Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | Vacatures | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
» Energiewijzer « advertorial
Bespaar geld en stap over!
Energiewijzer.nl, eerlijk over energie.

Juridische vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Powered by Jbmatch.nl

Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
- Hoofdstuk II. Organisatie van de militaire strafrechtspraak
+ Hoofdstuk III. Strafvordering
+ Hoofdstuk IV. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht

Wet militaire strafrechtspraak

Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Ook bekend als:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
1.
Onverminderd de artikelen 10 en 17 en behoudens de uitzonderingen bij de wet gemaakt, berust de bevoegdheid tot kennisneming in eerste aanleg van strafbare feiten, begaan door militairen en door hen die ten aanzien van zodanige feiten bij of krachtens de wet met Nederlandse militairen zijn gelijkgesteld, bij de rechtbank, genoemd in artikel 55 van de Wet op de rechterlijke organisatie.
2.
Zaken betreffende strafbare feiten als bedoeld in artikel 382 van het Wetboek van Strafvordering worden behandeld en beslist door de militaire kantonrechter, bedoeld in artikel 49 van de Wet op de rechterlijke organisatie. De overige zaken worden behandeld en beslist door de militaire kamers, bedoeld in artikel 55 van de Wet op de rechterlijke organisatie.
3.
In tijd van oorlog is het tweede lid niet van toepassing en nemen de militaire kamers, bedoeld in artikel 55 van de Wet op de rechterlijke organisatie, onverminderd het eerste lid, in eerste aanleg kennis van:
1°. strafbare feiten begaan door militairen, door hen die ten aanzien van zodanige feiten bij of krachtens de wet met Nederlandse militairen zijn gelijkgesteld en door hen die binnen de Nederlandse krijgsmacht een bij koninklijk besluit aan te wijzen vitale functie vervullen;
2°. strafbare feiten begaan door hen die buiten het grondgebied van het Koninkrijk deel uitmaken van de Nederlandse krijgsmacht;
3°. strafbare feiten begaan door personen als bedoeld onder 4 van onderdeel A van artikel 4 van het Verdrag van Genève, betreffende de behandeling van krijgsgevangenen van 12 augustus 1949 (Trb. 1951, nr. 74) voor zover die personen de Nederlandse krijgsmacht volgen buiten het grondgebied van het Koninkrijk;
4°. strafbare feiten door wie ook begaan in door de Nederlandse krijgsmacht bezet gebied, voorzover kennisneming daarvan in overeenstemming is met de regels door het volkenrecht erkend.
4.
De rechtsmacht van de in het eerste lid bedoelde rechtbank strekt zich eveneens uit over de strafbare feiten, omschreven in de Wet op de economische delicten . In afwijking van artikel 38, tweede volzin, van de Wet op de economische delicten worden deze zaken behandeld en beslist door de militaire kamers, bedoeld in artikel 55 van de Wet op de rechterlijke organisatie.
5.
Artikel 45, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie is van toepassing.
6.
Onder oorlog als bedoeld in het derde lid wordt mede verstaan: een gewapend conflict dat niet als oorlog kan worden aangemerkt en waarbij het Koninkrijk is betrokken, hetzij ter individuele of collectieve zelfverdediging, hetzij tot herstel van internationale vrede en veiligheid.
1.
Het rechtsgebied van de rechtbank, genoemd in artikel 55 van de Wet op de rechterlijke organisatie, is met betrekking tot de in artikel 2 omschreven rechtsmacht onbegrensd, doch strekt zich niet uit over het rechtsgebied van enig ander bij of krachtens deze rijkswet aangewezen gerecht, tot de uitoefening van de in artikel 2 omschreven rechtsmacht bevoegd.
2.
De militaire kamers van de rechtbank, genoemd in artikel 55 van de Wet op de rechterlijke organisatie, kunnen zitting houden buiten de zittingsplaatsen van de rechtbank.
1.
De ingevolge de voorgaande artikelen toegekende bevoegdheden lijden uitzondering in het geval van deelneming aan strafbare feiten van iemand die niet valt onder de rechtsmacht, in artikel 2 omschreven.
2.
In dat geval vindt vervolging bij voorkeur plaats voor de rechter in Nederland, tot kennisneming van de door de deelnemer begane feiten bevoegd, tenzij:
a. het betreft een feit strafbaar gesteld in het Wetboek van Militair Strafrecht , in welk geval artikel 6 van het Wetboek van Strafvordering niet van toepassing is;
b. ten aanzien van de deelnemers geen vervolging wordt ingesteld, van verdere vervolging wordt afgezien of berechting door de kinderrechter plaatsvindt.
1.
De militaire leden, bedoeld in artikel 55, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie worden op voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie, in overeenstemming met Onze Minister van Defensie, bij koninklijk besluit benoemd.
2.
Om te kunnen worden benoemd tot militair lid, moet men militair zijn en voldoen aan de bij of krachtens artikel 5 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren gestelde beroepsvereisten en niet behoren tot de Koninklijke marechaussee.
3.
De militaire leden worden voor de tijd van vier jaren benoemd. Zij zijn bij hun aftreden tweemaal herbenoembaar. Het militaire lid wordt op eigen verzoek bij koninklijk besluit ontslagen. Indien het militair lid niet meer voldoet aan een van de eisen, genoemd in het tweede lid, heeft dit van rechtswege ontslag als militair lid tot gevolg.
4.
Op de militaire leden zijn de artikelen 4, 46c tot en met 46g, 46i met uitzondering van het eerste lid, onderdeel c, 46j, 46l, 46m, 46o en 46p van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren van overeenkomstige toepassing.
5.
De militaire leden genieten vergoeding voor reis- en verblijfkosten volgens bij algemene maatregel van Rijksbestuur te stellen regelen.
6.
Alles wat de wijze van eedsaflegging, het kostuum van de militaire leden alsmede de werkwijze van de militaire kamers aangaat, wordt geregeld bij algemene maatregel van Rijksbestuur.
1.
De militaire kamer van het gerechtshof, genoemd in artikel 68 van de Wet op de rechterlijke organisatie, is bevoegd tot het oordeel in hoger beroep over de daarvoor vatbare vonnissen van de militaire kamers van de rechtbank, genoemd in artikel 55 van de Wet op de rechterlijke organisatie.
2.
De militaire kamer van het gerechtshof kan zitting houden buiten de zittingsplaatsen van het gerechtshof.
1.
De militaire leden, bedoeld in artikel 68, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie worden op voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie, in overeenstemming met Onze Minister van Defensie bij koninklijk besluit benoemd.
2.
Tot militair lid wordt slechts benoemd een militair die voldoet aan de bij of krachtens artikel 5 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren gestelde beroepsvereisten, die ten minste de rang van kapitein ter zee of kolonel bekleedt en die niet behoort tot de Koninklijke marechaussee.
3.
Aan militairen met de rang van kapitein ter zee of kolonel wordt als militair lid de titulaire rang van commandeur, brigade-generaal of commodore toegekend.
4.
Artikel 6, derde, vierde, vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
1.
Bij koninklijk besluit kunnen op voordracht van Onze Ministers van Veiligheid en Justitie en van Defensie, in het gebied waarvoor een uitzonderingstoestand is afgekondigd, of voor de berechting buiten het Koninkrijk een of meer mobiele rechtbanken worden ingesteld.
2.
Bij koninklijk besluit kan worden bepaald dat een daarbij aan te wijzen militaire autoriteit in het gebied waarvoor een uitzonderingstoestand is afgekondigd, een of meer mobiele rechtbanken kan instellen.
3.
Artikel 2, met uitzondering van het tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op een mobiele rechtbank.
4.
Indien meer dan een mobiele rechtbank worden ingesteld wordt bij het ingevolge het eerste of tweede lid genomen koninklijk besluit hun onderlinge betrekkelijke bevoegdheid geregeld. De militaire kamers van de rechtbank, genoemd in artikel 55 van de Wet op de rechterlijke organisatie, nemen bij voorkeur geen kennis van een feit waarvan ook een mobiele rechtbank kan kennis nemen.
5.
Zodra de omstandigheden die tot de instelling van een mobiele rechtbank hebben geleid, hebben opgehouden te bestaan, of zoveel eerder als dienstig wordt geoordeeld, wordt die mobiele rechtbank bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Ministers van Veiligheid en Justitie en van Defensie opgeheven. In het koninklijk besluit wordt tevens de afdoening van de nog bij die rechtbank aanhangige zaken geregeld.
1.
Een mobiele rechtbank houdt zitting en beslist met drie leden, van wie twee, onder wie de voorzitter, rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Wet op de rechterlijke organisatie zijn en één militair lid is.
2.
Indien een of twee rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, bedoeld in het eerste lid, niet beschikbaar zijn, wordt hun plaats ingenomen door militaire leden. Ingeval slechts één rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast aanwezig is, fungeert deze als voorzitter. Indien geen rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast, aanwezig is, wordt de rechtbank voorgezeten door het militaire lid dat het oudste is in benoeming als militair lid.
3.
Op de militaire leden, bedoeld in het eerste en tweede lid, is artikel 6, tweede, vierde, vijfde en zesde lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat aan de bij of krachtens artikel 5 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren gestelde beroepsvereisten bij voorkeur dient te worden voldaan. Tevens zijn de artikelen 7, derde lid, 12 en 13 van de Wet op de rechterlijke organisatie van overeenkomstige toepassing.
4.
Indien een mobiele rechtbank is ingesteld, worden bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie, in overeenstemming met Onze Minister van Defensie, de voorzitter en zoveel leden als dienstig wordt geoordeeld, benoemd. Ingeval de in artikel 10, tweede lid, bedoelde militaire autoriteit de rechtbank heeft ingesteld, benoemt hij de voorzitter en zoveel leden als hij dienstig oordeelt. Hij voert inzake die benoemingen zo mogelijk overleg met de genoemde ministers en de voorzitter van de mobiele rechtbank.
1.
Zodra een mobiele rechtbank feitelijk optreedt, kunnen zaken die bij de militaire kamers van de rechtbank, genoemd in artikel 55 van de Wet op de rechterlijke organisatie, aanhangig zijn en tot de bevoegdheid van die mobiele rechtbank behoren, aan deze worden overgedragen in de stand, waarin zij zich op dat ogenblik bevinden.
2.
Overdracht van een zaak die bij een mobiele rechtbank aanhangig is, naar een andere mobiele rechtbank of naar de militaire kamers van de rechtbank, genoemd in artikel 55 van de Wet op de rechterlijke organisatie, kan plaatsvinden in de stand, waarin zij zich op dat ogenblik bevindt.
3.
Uitvoering van dit artikel geschiedt door het openbaar ministerie.
1.
Bij een mobiele rechtbank zijn met de handhaving van de wetten, met de vervolging van strafbare feiten en het doen uitvoeren van de vonnissen belast leden van het openbaar ministerie. De artikelen 2, derde lid, 5, en 5f van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren en artikel 136, vijfde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de benoeming geschiedt op de wijze in artikel 11, vierde lid, voorzien.
2.
Bij afwezigheid van leden van het openbaar ministerie kunnen met de waarneming van de taak van het openbaar ministerie militairen worden belast. Het daartoe strekkend besluit wordt bij koninklijk besluit genomen op voordracht van Onze Ministers van Veiligheid en Justitie en Defensie, of indien zodanig besluit niet kan worden afgewacht, door de voorzitter van de rechtbank.
3.
Op de waarnemende militairen, bedoeld in het tweede lid, is artikel 6, vijfde en zesde lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat zij bij voorkeur dienen te voldoen aan de bij of krachtens artikel 5 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren gestelde beroepsvereisten. Tevens is artikel 13 van de Wet op de rechterlijke organisatie van overeenkomstige toepassing.
1.
Bij een mobiele rechtbank worden op de wijze, in artikel 11, vierde lid, voorzien, gerechtsambtenaren, rechterlijke ambtenaren in opleiding of gerechtsauditeurs benoemd die de werkzaamheden verrichten die bij of krachtens de wet aan de griffier zijn opgedragen.
2.
Bij afwezigheid van de gerechtsambtenaren, rechterlijke ambtenaren in opleiding of gerechtsauditeurs kunnen met de waarneming van de griffierstaken militairen worden belast. Het daartoe strekkend besluit wordt bij koninklijk besluit genomen op voordracht van Onze Ministers van Veiligheid en Justitie en Defensie, of, indien zodanig besluit niet kan worden afgewacht, door de voorzitter van de mobiele rechtbank.
3.
Op de waarnemende militairen, bedoeld in het tweede lid, zijn de artikelen 6, vijfde en zesde lid van deze rijkswet, en 13 en 14, zevende lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie van overeenkomstige toepassing. Tevens is artikel 1 van het Besluit beëdiging en vergoeding buitengriffiers en waarnemend griffiers van overeenkomstige toepassing.
1.
Indien de omstandigheden ter plaatse dit nodig maken, kan de voorzitter van de mobiele rechtbank een of meer enkelvoudige kamers instellen onder de benaming van mobiele politierechter.
2.
Als mobiele politierechter fungeert een door de voorzitter van de mobiele rechtbank aan te wijzen lid van die rechtbank, welk lid bij voorkeur is een rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast.
1.
Artikel 8 is van overeenkomstige toepassing op de vonnissen van de mobiele rechtbank.
2.
Artikel 78, eerste, vijfde en zesde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de mobiele rechtbank.
1.
Het Gerecht in eerste aanleg van Aruba, het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten en het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba oefenen de rechtsmacht omschreven in artikel 2 uit voorzover de verdachte zich bevindt binnen het bij koninklijk besluit vast te stellen bevelsgebied van de hoogste bevelvoerende militair in Aruba, Curaçao en Sint Maarten en in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
2.
Het Gerecht in eerste aanleg van het in het eerste lid genoemde land waar de verdachte zich bevindt, oefent de in het eerste lid omschreven rechtsmacht uit.
3.
Bij de Gerechten in eerste aanleg zijn een meervoudige en een enkelvoudige kamer onder de benaming militaire kamers. Het lid van een enkelvoudige kamer draagt de titel van militaire politierechter.
4.
De behandeling van de in het eerste lid bedoelde zaken geschiedt bij uitsluiting door een militaire kamer.
5.
Artikel 4 is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van zich binnen het in het eerste lid bedoelde bevelsgebied bevindende personen.
6.
Artikel 55, tweede en derde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat twee leden van een meervoudige kamer, onder wie de voorzitter, lid zijn van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie en dat de functie van militaire politierechter wordt vervuld door een lid van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
7.
Artikel 10, tweede en derde lid, van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie, is van overeenkomstige toepassing.
8.
De benoeming van een militair lid in de militaire kamer van het Gerecht in eerste aanleg geschiedt op de wijze zoals neergelegd in artikel 23 van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie. Om te kunnen worden benoemd tot militair lid moet men militair zijn en niet behoren tot de Koninklijke marechaussee. Artikel 6, derde lid, is van overeenkomstige toepassing. Aan de vereisten omschreven in artikel 24, eerste lid, onder a en b, van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie dient bij voorkeur te worden voldaan.
9.
Op de militaire leden zijn de artikelen 6, 12, vierde lid, 13, derde lid, 27 tot en met 34, 36 en 46 van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie van overeenkomstige toepassing, voor zover die artikelen niet afwijken van het in deze wet bepaalde.
10.
Artikel 6, vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de eedaflegging door de militaire leden geschiedt op de wijze zoals is vastgelegd in artikel 28 van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
11.
Overdracht van een zaak die in eerste aanleg bij een militaire kamer van de rechtbank, genoemd in artikel 55 van de Wet op de rechterlijke organisatie, of bij een mobiele rechtbank aanhangig is met betrekking tot een persoon die zich bevindt binnen het in het eerste lid bedoelde bevelsgebied, dan wel overdracht van een zaak die bij een militaire kamer van een der in het eerste lid genoemde gerechten in eerste aanleg aanhangig is met betrekking tot een persoon die zich niet meer in het rechtsgebied van deze gerechten bevindt, naar de militaire kamer van de rechtbank, genoemd in artikel 55 van de Wet op de rechterlijke organisatie, of naar een mobiele rechtbank, kan plaatsvinden in de stand waarin de zaak zich op dat ogenblik bevindt. Uitvoering van deze overdracht geschiedt door het openbaar ministerie.
1.
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie oordeelt in hoger beroep over de daarvoor vatbare vonnissen van de gerechten in eerste aanleg.
2.
Bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie is een meervoudige kamer onder de benaming van militaire kamer.
3.
De behandeling van de in het eerste lid bedoelde zaken geschiedt bij uitsluiting door een militaire kamer. Deze kamer oordeelt over het beklag bedoeld in artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering, indien de persoon wiens vervolging wordt verlangd zich bevindt in binnen het in artikel 17, eerste lid, bedoelde bevelsgebied.
4.
Artikel 68, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie, en de artikelen 8, tweede lid, en 9, eerste en tweede lid, van deze rijkswet zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de benoeming geschiedt overeenkomstig artikel 23 van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie, aan de eisen van artikel 24 van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie zoveel mogelijk wordt voldaan en de militair tenminste een hoofdofficiersrang bekleedt.
5.
Artikel 6, derde, vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
6.
Artikel 17, negende lid, is van overeenkomstige toepassing.
7.
Overdracht van een zaak die bij de militaire kamer van het gerechtshof, genoemd in artikel 68 van de Wet op de rechterlijke organisatie, aanhangig is met betrekking tot een persoon die zich bevindt binnen het in artikel 17, eerste lid, bedoelde bevelsgebied, naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, dan wel overdracht van een zaak die bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie aanhangig is met betrekking tot een persoon die zich niet meer in het rechtsgebied van dit gerecht bevindt, naar het gerechtshof, genoemd in artikel 68 van de Wet op de rechterlijke organisatie, kan plaatsvinden in de stand waarin de zaak zich op dat ogenblik bevindt. Uitvoering van deze overdracht geschiedt door het openbaar ministerie. Het hof waaraan de zaak wordt overgedragen is bevoegd in hoger beroep over de zaak te oordelen.
1.
Artikel 77 van de Wet op de rechterlijke organisatie is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de gerechten in eerste aanleg als rechtbank en het Gemeenschappelijk Hof van Justitie als gerechtshof worden aangemerkt.
2.
De artikelen 75, 78, eerste, vijfde en zesde lid, 79 en 83 van de Wet op de rechterlijke organisatie zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de gerechten in eerste aanleg en het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.