Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | Vacatures | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
» Energiewijzer « advertorial
Bespaar geld en stap over!
Energiewijzer.nl, eerlijk over energie.

Juridische vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Powered by Jbmatch.nl

Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk II. Het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties
+ Hoofdstuk III. De meldingsplicht
+ Hoofdstuk IV. De Begeleidingscommissie
- Hoofdstuk V. Het toezicht
+ Hoofdstuk VI. Geheimhouding
+ Hoofdstuk VII. Overgangsbepaling
+ Hoofdstuk VIII. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht

Wet melding ongebruikelijke transacties

Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Ook bekend als:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Let op. Deze wet is vervallen op 1 augustus 2008. U leest nu de tekst die gold op 31 juli 2008.
Artikel 17
De instellingen die met het toezicht op financiële instellingen zijn belast, lichten, in afwijking van eventuele geheimhoudingsbepalingen in de op die instellingen toepasbare andere wetten, het meldpunt in, indien zij bij de uitoefening van hun taak feiten ontdekken die duiden op witwassen, heling van geld of financieren van terrorisme.
Artikel 17a
De Nederlandsche Bank N.V. licht, in afwijking van artikel 8 van de Wet financiële betrekkingen buitenland 1994, het meldpunt in indien zij bij de uitoefening van haar taak op grond van die wet feiten ontdekt die duiden op witwassen, heling van geld of financieren van terrorisme.
1.
Bij besluit van Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Justitie gezamenlijk kunnen een of meer rechtspersonen worden aangewezen, die belast zijn met het toezicht op de naleving van de artikelen 9, 10, tweede lid, 17u en 19 door degene die beroeps- of bedrijfsmatig een dienst verleent.
2.
Ten aanzien van personen die door een op grond van het eerste lid aangewezen rechtspersoon belast zijn met het toezicht op de naleving van de artikelen, genoemd in het eerste lid, zijn de bepalingen van hoofdstuk 5, afdeling 5.2, van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.
3.
Van een besluit tot aanwijzing op grond van het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
1.
Onze Minister van Financiën kan een last onder dwangsom opleggen ter zake van overtreding van de artikelen 9, 10, tweede lid, 17u en 19 van deze wet en van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht.
2.
Ten aanzien van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, is artikel 5:32, tweede tot en met vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op degene die, in geval van bezwaren tegen diens handelen of nalaten in de beroepsuitoefening, onderworpen is aan tuchtrechtspraak.
1.
Onze Minister van Financiën kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake van overtreding van de artikelen 9, 10, tweede lid, 17u en 19 van deze wet en van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op degene die, in geval van bezwaren tegen diens handelen of nalaten in de beroepsuitoefening, onderworpen is aan tuchtrechtspraak.
3.
De bestuurlijke boete komt toe aan de Staat.
1.
Het bedrag van de bestuurlijke boete wordt bepaald door vermenigvuldiging van het bedrag van € 5445 met de factor die van toepassing is op grond van de categorie-indeling in de bijlage .
2.
De bijlage kan bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd.
3.
Onze Minister van Financiën kan het bedrag van de bestuurlijke boete lager stellen dan in de bijlage is bepaald, indien het bedrag van de boete in een bepaald geval onevenredig hoog is.
Artikel 17f
Degene jegens wie Onze Minister van Financiën een handeling heeft verricht waaraan hij in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat deze hem wegens een overtreding een bestuurlijke boete zal opleggen, is niet verplicht ter zake daarvan enige inlichting te verstrekken. Hij wordt hiervan door Onze Minister van Financiën in kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie met betrekking tot de desbetreffende overtreding wordt gevraagd.
1.
Indien Onze Minister van Financiën voornemens is een bestuurlijke boete op te leggen, geeft hij de betrokkene daarvan kennis onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust.
2.
In afwijking van afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht, stelt Onze Minister van Financiën de betrokkene in de gelegenheid om naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren te brengen voordat de bestuurlijke boete wordt opgelegd.
1.
Onze Minister van Financiën legt de bestuurlijke boete op bij beschikking.
2.
De beschikking vermeldt in ieder geval:
a. het feit ter zake waarvan de bestuurlijke boete wordt opgelegd, alsmede het overtreden voorschrift;
b. het bedrag van de bestuurlijke boete en de gegevens op basis waarvan dit bedrag is bepaald; en
c. de termijn, bedoeld in artikel 17i, eerste lid, waarbinnen de bestuurlijke boete moet worden betaald.
1.
De bestuurlijke boete wordt betaald binnen zes weken na de inwerkingtreding van de beschikking waarbij zij is opgelegd.
2.
De bestuurlijke boete wordt vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de dag waarop sedert de bekendmaking van de beschikking zes weken zijn verstreken.
3.
Indien de bestuurlijke boete niet tijdig is betaald, stuurt Onze Minister van Financiën schriftelijk een aanmaning om binnen twee weken de boete, verhoogd met de kosten van de aanmaning, alsnog te betalen. De aanmaning bevat de aanzegging dat de bestuurlijke boete, voor zover deze niet binnen de gestelde termijn wordt betaald, overeenkomstig het vierde lid zal worden ingevorderd.
4.
Bij gebreke van tijdige betaling kan Onze Minister van Financiën de bestuurlijke boete, verhoogd met de kosten van de aanmaning en van de invordering, bij dwangbevel invorderen.
5.
Het dwangbevel wordt op kosten van de overtreder bij deurwaardersexploit betekend en levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
6.
Gedurende zes weken na de dag van betekening staat verzet tegen het dwangbevel open door dagvaarding van de Staat.
7.
Het verzet schorst de tenuitvoerlegging niet, tenzij de voorzieningenrechter van de rechtbank in kort geding desgevraagd anders beslist.
8.
Het verzet kan niet worden gegrond op de stelling dat de bestuurlijke boete ten onrechte of op een te hoog bedrag is vastgesteld.
1.
De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete vervalt indien ter zake van de overtreding op grond waarvan de boete kan worden opgelegd, tegen de overtreder een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel een strafbeschikking is uitgevaardigd.
2.
Het recht tot strafvervolging met betrekking tot een overtreding van de artikelen genoemd in artikel 17d vervalt, indien Onze Minister van Financiën ter zake van die overtreding reeds een boete heeft opgelegd.
1.
De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete vervalt drie jaren na de dag waarop de overtreding is begaan.
2.
De termijn bedoeld in het eerste lid wordt gestuit door de bekendmaking van de beschikking waarbij een bestuurlijke boete wordt opgelegd.
Artikel 17l
De werkzaamheden in verband met het opleggen van een dwangsom of van een bestuurlijke boete worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest bij het vaststellen van de overtreding en het daaraan voorafgegane onderzoek.
Artikel 17m
Onze Minister van Financiën kan, in afwijking van artikel 18, het feit ter zake waarvan een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete is opgelegd, het overtreden voorschrift, alsmede de naam, het adres en de woonplaats van degene aan wie de last onder dwangsom of de bestuurlijke boete is opgelegd, ter openbare kennis brengen, zonodig onder vermelding van de overwegingen die tot de kennisgeving hebben geleid.
Artikel 17n
Degene jegens wie door Onze Minister van Financiën een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat deze zijn handelen of nalaten op grond van artikel 17m ter openbare kennis zal brengen, is niet verplicht ter zake daarvan enige verklaring af te leggen. Hij wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt gevraagd.
1.
Onze Minister van Financiën geeft, indien hij voornemens is op grond van artikel 17m een feit ter openbare kennis te brengen, de betrokkene daarvan kennis onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust.
2.
In aanvulling op artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht is Onze Minister van Financiën niet gehouden de betrokkene in de gelegenheid te stellen om zijn zienswijze naar voren te brengen, indien van de betrokkene geen adres bekend is en het adres ook niet met een redelijke inspanning kan worden verkregen.
3.
De beschikking om op grond van artikel 17m een feit ter openbare kennis te brengen vermeldt in ieder geval:
a. het feit dat ter openbare kennis wordt gebracht;
b. de wijze waarop het feit ter openbare kennis wordt gebracht; en
c. de termijn waarna het feit ter openbare kennis wordt gebracht.
4.
Tenzij de bevordering van de naleving van deze wet geen uitstel toelaat, wordt de werking van de beschikking om op grond van artikel 17m een feit ter openbare kennis te brengen opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.
5.
In afwijking van artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht treedt de beschikking in werking op de dag waarop het feit ter openbare kennis is gebracht zonder dat de werking voor de duur van de beroepstermijn of, indien beroep is ingesteld, van het beroep wordt opgeschort, indien van de betrokkene geen adres bekend is en het adres ook niet met een redelijke inspanning kan worden verkregen.
1.
De bevoegdheid om op grond van artikel 17m een feit ter openbare kennis te brengen vervalt indien ter zake van het feit een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel een strafbeschikking is uitgevaardigd.
2.
Het recht tot strafvervolging met betrekking tot een feit als bedoeld in artikel 17m vervalt, indien Onze Minister van Financiën het feit reeds ter openbare kennis heeft gebracht.
1.
De bevoegdheid om op grond van artikel 17m een feit ter openbare kennis te brengen vervalt drie jaren na de dag waarop het feit heeft plaats gehad.
2.
De termijn, bedoeld in het eerste lid, wordt gestuit door de bekendmaking van de beschikking waarbij het feit ter openbare kennis wordt gebracht.
Artikel 17r
De werkzaamheden in verband met het op grond van artikel 17m ter openbare kennis brengen van een feit worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest bij het vaststellen van het feit of het daaraan voorafgegane onderzoek.
Artikel 17s
In afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht is voor beroepen tegen besluiten op grond van deze wet de rechtbank te Rotterdam bevoegd.
1.
De bevoegdheden die Onze Minister van Financiën op grond van dit hoofdstuk heeft, kunnen bij algemene maatregel van bestuur worden overgedragen aan een of meer rechtspersonen die ingevolge artikel 17b, eerste lid, zijn aangewezen. Alsdan gelden de verplichtingen op grond van dit hoofdstuk jegens Onze Minister van Financiën als verplichtingen jegens de desbetreffende rechtspersoon.
2.
Aan de overdracht, bedoeld in het eerste lid, kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.
Artikel 17u
Indien een instelling of persoon niet voldoet aan zijn verplichtingen voortvloeiend uit de artikelen 9, 10, tweede lid, en 19 kunnen de op grond van artikel 17b, eerste lid, aangewezen rechtspersonen aanwijzingen geven aangaande:
a. de ontwikkeling van interne procedures en controles ter voorkoming van witwassen; en
b. de training van werknemers teneinde hen te informeren over witwassen en de daarbij gebruikte methodes.