Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | Vacatures | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
» Energiewijzer « advertorial
Bespaar geld en stap over!
Energiewijzer.nl, eerlijk over energie.

Juridische vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Powered by Jbmatch.nl

Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk Ia. Landelijke verwijsindex
+ Hoofdstuk Ib. Het gebruik van het burgerservicenummer in de jeugdzorg
+ Hoofdstuk II. Aanspraken op jeugdzorg
+ Hoofdstuk III. De stichting die een bureau jeugdzorg in stand houdt
+ Hoofdstuk IV. Zorgaanbod
+ Hoofdstuk IVa. Pleegzorg
- Hoofdstuk IVb. Gesloten jeugdzorg
+ Hoofdstuk V. Planning
+ Hoofdstuk VI. Uitkeringen en subsidies
+ Hoofdstuk VII. Beleidsinformatie
+ Hoofdstuk VIII. Toezicht
+ Hoofdstuk IX. Inzage in en het bewaren en vernietigen van bescheiden
+ Hoofdstuk X. De vertrouwenspersoon
+ Hoofdstuk XI. Medezeggenschap
+ Hoofdstuk XII. Klachtrecht
+ Hoofdstuk XIII. Bijdrage in de kosten van jeugdzorg
+ Hoofdstuk XIV. Wijziging van andere wetten
+ Hoofdstuk XV. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht

Wet op de jeugdzorg

Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Ook bekend als:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2015. U leest nu de tekst die gold op -.
1.
Het hulpverleningsplan kan ten aanzien van een met een machtiging opgenomen jeugdige maatregelen bevatten op grond waarvan hij tegen zijn wil of die van degene die het gezag over hem uitoefent, binnen de accommodatie in zijn vrijheden kan worden beperkt. Indien het plan zodanige maatregelen bevat omschrijft het tevens de gevallen waarin en de termijn gedurende welke de maatregelen kunnen worden toegepast.
2.
De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, kunnen inhouden:
a. het verbod zich op te houden op in het hulpverleningsplan aangegeven plaatsen en zonodig de tijdstippen waarop dat verbod geldt;
b. tijdelijke plaatsing in afzondering;
c. tijdelijke overplaatsing binnen de accommodatie of naar een andere accommodatie die is aangewezen op grond van artikel 29k, eerste lid;
d. het vastpakken en vasthouden.
3.
De maatregelen, bedoeld in het tweede lid, die in het hulpverleningsplan zijn opgenomen, kunnen worden toegepast, voor zover dit nodig is om te voorkomen dat de jeugdige zich onttrekt aan de noodzakelijke jeugdzorg of voor zover dit nodig is voor de veiligheid van de jeugdige of anderen. De maatregelen bedoeld in het tweede lid, onder b en c, kunnen bovendien worden toegepast voor zover dit nodig is voor de handhaving van de huisregels, bedoeld in artikel 29n, tweede lid.
4.
De zorgaanbieder meldt de toepassing van het tweede lid, onder b en c, aan de stichting alsmede aan de ouders indien de jeugdige niet onder toezicht is gesteld.
1.
Het hulpverleningsplan kan ten aanzien van een met een machtiging opgenomen jeugdige hulpverleningsprogramma’s bevatten aan de toepassing waarvan hij moet meewerken.
2.
De hulpverleningsprogramma’s die in het hulpverleningsplan zijn opgenomen, kunnen tegen de wil van de jeugdige of van degene die het gezag over hem uitoefent, worden toegepast voor zover dit nodig is om het met het verblijf beoogde doel te bereiken.
3.
Het hulpverleningsplan kan ten aanzien van een met een machtiging opgenomen jeugdige geneeskundige behandelingsmethoden, waaronder het toedienen van medicijnen, bevatten die hij moet gedogen.
4.
De geneeskundige behandelingsmethoden die in het hulpverleningsplan zijn opgenomen, kunnen tegen de wil van de jeugdige of van degene die het gezag over hem uitoefent, worden toegepast voor zover dit nodig is om het met het verblijf beoogde doel te bereiken of voor zover dit nodig is voor de veiligheid van de jeugdige of anderen.
5.
De zorgaanbieder meldt de toepassing van het tweede of vierde lid aan de stichting alsmede aan de ouders indien de jeugdige niet onder toezicht is gesteld. Indien de geneeskundige behandelingsmethode wordt toegepast ter behandeling van een stoornis van de geestvermogens, wordt tevens melding gedaan aan het Staatstoezicht op de volksgezondheid.
1.
Het hulpverleningsplan kan ten aanzien van een met een machtiging opgenomen jeugdige, onverminderd de huisregels, als bedoeld in artikel 29n, tweede lid, beperkingen van het brief- en telefoonverkeer of het gebruik van andere communicatiemiddelen bevatten.
2.
Het hulpverleningsplan kan ten aanzien van een met een machtiging opgenomen jeugdige, onverminderd de huisregels, als bedoeld in artikel 29n, tweede lid, beperkingen van bezoek bevatten of bepalen dat bezoek slechts onder toezicht kan plaatsvinden.
3.
De beperkingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen, onverminderd artikel 263a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, tegen de wil van de jeugdige of van degene die het gezag over hem uitoefent, worden toegepast voor zover dit nodig is om te voorkomen dat het met het verblijf beoogde doel wordt tegengewerkt.
4.
Op de beperkingen, bedoeld in het tweede lid, is artikel 42, eerste en tweede lid, en 43, zevende lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen van overeenkomstige toepassing.
1.
Het hulpverleningsplan kan ten aanzien van een met een machtiging opgenomen jeugdige controlemaatregelen bevatten.
2.
De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, kunnen inhouden:
a. onderzoek aan lichaam en kleding;
b. onderzoek van urine op aanwezigheid van gedragsbeïnvloedende middelen;
c. onderzoek van de kamer van de jeugdige op de aanwezigheid van voorwerpen die hij niet in zijn bezit mag hebben;
d. onderzoek van poststukken afkomstig van of bestemd voor de jeugdigen op de aanwezigheid van voorwerpen, doch slechts in aanwezigheid van de jeugdige.
3.
De controlemaatregelen die in het hulpverleningsplan zijn opgenomen, kunnen tegen de wil van de jeugdige of van degene die het gezag over hem uitoefent, worden toegepast voor zover dit nodig is om te controleren of hetgeen in het hulpverleningsplan is opgenomen, wordt nagekomen. De maatregelen, bedoeld in het tweede lid, kunnen bovendien worden toegepast voor zover dit nodig is voor de handhaving van de huisregels, bedoeld in artikel 29n, tweede lid, of voor zover dit nodig is om te voorkomen dat de jeugdzorg aan andere jeugdigen wordt tegengewerkt.
4.
Voorwerpen die niet in het bezit van de jeugdige mogen zijn worden in beslag genomen en voor de jeugdige bewaard of met zijn toestemming vernietigd, dan wel aan een opsporingsambtenaar ter hand gesteld.
1.
De in de artikelen 29o tot en met 29r bedoelde onderdelen van het hulpverleningsplan worden slechts opgenomen indien dit noodzakelijk is voor het met de opneming en verblijf beoogde doel. Voorafgaand aan de vaststelling of wijziging van deze onderdelen wordt overleg gevoerd met degene die het gezag over de jeugdige heeft. Zij behoeven, in afwijking van artikel 24, vijfde lid, tweede volzin, niet de instemming van de jeugdige of degene die het gezag over hem heeft. Zij behoeven de instemming van een gedragswetenschapper behorende tot een bij regeling van Onze Ministers aangewezen categorie.
2.
Een hulpverleningsplan ten aanzien van een jeugdige die met een machtiging in een accommodatie verblijft, wordt zo vaak geëvalueerd als in het belang van de jeugdige noodzakelijk wordt geacht.
Artikel 29t
Met betrekking tot een jeugdige kunnen, anders dan ter uitvoering van een hulpverleningsplan of ter handhaving van de huisregels, bedoeld in artikel 29n, tweede lid, geen maatregelen, methoden of beperkingen, genoemd in de artikelen 29o tot en met 29r, tegen zijn wil of die van degene die het gezag over hem uitoefent, worden toegepast dan ter overbrugging van tijdelijke noodsituaties. De toepassing behoeft binnen vierentwintig uur nadat deze is aangevangen de instemming van een gedragswetenschapper behorende tot een bij regeling van Onze Ministers aangewezen categorie. De maatregelen, methoden of beperkingen worden ten hoogste gedurende zeven opeenvolgende dagen toegepast.
1.
Indien een zorgaanbieder met het oog op de veiligheid van de jeugdige of anderen dan wel om te voorkomen dat de jeugdige zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van de machtiging, ervoor zorg draagt dat het vervoer van en naar een accommodatie plaatsvindt door een vervoerder als bedoeld in het derde lid, kunnen door de vervoerder, voor zover dit noodzakelijk is met het oog op vorenomschreven doeleinden ten aanzien van die jeugdige tijdens dat vervoer tegen diens wil of de wil van degene die het gezag over hem uitoefent, voor de duur van het vervoer de volgende maatregelen worden genomen:
a. vastpakken en vasthouden;
b. onderzoek aan kleding;
c. tijdelijke plaatsing in een afzonderlijke en af te sluiten ruimte in het vervoermiddel.
2.
De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, worden in het hulpverleningsplan opgenomen en worden dienovereenkomstig ten uitvoer gelegd.
3.
Een vervoerder als bedoeld in het eerste lid is een door Onze Ministers daartoe aangewezen vervoerder dan wel een andere vervoerder die voldoet aan de bij ministeriële regeling van Onze Ministers gestelde eisen, waaronder eisen omtrent het door de vervoerder te gebruiken vervoermiddel.
4.
In geval van vervoer als bedoeld in het eerste lid meldt de vervoerder de toepassing van een of meer van de in dat lid genoemde maatregelen aan de zorgaanbieder en de stichting. Indien de jeugdige niet onder toezicht is gesteld, licht de zorgaanbieder tevens de ouders in.
1.
Degene die de beslissing heeft genomen tot toepassing van de artikelen 29o tot en met 29r of van artikel 29t, draagt er zorg voor dat de toepassing zo spoedig mogelijk in het dossier betreffende de jeugdige wordt vastgelegd, onder vermelding van de omstandigheden die daartoe aanleiding gaven.
2.
De zorgaanbieder draagt er zorg voor dat de toepassing van een of meer van de in de artikelen 29fa, eerste lid, of 29ta, eerste lid, genoemde maatregelen zo spoedig mogelijk in het dossier betreffende de jeugdige wordt vastgelegd, onder vermelding van de omstandigheden die daartoe aanleiding gaven.
3.
De zorgaanbieder verstrekt aan de stichting alsmede aan de ouders indien de jeugdige niet onder toezicht is gesteld, elk half jaar een rapportage over de toepassingen, als bedoeld in het eerste en tweede lid.