Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | Vacatures | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
» Energiewijzer « advertorial
Bespaar geld en stap over!
Energiewijzer.nl, eerlijk over energie.

Juridische vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Powered by Jbmatch.nl

Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk II. De kring van de verzekerden
- Hoofdstuk III. Het ouderdomspensioen
+ Hoofdstuk IV. De op te brengen middelen
+ Hoofdstuk V. Het verstrekken van inlichtingen
+ Hoofdstuk VI. Bezwaar en beroep
+ Hoofdstuk VII. Overgangsbepalingen
+ Hoofdstuk VIIA. Toezicht
+ Hoofdstuk VIII. Strafbepalingen
+ Hoofdstuk IX. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht

Wet algemene ouderdomsverzekering BES

Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
1.
Het ouderdomspensioen alsmede een verhoging van het ouderdomspensioen wordt op aanvraag toegekend door Onze Minister.
2.
In afwijking van het bepaalde in het vorige lid is Onze Minister bevoegd het ouderdomspensioen alsmede een verhoging van het ouderdomspensioen ambtshalve toe te kennen.
Artikel 10
De aanvraag om ouderdomspensioen of om een verhoging van het ouderdomspensioen wordt ingediend bij Onze Minister.
1.
Het ouderdomspensioen gaat in op de eerste dag van de maand volgende op de maand, waarin de verzekerde aan de voorwaarden voor het recht op ouderdomspensioen voldoet.
2.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan een ouderdomspensioen niet eerder ingaan dan een jaar vóór de eerste dag van de maand, volgende op de maand, waarin de aanvraag werd ingediend of waarin de ambtshalve toekenning plaats vond. Onze Minister kan voor bijzondere gevallen van het bepaalde in de vorige zin afwijken.
1.
Het ouderdomspensioen wordt door Onze Minister ingetrokken of herzien, wanneer degene aan wie het is toegekend, ingevolge het op grond van deze wet bepaalde, daarvoor niet of niet of niet meer in aanmerking komt, dan wel voor een hoger of lager ouderdomspensioen in aanmerking komt.
2.
De herziening van het ouderdomspensioen, die voortvloeit uit een wijziging van de omstandigheden en die een verhoging van dit pensioen tot gevolg heeft, gaat in op de eerste dag van de maand, volgende op de maand waarin de wijziging van die omstandigheden heeft plaats gevonden. Het bepaalde in artikel 11, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
3.
De intrekking van het ouderdomspensioen of de herziening daarvan, die een verlaging van dit pensioen tot gevolg heeft, gaat, behoudens in bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevallen, in op de eerste dag van de maand, volgende op die, waarin de dag van de dagtekening van de kennisgeving op grond van artikel 37, eerste lid, is gelegen.
4.
De herziening van het ouderdomspensioen in verband met artikel 8a, eerste lid, gaat, in afwijking van het bepaalde in het tweede en derde lid, in op de dag, met ingang waarvan op grond van artikel 8a, eerste lid, de in artikel 7 genoemde bedragen van het ouderdomspensioen zijn herzien.
5.
Ter uitvoering van het bepaalde in dit artikel kunnen bij algemene maatregel van bestuur nadere voorschriften worden gegeven. Daarbij kunnen tevens nadere regels worden gesteld met betrekking tot schorsing en opschorting van de uitbetaling van het ouderdomspensioen.
1.
Het ouderdomspensioen wordt betaalbaar gesteld door Onze Minister. De betaling geschiedt maandelijks.
2.
In geval het pensioen in het buitenland wordt uitbetaald, worden de daaraan verbonden kosten van overmaking op het pensioen in mindering gebracht.
3.
Wanneer een gepensioneerde een ander machtigt om het ouderdomspensioen in ontvangst te nemen, dan wel een verleende machtiging intrekt, wordt daaraan gevolg gegeven met ingang van een betalingstermijn, aanvangend na de dag, waarop de machtiging wordt ingediend, dan wel waarop van haar intrekking mededeling wordt gedaan, doch niet later dan de eerste dag van de tweede maand na de dag van indiening, dan wel intrekking van de machtiging.
4.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden vastgesteld ten aanzien van de betaalbaarstelling van het ouderdomspensioen door organen, die belast zijn met de uitbetaling van pensioen uit anderen hoofde dan op grond van deze wet.
1.
Indien een op grond van deze wet gepensioneerde in een inrichting voor verpleging van geesteszieken of van zwakzinnigen is opgenomen of in een instelling van weldadigheid, door het openbare lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba erkend, wordt verzorgd of verpleegd, en de kosten van verzorging of verpleging geheel of gedeeltelijk ten laste komen van dat openbare lichaam of de erkende instelling van weldadigheid of een instelling van weldadigheid als vorenbedoeld, kan op verzoek van het desbetreffende orgaan het ouderdomspensioen over volle kalendermaanden, gelegen binnen de duur van de verzorging of verpleging, voor zover het over die maanden nog niet is uitbetaald, aan het desbetreffende orgaan worden uitbetaald, met dien verstande, dat aan dat orgaan niet meer wordt uitbetaald dan de te zijnen laste komende kosten van verzorging en verpleging bedragen.
2.
Voorzover in verband met het bepaalde in dit artikel het ouderdomspensioen niet werd uitbetaald aan de gepensioneerde, wordt het na het overlijden van de gepensioneerde, voorzover nodig in afwijking van het in artikel 17 bepaalde, tot en met de laatste dag van de maand, waarin het overlijden plaats vond, uitbetaald aan het in het eerste lid van dit artikel bedoelde orgaan.
Artikel 15
De termijnen van het ouderdomspensioen, die niet zijn ingevorderd binnen twee jaar na de eerste dag waarop zij konden worden ingevorderd, worden niet meer uitbetaald.
1.
Behoudens het bepaalde in het tweede lid zijn de eenmaal uitbetaalde termijnen van het ouderdomspensioen niet vatbaar voor terugvordering.
2.
Indien het ouderdomspensioen op grond van het bepaalde in artikel 12, derde lid met terugwerkende kracht is herzien of ingetrokken, kan hetgeen aan pensioen te veel of ten onrechte is uitbetaald, geheel of gedeeltelijk worden teruggevorderd, dan wel op het later uit te betalen pensioen in mindering worden gebracht.
1.
Behoudens in de gevallen bepaald in deze wet eindigt het ouderdomspensioen door overlijden van de pensioengerechtigde of door intrekking.
2.
Het ouderdomspensioen eindigt, behoudens het overigens in deze wet bepaalde, met ingang van de maand volgende op die, waarin het feit heeft plaats gehad of de omstandigheid is ontstaan, die het einde ten gevolge heeft
1.
Het ouderdomspensioen is:
a. onvervreemdbaar;
b. niet vatbaar voor verpanding of belening;
c. behoudens voor zover dit dient tot verhaal van onderhoud, waartoe de gepensioneerde volgens wettelijke regeling is gehouden, niet vatbaar voor executoriaal of conservatoir beslag, noch voor faillissementsbeslag.
2.
Voor zover op grond van het eerste lid, onderdeel c beslag wordt gelegd, mag dit niet meer bedragen dan een derde gedeelte van het bedrag van het ouderdomspensioen.
3.
Volmacht tot ontvangst van ouderdomspensioen, onder welke vorm of welke benaming ook, door de gepensioneerde verleend, is steeds herroepelijk.
4.
Elk beding, strijdig met enige bepaling van dit artikel, is nietig.
1.
Onze Minister is bevoegd om op grond van verdragen, convenanten en andersoortige overeenkomsten met uitvoerders van instellingen van sociale voorzieningen, het ouderdomspensioen van een pensioengerechtigde te verminderen ter ontneming van een ten onrechte verkregen voordeel van de pensioengerechtigde op het gebied van sociale voorzieningen.
2.
Onze Minister is eveneens bevoegd om het ouderdomspensioen van een pensioengerechtigde te verminderen ter ontneming van een ten onrechte verkregen voordeel van de pensioengerechtigde op het gebied van de door Onze Minister uitgevoerde sociale verzekeringswetten.
3.
De in het eerste en tweede lid bedoelde vermindering kan ineens geschieden indien het ten onrechte genoten voordeel niet groter is dan een derde deel van het door Onze Minister verstrekte ouderdomspensioen. In alle andere gevallen kan de vermindering niet meer bedragen dan een derde deel van het ouderdomspensioen.