Artikel 11
Hij, die een bij of krachtens deze wet gesteld verbod, overtreedt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de derde categorie. Indien echter, naar hij weet of redelijkerwijze moet vermoeden, enig voorwerp met betrekking tot hetwelk het feit wordt begaan is een bom, een handgranaat of een dergelijk voor ontploffing of voor het verspreiden van verstikkende of vergiftige gassen bestemd wapen, een vlammenwerper, een kanon, een machinegeweer of een onderdeel van een dier vuurwapenen, wordt gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie opgelegd.
Hij die handelt in strijd met de
artikelen 4,
7, tweede lid, of
13b, vierde lid, of een bevel als bedoeld bij
artikel 9 niet nakomt, of niet voldoet aan een vordering als bedoeld in
artikel 13d, derde lid, of
artikel 13e, eerste lid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de eerste categorie.
De bij deze wet strafbaar gestelde feiten worden, indien daarop mede gevangenisstraf is gesteld, als misdrijven en overigens als overtredingen beschouwd.