Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | Vacatures | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
» Energiewijzer « advertorial
Bespaar geld en stap over!
Energiewijzer.nl, eerlijk over energie.

Juridische vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Powered by Jbmatch.nl

Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Natura 2000-gebieden
- Hoofdstuk 3. Soorten
+ Hoofdstuk 4. Houtopstanden, hout en houtproducten
+ Hoofdstuk 5. Vrijstellingen, beschikkingen en verplichtingen
+ Hoofdstuk 6. Financiële bepalingen
+ Hoofdstuk 7. Handhaving
+ Hoofdstuk 8. Overig
+ Hoofdstuk 9. Overgangsrecht
+ Hoofdstuk 10. Wijziging andere wetten
+ Hoofdstuk 11. Samenloop met andere wetsvoorstellen
+ Hoofdstuk 12. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht

Wet natuurbescherming

Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
1.
In afwijking van de artikelen 3.1, eerste en vierde lid, 3.5, eerste en tweede lid, en 3.10, eerste lid, is het de jachthouder, en degenen in gezelschap van de jachthouder, toegestaan in zijn jachtveld wild te vangen, te doden en te verontrusten, en met het oog daarop op te sporen ter uitoefening van de jacht, indien is voldaan aan het bij en krachtens deze paragraaf en paragraaf 3.6 bepaalde.
2.
Wild als bedoeld in het eerste lid zijn in het wild levende dieren van de volgende soorten:
a. fazant (Phasianus colchicus);
b. wilde eend (Anas platyrhynchos);
c. houtduif (Columba palumbus);
d. haas (Lepus Europaeus);
e. konijn (Oryctolagus cuniculus).
3.
De jachthouder doet datgene wat een goed jachthouder betaamt om een redelijke stand van de in zijn jachtveld aanwezige wild als bedoeld in het tweede lid te handhaven, dan wel, bij het ontbreken daarvan, te bereiken, en om schade door in zijn jachtveld aanwezig wild als bedoeld in het tweede lid te voorkomen.
4.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de jachtopzichter of anderen buiten het gezelschap van de jachthouder, indien de jachthouder aan hen daartoe een schriftelijke en gedagtekende toestemming heeft gegeven, en is voldaan aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde regels.
1.
Het is verboden bij de uitoefening van de jacht gebruik te maken van andere middelen dan:
a. geweren;
b. honden, niet zijnde lange honden;
c. aantoonbaar gefokte jachtvogels van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen soorten;
d. eendenkooien die voldoen aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde regels;
e. lokeenden of lokduiven, die niet blind of verminkt zijn;
f. fretten;
g. buidels, of
h. schermen.
2.
Het is verboden zich ter uitoefening van de jacht in het veld te bevinden met andere middelen dan die, bedoeld in het eerste lid. Degene die zich in het veld bevindt met voor de jacht geoorloofde middelen als bedoeld in het eerste lid, of met andere middelen waarmee kan worden gejaagd, wordt geacht zich daarmee ter uitoefening van de jacht in het veld te bevinden, tenzij het tegendeel blijkt.
3.
Het is verboden de jacht uit te oefenen met gebruikmaking van het geweer binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom, of in de onmiddellijk aan de bebouwde kom grenzende terreinen.
4.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden ter uitvoering van het bepaalde bij of krachtens de Benelux-overeenkomst regels gesteld over de uitoefening van de jacht en het vervoer en in de handel brengen van wild.
5.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de uitoefening van de jacht. Deze regels kunnen onder meer behelzen:
a. een verbod om de jacht uit te oefenen op zondagen en feestdagen;
b. een verbod om de jacht uit te oefenen op bepaalde plaatsen;
c. een verbod om de jacht uit te oefenen vanuit voertuigen, vaartuigen of luchtvaartuigen;
d. een verbod om de jacht uit te oefenen als het wild, bedoeld in artikel 3.20, tweede lid, kwetsbaar is vanwege weersomstandigheden of hun ontwikkelingsfase.
6.
Het is verboden dieren door middel van een eendenkooi te vangen, tenzij de gevangen dieren terstond na het vangen in vrijheid worden gesteld of worden gedood.
1.
Het is verboden om de jacht op wild als bedoeld in artikel 3.20, tweede lid, uit te oefenen indien de jacht op de betreffende soort niet is geopend.
2.
Bij ministeriële regeling wordt bepaald in hoeverre de jacht is geopend. De opening van de jacht kan naar plaats of tijd worden beperkt.
3.
De jacht op wild als bedoeld in artikel 3.20, tweede lid, van soorten, genoemd in bijlage II bij de Vogelrichtlijn, wordt niet geopend gedurende de verschillende fasen van de broedperiode en de periode dat de jonge vogels het nest nog niet hebben verlaten, en, voor zover het trekvogels betreft, tevens gedurende de trek van deze vogels naar hun nestplaatsen.
4.
Gedeputeerde staten kunnen de jacht voor de hele provincie, of een gedeelte daarvan, voor een bepaalde tijd sluiten, zolang bijzondere weersomstandigheden dat vergen.
5.
De jacht wordt niet geopend op soorten waarvan de staat van instandhouding in het geding is.
6.
Alvorens een ministeriële regeling als bedoeld in het tweede lid vast te stellen, te wijzigen of in te trekken, overlegt Onze Minister met gedeputeerde staten over het ontwerp daarvan.
1.
Gerechtigd tot het uitoefenen van de jacht in een veld zijn, elkaar uitsluitend:
a. de eigenaar van de grond;
b. de erfpachter of vruchtgebruiker van de grond, tenzij de eigenaar zich bij het vestigen van het erfpachtrecht of het recht op vruchtgebruik het jachtrecht heeft voorbehouden en tenzij het jachtrecht ten tijde van het vestigen van het erfpachtrecht of het recht op vruchtgebruik al was verhuurd;
c. de pachter van de grond, tenzij de verpachter bij het aangaan van de pachtovereenkomst niet tot het uitoefenen van de jacht gerechtigd was of zich het recht tot de uitoefening van de jacht heeft voorbehouden en tenzij ten tijde van het aangaan van de pachtovereenkomst het jachtrecht al was verhuurd, dan wel
d. degene die het jachtrecht bij schriftelijke en gedagtekende overeenkomst voor een periode van ten minste zes jaar en ten hoogste twaalf jaar heeft gehuurd van de ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst tot de uitoefening van de jacht gerechtigde:
1°. eigenaar, erfpachter, vruchtgebruiker of pachter van de grond, met toestemming van de grondgebruiker ingeval de verhuurder niet tevens grondgebruiker is, of
2°. huurder van het jachtrecht, met toestemming van de eigenaar, erfpachter, vruchtgebruiker of pachter die het jachtrecht aan deze huurder heeft verhuurd en mits het jachtrecht in zijn geheel wordt weder verhuurd.
2.
In de huurovereenkomst, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, kan niet worden afgeweken van artikel 226, eerste, tweede en derde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Zij bevat geen beding van optie of verlenging.
3.
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden geregeld in welke gevallen het is toegestaan dat de periode, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, korter is dan zes jaar.