, bedoeld in artikel 3:162, derde lid, aan een financiële onderneming als bedoeld in het eerste lid en het bijkantoor.
4.
Indien het verzoek wordt toegewezen, wordt de beschikking op een openbare terechtzitting uitgesproken en wordt een uittreksel ervan onverwijld door de bewindvoerders bekendgemaakt in de Staatscourant, alsmede in ten minste twee door de rechtbank aan te wijzen Nederlandse dagbladen. Het uittreksel vermeldt de naam en zetel en het bijkantoor van de financiële onderneming, de zetel en de woonplaats of het kantoor van de bewindvoerders alsmede de datum van de beschikking.
Artikel 3:209
Indien een machtiging is gegeven als bedoeld in artikel 3:163, eerste lid, aanhef en onderdeel b of c, stellen de bewindvoerders de bekende schuldeisers wier vordering het resultaat is van een uit de exploitatie van een in Nederland gelegen bijkantoor voortvloeiende verplichting, regelmatig op passende wijze in kennis van in ieder geval het verloop van de noodregeling.
1.
Ten aanzien van een bank, of een levensverzekeraar of schadeverzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, met zetel in een staat die geen lidstaat is met een in Nederland gelegen bijkantoor hebben de machtigingen betrekking op het vanuit de in Nederland gelegen bijkantoren uitgeoefende bedrijf.
2.
Ten behoeve van de toepassing van het eerste lid kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden bepaald welke activa en passiva tot dat bedrijf moeten worden gerekend.
1.
De artikelen 3:163 tot en met 3:168, 3:171, 3:173 en 3:174, 3:175, eerste tot en met zesde lid, en negende tot en met dertiende lid, 3:176 tot en met 3:201, zijn van overeenkomstige toepassing op noodregelingen die overeenkomstig artikel 3:206 zijn uitgesproken met dien verstande dat voor «schuldeisers» moet worden gelezen «schuldeisers wier vordering het resultaat is van een uit de exploitatie van het in Nederland gelegen bijkantoor voortvloeiende verplichting».
2.
In afwijking van het eerste lid behoeft van de beschikkingen, bedoeld in artikel 3:179, derde lid, en de nederlegging, bedoeld in artikel 3:183, eerste lid, niet in het Publicatieblad van de Europese Unie mededeling te worden gedaan.
1.
Indien een machtiging als bedoeld in artikel 3:163, eerste lid, aanhef en onderdeel b, is gegeven, stelt de griffier van de rechtbank de Nederlandsche Bank onverwijld in kennis van de inhoud van de beschikking, alsmede van de mogelijke gevolgen daarvan in het desbetreffende geval. De Nederlandsche Bank deelt daarna onverwijld de toezichthoudende instanties van de andere lidstaten waar een bijkantoor van de bank of de verzekeraar, bedoeld in artikel 3:206, eerste of tweede lid, is gelegen de beschikking mede, alsmede van de mogelijke gevolgen daarvan in het desbetreffende geval. De Nederlandsche Bank deelt de toezichthoudende instanties van de andere lidstaten de beschikking mede.
2.
Indien een machtiging is gegeven als bedoeld in artikel 3:163, eerste lid, aanhef en onderdeel c, en de bewindvoerder gaat over tot liquidatie, stelt de bewindvoerder de Nederlandsche Bank onverwijld in kennis van de inhoud van de beschikking, alsmede van de mogelijke gevolgen daarvan in het desbetreffende geval. De Nederlandsche Bank deelt daarna onverwijld de toezichthoudende instanties van de andere lidstaten waar een bijkantoor van de bank of de verzekeraar, bedoeld in artikel 3:206, eerste of tweede lid, is gelegen de beschikking mede, alsmede van de mogelijke gevolgen daarvan in het desbetreffende geval. De Nederlandsche Bank deelt de toezichthoudende instanties van de andere lidstaten de beschikking mede.
3.
De rechtbank tracht de gezamenlijke optredens met de rechterlijke of administratieve instanties van de andere lidstaten te coördineren.
1.
Indien een bank, of een levensverzekeraar of schadeverzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, met zetel in een staat die geen lidstaat is een in Nederland gelegen bijkantoor heeft en een of meer in andere lidstaten gelegen bijkantoren, trachten zowel de rechtbank als de Nederlandsche Bank hun optreden te coördineren met de administratieve of rechterlijke instanties die bevoegd zijn ter zake van het treffen van saneringsmaatregelen onderscheidenlijk de toezichthoudende instanties van die andere lidstaten.
2.
In het in het eerste lid bedoelde geval trachten de in Nederland benoemde bewindvoerders hun optreden te coördineren met de bewindvoerders in de andere lidstaten waarin aan de bank een vergunning is verleend.
Artikel 3:214
Onverminderd artikel 3:166 zendt de Nederlandsche Bank een afschrift als bedoeld in dat artikel tevens aan het in Nederland gelegen bijkantoor.
1.
De bewindvoerders geven van een machtiging als bedoeld in artikel 3:163, eerste lid, aanhef en onderdelen b en c, onmiddellijk schriftelijk kennis aan de schuldeisers, bedoeld in artikel 3:209.
2.
De kennisgeving aan schuldeisers als bedoeld in artikel 3:209 met een vordering uit hoofde van verzekering vermeldt tevens welke de belangrijkste gevolgen van de machtiging voor de overeenkomsten uit hoofde van verzekering zijn en de rechten en verplichtingen van de schuldeiser met een vordering uit hoofde van verzekering.
3.
Iedere schuldeiser als bedoeld in artikel 3:209 kan zijn vordering en schriftelijke opmerkingen betreffende zijn vordering indienen bij de bewindvoerders.
Artikel 3:216
Indien een machtiging is gegeven als bedoeld in artikel 3:163, eerste lid,aanhef en onderdeel b of c, stellen de bewindvoerders de schuldeisers, bedoeld in artikel 3:209, regelmatig op passende wijze in kennis van in ieder geval het verloop van de noodregeling, en deelt de Nederlandsche Bank de toezichthoudende instanties van de andere lidstaten die zulks verzoeken het verloop van de noodregeling mede.
Artikel 3:217
Ingevolge de hun verleende machtiging, bedoeld in artikel 3:163, eerste lid, kunnen de bewindvoerders, ongeacht hetgeen daaromtrent bij de statuten van de bank, of een levensverzekeraar of schadeverzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, met zetel in een staat die geen lidstaat is, is bepaald:
a. alle nog niet gedane stortingen op de aandelen in het geplaatste kapitaal van de bank, levensverzekeraar of schadeverzekeraar onderscheidenlijk het waarborgkapitaal van een levensverzekeraar of schadeverzekeraar uitschrijven en innen; en
b. naheffingen opleggen en innen tot het in de statuten van de levensverzekeraar of schadeverzekeraar die een onderlinge waarborgmaatschappij met zetel in Nederland is bepaalde maximum.
Artikel 3:218
Bij de beoordeling van de omvang van het eigen vermogen van een bank, levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is, worden uitsluitend de activa en passiva in aanmerking genomen die moeten worden gerekend tot het vanuit haar of zijn in Nederland gelegen bijkantoren uitgeoefende bedrijf.
Artikel 3:219
De Nederlandsche Bank deelt het beëindigen van de noodregeling mede:
a. aan de toezichthoudende instanties van de andere lidstaten waarnaar een bank, of een levensverzekeraar of schadeverzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, met zetel in een staat die geen lidstaat is diensten verricht vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor; en
b. indien het een levensverzekeraar of schadeverzekeraar betreft en een andere toezichthoudende instantie van een andere lidstaat is belast met het toezicht op het solvabiliteitskapitaalvereiste van de desbetreffende verzekeraar: aan die toezichthoudende instantie.
1.
De rechtbank kan tegelijk met een machtiging als bedoeld in artikel 3:163, eerste lid, of daarna de bewindvoerders op hun verzoek een bijzondere machtiging verlenen die strekt tot wijziging, bij de overdracht van rechten en verplichtingen uit overeenkomsten die de bank met zetel in een staat die geen lidstaat is vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor in de uitoefening van haar bedrijf als bank tot het ter beschikking verkrijgen van gelden heeft aangegaan, van die overeenkomsten gesloten vanuit haar in Nederland gelegen bijkantoor, met dien verstande dat de bedingen in de overeenkomsten, waaruit vorderingen voortvloeien als bedoeld in artikel 3:176, vijfde lid, vorderingen die door pand of hypotheek op goederen van de bank worden gedekt of termijnen van huurkoop daarbij niet kunnen worden gewijzigd.
2.
Met betrekking tot bijzondere machtigingen, bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 3:162, eerste tot en met derde lid, en vijfde lid, eerste volzin, 3:165, 3:168, 3:169, eerste en tweede lid, eerste volzin, en 3:174, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.
3.
Zodra overdracht van verbintenissen heeft plaatsgevonden, maken bewindvoerders de overdracht en, ingeval de bedingen in de overeenkomsten zijn gewijzigd, deze wijzigingen bekend door plaatsing in de Staatscourant, en in ten minste twee door de rechtbank aan te wijzen dagbladen.
4.
Artikel 3:194, vierde tot en met zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
1.
De rechtbank kan tegelijk met een machtiging als bedoeld in artikel 3:163, eerste lid, of daarna de bewindvoerders op hun verzoek een bijzondere machtiging verlenen die strekt:
a. bij de overdracht van rechten en verplichtingen krachtens verzekering die de verzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is, heeft gesloten, tot wijziging van die verzekering; of
b. tot verkorting van de duur van die verzekering.
2.
Met betrekking tot bijzondere machtigingen, bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 3:162, eerste tot en met derde lid en vijfde lid, eerste volzin, 3:165, 3:168, 3:169, eerste en tweede lid, eerste volzin, en 3:174, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.
3.
Zodra overdracht van rechten en verplichtingen krachtens de in artikel 3:163, eerste lid, bedoelde machtiging heeft plaatsgevonden, doen de bewindvoerders van deze overdracht en, zo handelingen door hen zijn verricht krachtens de in het eerste lid bedoelde bijzondere machtiging, van deze handelingen mededeling in de Staatscourant, en in ten minste twee door de rechtbank aan te wijzen dagbladen. De bewindvoerders kunnen, indien zij dit in het belang van verzekeringnemers, verzekerden of gerechtigden op uitkeringen achten, de bedoelde overdracht en handelingen tevens op andere wijze publiceren.
4.
Artikel 3:195, vierde tot en met zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
1.
Indien het belang van de gezamenlijke schuldeisers bij de afwikkeling van het bedrijf van een herverzekeraar of verzekeraar met beperkte risico-omvang of van de gezamenlijke schuldeisers wier vordering het resultaat is van een uit de exploitatie van het in Nederland gelegen bijkantoor van een dergelijke verzekeraar voortvloeiende verplichting een bijzondere voorziening behoeft, kan de rechtbank Amsterdam op verzoek van de Nederlandsche Bank de noodregeling uitspreken.
2.
Indien het verzoek wordt toegewezen, wordt de beschikking op een openbare terechtzitting uitgesproken en wordt een uittreksel ervan onverwijld door de bewindvoerders bekendgemaakt door plaatsing in de Staatscourant, alsmede in ten minste twee door de rechtbank aan te wijzen Nederlandse dagbladen. Het uittreksel vermeldt naam en zetel van de verzekeraar en het bijkantoor en de zetel en de woonplaats of het kantoor van de bewindvoerders alsmede de datum van de beschikking.
3.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder «herverzekeraar» mede verstaan «entiteit voor risico-acceptatie».
1.
De Nederlandsche Bank zendt een afschrift van het verzoekschrift aan de verzekeraar, bedoeld in artikel 3:222, eerste lid, en aan het bijkantoor.
2.
Artikel 3:162, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3.
De griffier van de rechtbank zendt een afschrift van de oproeping, bedoeld in artikel 3:162, derde lid, aan het bijkantoor.
4.
Indien het verzoek wordt toegewezen, wordt de beschikking op een openbare terechtzitting uitgesproken en wordt een uittreksel onverwijld door de bewindvoerders bekend gemaakt in de Staatscourant, alsmede in ten minste twee door de rechtbank aan te wijzen Nederlandse dagbladen. Het uittreksel vermeldt naam en zetel van de verzekeraar en het bijkantoor en de zetel en de woonplaats of het kantoor van de bewindvoerders alsmede de datum van de beschikking.
1.
De artikelen 3:163 tot en met 3:168, 3:171, 3:173, 3:174, 3:175, eerste tot en met zesde lid en negende tot en met elfde lid, en 3:176 tot en met 3:198, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing op noodregelingen die ingevolge artikel 3:222 zijn uitgesproken met dien verstande dat voor «schuldeisers» moet worden gelezen «schuldeisers wier vordering het resultaat is van een uit de exploitatie van het in Nederland gelegen bijkantoor voortvloeiende verplichting».
2.
In afwijking van het eerste lid behoeft van de beschikkingen, bedoeld in artikel 3:179, derde lid, en de nederlegging, bedoeld in artikel 3:183, eerste lid, niet in het Publicatieblad van de Europese Unie mededeling te worden gedaan.
1.
Ten aanzien van een herverzekeraar of verzekeraar met beperkte risico-omvang met zetel buiten Nederland en met een in Nederland gelegen bijkantoor hebben de machtigingen, bedoeld in de artikelen 3:163, eerste lid, en 3:194, eerste lid, betrekking op het vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor uitgeoefende bedrijf.
2.
Ten behoeve van de toepassing van het eerste lid kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden bepaald welke activa en passiva tot dat bedrijf moeten worden gerekend.
Artikel 3:226
Bij de beoordeling van de omvang van het eigen vermogen van een herverzekeraar of verzekeraar met beperkte risico-omvang met zetel buiten Nederland en met een in Nederland gelegen bijkantoor worden uitsluitend de activa en passiva in aanmerking genomen die moeten worden gerekend tot het vanuit zijn in Nederland gelegen bijkantoren uitgeoefende bedrijf.
Artikel 3:227
Onverminderd artikel 3:166 zendt de Nederlandsche Bank een afschrift als bedoeld in dat artikel tevens aan het in Nederland gelegen bijkantoor, en, indien bij de Nederlandsche Bank bekend is dat herverzekeraar of natura-uitvaartverzekeraar in de staat waar hij zijn zetel heeft onder toezicht staat, deelt zij de inhoud van het verzoekschrift aan de toezichthoudende instanties van die staat mede.
1.
De bewindvoerders geven van een machtiging, bedoeld in artikel 3:163, eerste lid, aanhef en onderdeel b of c, onverwijld schriftelijk kennis aan bekende schuldeisers, wier vordering het resultaat is van een uit de exploitatie van het in Nederland gelegen bijkantoor voortvloeiende verplichting.
2.
De kennisgeving aan schuldeisers als bedoeld in het eerste lid met een vordering uit hoofde van verzekering vermeldt tevens welke de belangrijkste gevolgen van de machtiging voor de overeenkomsten uit hoofde van verzekering zijn en de rechten en verplichtingen van de schuldeiser met een vordering uit hoofde van verzekering.
3.
Iedere schuldeiser als bedoeld in het eerste lid kan zijn vordering en schriftelijke opmerkingen betreffende zijn vordering indienen bij de bewindvoerders.
1.
De bewindvoerders kunnen uitkeringen doen op vorderingen die niet voortvloeien uit handelingen met de herverzekeraar of verzekeraar met beperkte risico-omvang met zetel buiten Nederland na het uitspreken van de noodregeling verricht, voorzover dit gelet op de liquiditeitspositie van de verzekeraar verantwoord is te achten en mits is voldaan aan het tweede lid en de artikelen 3:230 tot en met 3:235.
2.
Artikel 3:171 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de verwijzing naar de kennisgeving, bedoeld in artikel 3:170, moet worden gelezen: de kennisgeving, bedoeld in artikel 3:230, tweede lid, tweede volzin.
1.
De bewindvoerders maken een staat op waaruit blijken de aard en het bedrag van de baten en schulden van de herverzekeraar of verzekeraar met beperkte risico-omvang, de namen en woonplaatsen van ieder van de schuldeisers bedoeld in artikel 3:228, alsmede het bedrag van de vorderingen van ieder van die schuldeisers. Een door de bewindvoerders gewaarmerkt afschrift van deze staat wordt ter kosteloze inzage van een ieder ter griffie van de rechtbank neergelegd.
2.
Op verzoek van de bewindvoerders bepaalt de rechter-commissaris de dag waarop uiterlijk de vorderingen moeten worden ingediend, en voorts dag, uur en plaats waarop de verificatievergadering zal worden gehouden. Nadat de rechter-commissaris op het verzoek, bedoeld in de eerste volzin, heeft beslist, geven de bewindvoerders daarvan onmiddellijk aan alle bekende schuldeisers, bedoeld in artikel 3:228, schriftelijk kennis. Deze kennisgeving betreft in ieder geval tevens de gevolgen van het indienen van een vordering na het verstrijken van de termijn, bedoeld in de eerste volzin, de mededeling dat de vordering bij de bewindvoerders moet worden ingediend, met, in het voorkomende geval, de opgave dat op een voorrecht of goederenrechtelijk recht aanspraak wordt gemaakt. Aan schuldeisers als bedoeld in artikel 3:228 met een vordering uit hoofde van verzekering vermeldt de kennisgeving voorts welke de belangrijkste gevolgen van de noodregeling voor de overeenkomsten uit hoofde van verzekering zijn, en de rechten en de verplichtingen van de verzekerden en anderen in verband met de overeenkomsten van verzekering.
3.
De bewindvoerders doen tevens mededeling van de beschikkingen in de Staatscourant alsmede in ten minste twee door de rechtbank aan te wijzen Nederlandse dagbladen.
4.
De artikelen 110 tot en met 113 van de Faillissementswet zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat hetgeen is bepaald met betrekking tot de curator onderscheidenlijk de gefailleerde van toepassing is op de bewindvoerders onderscheidenlijk de verzekeraar. Artikel 213l, eerste lid, onderdeel e, van de Faillissementswet is van overeenkomstige toepassing.
1.
Een afschrift van de lijst van voorlopig erkende schuldvorderingen en van de lijst van betwiste vorderingen wordt door de bewindvoerders ter griffie van de rechtbank neergelegd om aldaar gedurende veertien dagen voorafgaande aan de verificatievergadering kosteloos voor een ieder ter inzage te liggen. De bewindvoerders geven alle schuldeisers, bedoeld in artikel 3:228, voor het begin van deze periode schriftelijk van de nederlegging bericht waarbij zij een nadere oproeping tot de verificatievergadering voegen. Voorts doen de bewindvoerders van de nederlegging mededeling in een of meer door de rechter-commissaris aan te wijzen dagbladen.
2.
Met betrekking tot de verificatie zijn de artikelen 59, 119 tot en met 122, 123 tot en met 127, 129, 132 tot en met 137, 260, eerste lid, 261 en 262, eerste en derde lid, van de Faillissementswet van overeenkomstige toepassing. Daarbij zijn de bepalingen met betrekking tot de curator onderscheidenlijk de gefailleerde van overeenkomstige toepassing op de bewindvoerders onderscheidenlijk de herverzekeraar of verzekeraar met beperkte risico-omvang. In afwijking van de in artikel 127, eerste lid, van de Faillissementswet genoemde termijn geldt de termijn die ingevolge artikel 3:230, tweede lid, voor de indiening van vorderingen is bepaald. De vorderingen welke opeisbaar worden op of na de datum van de beschikking, bedoeld in artikel 3:222, eerste lid, worden geverifieerd voor de waarde welke zij hebben op het tijdstip waarop deze vorderingen opeisbaar worden, met dien verstande dat dit ten aanzien van vorderingen welke vallen onder de werking van artikel 3:194 slechts geldt voorzover deze bepaling niet reeds op deze vorderingen is toegepast.
1.
De bestuurders van de herverzekeraar of verzekeraar met beperkte risico-omvang of de feitelijk-leidinggevenden van het in Nederland gelegen bijkantoor wonen de verificatievergadering bij teneinde aldaar alle inlichtingen over de oorzaken van de in artikel 3:222, eerste lid, bedoelde toestand en de staat van de boedel te geven die aan hen door de rechter-commissaris worden gevraagd. Ieder van de schuldeisers, bedoeld in artikel 3:228, kan de rechter-commissaris verzoeken omtrent bepaalde door hen op te geven punten inlichtingen aan de bestuurders of de feitelijk-leidinggevenden te vragen.
2.
De vragen aan de bestuurders of de feitelijk-leidinggevenden gesteld en de door hen gegeven antwoorden worden in het proces-verbaal opgetekend.
3.
In afwijking van het bepaalde in artikel 121, vierde lid, van de Faillissementswet levert het proces-verbaal van de verificatievergadering ten aanzien van de verbintenissen van de herverzekeraar of verzekeraar met beperkte risico-omvang welke ingevolge artikel 3:195, eerste lid, worden overgedragen slechts kracht van gewijsde op voorzover de desbetreffende bedingen niet worden gewijzigd.
1.
Na de verificatie van de schuldvorderingen maken de bewindvoerders een uitdelingslijst op. Zij onderwerpen die aan de goedkeuring van de rechter-commissaris. De lijst houdt in een staat van ontvangsten en uitgaven, daaronder begrepen het loon van de bewindvoerders, de namen van de schuldeisers, bedoeld in artikel 3:228, en voorts het geverifieerde bedrag van ieders vordering en de daarop te ontvangen uitkering. De artikelen 180, tweede lid, 181 en 182, eerste lid, van de Faillissementswet zijn van overeenkomstige toepassing. Onverminderd artikel 3:235 is artikel 233 van die wet eveneens van overeenkomstige toepassing.
2.
Bij het opmaken van de uitdelingslijst wordt met betrekking tot de vorderingen die zijn betwist of waarvan de voorrang is betwist of die voorwaardelijk zijn toegelaten een bedrag aan liquide middelen afgezonderd tot ten minste het beloop van het totaal van de bedragen die bij de toepassing van dit artikel op deze vorderingen zullen kunnen worden uitgekeerd, dan wel wordt deze uitkering op andere wijze zeker gesteld.
1.
De door de rechter-commissaris goedgekeurde uitdelingslijst wordt door de bewindvoerders ter griffie van de rechtbank neergelegd om aldaar gedurende veertien dagen kosteloos voor de schuldeisers ter inzage te liggen. De bewindvoerders doen van de nederlegging mededeling in een of meer door de rechter-commissaris aan te wijzen dagbladen. Voorts geven de bewindvoerders aan ieder der erkende en voorwaardelijk toegelaten schuldeisers schriftelijk van de nederlegging kennis, onder vermelding van het voor hem uitgetrokken bedrag.
2.
De artikelen 184 tot en met 186, 187, eerste, tweede en derde lid, 189 en 191 van de Faillissementswet zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat hetgeen daarin is bepaald met betrekking tot de curator van toepassing is op de bewindvoerders en dat in afwijking van de in artikel 184 van de Faillissementswet bedoelde termijn de in het eerste lid, eerste volzin, genoemde termijn geldt.
3.
Indien ten gevolge van het krachtens artikel 184 dan wel artikel 186 van de Faillissementswet gedane verzet een verificatiegeschil ontstaat, is ten aanzien van de vorderingen waarop dit verzet betrekking heeft artikel 3:233 van overeenkomstige toepassing, en kan vervolgens, nadat voorzover nodig tevens dienovereenkomstig wijziging van de overige in de ter inzage neergelegde lijst opgenomen uitkeringsbedragen heeft plaats gehad, met inachtneming van het overigens in de artikelen 3:229 tot en met 3:235 bepaalde, tot uitkering worden overgegaan. Indien het gedane verzet niet tot een verificatiegeschil leidt, kan met inachtneming van het bij de beschikking op het verzet bepaalde tot uitkering worden overgegaan zodra die beschikking in kracht van gewijsde is gegaan.
Artikel 3:235
In afwijking van artikel 3:233, tweede lid, laatste volzin, kan op geverifieerde vorderingen welke opeisbaar worden op of na de datum van de beschikking, bedoeld in artikel 3:206, eerste en tweede lid, voorzover artikel 3:194, eerste lid, niet reeds op deze vorderingen werd toegepast, een uitkering eerst worden gedaan zodra deze vorderingen opeisbaar zijn geworden. Tot dat tijdstip wordt een bedrag aan liquide middelen afgezonderd tot ten minste het beloop van het totaal van de bedragen die bij de toepassing van dit artikel op deze vorderingen zullen kunnen worden uitgekeerd, dan wel wordt deze uitkering op andere wijze zeker gesteld.
Artikel 3:236
Indien een machtiging is gegeven als bedoeld in artikel 3:163, eerste lid, aanhef en onderdeel b of c, stellen de bewindvoerders ieder van de schuldeisers, bedoeld in artikel 3:228, regelmatig op passende wijze in kennis van in ieder geval het verloop van de noodregeling.
Artikel 3:237
Zodra de noodregeling is beëindigd, doen de bewindvoerders daarvan mededeling in de Staatscourant.
Artikel 3:238
De verwijzingen in deze paragraaf naar een lidstaat waar een financiële onderneming haar zetel heeft, worden tevens beschouwd als verwijzingen naar een lidstaat waar een bijkantoor van een financiële onderneming met zetel in een staat die geen lidstaat is, is gelegen.
1.
Een in een andere lidstaat dan Nederland genomen beslissing tot opening van een insolventieprocedure ten aanzien van een bank, levensverzekeraar of schadeverzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, wordt van rechtswege erkend, indien de bank, levensverzekeraar of schadeverzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, in die lidstaat haar of zijn zetel heeft.
2.
De beslissing heeft rechtsgevolgen binnen Nederland vanaf het tijdstip dat zij rechtsgevolgen heeft in de lidstaat waar de bank, levensverzekeraar of schadeverzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, haar of zijn zetel heeft.
Artikel 3:240
De beslissing tot vaststelling van een saneringsmaatregel, de saneringsmaatregel zelf en de rechtsgevolgen van de saneringsmaatregel worden beheerst door het recht van de lidstaat waar de saneringsmaatregel is vastgesteld, tenzij de wet anders bepaalt.
1.
De beslissing tot vaststelling van een saneringsmaatregel laat onverlet het goederenrechtelijke recht van een schuldeiser of een derde op een goed of goederen, zowel bepaalde goederen als gehelen met een wisselende samenstelling van onbepaalde goederen, die toebehoren aan de bank of verzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, en die zich op het tijdstip waarop de beslissing tot opening van de saneringsprocedure rechtsgevolgen heeft, bevinden op het grondgebied van een andere lidstaat dan de lidstaat waar de entiteit voor risico-acceptatie, bank of verzekeraar haar of zijn zetel heeft.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder goederenrechtelijk recht in ieder geval verstaan:
a. het recht een goed te gelde te maken of te laten maken en te worden voldaan uit de opbrengst van of de inkomsten uit het goed, in het bijzonder op grond van een recht van pand of recht van hypotheek;
b. het uitsluitende recht een vordering te innen, in het bijzonder op grond van een pandrecht op de vordering of op grond van een cessie tot zekerheid van de vordering;
c. het recht om een goed van een ieder die het zonder recht houdt op te eisen, van dat goed afgifte te verlangen of van dat goed een ongestoord genot te verlangen;
d. het goederenrechtelijke recht om van een goed de vruchten te trekken.
3.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt met een goederenrechtelijk recht gelijkgesteld het in een openbaar register ingeschreven recht tot verkrijging van een goederenrechtelijk recht als bedoeld in het eerste lid dat aan derden kan worden tegengeworpen.
4.
Voor de toepassing van dit artikel is de lidstaat waar een goed zich bevindt:
a. met betrekking tot registergoederen en rechten op registergoederen: de lidstaat onder het gezag waarvan het desbetreffende register wordt gehouden;
b. met betrekking tot zaken, voorzover niet vallend onder onderdeel a: de lidstaat op het grondgebied waarvan de zaak zich bevindt; en
c. met betrekking tot schuldvorderingen: de lidstaat op het grondgebied waarvan de statutaire zetel van de derde-schuldenaar zich bevindt.
1.
Ingeval een bank of een verzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, een zaak heeft gekocht, laat de beslissing tot vaststelling van een saneringsmaatregel onverlet de op een eigendomsvoorbehoud berustende rechten van de verkoper, indien de zaak waarop het eigendomsvoorbehoud betrekking heeft zich op het tijdstip waarop de beslissing tot vaststelling van de saneringsmaatregel rechtsgevolgen heeft, bevindt op het grondgebied van een andere lidstaat dan de lidstaat waar de entiteit voor risico-acceptatie, bank of verzekeraar haar of zijn zetel heeft.
2.
Ingeval de financiële onderneming een zaak heeft verkocht, is de beslissing tot vaststelling van een saneringsmaatregel geen grond voor ontbinding of beëindiging van de overeenkomst tot verkoop, en belet de saneringsmaatregel de koper niet de eigendom van de gekochte zaak te verkrijgen, indien de zaak zich op het tijdstip waarop de beslissing tot vaststelling van de saneringsmaatregel gevolgen heeft, bevindt op het grondgebied van een andere lidstaat dan de lidstaat waar de entiteit voor risico-acceptatie, bank of een verzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, haar of zijn zetel heeft.
3.
Artikel 3:241, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3:243
Indien degene die zowel schuldeiser als schuldenaar is van de bank of de verzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, bevoegd is zijn schuld te verrekenen met de vordering op de bank of de verzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, op grond van het recht dat van toepassing is op de vordering van de bank of de verzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, laat de beslissing tot vaststelling van de saneringsmaatregel de bedoelde bevoegdheid onverlet.
Artikel 3:244
De artikelen 3:241 tot en met 3:243 staan er niet aan in de weg dat een vordering wordt ingesteld tot nietigheid, vernietiging of het niet kunnen worden tegengeworpen van een rechtshandeling wegens de benadeling van het geheel van schuldeisers welke van die rechtshandeling het gevolg is.
Artikel 3:245
In afwijking van artikel 3:240 worden de gevolgen van een saneringsmaatregel voor arbeidsovereenkomsten en andere rechtsverhoudingen ter zake van het verrichten van arbeid uitsluitend beheerst door het recht van de lidstaat dat op die overeenkomst of rechtsverhouding van toepassing is.
Artikel 3:246
In afwijking van artikel 3:240 worden de gevolgen van een saneringsmaatregel voor een overeenkomst die het recht geeft op het genot of de verkrijging van een onroerende zaak uitsluitend beheerst door het recht van de lidstaat op het grondgebied waarvan de onroerende zaak is gelegen.
Artikel 3:247
In afwijking van artikel 3:240 worden de gevolgen van een saneringsmaatregel voor de rechten van de bank of de verzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, op een registergoed beheerst door het recht van de lidstaat onder het gezag waarvan het register wordt gehouden.
1.
In afwijking van artikel 3:240 worden, onverminderd artikel 3:241, de gevolgen van een saneringsmaatregel voor de rechten en verplichtingen van deelnemers aan een gereglementeerde markt uitsluitend beheerst door het recht dat op die markt van toepassing is.
2.
Het eerste lid staat er niet aan in de weg dat een vordering wordt ingesteld tot nietigheid, vernietiging of het niet kunnen worden tegengeworpen van een rechtshandeling wegens de benadeling van het geheel van schuldeisers die van die rechtshandeling het gevolg is.
Artikel 3:249
In afwijking van artikel 3:240 wordt de rechtsgeldigheid van een rechtshandeling, onder bezwarende titel aangegaan door de bank of de verzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, na het tijdstip tot vaststelling van een saneringsmaatregel, waarmee deze beschikt over een registergoed of effecten of andere waardepapieren waarvan het bestaan of de overdracht inschrijving in een wettelijk voorgeschreven register of op een wettelijk voorgeschreven rekening veronderstelt, of die zijn geplaatst in een door het recht van een lidstaat beheerst gecentraliseerd effectendepot, beheerst door het recht van de lidstaat onder het gezag waarvan het register, de rekening of het depot wordt gehouden dan wel, indien het een onroerende zaak betreft, door het recht van de lidstaat waar de onroerende zaak is gelegen.
Artikel 3:250
In afwijking van artikel 3:240 worden de gevolgen van de saneringsmaatregel voor een aanhangige rechtsvordering betreffende een goed waarover de bank of de verzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, het beheer en de beschikking heeft verloren, uitsluitend beheerst door het recht van de lidstaat waar het rechtsgeding aanhangig is.
Artikel 3:251
Artikel 3:240 is niet van toepassing op regels betreffende de nietigheid, de vernietigbaarheid van voor het geheel van schuldeisers nadelige rechtshandelingen en evenmin op de regels die bepalen of dergelijke rechtshandelingen kunnen worden tegengeworpen, indien degene die voordeel heeft gehad bij die rechtshandeling bewijst dat:
a. die rechtshandeling wordt beheerst door het recht van een andere lidstaat dan de lidstaat waar de entiteit voor risico-acceptatie, de bank of de verzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, haar of zijn zetel heeft; en
b. dat recht in het gegeven geval niet voorziet in de mogelijkheid dat die rechtshandeling wordt aangetast onderscheidenlijk niet kan worden tegengeworpen.
Artikel 3:252
In afwijking van artikel 3:240 worden de gevolgen van een saneringsmaatregel, vastgesteld met betrekking tot een bank, voor de gevolgen van een overeenkomst tot verrekening als bedoeld in artikel 212a, onderdeel m, van de Faillissementswet en novatie uitsluitend beheerst door het recht dat van toepassing is op die overeenkomst.
Artikel 3:253
In afwijking van artikel 3:240 worden, onverminderd artikel 3:254, de gevolgen van een saneringsmaatregel, vastgesteld met betrekking tot een bank, voor een overeenkomst waarbij de ene partij, de koper, zich verbindt tot een latere overdracht van een gelijke hoeveelheid activa van dezelfde soort aan de verkoper, uitsluitend beheerst door het recht van de lidstaat dat van toepassing is op die overeenkomst.
Artikel 3:254
In afwijking van artikel 3:240 worden de gevolgen van een saneringsmaatregel, vastgesteld met betrekking tot een bank, voor het uitoefenen van rechten op financiële instrumenten waarvan het bestaan of de overdracht inschrijving in een register, op een rekening of in een in een lidstaat bijgehouden of gesitueerd gecentraliseerd effectendepot veronderstelt, uitsluitend beheerst door het recht van de lidstaat waar het register, de rekening of het gecentraliseerde effectendepot waar deze rechten zijn ingeschreven, wordt gehouden of is gesitueerd.
1.
De bewindvoerder uit een andere lidstaat dan Nederland waar de bank of de levensverzekeraar of schadeverzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, haar of zijn zetel heeft, heeft in Nederland de bevoegdheden die hij heeft in de lidstaat van de zetel van de bank, levensverzekeraar of schadeverzekeraar, behoudens de bevoegdheid tot het aanwenden van een dwangmaatregel en de bevoegdheid tot het doen van een uitspraak in een geding of een geschil. De wijze van uitoefenen van deze bevoegdheden in Nederland wordt beheerst door het Nederlandse recht.
2.
Indien op grond van het recht van de lidstaat waar de bank of de levensverzekeraar of schadeverzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, haar of zijn zetel heeft personen zijn aangewezen om de bewindvoerder te vertegenwoordigen of anderszins bij te staan, kunnen zij de bevoegdheden die zij hebben op grond van het recht van die lidstaat uitoefenen op het grondgebied van Nederland.
1.
Voor het bewijs van aanwijzing van de bewindvoerder uit een andere lidstaat volstaat een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van het aanwijzingsbesluit of van ieder ander door de bestuurlijke of rechtelijke instanties die bevoegd zijn ter zake van saneringsmaatregelen van de lidstaat gegeven schriftelijke verklaring.
2.
De bewindvoerder uit een andere lidstaat toont op verlangen van een ieder tegenover wie hij zijn bevoegdheden wenst uit te oefenen een vertaling in de Nederlandse taal van het afschrift.
Artikel 3:257
Op verzoek van een bewindvoerder uit een andere lidstaat worden de gegevens met betrekking tot een saneringsmaatregel, vastgesteld in een andere lidstaat, door de griffier van de rechtbank Den Haag ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de Faillissementswet.
1.
Deze paragraaf is van toepassing op:
a. banken die een vergunning als bedoeld in artikel 2:11 hebben;
b. beheerders van een icbe die een vergunning hebben als bedoeld in artikel 2:69b, eerste lid, aanhef en onderdeel a, voor zover het betreft het beheren van individuele vermogens en Nederlandse beheerders met een vergunning als bedoeld in artikel 2:65, aanhef en onderdeel a, voor zover het betreft het verrichten van de activiteiten of het verlenen van de diensten, bedoeld in artikel 2:67a, tweede lid;
c. beleggingsondernemingen die een vergunning hebben als bedoeld in artikel 2:96 voor het verlenen van beleggingsdiensten; en
d. financiële instellingen die een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 3:110 hebben en die beleggingsdiensten mogen verlenen.
2.
De intrekking van een vergunning als bedoeld in het eerste lid laat onverlet de toepasselijkheid van deze paragraaf op vorderingen van beleggers op de financiële onderneming die verband houden met beleggingsverrichtingen die tot het tijdstip van intrekking van de vergunning hebben plaatsgevonden en laat onverlet de toepasselijkheid van deze paragraaf op bestaande vorderingen van crediteuren op de financiële onderneming op het tijdstip van de intrekking van de vergunning.
3.
In deze paragraaf en paragraaf 3.5.6.1A wordt verstaan onder belegger: persoon als bedoeld in artikel 3:259, eerste lid, eerste volzin.
1.
Er is een beleggerscompensatiestelsel dat tot doel heeft personen die op grond van een beleggingsdienst als omschreven in artikel 1:1 of een dienst als vermeld in bijlage I, deel B, punt 1, van de richtlijn markten voor financiële instrumenten, geld of financiële instrumenten aan een bank, beleggingsonderneming of financiële instelling hebben toevertrouwd, te compenseren ingeval de betreffende onderneming niet in staat is te voldoen aan haar verplichtingen die voortvloeien uit vorderingen die verband houden met die beleggingsdienst of nevendienst. Banken waarop artikel 2:13 of 3:33 van toepassing is, beleggingsondernemingen en financiële instellingen dragen de kosten van het beleggerscompensatiestelsel.
2.
Er is een depositogarantiestelsel dat tot doel heeft depositohouders te compenseren in het geval een bank niet in staat is te voldoen aan haar verplichtingen die voortvloeien uit vorderingen uit deposito’s. Banken dragen de kosten van het depositogarantiestelsel.
3.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot:
a. categorieën van financiële ondernemingen en personen die onder de reikwijdte van de vangnetregeling vallen, dan wel hiervan worden uitgesloten;
b. categorieën van vorderingen die onder de reikwijdte van een vangnetregeling vallen, de wijze van indiening en vaststelling daarvan, de voorwaarden voor vergoeding van deze vorderingen, de hoogte van de vergoeding, het doen van uitkeringen aan beleggers of crediteuren en de wijze van informatieverschaffing daarover door financiële ondernemingen.
4.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot:
a. de bekendmaking van een vangnetregeling; en
b. de financiering, bekostiging en verdeling van baten van een vangnetregeling.
1.
Er is een depositogarantiefonds dat tot taak heeft het beheer van financiële middelen ten behoeve van de uitvoering van het depositogarantiestelsel, bedoeld in artikel 3:259, tweede lid. De Nederlandsche Bank besluit over de aanwending van de financiële middelen van het fonds.
2.
Het depositogarantiefonds bezit rechtspersoonlijkheid en is gevestigd te Amsterdam.
3.
Het depositogarantiefonds wordt vertegenwoordigd door een bestuur dat bestaat uit drie leden, waaronder de voorzitter. Benoeming, schorsing en ontslag van de leden geschiedt door de Nederlandsche Bank.
4.
De Nederlandsche Bank ondersteunt het depositogarantiefonds bij de uitoefening van zijn taak en verschaft de voor die taakuitoefening benodigde financiële middelen.
5.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de taakuitoefening van het depositogarantiefonds, het bestuur van het fonds en de verantwoording door het fonds.
1.
De Nederlandsche Bank besluit onverwijld tot toepassing van een vangnetregeling indien:
a. de Nederlandsche Bank van oordeel is dat een financiële onderneming om redenen die rechtstreeks verband houden met haar financiële positie niet in staat is een verschuldigd en betaalbaar deposito onder de toepasselijke wettelijke en contractuele voorwaarden terug te betalen of aan verplichtingen te voldoen die voortvloeien uit vorderingen van beleggers die verband houden met een beleggingsdienst of dienst als bedoeld in artikel 3:259, eerste lid, en de onderneming daartoe ook op afzienbare termijn niet in staat is; of
b. een rechterlijke instantie, om redenen die rechtstreeks verband houden met de financiële positie van de financiële onderneming, een uitspraak heeft gedaan die leidt tot schorsing van de rechten van depositohouders of beleggers om hun vordering op de betreffende financiële onderneming te verhalen.
2.
De Nederlandsche Bank geeft toepassing aan het eerste lid, aanhef en onder a, uiterlijk vijf werkdagen nadat zij voor het eerst heeft geconstateerd dat een bank heeft nagelaten verschuldigde en betaalbare deposito’s onder de toepasselijke wettelijke en contractuele voorwaarden terug te betalen of aan verplichtingen te voldoen die voortvloeien uit vorderingen van beleggers die verband houden met een beleggingsdienst of dienst als bedoeld in artikel 3:259a, eerste lid.
3.
De Nederlandsche Bank doet van het besluit tot toepassing van een vangnetregeling mededeling in de Staatscourant.
1.
Bij de toepassing van een vangnetregeling stelt de Nederlandsche Bank met inachtneming van het ingevolge artikel 3:259, derde lid, onderdeel b, bepaalde de omvang vast van de vorderingen die voor vergoeding in aanmerking komen en de hoogte van de voor vergoeding in aanmerking komende vorderingen van beleggers of depositohouders, alsmede de hoogte van de vergoeding van de vorderingen.
2.
De Nederlandsche Bank draagt zorg voor betaling van de ingevolge het beleggerscompensatiestelsel voor vergoeding in aanmerking komende vorderingen van beleggers binnen een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen termijn.
3.
De Nederlandsche Bank is in staat ingevolge het depositogarantiestelsel voor vergoeding in aanmerking komende aanspraken te honoreren binnen een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen termijn.
4.
De Nederlandsche Bank treedt in de rechten die een belegger of depositohouder terzake van een vordering op de betalingsonmachtige financiële onderneming heeft voor zover zij een vergoeding als bedoeld in het eerste lid aan die belegger of depositohouder heeft betaald.
1.
De samenloop van vorderingen van beleggers op een bank, beleggingsonderneming of financiële instelling ten aanzien waarvan een vangnetregeling is toegepast, met aanspraken op vergoeding van de ingevolge deze afdeling daarvoor in aanmerking komende vorderingen, leidt er niet toe dat de Nederlandsche Bank en de boedel, beleggingsonderneming of financiële instelling hoofdelijk zijn verbonden.
2.
De samenloop van vorderingen van depositohouders op een bank ten aanzien waarvan een vangnetregeling is toegepast, met aanspraken op vergoeding van de ingevolge deze afdeling daarvoor in aanmerking komende vorderingen, leidt er niet toe dat de Nederlandsche Bank en de boedel of de bank hoofdelijk zijn verbonden.
Artikel 3:262
De Nederlandsche Bank stelt met inachtneming van het ingevolge artikel 3:259, vierde lid, onderdeel b, bepaalde de bijdragen vast van de financiële ondernemingen, bedoeld in artikel 3:258, eerste lid, aan de vangnetregeling. De bijdrageplichtige financiële ondernemingen voldoen deze bijdragen binnen een door de Nederlandsche Bank vastgestelde termijn.
1.
Een financiële onderneming als bedoeld in artikel 3:258, eerste lid, stelt informatie ter beschikking over de toepasselijke vangnetregeling. Voorzover op een in een andere lidstaat gelegen bijkantoor een met een vangnetregeling vergelijkbare regeling toepasselijk is, stelt de financiële onderneming eveneens informatie ter beschikking over die regeling.
2.
De informatie moet zodanig zijn dat al dan niet potentiële beleggers en depositohouders in staat worden gesteld om na te gaan of een vordering valt onder de dekking van de vangnetregeling dan wel onder een vergelijkbare buitenlandse regeling.
3.
De informatie over de vangnetregeling wordt in de Nederlandse taal of in de taal die door de depositohouder en de bank zijn overeengekomen bij het aangaan van de overeenkomst ter beschikking gesteld of voorzover het een vergelijkbare regeling betreft die op een bijkantoor toepasselijk is, in de officiële taal of een van de officiële talen van de lidstaat waar het desbetreffende bijkantoor is gelegen.
4.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid.
1.
Het is een financiële onderneming niet toegestaan informatie over een vangnetregeling ten behoeve van reclamedoeleinden te gebruiken.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op financiële ondernemingen die in een reclame-uiting vermelden dat op hen een vangnetregeling van toepassing is.
1.
Ingeval van een rechtsfeit als bedoeld in artikel 16, zesde lid, van de richtlijn depositogarantiestelsels, geeft elke betrokken bank depositohouders daarvan kennis ten minste een maand voordat de rechtsgevolgen ingaan, tenzij de Nederlandsche Bank een kortere termijn toestaat omwille van de stabiliteit van het financiële stelsel of omdat hiermee een rechtmatig belang van de desbetreffende bank wordt gediend.
2.
De bank stelt gedurende drie maanden na de kennisgeving depositohouders onvoorwaardelijk en zonder betaling van een boete in staat deposito’s die voor vergoeding uit hoofde van een depositogarantiestelsel in aanmerking komen, op te nemen voor zover die deposito’s hoger zijn dan het uit hoofde van het toepasselijke depositogarantiestelsel gegarandeerde bedrag nadat de rechtsgevolgen, bedoeld in het eerste lid, zijn ingetreden.
3.
Artikel 1:23 is niet van toepassing ten aanzien van het tweede lid.
1.
De Nederlandsche Bank verhaalt de vorderingen op de betalingsonmachtige financiële onderneming die ingevolge artikel 3:261, derde lid, op haar zijn overgegaan, op die financiële onderneming.
2.
Ingeval bij de toepassing van een vangnetregeling een batig saldo resteert, stelt de Nederlandsche Bank met inachtneming van het ingevolge artikel 3:259, vierde lid, onderdeel b, bepaalde dit ter beschikking aan de financiële ondernemingen die een bijdrage als bedoeld in artikel 3:262 hebben gedaan.
Artikel 3:265a
De bewindvoerders stellen de Nederlandsche Bank zo spoedig mogelijk na het uitspreken van de noodregeling, bedoeld in Afdeling 3.5.5, in kennis van aan hen bekende:
a. beleggers;
b. depositohouders;
c. vorderingen van de personen, bedoeld in de onderdelen a en b, op de financiële onderneming; en
d. vorderingen van de financiële onderneming op de personen, bedoeld in de onderdelen a en b.
1.
Zodra de Nederlandsche Bank de hoogte van de vergoeding van een vordering overeenkomstig artikel 3:261, eerste lid, heeft vastgesteld, deelt zij die en de berekening daarvan mee aan de bewindvoerders.
2.
Indien de Nederlandsche Bank van oordeel is dat de vordering niet voor vergoeding in aanmerking komt, deelt zij dat mee aan de bewindvoerders.
3.
De bewindvoerders brengen het aan hen ingevolge het eerste lid medegedeelde bedrag in mindering op het bedrag van de na verrekening geresteerde of te resteren vordering van de belegger of depositohouder op de financiële onderneming.
1.
Indien de Nederlandsche Bank de hoogte van de vergoeding van een vordering nog niet ingevolge artikel 3:265b, eerste lid, aan de bewindvoerders heeft medegedeeld op het tijdstip waarop de bewindvoerders tot uitkering van vorderingen overgaan, keren de bewindvoerders het bedrag aan de desbetreffende belegger of depositohouder uit dat zij zouden hebben uitgekeerd in het geval waarin de Nederlandsche Bank de hoogte van de vergoeding zou hebben vastgesteld op het bedrag waarop de belegger of depositohouder aanspraak maakt.
2.
De bewindvoerders doen geen uitkering op het gedeelte van de na verrekening resterende vordering dat resteert na de uitkering ingevolge het eerste lid dan nadat de Nederlandsche Bank de overeenkomstig artikel 3:261, eerste lid, vastgestelde hoogte van de voor vergoeding in aanmerking komende vordering aan de bewindvoerders heeft medegedeeld.
3.
Indien de bewindvoerders tot een tussentijdse uitkering overgaan, reserveren zij een bedrag met betrekking tot elke na verrekening geresteerde of te resteren vordering waarop ingevolge het tweede lid nog geen uitkering is gedaan.
4.
De hoogte van het bedrag, bedoeld in het derde lid, wordt gevormd door een percentage van de na verrekening geresteerde of te resteren vordering waarop ingevolge het tweede lid nog geen uitkering is gedaan, welk percentage gelijk is aan het percentage dat is uitgekeerd op de andere vorderingen met dezelfde rang die wel zijn voldaan.
1.
Een bankspaardeposito eigen woning dat een depositohouder bij een bank aanhoudt en de daarmee verbonden eigenwoningschuld aan die bank of een ander worden tot hun gemeenschappelijk beloop opeisbaar en van rechtswege met elkaar verrekend, voor zoveel mogelijk eerst met de eigenwoningschuld aan de bank, ongeacht mogelijk bestaande rechten van derden ten aanzien van het bankspaardeposito eigen woning, onderscheidenlijk de verbonden eigenwoningschuld, op het tijdstip dat zich als eerste van de volgende tijdstippen voordoet:
a. het tijdstip waarop de Nederlandsche Bank de depositogarantieregeling in werking heeft gesteld ingevolge artikel 3:260, eerste lid, aanhef en onderdeel a;
b. het tijdstip dat de rechtbank ingevolge artikel 3:174, zevende lid, vermeldt op de beschikking waarbij zij de noodregeling uitspreekt;
c. het tijdstip dat de rechtbank ingevolge artikel 14, eerste lid, laatste volzin, van de Faillissementswet vermeldt op de beschikking waarbij zij het faillissement uitspreekt.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing ingeval de deposito’s worden overgedragen aan degene aan wie de depositohouder de eigenwoningschuld heeft.
3.
De verrekening, bedoeld in het eerste lid, kan niet ertoe leiden dat degene die een eigenwoningschuld heeft, een additioneel bedrag verschuldigd wordt.
1.
Indien de Nederlandsche Bank een afwikkelingsinstrument als bedoeld in artikel 3A:1 toepast en de toepassing van dat instrument ertoe strekt dat depositohouders toegang houden tot hun deposito’s, wordt, overeenkomstig artikel 79 van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, ten laste van het depositogarantiestelsel, bedoeld in 3:259, tweede lid, een bedrag beschikbaar gesteld.
2.
Indien bij de toepassing van het instrument van bail-in door het depositogarantiestelsel gegarandeerde deposito’s in gelijke mate zouden worden afgeschreven als vorderingen met een gelijke rang, wordt ten hoogste het bedrag beschikbaar gesteld waarmee deze vorderingen zouden zijn afgeschreven om de verliezen van de entiteit te absorberen tot het punt waarop de nettowaarde van de activa van de entiteit gelijk is aan nul.
3.
Bij de toepassing van een ander afwikkelingsinstrument wordt ten hoogste het bedrag beschikbaar gesteld ter grootte van het totaal aan verliezen die houders van vorderingen tot het gegarandeerde bedrag die voor vergoeding uit hoofde van het depositogarantiestelsel in aanmerking komen zouden lijden indien zij in gelijke mate verliezen zouden lijden als houders van vorderingen met een gelijke rang.
1.
De paragrafen 3.5.6.1 tot en met 3.5.6.1B zijn van overeenkomstige toepassing op:
a. beleggingsondernemingen met zetel in een andere lidstaat die beleggingsdiensten verlenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor en die ingevolge het tweede lid hebben gekozen voor een aanvullende deelname aan het beleggerscompensatiestelsel;
b. banken met zetel in een andere lidstaat die hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor en die ingevolge het derde lid hebben gekozen voor een aanvullende deelname aan het depositogarantiestelsel; en
c. banken en financiële instellingen met zetel in een andere lidstaat die hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor en die ingevolge het vierde lid hebben gekozen voor een aanvullende deelname aan het beleggerscompensatiestelsel.
2.
Een beleggingsonderneming met zetel in een andere lidstaat die beleggingsdiensten verleent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor kan, indien de dekking van een in die lidstaat toepasselijk stelsel van beleggerscompensatie beperkter is dan de dekking van het beleggerscompensatiestelsel, kiezen voor deelname aan het beleggerscompensatiestelsel, ter aanvulling van de dekking van het stelsel in de lidstaat van de zetel.
3.
Een bank met zetel in een andere lidstaat die haar bedrijf uitoefent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor kan, indien de dekking van een in die lidstaat toepasselijk stelsel van depositogarantie beperkter is dan de dekking van het depositogarantiestelsel, kiezen voor deelname aan het depositogarantiestelsel, ter aanvulling van de dekking van het stelsel in de lidstaat van de zetel.
4.
Een bank of een financiële instelling met zetel in een andere lidstaat die haar bedrijf uitoefent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, waaraan het ingevolge artikel 2:15, onderscheidenlijk artikel 2:112, is toegestaan beleggingsdiensten te verlenen, kan indien de dekking van een in die lidstaat toepasselijk stelsel van beleggerscompensatie beperkter is dan de dekking van het beleggerscompensatiestelsel, kiezen voor deelname aan het beleggerscompensatiestelsel, ter aanvulling van de dekking van het stelsel in de lidstaat waar de zetel zich bevindt.
5.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld betreffende de deelname aan een vangnetregeling door een bank of beleggingsonderneming met zetel in een andere lidstaat die een in Nederland gelegen bijkantoor heeft.
1.
De Nederlandsche Bank kan al dan niet op aanvraag besluiten dat het ingevolge de
paragrafen 3.5.6.1 tot en met 3.5.6.1B bepaalde betreffende het beleggerscompensatiestelsel van overeenkomstige toepassing is op een beleggingsonderneming met zetel in een staat die geen lidstaat is die haar bedrijf uitoefent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 2:96 is verleend, of op een bank met zetel in een staat die geen lidstaat is die haar bedrijf uitoefent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, waaraan het ingevolge artikel 2:22 is toegestaan beleggingsdiensten te verlenen en, indien op de vorderingen van beleggers op die beleggingsondernemingen in verband met beleggingsverrichtingen geen stelsel van beleggerscompensatie van toepassing is waarvan de dekking gelijkwaardig is aan de dekking bedoeld in artikel 11, eerste lid, van richtlijn nr. 97/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 3 maart 1997 inzake de beleggerscompensatiestelsels (PbEG L 84).
2.
De Nederlandsche Bank kan al dan niet op aanvraag besluiten dat het ingevolge de paragrafen 3.5.6.1 en 3.5.6.1A bepaalde betreffende het depositogarantiestelsel van overeenkomstige toepassing is op banken met zetel in een staat die geen lidstaat is die hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, indien op de vorderingen van crediteuren op die banken geen stelsel van depositogarantie van toepassing is, waarvan de bescherming, ten minste wat betreft dekkingsniveau en beschermingsomvang, gelijkwaardig is aan de bescherming zoals voorgeschreven door de richtlijn depositogarantiestelsels.
3.
Een bank of beleggingsonderneming met zetel in een staat die geen lidstaat is die haar bedrijf uitoefent onderscheidenlijk beleggingsdiensten verleent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor stelt informatie ter beschikking over de toepasselijke vangnetregeling.
4.
De informatie, bedoeld in het derde lid, wordt in de Nederlandse taal of in de taal die door de depositohouder en de bank zijn overeengekomen bij het aangaan van de overeenkomst ter beschikking gesteld en moet zodanig zijn dat al dan niet potentiële beleggers en crediteuren in staat worden gesteld om na te gaan of een vordering valt onder de dekking van de vangnetregeling dan wel onder een vergelijkbare buitenlandse regeling.
5.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het derde en het vierde lid.
1.
Een afwikkelonderneming met zetel in Nederland houdt haar activa en die van haar deelnemers aan op basis van een prudent beleggingsbeleid.
2.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid.
Artikel 3:267.0b
Artikel 3:267.0a is van overeenkomstige toepassing op afwikkelondernemingen met zetel in een niet-aangewezen staat die hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor dan wel door middel van het verrichten van diensten naar Nederland.
1.
Een premiepensioeninstelling met zetel in Nederland stelt voor elke door haar uit te voeren pensioenregeling een verklaring inzake de beleggingsbeginselen op en actualiseert deze ten minste eens in de drie jaar. Deze verklaring omvat ten minste:
a. de toegepaste wegingmethoden voor beleggingsrisico’s;
b. de risicobeheerprocedures en de strategische allocatie van activa in het licht van de aard en de looptijd van de pensioenregelingen.
2.
De premiepensioeninstelling herziet de verklaring telkens onverwijld na een belangrijke wijziging van de beleggingsbeginselen.
3.
De premiepensioeninstelling stelt de Nederlandsche Bank en de toezichthoudende instanties van de lidstaten waar zij vanuit een bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten haar bedrijf uitoefent, in kennis van de verklaring en van iedere wijziging daarvan.
4.
De premiepensioeninstelling stelt de verklaring op verzoek ter beschikking aan de pensioendeelnemers en pensioengerechtigden van de desbetreffende pensioenregeling.
1.
Een premiepensioeninstelling voert een beleggingsbeleid dat in overeenstemming is met de prudent-person regel en met name gebaseerd is op de uitgangspunten die zijn vastgelegd in het tweede, derde en vierde lid.
2.
Een premiepensioeninstelling met zetel in Nederland belegt haar activa uitsluitend in het belang van de pensioendeelnemers en de pensioengerechtigden, op zodanige wijze dat de veiligheid, de kwaliteit, de liquiditeit en het rendement van de beleggingen als geheel worden gewaarborgd.
3.
Een premiepensioeninstelling belegt haar activa hoofdzakelijk in financiële instrumenten die zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt of een multilaterale handelsfaciliteit of een daarmee vergelijkbaar systeem in een staat die geen lidstaat is.
4.
Een premiepensioeninstelling gaat geen leningen aan als debiteur, met uitzondering van leningen voor liquiditeitsdoelstellingen, en staat niet voor derde partijen garant.
5.
Het eerste, tweede, derde en vierde lid zijn niet van toepassing bij uitvoering van een pensioenregeling die beheerst wordt door de sociale- en arbeidswetgeving van een staat die geen lidstaat is. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het beleggingsbeleid in deze situatie.
6.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het eerste, tweede, derde en vierde lid.
1.
Indien een premiepensioeninstelling met zetel in Nederland niet voldoet aan het ingevolge de artikelen 3:53, eerste, tweede en zesde lid, 3:57, eerste, tweede en zevende lid, of 3:267b bepaalde, kan de Nederlandsche Bank de vrije beschikking over de activa door de premiepensioeninstelling beperken of haar verbieden om anders dan met machtiging van de Nederlandsche Bank daarover te beschikken.
2.
Alvorens een besluit als bedoeld in het eerste lid te nemen, stelt de Nederlandsche Bank de toezichthoudende instanties van de andere lidstaten waar de premiepensioeninstelling een bijkantoor heeft of waarnaar zij diensten verricht, in kennis van haar voornemen.
3.
De Nederlandsche Bank kan, indien zij een besluit als bedoeld in het eerste lid heeft genomen, de toezichthoudende instanties van de andere lidstaten waar de premiepensioeninstelling een bijkantoor heeft of waarnaar zij diensten verricht, verzoeken overeenkomstige maatregelen te treffen ten aanzien van de in de betrokken lidstaten aanwezige waarden, onder opgave van die waarden.
4.
De premiepensioeninstelling kan de ongeldigheid van een rechtshandeling, verricht in strijd met de beperking of het verbod, inroepen indien de wederpartij de maatregel kende of behoorde te kennen.
5.
De Nederlandsche Bank heft de beperking of het verbod op zodra de premiepensioeninstelling weer voldoet aan het bepaalde ingevolge de in het eerste lid bedoelde artikelen.
6.
De Nederlandsche Bank stelt de toezichthoudende instanties, bedoeld in het tweede lid, in kennis van een besluit als bedoeld in het eerste of vijfde lid.
Artikel 3:267d
Deze afdeling is van toepassing op overeenkomsten waarbij een verzekeraar of tot dezelfde groep behorende onderneming met zetel in Nederland partij is, ongeacht het recht dat de overeenkomst beheerst.
1.
Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder gebeurtenis verstaan:
a. het voorbereiden van een overdrachtsplan als bedoeld in artikel 3:159c, eerste of tweede lid;
b. de mededeling, bedoeld in artikel 3:159d, eerste lid;
c. het uitoefenen van een bevoegdheid als bedoeld in artikel 3:159d, tweede lid;
d. een besluit als bedoeld in 3:159f;
e. het overleggen en het verzoek als bedoeld in artikel 3:159u;
f. het uitspreken van de overdrachtsregeling, bedoeld in artikel 3:159ij, eerste lid;
g. het goedkeuren van het overdrachtsplan, bedoeld in artikel 3:159ij, tweede en derde lid;
h. het verbinden van voorwaarden met betrekking tot de voldoening van de prijs, bedoeld in artikel 3:159ij, vierde lid;
i. de benoeming van een of meer overdragers, bedoeld in artikel 3:159z, eerste lid;
j. het instellen van hoger beroep, bedoeld in artikel 3:159aa eerste lid;
k. het instellen van verzet, bedoeld in artikel 3:159aa, derde lid;
l. de gegrondverklaring van het verzet, bedoeld in artikel 3:159aa, zesde lid;
m. het achterwege blijven van vernietiging als bedoeld in artikel 3:159aa, zesde lid;
n. een verzoek als bedoeld in artikel 3:159ag, eerste lid;
o. een besluit als bedoeld in artikel 6:1;
p. een besluit als bedoeld in artikel 6:2; of
q. een gebeurtenis naar een ander recht dan Nederlands recht, die vergelijkbaar is met de gebeurtenissen, bedoeld in onderdelen a tot en met p.
2.
Met een gebeurtenis worden gelijkgesteld handelingen die een gebeurtenis voorbereiden of uitvoeren, de uitoefening van bevoegdheden die met de gebeurtenis verband houden of het ontstaan dan wel nakomen van verplichtingen die met de gebeurtenis verband houden.
1.
Een wederpartij in een rechtsverhouding met een verzekeraar of een tot dezelfde groep behorende onderneming kan zonder toestemming van de Nederlandsche Bank geen beroep doen op een beding dat hem naar aanleiding van een gebeurtenis het recht geeft tot:
a. uitoefening van daaruit voortvloeiende rechten of bevoegdheden;
b. het verlangen van nakoming van daaruit voortvloeiende verplichtingen; of
c. beëindiging, wijziging of vervanging van de rechtsverhouding of van daaruit voortvloeiende rechten, bevoegdheden of verplichtingen.
2.
Jegens de verzekeraar of een tot dezelfde groep behorende onderneming kan geen beroep worden gedaan op het zich voordoen van een omstandigheid die het gevolg is van een gebeurtenis, daaronder begrepen een tekortkoming of een opeisbaarheidsgrond.
3.
Onder de in het eerste lid genoemde rechten, bevoegdheden en verplichtingen zijn mede begrepen rechten en verplichtingen die de wederpartij of een derde het recht of de bevoegdheid geven tot:
a. het opeisen van een vordering;
b. de opeisbaarheid van een vordering beëindigen;
c. het verlangen van een vorm van zekerheid;
d. het overdragen van een goed;
e. het brengen van wijziging in het bedrag van een vordering of het tijdstip waarop een betaling dient te geschieden;
f. het uitoefenen van een bevoegdheid tot opschorting, verrekening of inhouding;
g. het instellen van een tegenvordering; of
h. het verhinderen of onderwerpen aan voorwaarden van de uitoefening van een recht of een bevoegdheid die de verzekeraar of een tot dezelfde groep behorende onderneming op grond van de wet of overeenkomst toekomt.
4.
Het eerste tot en met het derde lid zijn niet van toepassing op:
a. een recht dat krachtens een in het eerste lid bedoelde rechtsverhouding toekomt aan een centrale bank of, in verband met deelname aan een systeem als bedoeld in artikel 212a, onderdeel b, van de Faillissementswet, aan een andere deelnemer die deelneemt aan het systeem;
b. een recht dat voortvloeit uit een door de verzekeraar gesloten financiëlezekerheidsovereenkomst.
Artikel 3:267g
Jegens de verzekeraar of een tot dezelfde groep behorende onderneming kan geen beroep worden gedaan op een mededelingsverplichting of verplichting tot het verstrekken van informatie met betrekking tot een gebeurtenis.
1.
Een entiteit voor risico-acceptatie of verzekeraar voert een beleggingsbeleid dat in overeenstemming is met de prudent-person regel.
2.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het in het eerste lid bepaalde.