Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | Vacatures | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
» Energiewijzer « advertorial
Bespaar geld en stap over!
Energiewijzer.nl, eerlijk over energie.

Juridische vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Powered by Jbmatch.nl

Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Natura 2000-gebieden
+ Hoofdstuk 3. Soorten
+ Hoofdstuk 4. Houtopstanden, hout en houtproducten
+ Hoofdstuk 5. Vrijstellingen, beschikkingen en verplichtingen
+ Hoofdstuk 6. Financiële bepalingen
+ Hoofdstuk 7. Handhaving
+ Hoofdstuk 8. Overig
- Hoofdstuk 9. Overgangsrecht
+ Hoofdstuk 10. Wijziging andere wetten
+ Hoofdstuk 11. Samenloop met andere wetsvoorstellen
+ Hoofdstuk 12. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht

Wet natuurbescherming

Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
1.
Besluiten tot aanwijzing van gebieden als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998, gelden als besluiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid.
2.
Doelstellingen in een besluit als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 opgenomen instandhoudingsdoelstelling die betrekking hebben op andere doelstellingen dan die ten aanzien van de leefgebieden voor vogelsoorten, nodig ter uitvoering van de Vogelrichtlijn, of dan die ten aanzien van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten, nodig ter uitvoering van de Habitatrichtlijn, vervallen.
3.
Onze Minister kan de tekst van een besluit als bedoeld in het tweede lid opnieuw vaststellen onder weglating van de doelstellingen die op grond van het tweede lid zijn vervallen. Tegen het besluit tot het opnieuw vaststellen van de tekst kan geen beroep worden ingesteld.
4.
Besluiten tot voorlopige aanwijzing van gebieden als bedoeld in artikel 12, derde lid in samenhang met het eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998, gelden als besluiten als bedoeld in artikel 2.11.
1.
Beheerplannen als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, of 19b, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998, gelden voor het tijdvak waarvoor zij zijn vastgesteld als beheerplannen als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, eerste volzin.
2.
Op een beheerplan dat onderdeel uitmaakt van een plan dat is gericht op het beheer van een gebied als bedoeld in artikel 19b, tweede lid, van de Natuurbeschermingswet 1998, is artikel 2.3, vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.
3.
Ingeval een Natura 2000-gebied geheel of gedeeltelijk wordt beheerd door Onze Minister, berust in afwijking van artikel 2.3, eerste lid, de bevoegdheid tot het vaststellen van het eerste beheerplan voor dat gehele of gedeeltelijke gebied na aanwijzing van het gebied op grond van artikel 10a, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 dan wel op grond van artikel 2.1, eerste lid, bij Onze Minister. Artikel 2.10, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op het besluit tot vaststelling van dat beheerplan.
4.
Het eerste beheerplan voor een Natura 2000-gebied na aanwijzing van dat gebied op grond van artikel 10a, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998, wordt uiterlijk drie jaar na dat besluit tot aanwijzing vastgesteld.
5.
Beschrijvingen opgenomen in beheerplannen als bedoeld in artikel 19a of 19b van de Natuurbeschermingswet 1998 die onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van kracht zijn, die betrekking hebben op andere doelstellingen dan die ten aanzien van de leefgebieden voor vogelsoorten, nodig ter uitvoering van de Vogelrichtlijn, of dan die ten aanzien van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten, nodig ter uitvoering van de Habitatrichtlijn, vervallen.
6.
Het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het vaststellen van een beheerplan kan de tekst van een op grond van artikel 19a of 19b van de Natuurbeschermingswet 1998 vastgesteld beheerplan opnieuw vaststellen onder weglating van de beschrijvingen die op grond van het vijfde lid zijn vervallen. Tegen het besluit tot het opnieuw vaststellen van de tekst kan geen beroep worden ingesteld.
1.
Verplichtingen als bedoeld in artikel 19c, tweede lid, van de Natuurbeschermingswet 1998, gelden als verplichtingen als bedoeld in artikel 2.4, eerste lid.
3.
Programma’s als bedoeld in artikel 19kg, eerste lid, of 19kl, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998, gelden als programma’s als bedoeld in artikel 1.13, eerste lid.
4.
Beperkingen van de toegang tot een Natura 2000-gebied als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998, gelden als beperkingen als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid.
5.
Maatregelen als bedoeld in artikel 21, vierde lid in samenhang met het eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998, die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet nog niet zijn voltooid, gelden als feitelijke handelingen als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid.
1.
Vergunningen als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 gelden als vergunningen als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid.
2.
Voorschriften, verbonden aan vergunningen als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998, gelden als voorschriften als bedoeld in artikel 5.3, eerste lid.
3.
Onderdelen van een omgevingsvergunning die met toepassing van hoofdstuk IX, titel 2, van de Natuurbeschermingswet 1998 is verleend, en die onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van kracht is, gelden als onderdelen van een omgevingsvergunning, verleend voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel j, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
4.
Verklaringen van geen bedenkingen als bedoeld in artikel 47b, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998, gelden als verklaringen als bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
5.
Artikel 2.7, vijfde lid, is niet van toepassing op projecten en andere handelingen ten aanzien waarvan een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 is verleend zonder toepassing van hoofdstuk IX, titel 2, van die wet.
6.
Wegaanpassingsbesluiten als bedoeld in de Spoedwet wegverbreding die zijn vastgesteld met toepassing van artikel 9, vierde lid, van die wet, zoals dat gold onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, gelden als besluiten die zijn vastgesteld met toepassing van artikel 9, vijfde lid, van de Spoedwet wegverbreding.
7.
Tracébesluiten als bedoeld in de Tracéwet die zijn vastgesteld met toepassing van artikel 13, zevende lid, tweede volzin, van die wet, zoals dat gold onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, gelden als besluiten die zijn vastgesteld met toepassing van artikel 13, achtste lid, van de Tracéwet.
8.
Artikel 2.7, tweede lid, is niet van toepassing op projecten en andere handelingen ten aanzien waarvan, voor 1 februari 2009, op grond van een andere wettelijke grondslag dan artikel 19d, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 en met inachtneming van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn, een besluit is genomen waarbij dat project of die handeling is toegestaan, dan wel een aanvraag voor het nemen van dat besluit is gedaan en dat besluit na die datum onherroepelijk is geworden.
9.
Artikel 2.7, tweede lid, is niet van toepassing op projecten en andere handelingen in de exclusieve economische zone ten aanzien waarvan voordat artikel 1a van de Natuurbeschermingswet 1998 van kracht werd:
a. op grond van een andere wettelijke grondslag dan artikel 19d, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 en met inachtneming van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn, een besluit is genomen waarbij dat project of die handeling is toegestaan, dan wel een aanvraag voor het nemen van dat besluit is gedaan en dat besluit na die datum onherroepelijk is geworden.
b. een aanvraag tot wijziging van het besluit, bedoeld in onderdeel a, is gedaan en dat wijzigingsbesluit met inachtneming van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn, is genomen en onherroepelijk is geworden, dan wel voor dat tijdstip ambtshalve een besluit tot wijziging van dat besluit met inachtneming van voornoemde richtlijnbepaling is genomen.
10.
Een besluit als bedoeld in het achtste of negende lid, kan door het bevoegd gezag dat het besluit heeft genomen, worden gewijzigd of ingetrokken in de gevallen, bedoeld in artikel 5.4, eerste of tweede lid.
11.
Artikel 2.1, eerste lid, onderdeel j, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 2.7, vijfde lid, zijn niet van toepassing op projecten en andere handelingen ten aanzien waarvan de aanvraag van een vergunning als bedoeld in artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 is gedaan voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.
1.
Goedkeuringen van faunabeheerplannen als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de Flora- en faunawet gelden voor het tijdvak waarvoor de desbetreffende faunabeheerplannen van kracht zijn als goedkeuringen als bedoeld in artikel 3.12, zevende lid.
3.
Valkeniersakten als bedoeld in artikel 38, eerste lid, onderdeel b, van de Flora- en faunawet gelden als valkeniersakten als bedoeld in artikel 3.30, eerste lid.
5.
Ontheffingen als bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Flora- en faunawet gelden als ontheffingen als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid.
6.
Besluiten als bedoeld in artikel 67, eerste lid, van de Flora- en faunawet gelden als besluiten tot het geven van opdracht als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid.
7.
Ontheffingen als bedoeld in artikel 68, eerste lid, van de Flora- en faunawet gelden als ontheffingen als bedoeld in 3.17, eerste lid.
8.
Ontheffingen als bedoeld in artikel 74a, tweede lid, van de Flora- en faunawet gelden als ontheffingen als bedoeld in artikel 3.32, tweede lid.
9.
Koninklijke besluiten tot benoeming of herbenoeming van leden van de Commissie bedreigde uitheemse dier- en plantensoorten, bedoeld in artikel 82, derde lid, van de Flora- en faunawet, gelden als benoemingen, onderscheidenlijk herbenoemingen als bedoeld in artikel 3.41, derde lid.
1.
Ontheffingen als bedoeld in artikel 75, derde lid, van de Flora- en faunawet gelden als ontheffingen als bedoeld in deze wet, onder dezelfde voorschriften, beperkingen en voorwaarden. Onze Minister doet ten aanzien van categorieën van deze ontheffingen, onderverdeeld naar de bepalingen bij of krachtens de Flora- en faunawet waarop de ontheffingen betrekking hebben, mededeling in de Staatscourant van de bepaling of bepalingen bij of krachtens deze wet waarop zij vanaf het moment van inwerkingtreding van de wet berusten.
2.
Onderdelen van een omgevingsvergunning die met toepassing van titel III, afdeling 2a, van de Flora- en faunawet is verleend, gelden als onderdelen van een omgevingsvergunning, verleend voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
3.
Verklaringen van geen bedenkingen als bedoeld in artikel 75d, eerste lid, van de Flora- en faunawet, gelden als verklaringen als bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
4.
De artikelen 3.3, achtste lid, en 3.8, achtste lid, zijn niet van toepassing op handelingen ten aanzien waarvan een ontheffing als bedoeld in het eerste lid is verleend.
5.
De verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5, 3.6 en 3.10, eerste lid en tweede lid zijn niet van toepassing op handelingen die aantoonbaar plaatsvinden overeenkomstig een door Onze Minister goedgekeurde gedragscode als bedoeld in artikel 16b, tweede lid, onderdeel b, van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten voor de periode waarvoor de gedragscode is goedgekeurd, voor zover die handelingen dientengevolge als bedoeld in artikel 16b van dat besluit waren vrijgesteld van de artikelen 8, 9, 10, 11 en 12 van de Flora- en faunawet.
6.
Artikel 2.1, eerste lid, onderdeel k, van de Wet algemene wet bepalingen omgevingsrecht en de artikelen 3.3, achtste lid, 3.8, achtste lid en 3.10, tweede lid, in samenhang met artikel 3.8, achtste lid, zijn niet van toepassing op handelingen ten aanzien waarvan de aanvraag van een ontheffing als bedoeld in artikel 75, derde lid, is gedaan voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.
1.
Vergunningen en ontheffingen, verleend krachtens de Vogelwet 1936, de Jachtwet , artikel 25 van de Natuurbeschermingswet of de Wet bedreigde uitheemse dier- en plantensoorten blijven van kracht voor de tijd dat zij zijn verleend. Artikel 5.4, eerste en derde lid, is van toepassing.
2.
Artikel 3.28, tweede lid, onderdeel a, is niet van toepassing op degene:
a. aan wie in de periode van 1 januari 1977 tot en met 31 maart 2002 een jachtakte als bedoeld in de Jachtwet is uitgereikt;
b. aan wie in de periode van 1 april 2002 tot en met 30 september 2004 een jachtakte is uitgereikt onder het met gunstig gevolg behalen van een krachtens de Jachtwet erkend jachtexamen.
3.
Het verbod, bedoeld in artikel 3.6, is niet van toepassing ten aanzien van dieren en planten die uiterlijk op 10 juni 1994 aantoonbaar overeenkomstig de op dat moment geldende regelgeving aan de natuur zijn onttrokken.
1.
Artikel 3.28, derde lid, onderdeel d, is van overeenkomstige toepassing ingeval van een veroordeling wegens overtreding van een bij of krachtens de Flora- en faunawet , hoofdstuk III van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren of de Wet op de dierenbescherming gestelde bepaling, of ingeval van een uitvaardiging van een strafbeschikking deswege.
2.
Artikel 5.4, derde lid, onderdeel a, is van overeenkomstige toepassing ingeval van een onherroepelijke veroordeling wegens overtreding van een bij of krachtens de Flora- en faunawet , hoofdstuk III van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren of de Wet op de dierenbescherming gestelde bepaling, of ingeval van een uitvaardiging van een strafbeschikking deswege.
3.
Artikel 5.4, zesde lid, onderdelen a en c, is van overeenkomstige toepassing ingeval van misbruik van de bevoegdheden, gegeven bij of krachtens de Flora- en faunawet , onderscheidenlijk het begaan van bij of krachtens de Flora- en faunawet strafbaar gestelde feiten.
4.
Artikel 7.3 is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van planten, dieren of producten van planten of dieren als bedoeld in het eerste lid van dat artikel die in strijd met de Flora- en faunawet binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht, en ten aanzien van levende dieren als bedoeld in het tweede lid van dat artikel die in strijd met de Flora- en faunawet zijn gehouden.
1.
Besluiten als bedoeld in artikel 1, vijfde lid, van de Boswet gelden als besluiten als bedoeld in artikel 4.1, onderdeel a.
2.
Kennisgevingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Boswet gelden als meldingen als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid.
3.
Artikel 4.3, eerste lid, is van toepassing op degene waarvoor in de periode, gelegen tussen het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet uiterlijk en drie jaar vóór dat tijdstip, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Boswet een verplichting tot herbeplanting is ontstaan.
4.
Artikel 4.3, tweede lid, is van toepassing op degene waarvoor in de periode, gelegen tussen het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet uiterlijk en drie jaar vóór dat tijdstip, als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Boswet een verplichting tot vervanging van herbeplanting is ontstaan.
5.
Vrijstellingen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Boswet die onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van kracht zijn, gelden voor de periode waarvoor zij van toepassing zijn, als vrijstellingen als bedoeld in artikel 4.5, vierde lid.
6.
Ontheffingen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Boswet gelden als ontheffingen als bedoeld in artikel 4.5, derde lid.
7.
Verboden als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Boswet gelden als verboden als bedoeld artikel 4.2, derde lid.
1.
De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aanhangige procedures tot het nemen van een besluit krachtens de Natuurbeschermingswet 1998 , de Flora- en faunawet of de Boswet , zijn aanhangig in de staat waarin zij zich op dat moment bevinden en worden vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens deze wet behandeld.
2.
De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aanhangige bezwaarschriften die betrekking hebben op het nemen van een besluit krachtens de Natuurbeschermingswet 1998 , de Flora- en faunawet of de Boswet , zijn aanhangig in de staat waarin zij zich op dat moment bevinden en worden vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens deze wet behandeld.
3.
Beroepszaken, gericht tegen besluiten krachtens de Natuurbeschermingswet 1998 , de Flora- en faunawet of de Boswet die zijn bekendgemaakt voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, worden behandeld en beslist overeenkomstig de bepalingen van die desbetreffende wetten.
4.
In zoverre in afwijking van het eerste en het tweede lid is Onze Minister bevoegd tot het nemen van een besluit over aanvragen van ontheffingen als bedoeld in artikel 75, derde lid, van de Flora- en faunawet die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet en tot het beslissen op bezwaarschriften die betrekking hebben op die besluiten.
Artikel 9.11 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
De gebieden die op het moment van inwerkingtreding van deze wet zijn aangewezen op grond van artikel 2.10.2 van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening zoals dat luidt onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, gelden als gebieden die behoren tot het natuurnetwerk Nederland als bedoeld in artikel 1.12, tweede lid.
1.
Op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 12.1 gaan alle vermogensbestanddelen van het Faunafonds, bedoeld in artikel 83, eerste lid, van de Flora- en faunawet, zoals dat onmiddellijk voor dat tijdstip gold, onder algemene titel over op de provincies gezamenlijk, zonder dat daarvoor een akte of betekening nodig is.
2.
De liquide middelen die behoren tot de vermogensbestanddelen, bedoeld in het eerste lid, worden op een afzonderlijke, gemeenschappelijke rekening geboekt.
3.
Gedeputeerde staten van de provincies wijzen gezamenlijk een persoon of rechtspersoon aan die is belast met de vereffening van het vermogen van het Faunafonds. Gedeputeerde staten kunnen gezamenlijk deze persoon of rechtspersoon aanwijzingen geven over de wijze van de vereffening en de verantwoording daarover.
4.
De persoon of rechtspersoon, bedoeld in het derde lid, is bevoegd alle rechtshandelingen te verrichten met het oog op de vereffening van het vermogen van het Faunafonds, waaronder het innen van vorderingen.
5.
Rechtsvorderingen die tot het vermogen van het Faunafonds behorende rechten of verplichtingen tot onderwerp hebben, worden ingesteld door en tegen de provincies gezamenlijk.
6.
De kosten van de vereffening van het vermogen van het Faunafonds komen ten laste van dat vermogen.
7.
Gedeputeerde staten als bedoeld in artikel 6.1 zijn bevoegd tot het nemen van besluiten die samenhangen met besluiten over het verlenen van tegemoetkomingen als bedoeld in artikel 83, eerste lid, onderdeel b, van de Flora- en faunawet.
8.
Wettelijke procedures en rechtsgedingen waarbij het Faunafonds betrokken is, worden aanhangig gemaakt of voortgezet door of tegen gedeputeerde staten als bedoeld in artikel 6.1.
Artikel 9.13 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Het besluit tot aanwijzing van gebieden als nationaal park, neergelegd in artikel 2 van de Regeling aanwijzing nationale parken zoals dat luidt onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, geldt als besluit als bedoeld in artikel 8.3, eerste lid.