Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | Vacatures | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
» Energiewijzer « advertorial
Bespaar geld en stap over!
Energiewijzer.nl, eerlijk over energie.

Juridische vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Powered by Jbmatch.nl

Inhoudsopgave
- Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Natura 2000-gebieden
+ Hoofdstuk 3. Soorten
+ Hoofdstuk 4. Houtopstanden, hout en houtproducten
+ Hoofdstuk 5. Vrijstellingen, beschikkingen en verplichtingen
+ Hoofdstuk 6. Financiële bepalingen
+ Hoofdstuk 7. Handhaving
+ Hoofdstuk 8. Overig
+ Hoofdstuk 9. Overgangsrecht
+ Hoofdstuk 10. Wijziging andere wetten
+ Hoofdstuk 11. Samenloop met andere wetsvoorstellen
+ Hoofdstuk 12. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht

Wet natuurbescherming

Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
1.
Onze Minister stelt een nationale natuurvisie vast.
2.
De nationale natuurvisie bevat de hoofdlijnen van het te voeren rijksbeleid gericht op het behoud en het zo mogelijk versterken van de biologische diversiteit, het duurzame gebruik van de bestanddelen daarvan en de bescherming van waardevolle landschappen, in nationaal en internationaal verband, en het behoud en het zo mogelijk versterken van de recreatieve, de educatieve en de belevingswaarde van natuur en landschap, in samenhang met het beleid om te komen tot een verduurzaming van de economie.
3.
De nationale natuurvisie besteedt daarbij in het bijzonder aandacht aan:
a. het behoud en zonodig herstel van een gunstige staat van instandhouding van de van nature in Nederland in het wild voorkomende soorten dieren en planten en de in Nederland voorkomende typen natuurlijke habitats en habitats van soorten;
b. de borging van een evenwichtige, duurzame economische ontwikkeling en de integratie van het beleid gericht op het behoud van de biologische diversiteit met het algemene economisch beleid, de handelspolitiek, het landbouw- en visserijbeleid en het innovatiebeleid;
c. een goed functioneren van de ecosystemen in de onderscheiden natuurgebieden in onderlinge samenhang;
d. het behoud, beheer en zonodig herstel van landschappen van nationaal of internationaal belang, met inachtneming van hun cultuurhistorische kenmerken;
e. het duurzame beheer van houtopstanden;
f. de gevolgen van klimaatveranderingen;
g. de samenhang met het ruimtelijke beleid, het milieubeleid en het waterbeleid;
h. de samenhang met het beleid en de verantwoordelijkheden van andere overheden op dat terrein;
i. onderzoek op het terrein van de biologische diversiteit.
4.
De nationale natuurvisie biedt, in de vorm van rode lijsten, inzicht in de met uitroeiing bedreigde of speciaal gevaar lopende dier- en plantensoorten die van nature in Nederland voorkomen.
5.
De nationale natuurvisie bevat voor zover mogelijk een kwantificering van de instandhoudingsdoelstellingen voor de in Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden te beschermen habitats en soorten en verschaft in samenhang daarmee en in samenhang met de staat van instandhouding van deze habitats en soorten inzicht in voorgenomen wijzigingen van de besluiten tot aanwijzing van die Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden.
6.
Onderdelen van het rijksbeleid, bedoeld in het tweede lid, kunnen worden opgenomen in een andere rijksvisie.
1.
Onze Minister draagt zorg voor actualisatie van de nationale natuurvisie en stelt zonodig een nieuwe visie of wijzigingen van onderdelen van de visie vast.
2.
Op de voorbereiding van de natuurvisie en wijzigingen daarvan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, behalve ingeval van wijzigingen van ondergeschikte aard. Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.
3.
Onze Minister zendt de vastgestelde nationale natuurvisie en vastgestelde wijzigingen van de visie aan de Staten-Generaal en draagt zorg voor publicatie van de visie en wijzigingen in de Staatscourant.
4.
Onze Minister stelt de nationale natuurvisie en wijzigingen daarvan vast in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, onderscheidenlijk Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, voor zover deze betrekking hebben op aangelegenheden die tot hun verantwoordelijkheid behoren.
1.
Provinciale staten stellen een provinciale natuurvisie vast.
2.
Een provinciale natuurvisie bevat de hoofdlijnen van:
a. het te voeren provinciale beleid gericht op het behoud en het zo mogelijk versterken van de biologische diversiteit en het duurzame gebruik van de bestanddelen daarvan, waartoe in elk geval behoort het beleid gericht op de uitvoering van de verplichtingen, genoemd in artikel 1.12, eerste en tweede lid;
b. ingeval de provincie dat van belang acht:
1°. het te voeren provinciale beleid gericht op de uitvoering van de bevoegdheid, genoemd in artikel 1.12, derde lid;
2°. het te voeren provinciale beleid gericht op het behoud, beheer en zonodig herstel van waardevolle landschappen, met inachtneming van hun cultuurhistorische kenmerken, of
3°. het te voeren provinciale beleid gericht op het behoud en het zo mogelijk versterken van de recreatieve, educatieve en belevingswaarde van natuur en landschap.
3.
Een provinciale natuurvisie besteedt in het bijzonder aandacht aan de integratie van het in het tweede lid bedoelde provinciale beleid met het provinciale algemene economisch beleid, ruimtelijke beleid, milieubeleid, waterbeleid en cultuurbeleid, en aan de samenhang tussen het in het tweede lid bedoelde beleid en het beleid en de verantwoordelijkheden van andere overheden op dat terrein.
4.
Onderdelen van het provinciale beleid, bedoeld in het tweede lid, kunnen worden opgenomen in een andere provinciale visie.
5.
Artikel 1.6, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op de provinciale natuurvisie, met dien verstande dat waar in dat eerste lid sprake is van Onze Minister, in plaats daarvan wordt gelezen: provinciale staten.
6.
Provinciale staten dragen zorg voor publicatie van de provinciale natuurvisie.
1.
Onze Minister ziet toe op de staat van instandhouding van de natuurlijke habitats, de habitats van soorten en de dier- en plantensoorten, genoemd in onderscheidenlijk de bijlagen I, II, IV en V bij de Habitatrichtlijn, en van de vogelsoorten, genoemd in bijlage I bij de Vogelrichtlijn, en de niet in die bijlage genoemde geregeld voorkomende trekvogelsoorten.
2.
Onze Minister bevordert het onderzoek en wetenschappelijk werk, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Vogelrichtlijn en artikel 18, eerste lid, van de Habitatrichtlijn.
3.
Onze Minister draagt zorg voor de verstrekking van gegevens aan de Europese Commissie overeenkomstig de vereisten van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor zover het gaat om gegevens die betrekking hebben op door gedeputeerde staten of provinciale staten genomen besluiten of getroffen maatregelen, of om gegevens die betrekking hebben op de staat van instandhouding van de in het eerste lid bedoelde habitats en soorten in hun provincie, verstrekken gedeputeerde staten van de desbetreffende provincie deze aan Onze Minister.
1.
Het Planbureau voor de Leefomgeving brengt eenmaal in de vier jaar aan Onze Minister een wetenschappelijk rapport uit, waarin de toestand en de verwachte ontwikkelingen ten aanzien van natuur, bos en landschap worden beschreven.
2.
Het Planbureau voor de Leefomgeving brengt eenmaal in de twee jaar aan Onze Minister een wetenschappelijk rapport uit, waarin ten aanzien van natuur, bos en landschap, mede in het licht van in eerdere rapporten beschreven ontwikkelingen, de stand van zaken in de beleidsuitvoering, de voortgang en nieuwe ontwikkelingen worden beschreven.
3.
Onze Minister kan voor de toepassing van het eerste en tweede lid aanwijzingen geven ten aanzien van de termijn waarvoor de ontwikkelingen moeten worden beschreven en ten aanzien van veronderstelde ontwikkelingen die in elk geval moeten worden beschreven.
4.
Onze Minister tezamen met Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, ieder voor zover het hem aangaat, wijst overheidsinstellingen aan die door het Planbureau voor de Leefomgeving in elk geval worden betrokken bij de op te stellen rapporten. Deze instellingen verschaffen elkaar de voor het opstellen van de rapporten benodigde gegevens.
5.
Onze Minister doet de rapporten, bedoeld in het eerste en tweede lid, toekomen aan de Staten-Generaal.