Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | Vacatures | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
» Energiewijzer « advertorial
Bespaar geld en stap over!
Energiewijzer.nl, eerlijk over energie.

Juridische vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Powered by Jbmatch.nl

Inhoudsopgave
+ Eerste hoofdstuk. Algemene bepalingen
+ Tweede hoofdstuk. Van het buitengewoon pensioen van de deelnemers aan het verzet
- Derde hoofdstuk. Van het pensioen der nagelaten betrekkingen
+ Vierde hoofdstuk. Van de Buitengewone Pensioenraad
+ Vijfde hoofdstuk. Van de aanvraag en de toekenning
+ Zesde hoofdstuk. Van ingang en einde der buitengewone pensioenen
+ Zevende hoofdstuk. Van de welvaartsvastheid der buitengewone pensioenen
+ Hoofdstuk 7A. De garantietoeslag
+ Hoofdstuk 7B. De toeslag inkomensafhankelijke premie
+ Achtste hoofdstuk. Bijzondere bepalingen aan alle buitengewone pensioenen en garantietoeslagen gemeen
+ Negende hoofdstuk. Van het indienen van een bezwaarschrift en van beroep
+ Tiende hoofdstuk. Van herziening van gegeven beschikkingen
+ Elfde hoofdstuk. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken

Wet buitengewoon pensioen 1940-1945

Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Ook bekend als:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
1.
Recht op buitengewoon pensioen heeft de weduwe van een deelnemer aan het verzet, indien haar echtgenoot het leven heeft verloren in verband met het verzet dan wel indien hij op het tijdstip van zijn overlijden recht op buitengewoon pensioen ontleende aan het bepaalde in artikel 4.
2.
Eveneens recht op buitengewoon pensioen heeft de vrouw, met wie een overleden deelnemer aan het verzet gehuwd is geweest, mits:
a. de man op de dag waarop de beschikking tot echtscheiding of de ontbinding van het huwelijk is uitgesproken dan wel het geregistreerd partnerschap ingevolge artikel 80c, onder c en d, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek is beëindigd, recht op buitengewoon pensioen ontleende aan het bepaalde in artikel 4 en hij dat recht ook op het tijdstip van zijn overlijden kon doen gelden,
b. de onder a bedoelde dag ligt na het tijdstip van de inwerkingtreding van de Wet herziening echtscheidingsrecht en de echtscheiding of de ontbinding van het huwelijk niet is uitgesproken met toepassing van het vóór genoemd tijdstip geldende recht, en
c. de vrouw niet als gevolg van hertrouwen, het aangaan van een huwelijk na een geregistreerd partnerschap, het aangaan van een geregistreerd partnerschap na een huwelijk dan wel het opnieuw aangaan van een geregistreerd partnerschap met haar vroegere echtgenoot ter zake van diens overlijden recht op buitengewoon weduwenpensioen verkrijgt,
met dien verstande, dat indien de vrouw op de datum van overlijden van haar vroegere echtgenoot is hertrouwd of geregistreerd dan wel opnieuw geregistreerd, het recht op buitengewoon pensioen, hetwelk zij aan dat overlijden ontleent, eerst ontstaat op de dag, volgende op die, waarop dat volgende door haar gesloten huwelijk is ontbonden.
3.
Voor de toepassing van deze wet wordt met een weduwe (echtgenote) gelijkgesteld de vrouw, die ingevolge een uitspraak van de Afdeling Rechtspraak van de Raad voor het Rechtsherstel of enige andere rechterlijke uitspraak in vermogensrechtelijk en/of erfrechtelijk opzicht gelijk wordt gesteld met een weduwe (echtgenote).
4.
Buitengewoon pensioen als in de voorgaande leden van dit artikel bedoeld, komt eveneens toe aan:
a. de weduwnaar van een deelneemster aan het verzet;
b. de man, met wie een overleden deelneemster aan het verzet gehuwd is geweest.
Op het buitengewoon pensioen van de in de vorige volzin onder a en b genoemde personen zijn de bepalingen van deze wet, betrekking hebbende op het buitengewoon pensioen van de in het eerste onderscheidenlijk het tweede lid van dit artikel genoemde personen, van overeenkomstige toepassing.
1.
Indien de deelnemer aan het verzet het leven heeft verloren in verband met het verzet, dan wel is overleden aan de gevolgen van verwonding, verminking, ziekten of gebreken, als bedoeld in artikel 4, ontstaat voorts recht op buitengewoon pensioen voor:
a. elk kind dat in familierechtelijke betrekking stond tot de overledene; voorts onder de voorwaarden in artikel 18 gesteld, voor:
b. elk ander kind, ten behoeve van hetwelk aan de overledene onderhoudsplicht krachtens het Burgerlijk Wetboek was opgelegd of ten behoeve van hetwelk de overledene een zodanige onderhoudsplicht had erkend;
c. de ouders, of bij ontstentenis van deze, de grootouders van de overledene, indien deze hun kostwinner was;
d. elk ouderloos kleinkind van de overledene, indien deze deszelfs kostwinner was;
e. de schoonouders van de overledene, indien deze hun kostwinner was.
2.
Eveneens recht op buitengewoon pensioen heeft elk kind dat in familierechtelijke betrekking stond tot een deelnemer aan het verzet, die is overleden door andere oorzaken dan in het vorige lid bedoeld, mits de deelnemer aan het verzet op het tijdstip van zijn overlijden recht op buitengewoon pensioen ontleende aan het bepaalde in artikel 4.
3.
Recht op buitengewoon pensioen bestaat voor de kinderen, bedoeld in het eerste lid, onder a, b en d, alsmede voor de kinderen, bedoeld in het tweede lid, zolang zij beneden de leeftijd van eenentwintig jaren en niet gehuwd zijn of gehuwd geweest zijn en voor de schoonouders, bedoeld in het eerste lid onder e, zolang de overledene, ware hij nog in leven, als behuwdkind jegens hen onderhoudsplichtig zou zijn geweest.
4.
Voor de toepassing van deze wet worden met de in het eerste lid, onder a, bedoelde kinderen gelijkgesteld kinderen, die op het tijdstip van het overlijden op kosten van de deelnemer aan het verzet werden opgevoed en na diens overlijden geen kostwinner hebben.
1.
Aan de in de artikelen 14 en 15 genoemde betrekkingen van een deelnemer aan het verzet wordt tijdelijk een buitengewoon pensioen verleend, indien de deelnemer aan het verzet vermist is geraakt en de vermissing in verband staat met het verzet.
2.
Het bedrag van dit tijdelijk pensioen zal gelijk zijn aan het bedrag, waarop de belanghebbenden recht zouden hebben, wanneer de vermiste het leven had verloren in verband met het verzet.
3.
Aan de in de artikelen 14 en 15 genoemde betrekkingen van een deelnemer aan het verzet wordt eveneens tijdelijk een buitengewoon pensioen verleend, indien de deelnemer aan het verzet anders dan in verband met het verzet vermist is geraakt en hij op het tijdstip van zijn vermissing recht op buitengewoon pensioen ontleende aan het bepaalde in artikel 4.
4.
Het bedrag van het in het vorige lid bedoelde tijdelijk pensioen zal gelijk zijn aan het bedrag, waarop de belanghebbenden recht zouden hebben, wanneer de vermiste zou zijn overleden.
5.
Het tijdelijk pensioen gaat van rechtswege over in een blijvend buitengewoon pensioen, zodra het overlijden van de vermiste vaststaat of indien omtrent hem bij rechterlijk vonnis is verklaard, dat rechtsvermoeden van overlijden bestaat.
6.
De overige bepalingen van dit hoofdstuk zijn ook op het tijdelijk buitengewoon pensioen van toepassing.
Artikel 16a
Voor de vaststelling van het recht op buitengewoon pensioen, waarop krachtens de bepalingen van deze paragraaf recht kan bestaan, is het bepaalde in artikel 13, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 17
Het buitengewoon pensioen, bedoeld in de artikelen 14 en 15, bedraagt:
a. voor de weduwe, wier echtgenoot het leven heeft verloren in verband met het verzet, dan wel is overleden aan de gevolgen van verwonding, verminking, ziekten of gebreken, als bedoeld in artikel 4, alsmede voor de weduwe van de deelnemer aan het verzet, die is overleden door andere oorzaken dan hiervoor genoemd en wiens invaliditeit, waarnaar zijn buitengewoon pensioen laatstelijk was of zou zijn berekend, tenminste zestig procent bedroeg, vijfenzestig procent van de pensioengrondslag, die op grond van het bepaalde in artikel 8 of artikel 41avoor de echtgenoot heeft of zou hebben gegolden, indien deze als deelnemer aan het verzet recht op buitengewoon pensioen had of zou hebben gehad. Indien er bij het overlijden van de deelnemer aan het verzet tevens recht of krachtens artikel 14, tweede lid, uitzicht op een of meerdere buitengewone pensioenen, als bedoeld onder i, bestaat, wordt het buitengewoon weduwenpensioen met het bedrag daarvan verminderd;
b. voor de weduwe van de deelnemer aan het verzet, die het leven heeft verloren door andere oorzaken dan verwonding, verminking, ziekten of gebreken, als bedoeld in artikel 4, en wiens invaliditeit, waarnaar zijn buitengewoon pensioen laatstelijk was of zou zijn berekend, minder dan zestig procent bedroeg, vijfenzestig procent van het pensioen, waarop de deelnemer op het tijdstip van zijn overlijden recht had of zou hebben gehad. Indien er bij het overlijden van de deelnemer aan het verzet tevens recht of krachtens artikel 14, tweede lid, uitzicht op een of meer buitengewone pensioenen, als bedoeld onder j, bestaat, wordt het buitengewoon weduwenpensioen met het bedrag daarvan verminderd;
c. voor elk kind dat in familierechtelijke betrekking stond tot de deelnemer aan het verzet, die het leven heeft verloren in verband met het verzet, dan wel is overleden aan de gevolgen van verwonding, verminking, ziekten of gebreken, als bedoeld in artikel 4, alsmede voor elk door hem erkend kind, vijftien procent van de eerste € 2268,90 en tien procent van het overige gedeelte van de onder a bedoelde pensioengrondslag, indien de andere ouder aan het overlijden van de deelnemer aan het verzet aanspraak op buitengewoon pensioen ontleent; dertig procent van de eerste € 2268,90 en twintig procent van het overige gedeelte van het bedrag van die grondslag, indien de andere ouder aan het overlijden van de deelnemer aan het verzet geen aanspraak op buitengewoon pensioen ontleent.
Het vorenstaande is van overeenkomstige toepassing op het kind dat in familierechtelijke betrekking stond tot de deelnemer aan het verzet, die is overleden door andere oorzaken dan hiervoor genoemd en wiens invaliditeit, waarnaar zijn buitengewoon pensioen laatstelijk was of zou zijn berekend, tenminste zestig procent bedroeg;
d. voor elk ander kind ten behoeve van hetwelk de vader, die het leven heeft verloren in verband met het verzet, dan wel is overleden aan de gevolgen van verwonding, verminking, ziekten of gebreken, als bedoeld in artikel 4, een onderhoudsplicht was opgelegd krachtens de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek of ten behoeve van hetwelk de vader deze onderhoudsplicht had erkend, vijftien procent van de eerste € 2268,90 en tien procent van het overige gedeelte van de onder a bedoelde pensioengrondslag, indien de moeder aan het overlijden van de vader aanspraak op buitengewoon pensioen ontleent; dertig procent van de eerste € 2268,90 en twintig procent van het overige gedeelte van het bedrag van die grondslag, indien de moeder aan het overlijden van de vader geen aanspraak op buitengewoon pensioen ontleent;
e. voor de ouders of bij ontstentenis van deze de grootouders van de overledene, zoveel als hij in de regel als kostwinner tot hun levensonderhoud bijdroeg, doch niet meer dan veertig procent van de eerste € 2268,90 en dertig procent van het overige bedrag van de boven onder a bedoelde pensioengrondslag en wel tot de dood van de langstlevende;
f. voor elk ouderloos kleinkind van de overledene zoveel als hij in de regel als kostwinner tot diens levensonderhoud bijdroeg, doch niet meer dan twintig procent van de eerste € 2268,90 en vijftien procent van het overige bedrag van de boven onder a bedoelde pensioengrondslag;
g. voor de schoonouders van de overledene zoveel als hij in de regel als kostwinner tot hun levensonderhoud bijdroeg, doch niet meer dan veertig procent van de eerste € 2268,90 en dertig procent van het overige bedrag van de boven onder a bedoelde pensioengrondslag en wel tot de dood van de langstlevende dan wel tot het tijdstip, waarop de overledene, ware hij nog in leven, als behuwdkind jegens hen niet meer onderhoudsplichtig zou zijn geweest;
h. voor elk kind dat in familierechtelijke betrekking stond tot de deelnemer aan het verzet, die het leven heeft verloren door andere oorzaken dan verwonding, verminking, ziekten of gebreken, als bedoeld in artikel 4, en wiens invaliditeit, waarnaar zijn buitengewoon pensioen laatstelijk was of zou zijn berekend, minder dan zestig procent bedroeg, vijftien procent van de eerste € 2268,90 en zes procent van het overige gedeelte van het onder b bedoelde pensioen, indien de andere ouder aan het overlijden van de deelnemer aan het verzet aanspraak op buitengewoon pensioen ontleent; dertig procent van de eerste € 2268,90 en twaalf procent van het overige gedeelte van het bedrag van dat pensioen, indien de andere ouder aan het overlijden van de deelnemer aan het verzet geen aanspraak op buitengewoon pensioen ontleent.
Het in dit onderdeel bepaalde is slechts van toepassing op het kind, dat geboren is uit het huwelijk van de hiervoren bedoelde ouders of dat voor de toepassing van deze wet met een kind dat in familierechtelijke betrekking tot de deelnemer aan het verzet staat is gelijkgesteld;
i. voor de gewezen echtgenote van een overleden deelnemer aan het verzet, die is overleden aan de gevolgen van verwonding, verminking, ziekten of gebreken, als bedoeld in artikel 4, alsmede voor de gewezen echtgenote van een overleden deelnemer aan het verzet, die is overleden door andere oorzaken dan hiervoor genoemd en wiens invaliditeit, waarnaar zijn buitengewoon pensioen laatstelijk was of zou zijn berekend, ten minste zestig procent bedroeg, een bedrag, berekend volgens de formule:
, in welke formule:
p voorstelt: het aantal volle jaren, gedurende hetwelk de man in zijn leeftijdsperiode van 25 tot 65 jaar met de vrouw gehuwd is geweest, vermeerderd met het aantal volle jaren, gedurende hetwelk de man in dezelfde leeftijdsperiode vóór het sluiten van dat huwelijk zonder onderbreking ongehuwd is geweest, en
q voorstelt: de pensioengrondslag, welke op grond van het bepaalde in artikel 8 of artikel 41avoor de man op het tijdstip van zijn overlijden gold of zou hebben gegolden;
j. voor de gewezen echtgenote van een overleden deelnemer aan het verzet, die is overleden door andere oorzaken dan verwonding, verminking, ziekten of gebreken, als bedoeld in artikel 4, en wiens invaliditeit, waarnaar zijn buitengewoon pensioen laatstelijk was of zou zijn berekend, minder dan zestig procent bedroeg, een bedrag, berekend volgens de formule:
, in welke formule:
x voorstelt: het aantal volle jaren, gedurende hetwelk de man in zijn leeftijdsperiode van 25 tot 65 jaar met de vrouw gehuwd is geweest, vermeerderd met het aantal volle jaren, gedurende hetwelk de man in dezelfde leeftijdsperiode vóór het sluiten van dat huwelijk zonder onderbreking ongehuwd is geweest, en
y voorstelt: het buitengewoon pensioen, waarop de man op het tijdstip van zijn overlijden recht had of zou hebben gehad.
1.
De buitengewone pensioenen, toegekend aan de personen, bedoeld in artikel 17, a , c , d , e , f , g en i , zullen tezamen niet meer mogen bedragen dan negentig procent van de pensioengrondslag, waarnaar die pensioenen zijn berekend, met dien verstande, dat:
- de personen, bedoeld in artikel 17, g , alleen aanspraak hebben op buitengewoon pensioen, indien de personen, bedoeld in artikel 17, a , c , d , e , f en i , hun volle buitengewoon pensioen ontvangen hebben;
- de personen, bedoeld in artikel 17, f , alleen aanspraak hebben op buitengewoon pensioen, indien de personen, bedoeld in artikel 17, a , c , d , e en i , hun volle buitengewoon pensioen ontvangen hebben;
- de personen, bedoeld in artikel 17, d en e , alleen aanspraak hebben op buitengewoon pensioen, indien de personen, bedoeld in artikel 17, a , c en i , allen hun volle buitengewoon pensioen ontvangen hebben.
2.
Indien de buitengewone pensioenen van de personen, bedoeld in artikel 17, a , c en i , tezamen meer zouden bedragen dan het in het eerste lid voor hen gestelde maximum, zal elk buitengewoon pensioen een evenredige vermindering ondergaan.
3.
Indien de personen, bedoeld in artikel 17, d en e , niet het volle buitengewoon pensioen kunnen ontvangen, zal het buitengewoon pensioen van ieder hunner een evenredige vermindering ondergaan.
4.
Het in het vorige lid bepaalde is ook van toepassing op de kleinkinderen als bedoeld in artikel 17, f , indien van deze méér dan één in leven zijn en elk kleinkind niet zijn volle buitengewoon pensioen kan ontvangen.
5.
Ingeval het bepaalde bij het tweede lid is toegepast, en in het aantal op buitengewoon pensioen recht hebbende kinderen wijziging komt, zal de toegepaste evenredige vermindering worden herzien en wel met ingang van de maand volgende op die, waarin de wijziging is ingetreden.
1.
Het buitengewoon pensioen van de weduwe, wier echtgenoot over een periode van ten minste drie maanden, voorafgaande aan zijn overlijden in het genot was gesteld van een blijvend buitengewoon pensioen uit hoofde van een invaliditeit van ten minste negentig procent wordt gedurende het eerste jaar na het overlijden van de echtgenoot verhoogd met twintig procent van de pensioengrondslag en gedurende het tweede jaar na het overlijden met tien procent van die grondslag, voor zover het verhoogde buitengewoon weduwen-pensioen daardoor gedurende het eerste jaar niet meer dan vijfentachtig procent van de minimum-pensioengrondslag bedraagt en gedurende het tweede jaar niet meer dan vijfenzeventig procent van die grondslag.
2.
De verhoging, bedoeld in het eerste lid, wordt voor de toepassing van artikel 18 buiten beschouwing gelaten.
1.
De buitengewone pensioenen, toegekend aan de personen, bedoeld in artikel 17, b , h en j , zullen tezamen niet meer mogen bedragen dan tachtig procent van de eerste € 2268,90 en veertig procent van het overige bedrag van de pensioengrondslag.
2.
Indien de buitengewone pensioenen van de personen, bedoeld in artikel 17, b , h en j , tezamen meer zouden bedragen dan het in het eerste lid voor hen gestelde maximum, zal elk buitengewoon pensioen een evenredige vermindering ondergaan.
3.
Ingeval het bepaalde bij het tweede lid is toegepast, en in het aantal op buitengewoon pensioen recht hebbende kinderen wijziging komt, zal de toegepaste evenredige vermindering worden herzien en wel met ingang van de maand volgende op die, waarin de wijziging is ingetreden.
4.
Indien het recht op buitengewoon pensioen van een der nagelaten betrekkingen, bedoeld in artikel 17, teniet gaat of krachtens artikel 14, tweede lid, later ingaat, alsmede indien het recht op buitengewoon pensioen krachtens artikel 28 eindigt dan wel opnieuw ingaat, vindt een herziening op grond van het bepaalde in artikel 18 en de voorgaande leden van dit artikel alleen plaats ten aanzien van de buitengewone pensioenen van de overige rechthebbenden, bedoeld in artikel 17, a , b , c , h , i en j .
1.
Op de buitengewone pensioenen, toegekend aan de personen, bedoeld in artikel 17, is het bepaalde in artikel 12, eerste lid, tweede lid, tweede volzin, onder a, alsmede het derde en zesde lid, van overeenkomstige toepassing.
2.
Voor zover door de weduwe of de gewezen echtgenote inkomsten uit vermogen worden genoten, worden deze voor vijftig procent van die inkomsten op het buitengewoon pensioen in mindering gebracht, met dien verstande, dat indien die inkomsten minder dan € 680,67 per jaar bedragen, slechts een zodanig bedrag in mindering wordt gebracht als waarmede die inkomsten een som van € 340,34 mochten te boven gaan.
3.
Voor zover door de weduwe of de gewezen echtgenote andere inkomsten dan waarop in het eerste en tweede lid wordt gedoeld, worden genoten, wordt vijftig procent van het bedrag, waarmede die inkomsten de som van € 453,78 overschrijden, op het buitengewoon pensioen in mindering gebracht. Onverminderd het bepaalde in de vorige volzin worden, indien de daar bedoelde overschrijding uitsluitend of mede het gevolg is van het genot van een ouderdomspensioen krachtens de Algemene Ouderdomswet van meer dan € 453,78 van het bedrag, waarmede dat ouderdomspensioen de som van € 453,78 overschrijdt, in plaats van vijftig procent de volgende percentages op het buitengewoon pensioen in mindering gebracht:
a. op een buitengewoon weduwenpensioen, dat geen vermindering als bedoeld in artikel 17, a en b, heeft ondergaan: zestig procent;
b. op een buitengewoon weduwenpensioen, dat een vermindering als bedoeld in artikel 17, a en b, heeft ondergaan: een evenredig deel van het onder a genoemde percentage;
c. op het buitengewoon pensioen van de gewezen echtgenote, bedoeld in artikel 17, i en j, een deel van zestig procent, hetwelk tot dat percentage in dezelfde verhouding staat als het aantal jaren, hetwelk in de in die artikelonderdelen genoemde berekeningsformule door de letter p onderscheidenlijk x wordt voorgesteld, zich verhoudt tot veertig jaar.
Voor een buitengewoon pensioen, toegekend aan de in artikel 17, b, bedoelde weduwe alsook voor een buitengewoon pensioen, toegekend aan de gewezen echtgenote, bedoeld in artikel 17, j, wordt het op deze pensioenen ingevolge de vorige volzin in mindering te brengen bedrag beperkt tot een percentage daarvan, gelijk aan dat der invaliditeit, waarnaar het buitengewoon pensioen van de overleden echtgenoot onderscheidenlijk gewezen echtgenoot van de vrouw laatstelijk was of zou zijn berekend.
4.
Indien door de weduwe of de gewezen echtgenote zowel inkomsten bedoeld in het tweede lid als inkomsten bedoeld in het derde lid worden genoten, worden, in afwijking van het bepaalde aan het slot van het tweede lid, de inkomsten uit vermogen voor vijftig procent van die inkomsten op het buitengewoon pensioen in mindering gebracht, met dien verstande, dat in elk geval een bedrag van € 340,34 van het totaal der inkomsten buiten mindering blijft.
5.
Indien een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet wordt genoten, wordt die uitkering niet gerekend tot de met het buitengewoon pensioen verrekenbare inkomsten, als in de voorgaande leden bedoeld. In dat geval worden echter, nadat de voorgaande leden zijn toegepast, van het bedrag van de uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet de volgende percentages op het buitengewoon pensioen in mindering gebracht:
a. op een buitengewoon weduwenpensioen, dat geen vermindering als bedoeld in artikel 17, a en b, heeft ondergaan, en op het buitengewoon wezenpensioen: zestig procent;
b. op een buitengewoon weduwenpensioen, dat een vermindering als bedoeld in artikel 17, a en b, heeft ondergaan, een evenredig deel van het onder a genoemde percentage;
c. op het buitengewoon pensioen van de gewezen echtgenote, bedoeld in artikel 17, i en j, een deel van zestig procent, hetwelk tot dat percentage in dezelfde verhouding staat als het aantal jaren, hetwelk in de in die artikelonderdelen genoemde berekeningsformule door de letter p onderscheidenlijk x wordt voorgesteld, zich verhoudt tot veertig jaar.
Het bepaalde in de derde volzin van het derde lid van dit artikel is van overeenkomstige toepassing.
Indien de weduwe tevens in het genot is van een invaliditeitsrente krachtens de Invaliditeitswet, waarop zij tot het in werking treden van dit artikellid, ingevolge de Wet tot aanvulling van renten krachtens de Invaliditeitswet en de wet van 3 februari 1954 (Stb. 60) toe- en bijslagen genoot, komt het totaal bedrag dezer toe- en bijslagen in aanmerking voor aftrek op de in de vorige volzin bedoelde vermindering.
Ten aanzien van degene, die aantoont, dat uit hoofde van zijn aanspraak op uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet mede een vermindering plaatsvindt van enig ander pensioen of enige andere verplichte periodieke uitkering, en dat het gezamenlijke bedrag der verminderingen zestig procent van het bedrag van bedoeld bodempensioen overschrijdt, wordt de vermindering, in de vorige volzinnen van dit artikellid bedoeld, zodanig beperkt, dat het inkomen van de belanghebbende zo mogelijk veertig procent van het bedrag van bedoeld bodempensioen meer bedraagt dan ingeval geen uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet wordt genoten.
6.
Het ingevolge de voorafgaande leden met het buitengewoon pensioen van de weduwe en/of de gewezen echtgenote wegens het genot van neveninkomsten verrekenbare bedrag wordt beperkt tot het bedrag, waarmede het buitengewoon pensioen - ongeacht de vermindering, bedoeld in de artikelen 18 en 19 -, vermeerderd met die neveninkomsten, vijfenzestig procent van de in artikel 12, tweede lid, bedoelde grondslag overschrijdt, met dien verstande evenwel, dat de verrekening van een pensioen of uitkering als bedoeld in artikel 12, derde lid, zomede de verrekening ter zake van een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet en ter zake van een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet onverkort blijft. Tot de neveninkomsten, bedoeld in de vorige volzin, worden niet gerekend de kinderbijslagen of -toeslagen, zomede de inkomsten, welke onverplicht door derden worden verschaft.