Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | Vacatures | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
» Energiewijzer « advertorial
Bespaar geld en stap over!
Energiewijzer.nl, eerlijk over energie.

Juridische vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Powered by Jbmatch.nl

Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk Ia. Landelijke verwijsindex
+ Hoofdstuk Ib. Het gebruik van het burgerservicenummer in de jeugdzorg
+ Hoofdstuk II. Aanspraken op jeugdzorg
- Hoofdstuk III. De stichting die een bureau jeugdzorg in stand houdt
+ Hoofdstuk IV. Zorgaanbod
+ Hoofdstuk IVa. Pleegzorg
+ Hoofdstuk IVb. Gesloten jeugdzorg
+ Hoofdstuk V. Planning
+ Hoofdstuk VI. Uitkeringen en subsidies
+ Hoofdstuk VII. Beleidsinformatie
+ Hoofdstuk VIII. Toezicht
+ Hoofdstuk IX. Inzage in en het bewaren en vernietigen van bescheiden
+ Hoofdstuk X. De vertrouwenspersoon
+ Hoofdstuk XI. Medezeggenschap
+ Hoofdstuk XII. Klachtrecht
+ Hoofdstuk XIII. Bijdrage in de kosten van jeugdzorg
+ Hoofdstuk XIV. Wijziging van andere wetten
+ Hoofdstuk XV. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht

Wet op de jeugdzorg

Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Ook bekend als:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2015. U leest nu de tekst die gold op -.
1.
Gedeputeerde staten dragen er zorg voor dat in de provincie één bureau jeugdzorg werkzaam is, dat in stand wordt gehouden door een stichting als bedoeld in artikel 285 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek die door de provincie wordt gesubsidieerd.
2.
De stichting heeft als doel het in stand houden van een bureau jeugdzorg dat de in deze wet aan de stichting opgedragen taken vervult. De stichting kan naast het in stand houden van een bureau jeugdzorg slechts ten doel hebben het verlenen van jeugdzorg, niet zijnde zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, en het geven van voorlichting en advies over opgroei- en opvoedingsvragen en vragen van jeugdigen over hun juridische positie voor zover gedeputeerde staten toestemming hebben verleend. Gedeputeerde staten verlenen geen toestemming dan na overleg met het betrokken college van burgemeester en wethouders.
3.
Indien het bestuur van de stichting wordt gevormd door de leiding van het bureau jeugdzorg, voorzien de statuten in een raad van toezicht, die tot taak heeft toezicht te houden op het beleid van het bestuur en op de algemene gang van zaken in de stichting. De raad van toezicht heeft de bevoegdheid tot het benoemen, schorsen en ontslaan van de leden van het bestuur.
4.
De bestuursleden en de leden van de raad van toezicht van de stichting, alsmede de leiding van het bureau vervullen geen functie bij een natuurlijke persoon of rechtspersoon die zorg aanbiedt als bedoeld in artikel 5, tweede lid. Zij hebben evenmin een functie die betrekking heeft op die zorg bij de desbetreffende provincie, een gemeente binnen die provincie of een zorgverzekeraar. De stichting voorziet in waarborgen voor een onafhankelijke taakuitoefening door de personen die de in artikel 5 genoemde taken uitvoeren.
5.
Gedeputeerde staten kunnen, indien de juiste uitvoering van de in de wet aan de stichting opgedragen taken in gevaar komt ten gevolge van handelen of nalaten van het bestuur of van leden van de raad van toezicht, bestuursleden of leden van de raad van toezicht van de stichting schorsen of ontslaan, of tijdelijk voorzien in de leiding van het bureau jeugdzorg.
1.
De stichting heeft tot taak te bezien of een cliënt zorg nodig heeft in verband met opgroei-, opvoedings- of psychiatrische problemen, dan wel in verband met problemen van een cliënt, niet zijnde een jeugdige, die het onbedreigd opgroeien van een jeugdige belemmeren.
2.
Tot de taak, bedoeld in het eerste lid, behoort het vaststellen of een cliënt is aangewezen op:
a. jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat,
b. zorg, bestaande uit bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen vormen van geestelijke gezondheidszorg voor jeugdigen waarop ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten dan wel ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet aanspraak bestaat,
c. [Dit onderdeel is nog niet in werking getreden.]
3.
De stichting oefent de taak, bedoeld in het eerste lid, uit op verzoek van een cliënt of uit eigen beweging.
4.
Uitgangspunt bij het uitoefenen van de taak, bedoeld in het eerste lid, is dat zorg het belang van een onbedreigde ontwikkeling van een jeugdige dient en aansluit bij de behoefte van de cliënt. Deze zorg is in verband hiermee niet ingrijpender dan noodzakelijk en wordt geboden zo dicht mogelijk bij de plaats waar de cliënt duurzaam verblijft en gedurende een zo kort mogelijke periode.
1.
Indien de stichting een besluit neemt, waarbij wordt vastgesteld dat een cliënt is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, geeft zij daarbij in ieder geval:
a. een beschrijving van de problemen of dreigende problemen van de cliënt, de ernst en de mogelijke oorzaken daarvan;
b. een beschrijving van de in verband daarmee benodigde zorg en het met die zorg beoogde doel;
c. de termijn waarbinnen de aanspraak tot gelding moet zijn gebracht;
d. een advies wie de zorg kan of kunnen verlenen.
2.
In het besluit geeft de stichting aan of coördinatie van de zorg noodzakelijk is en zo ja, wie deze coördinatie het beste kan uitvoeren.
3.
Indien in een besluit dat strekt tot de vaststelling dat een cliënt is aangewezen op jeugdzorg in de zin van artikel 5, tweede lid, onder a, bepalingen over de duur en de omvang van de geïndiceerde jeugdzorg worden opgenomen, hebben deze bepalingen geen gevolgen voor de aanspraak op jeugdzorg.
4.
Indien een besluit strekt tot de vaststelling dat een cliënt is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b, wordt daarin opgenomen de termijn gedurende welke de aanspraak geldt nadat de in het besluit voorziene zorg is aangevangen.
5.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de inhoud van het besluit, bedoeld in het eerste lid, en kunnen regels worden gesteld omtrent de wijze van totstandkoming daarvan.
1.
De aanspraak op zorg, bedoeld in artikel 5, tweede lid, vervalt, indien:
a. de cliënt de aanspraak niet binnen de termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel c, tot gelding heeft gebracht,
b. de zorgaanbieder en de cliënt tezamen schriftelijk aan de stichting hebben medegedeeld dat de met de zorg beoogde doelen zijn bereikt, of
c. de stichting een besluit neemt, waarbij wordt vastgesteld dat de cliënt niet langer is aangewezen op de geïndiceerde zorg.
2.
In afwijking van het eerste lid vervalt de aanspraak op zorg, bedoeld in artikel 5, tweede lid, op grond van het eerste lid, onder b of onder c, uitsluitend indien de stichting daarmee instemt, voor zover het gaat om een aanspraak die wordt verleend:
a. in het kader van een ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 254, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel een voorlopige ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 255, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, of
b. indien de stichting de voogdij op grond van artikel 302, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek dan wel de voorlopige voogdij op grond van artikel 241, tweede lid, 271, vierde lid, of 272, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, uitoefent.
3.
In afwijking van het eerste lid vervalt de aanspraak op zorg, bedoeld in artikel 5, tweede lid, zodra de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing als bedoeld in artikel 77wa, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is voltooid, tenzij de zorgaanbieders en de cliënt gezamenlijk van oordeel zijn dat de zorg dient te worden voortgezet.
1.
Aan een besluit waarbij wordt vastgesteld of een cliënt is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, ligt een aanvraag van een cliënt ten grondslag.
2.
Indien de zorg betrekking heeft op een ander dan de aanvrager, behoeft de aanvraag de instemming van de cliënt waarop de aanvraag betrekking heeft.
3.
Indien de aanvraag betrekking heeft op een minderjarige die jonger is dan twaalf jaren of ouder dan twaalf jaren en niet in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, is niet de instemming van de minderjarige vereist, maar van diens wettelijke vertegenwoordiger.
4.
Indien de aanvraag betrekking heeft op een minderjarige die de leeftijd van twaalf maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, behoeft de aanvraag de instemming van de minderjarige en diens wettelijke vertegenwoordiger. Indien de wettelijke vertegenwoordiger weigert in te stemmen met de aanvraag, kan de stichting in afwijking van de eerste volzin, een besluit nemen indien de zorg voor de minderjarige noodzakelijk is en de minderjarige de zorg weloverwogen blijft wensen.
5.
In afwijking van het tweede lid kan de stichting op een aanvraag van de wettelijke vertegenwoordiger van een minderjarige, die ouder is dan twaalf jaren, maar nog niet de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt, en die weigert in te stemmen met de aanvraag, een besluit nemen, indien de zorg voor de minderjarige noodzakelijk is.
6.
In afwijking van het eerste lid kan de stichting een besluit nemen zonder een aanvraag daartoe, indien:
a. verlening van zorg noodzakelijk is ter uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a tot en met d;
b. het besluit strekt tot een uithuisplaatsing in het kader van een ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 261 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek op verzoek van het openbaar ministerie of de raad voor de kinderbescherming;
c. het besluit strekt tot verblijf niet zijnde verblijf bij een pleegouder en een machtiging wordt verzocht.
1.
Indien de stichting van oordeel is dat zorg, niet zijnde zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, noodzakelijk is om een voor een jeugdige bedreigende situatie te voorkomen, legt de stichting ten behoeve van de cliënt schriftelijk vast welke zorg zij noodzakelijk acht. Zij geeft daarbij in ieder geval:
a. een beschrijving van de problemen of dreigende problemen van de cliënt en de mogelijke oorzaken daarvan;
b. de mate waarin deze een bedreigende situatie voor de jeugdige kunnen veroorzaken;
c. een beschrijving van de in verband daarmee benodigde zorg;
d. een advies wie de benodigde zorg kan verlenen.
2.
Bij de vastlegging geeft de stichting aan of coördinatie van de zorg noodzakelijk is en zo ja, wie deze coördinatie het beste kan uitvoeren.
1.
De stichting beziet bij de uitoefening van haar taken voortdurend of een maatregel met betrekking tot het gezag overwogen dient te worden.
2.
Zodra de stichting tot het oordeel komt dat een maatregel met betrekking tot het gezag over een minderjarige overwogen dient te worden, stelt zij de raad voor de kinderbescherming hiervan in kennis.
1.
De stichting heeft bovendien tot taak:
a. het, met uitsluiting van andere rechtspersonen en onverminderd artikel 302, tweede lid , en artikel 241, zevende lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, uitoefenen van de voogdij en de voorlopige voogdij op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of de voorlopige voogdij op grond van andere wetten;
b. het, met uitsluiting van andere rechtspersonen en onverminderd artikel 254, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, uitoefenen van de taak, genoemd in artikel 257 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;
d. het, met uitsluiting van anderen, begeleiden van en toezicht houden op jeugdigen die deel nemen aan een scholings- en trainingsprogramma als bedoeld in artikel 3 van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, alsmede de overige taken die bij of krachtens die wet aan de stichting zijn opgedragen.
e. het fungeren als advies- en meldpunt kindermishandeling;
f. het actief bijstaan van een cliënt en het zo nodig motiveren van een cliënt tot het tot gelding brengen van zijn aanspraak op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid;
g. het, met uitsluiting van anderen, bevorderen dat degenen bij wie een aanspraak op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, tot gelding wordt gebracht, een samenhangend hulpverleningsplan tot stand brengen dat is afgeleid van het besluit, bedoeld in artikel 6, eerste lid;
h. het volgen van de verleende zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, en het bijstaan van de cliënt bij vragen omtrent de inhoud van deze zorg, alsmede de evaluatie van deze zorg;
i. het adviseren van de cliënt omtrent zorg die na beëindiging van de zorg, bedoeld in artikel 5, tweede lid, nodig is en het bijstaan van de cliënt bij het verkrijgen van deze zorg;
j. het in gevallen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, bijstaan van een cliënt bij het verkrijgen van zorg, zo nodig motiveren van een cliënt tot het gebruik maken van zorg, en volgen van deze zorg.
2.
De stichting neemt bij de uitoefening van de in het eerste lid, onder c, bedoelde taken de aanwijzingen van de raad voor de kinderbescherming in acht. Bij de uitoefening van de in het eerste lid, onder d, bedoelde taken neemt de stichting de aanwijzingen van Onze Minister van Veiligheid en Justitie, van de selectiefunctionaris, bedoeld in artikel 1, onder aa, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, dan wel van de directeur, bedoeld in artikel 1, onder i, van die wet, in acht.
3.
De stichting heeft binnen de door de provincie bij de subsidiëring gestelde grenzen voorts tot taak:
a. het advies geven aan en, het bijdragen aan de deskundigheidsbevordering van en het onderhouden van contacten met algemene voorzieningen voor jeugdigen, waaronder in elk geval het onderwijs, ter versterking van deze algemene voorzieningen en ter bevordering van vroegtijdige signalering van problemen bij jeugdigen die tot zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, zouden kunnen leiden;
b. het verlenen van ambulante jeugdzorg anders dan jeugdzorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid , nadat de stichting heeft vastgesteld dat de cliënt niet is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid;
c. het door vrijwilligers per telefoon laten adviseren van jeugdigen over door hen telefonisch voorgelegde vragen of problemen.
1.
Het fungeren als een advies- en meldpunt kindermishandeling houdt, onverminderd de taken van de raad voor de kinderbescherming, de uitoefening van de volgende taken in:
a. het naar aanleiding van een melding van kindermishandeling of een vermoeden daarvan, onderzoeken of sprake is van kindermishandeling;
b. het beoordelen van de vraag of en zo ja tot welke stappen de melding van kindermishandeling of een vermoeden daarvan aanleiding geeft;
c. het binnen het bureau jeugdzorg overdragen van een zaak ten behoeve van de uitvoering van de in artikel 5, eerste lid, bedoelde taak;
d. het in kennis stellen van andere justitiële autoriteiten van kindermishandeling of een vermoeden daarvan, indien het belang van de minderjarige dan wel de ernst van de situatie waarop de melding betrekking heeft, daartoe aanleiding geeft;
e. het op de hoogte stellen van degene die een melding heeft gedaan, van de stappen die naar aanleiding van de melding zijn ondernomen;
f. het in kennis stellen van het steunpunt huiselijk geweld als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning van een melding van kindermishandeling gepleegd door iemand uit de huiselijke kring of een vermoeden daarvan.
2.
Het fungeren als advies- en meldpunt kindermishandeling houdt bovendien in het verstrekken van advies aan een persoon die een vermoeden van kindermishandeling heeft over de stappen die door hem in verband hiermee kunnen worden ondernomen en het zonodig ondersteunen daarbij.
Artikel 12
De stichting heeft verder tot taak aan het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen onverwijld schriftelijk mededeling te doen van de aanvang, de wijziging en de beëindiging van jeugdzorg waarvoor een ouderbijdrage verschuldigd is. Deze mededeling bevat de gegevens die nodig zijn voor de vaststelling van de bijdrage. De mededeling wordt gedaan met gebruikmaking van een door Onze Ministers vastgesteld formulier.
1.
De stichting legt de wijze waarop het bureau jeugdzorg de in de wet aan haar opgedragen taken uitvoert schriftelijk vast. Daarbij wordt in ieder geval aangegeven hoe de werkzaamheden in verband met deze taken zijn afgezonderd van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 4, tweede lid, tweede volzin. Tevens wordt daarbij geregeld op welke wijze wordt gewaarborgd dat persoonsgegevens, waaronder bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in artikel 16 van de Wet bescherming persoonsgegevens, die door het bureau worden verwerkt, slechts worden verwerkt voor het doel waarvoor ze zijn verzameld of voor zover het verwerken met dat doel verenigbaar is, alsmede hoe daarop wordt toegezien.
2.
De stichting draagt zorg voor een verantwoorde uitvoering door het bureau jeugdzorg van de in deze wet aan de stichting opgedragen taken hetgeen in ieder geval een doeltreffende, doelmatige en cliëntgerichte uitvoering inhoudt.
3.
Tot een verantwoorde uitvoering van de taken, genoemd in artikel 10, eerste lid, onder a, b, c en d, behoort in ieder geval dat de taken worden uitgevoerd op basis van een voogdijplan, gezinsvoogdijplan of jeugdreclasseringsplan dat is afgestemd op de behoeften van de cliënt. Het plan wordt niet vastgesteld dan na overleg met de cliënt en, indien er sprake is van pleegzorg, de pleegouders.
4.
De stichting organiseert de uitvoering van deze taken op zodanige wijze en voorziet het bureau jeugdzorg daartoe zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van personeel en materieel, en draagt zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling, dat een en ander leidt, of redelijkerwijs moet leiden tot een verantwoorde uitoefening van deze taken.
5.
Het uitvoeren van het vierde lid omvat mede de systematische bewaking, beheersing en verbetering van de kwaliteit van de uitvoering van de taken.
6.
Ter uitvoering van het vijfde lid draagt de stichting zorg voor:
a. het op systematische wijze verzamelen en registreren van gegevens betreffende de kwaliteit van de uitvoering van de taken;
b. het aan de hand van de gegevens, bedoeld onder a, op systematische wijze toetsen in hoeverre de wijze van uitvoering van het vierde lid leidt tot een verantwoorde uitvoering van de taken;
c. het op basis van de uitkomst van de toetsing, bedoeld onder b, zonodig veranderen van de wijze waarop het vierde lid wordt uitgevoerd.
7.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de deskundigheden waarover de stichting moet beschikken en kunnen regels worden gesteld over de deskundigheid waarover bij de stichting werkzame personen moeten beschikken om een verantwoorde uitvoering van de taken te kunnen realiseren. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden tevens regels gesteld omtrent de samenwerking van de stichting met de raad voor de kinderbescherming en met een steunpunt huiselijk geweld als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning, alsook omtrent de werkwijze van de stichting bij de uitoefening van de in de artikelen 5, eerste lid, en 10, eerste lid, genoemde taken. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden bovendien regels gesteld omtrent de gevallen waarin het bekendmaken van de identiteit van de persoon die de kindermishandeling of een vermoeden daarvan heeft gemeld of van de persoon van wie informatie in het kader van het onderzoek is verkregen, achterwege kan blijven. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de andere onderwerpen, genoemd in het vierde lid, en omtrent het eerste lid. Deze regels kunnen voor de verschillende taken verschillend zijn.
8.
De stichting wijst ten aanzien van een cliënt een contactpersoon aan. De contactpersoon is aanspreekpunt voor de cliënt gedurende de gehele periode waarin de stichting een van haar wettelijke taken ten aanzien van de cliënt uitoefent. De contactpersoon bevordert de continuïteit in de taakuitvoering van het bureau jeugdzorg ten aanzien van de cliënt en is de persoon die de cliënt in voorkomende gevallen jeugdzorg als bedoeld in artikel 10, derde lid, onder b, verleent. Zo mogelijk wijst de stichting bij de taakuitvoering ten aanzien van de cliënt in volgende gevallen dezelfde contactpersoon aan.
1.
De stichting vergewist zich ervan dat de wijze waarop de medewerkers van de stichting in het verleden hebben gefunctioneerd, niet in de weg staat aan het inzetten van de medewerkers bij de uitvoering van de taken van de stichting.
2.
De stichting is in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens voor de medewerkers van de stichting die in opdracht van hem beroepsmatig in contact kunnen komen met jeugdigen of ouders, welke verklaring niet eerder dan drie maanden voor het tijdstip waarop betrokkene voor de stichting ging werken, is afgegeven.
3.
Indien de stichting of inspectie redelijkerwijs mag vermoeden dat een medewerker niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring als bedoeld in het tweede lid, verlangt de stichting of inspectie dat die medewerker opnieuw een verklaring als bedoeld in het tweede lid overlegt, die niet ouder is dan drie maanden. De desbetreffende medewerker legt de verklaring over binnen een door de stichting of inspectie vast te stellen termijn.
1.
De stichting stelt voor de medewerkers van de stichting een meldcode vast waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden.
2.
De stichting bevordert de kennis en het gebruik van die meldcode.
3.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld uit welke elementen een meldcode in ieder geval bestaat.
1.
De stichting legt jaarlijks vóór 1 juni een verslag ter openbare inzage, waarin zij verantwoording aflegt van het beleid dat zij in het afgelopen kalenderjaar heeft gevoerd ter uitvoering van artikel 13, tweede, vierde en vijfde lid en van de regels gesteld krachtens artikel 13, zevende lid, alsmede van de kwaliteit van de uitvoering van haar taken.
2.
In dat verslag geeft zij daartoe onder meer aan:
a. op welke wijze zij cliënten bij haar kwaliteitsbeleid heeft betrokken;
b. de frequentie waarmee en de wijze waarop binnen de stichting kwaliteitsbeoordeling heeft plaats gevonden en het resultaat daarvan;
c. welk gevolg zij heeft gegeven aan klachten en meldingen over de kwaliteit van de uitvoering van haar taken.
3.
De stichting zendt een afschrift van het verslag aan gedeputeerde staten van de betrokken provincie, de raad voor de kinderbescherming en aan de inspectie, alsmede aan cliëntenorganisaties en pleegouderorganisaties.
Artikel 15
De stichting gaat bij de uitoefening van haar taken uit van de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en culturele achtergrond van de cliënt.
1.
Indien gedeputeerde staten van oordeel zijn dat de stichting deze wet of de daarop berustende bepalingen niet of in onvoldoende mate of op onjuiste wijze naleeft, kunnen zij de stichting een schriftelijke aanwijzing geven.
2.
In de aanwijzing geven gedeputeerde staten met redenen omkleed aan op welke punten deze wet of de daarop berustende bepalingen niet of in onvoldoende mate of op onjuiste wijze worden nageleefd, alsmede de in verband daarmee te nemen maatregelen.
3.
Een aanwijzing bevat de termijn waarbinnen de stichting er aan moet voldoen.
4.
Gedeputeerde staten doen van een aanwijzing mededeling aan de inspectie.
5.
Indien het nemen van maatregelen in verband met gevaar voor een ernstige aantasting van de belangen van de cliënten redelijkerwijs geen uitstel kan lijden, kan de ingevolge artikel 47 met het toezicht belaste ambtenaar een schriftelijk bevel geven, waarvan afschrift wordt gezonden aan gedeputeerde staten van de betrokken provincie. Het bevel heeft een geldigheidsduur van zeven dagen, welke door gedeputeerde staten kan worden verlengd.
6.
De stichting is verplicht binnen de daarbij gestelde termijn aan de aanwijzing onderscheidenlijk onmiddellijk aan het bevel te voldoen.
7.
Gedeputeerde staten zijn bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de uit een krachtens het eerste onderscheidenlijk vijfde lid gegeven aanwijzing, onderscheidenlijk bevel, voortvloeiende verplichtingen.