Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | Vacatures | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
» Energiewijzer « advertorial
Bespaar geld en stap over!
Energiewijzer.nl, eerlijk over energie.

Juridische vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Powered by Jbmatch.nl

Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen
+ Hoofdstuk 1a. Visa
+ Hoofdstuk 2. Toegang
- Hoofdstuk 3. Verblijf
+ Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en uitvoering
+ Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
+ Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting, overdracht, inreisverbod en ongewenstverklaring
+ Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen
+ Hoofdstuk 8. Algemene en strafbepalingen
+ Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht

Vreemdelingenbesluit 2000

Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Ook bekend als:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
1.
Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stelt het basisexamen inburgering ter beoordeling van de kennis van de Nederlandse taal en van de Nederlandse maatschappij als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onder h, van de Wet, vast door middel van een geautomatiseerd systeem.
2.
Het basisexamen inburgering omvat een onderzoek naar de Nederlandse lees-, luister- en spreekvaardigheid van de vreemdeling.
3.
Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stelt een examenprogramma vast voor de vereiste lees-, luister- en spreekvaardigheid. Dit examenprogramma strekt tot waarborg dat de vreemdeling die het basisexamen inburgering met goed gevolg heeft afgelegd, beschikt over de volgende vaardigheden in de Nederlandse taal op het niveau A1 van het Europees Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen:
a. leesvaardigheid;
b. luistervaardigheid, en
c. spreekvaardigheid.
4.
De normering van de onderdelen lees-, luister- en spreekvaardigheid van het basisexamen inburgering wordt gerelateerd aan een van de niveaus van het Europees Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen.
5.
Het basisexamen inburgering omvat tevens een onderzoek naar de kennis van de Nederlandse samenleving.
6.
Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stelt een examenprogramma vast voor de vereiste kennis van de Nederlandse samenleving. Dit examenprogramma waarborgt dat de vreemdeling die het basisexamen inburgering met goed gevolg heeft afgelegd, beschikt over elementaire praktische kennis van:
a. Nederland, waaronder topografie, geschiedenis en staatsinrichting;
b. huisvesting, onderwijs, arbeid, gezondheidszorg en inburgering in Nederland;
c. zijn rechten en zijn verplichtingen na aankomst in Nederland;
d. rechten en verplichtingen van anderen in Nederland, en
e. in Nederland gangbare omgangsregels.
7.
Het basisexamen inburgering wordt afgelegd in de Nederlandse taal op een niveau dat niet hoger is dan het niveau, bedoeld in het derde lid.
8.
De examenprogramma’s, bedoeld in het derde en zesde lid, worden overeenkomstig door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te stellen regels en tegen een door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te stellen bedrag beschikbaar gesteld.
1.
Tot het basisexamen inburgering wordt niet toegelaten de vreemdeling die:
a. niet overeenkomstig door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te stellen regels de aan het basisexamen verbonden kosten heeft voldaan dan wel via een ander heeft zorg gedragen voor het voldoen van die kosten, of
b. geen medewerking heeft verleend aan het vastleggen van gegevens met het oog op zijn identificatie.
2.
De kosten, bedoeld in het eerste lid, onder a, bedragen € 350,00.
3.
De medewerking, bedoeld in het eerste lid, onder b, bestaat uit het zich digitaal laten fotograferen, het digitaal laten afnemen van vingerafdrukken en het laten maken van een scan of kopie van het paspoort of, indien de vreemdeling door de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is, niet in het bezit kan worden gesteld van een paspoort, een ander identiteitsbewijs.
4.
Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stelt een examenreglement vast. Het examenreglement bevat in elk geval bepalingen omtrent:
a. de gang van zaken tijdens het basisexamen inburgering;
b. de maatregelen om onregelmatigheden en ordeverstoring tijdens het basisexamen inburgering te voorkomen, en
c. de maatregelen die in geval van onregelmatigheden of ordeverstoring kunnen worden getroffen.
1.
Het basisexamen inburgering wordt onder toezicht van een door het hoofd van de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging aan te wijzen ambtenaar, medewerker, autoriteit of instelling afgelegd op een door dat hoofd vast te stellen tijdstip en in een door dat hoofd aan te wijzen ruimte.
2.
Het basisexamen inburgering wordt afgelegd door middel van een telefonische of digitale verbinding met een geautomatiseerd systeem, dat door een door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan te wijzen instantie volgens door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te stellen regels wordt beheerd.
3.
Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid beoordeelt de resultaten van het basisexamen inburgering door middel van het geautomatiseerde systeem, bedoeld in het tweede lid, met uitzondering van het onderdeel spreekvaardigheid, dat wordt beoordeeld door beoordelaars.
4.
Het resultaat van het basisexamen inburgering wordt in de gevallen waarin Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid niet door middel van het geautomatiseerde systeem, bedoeld in het tweede lid, tot een beoordeling daarvan heeft kunnen komen, alsmede in het in artikel 3.98d, derde lid, bedoelde geval, beoordeeld door examinatoren.
1.
De resultaten van het basisexamen inburgering worden niet heroverwogen.
2.
Onverminderd artikel 3.98b, kan de vreemdeling die het basisexamen inburgering niet met goed gevolg heeft afgelegd, het examen te allen tijde opnieuw afleggen.
3.
In afwijking van het eerste lid kan de betrokken examenkandidaat binnen zes weken na de bekendmaking van de beoordeling een herbeoordeling aanvragen van het onderdeel waarin luistervaardigheid en spreekvaardigheid is getoetst door door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan te wijzen beoordelaars nadat de uitslag van dat onderdeel voor de vierde maal of vaker «niet geslaagd» heeft geluid.
1.
De aanvraag, bedoeld in artikel 14 van de Wet, wordt ingediend door de vreemdeling, zijn wettelijk vertegenwoordiger of zijn erkende referent, indien de vreemdeling in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van uitwisseling of studie, dan wel voor het verrichten van arbeid als kennismigrant of wetenschappelijk onderzoek in de zin van richtlijn 2005/71/EG.
2.
Ongeacht het doel waarvoor de vreemdeling in Nederland wil verblijven, wordt de aanvraag, bedoeld in artikel 14 van de Wet, zo nodig in afwijking van het eerste lid, ingediend door de vreemdeling of diens wettelijk vertegenwoordiger in persoon:
a. indien de vreemdeling niet in het bezit is van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het doel waarvoor de vreemdeling in Nederland wil verblijven en evenmin behoort tot een van de in artikel 17 van de Wet of artikel 3.71, tweede lid, bedoelde categorieën;
b. in de bij regeling van Onze Minister te bepalen gevallen.
3.
Bij regeling van Onze Minister kan worden bepaald dat de aanvraag van een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid wordt ingediend door tussenkomst van de erkende referent.
1.
De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Wet wordt niet ingediend dan nadat de vreemdeling schriftelijk, op een door Onze Minister te bepalen wijze, te kennen heeft gegeven een zodanige aanvraag in te willen dienen, indien het een aanvraag betreft tot het verlenen van een verblijfsvergunning:
a. op grond dat de uitzetting van de vreemdeling in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden;
b. onder een beperking verband houdend met medische behandeling als bedoeld in artikel 3.46; of
c. onder een beperking verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden als bedoeld in artikel 3.48, tweede lid.
2.
Indien een vreemdeling in Nederland is voor een verblijf van langer dan drie maanden en een beroep doet ofwel op vrijstelling van het vereiste van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf op grond van artikel 17, eerste lid, onder c of d, van de Wet of artikel 3.71, tweede lid, onder l, ofwel op toepassing van artikel 3.71, derde lid, wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Wet niet ingediend dan nadat de vreemdeling schriftelijk, op een door Onze Minister te bepalen wijze, te kennen heeft gegeven een zodanige aanvraag in te willen dienen.
3.
De aanvraag tot het wijzigen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Wet in een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met medische behandeling als bedoeld in artikel 3.46, wordt niet ingediend dan nadat de schriftelijk, op een door Onze Minister te bepalen wijze, te kennen heeft gegeven een zodanige aanvraag in te willen dienen.
4.
Op een aanvraag als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid wordt op de dag van indiening een beschikking gegeven, tenzij naar het oordeel van Onze Minister voor de beoordeling van de aanvraag nader onderzoek nodig is. In dat geval stelt Onze Minister de vreemdeling in kennis van de verlenging van de termijn voor het geven van een beschikking.
5.
Dit artikel blijft buiten toepassing ten aanzien van de bij ministeriële regeling aan te wijzen categorieën van vreemdelingen.
Artikel 3.99b
Artikel 3.99a, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Wet, die is ingediend door een vreemdeling die niet bij of krachtens artikel 17 van de Wet is vrijgesteld van het vereiste van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf.
Artikel 3.100
Indien de vreemdeling, hangende de besluitvorming op een eerdere aanvraag, wijziging van het gevraagde verblijfsdoel wenst, dient hij een nieuwe aanvraag in.
1.
Een aanvraag als bedoeld in de artikelen 14, 20 en 45a, van de Wet, wordt ingediend op een door Onze Minister aan te wijzen plaats.
2.
In afwijking van het eerste lid wordt, indien de vreemdeling rechtens de vrijheid is ontnomen, de aanvraag ingediend op de plaats waar de vrijheidsontneming ten uitvoer wordt gelegd.
1.
Indien de eerste aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Wet is afgewezen, wordt iedere daarop volgende aanvraag tot het verlenen van een dergelijke verblijfsvergunning voor hetzelfde verblijfsdoel aangemerkt als een tweede of volgende aanvraag in de zin van artikel 5b van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000.
2.
Indien na afwijzing van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Wet, ambtshalve een verblijfsvergunning is verleend op een van de gronden, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, dan wel na toetsing aan de gronden, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, niet ambtshalve een verblijfsvergunning is verleend, wordt iedere daarop volgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Wet op een van die gronden aangemerkt als een tweede of volgende aanvraag in de zin van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 .
3.
Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing, indien na intrekking van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Wet, onderscheidenlijk bij afwijzing van een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur ervan, ambtshalve een verblijfsvergunning is verleend op een van de gronden, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, dan wel na toetsing aan de gronden, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, niet ambtshalve een verblijfsvergunning is verleend.
1.
Indien na afwijzing van de eerste aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Wet, ambtshalve een verblijfsvergunning is verleend op een van de gronden, bedoeld in artikel 3.6a, eerste lid, dan wel na toetsing aan de gronden, bedoeld in artikel 3.6a, eerste lid, niet ambtshalve een verblijfsvergunning is verleend, wordt iedere daarop volgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Wet op een van die gronden aangemerkt als een tweede of volgende aanvraag in de zin van artikel 5b van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, indien na intrekking van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Wet, onderscheidenlijk bij afwijzing van een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur ervan, ambtshalve een verblijfsvergunning is verleend op een van de gronden, bedoeld in artikel 3.6a, eerste lid, dan wel na toetsing aan de gronden, bedoeld in artikel 3.6a, eerste lid, niet ambtshalve een verblijfsvergunning is verleend.
1.
Onverminderd artikel 24a, eerste lid, onder a, van de Wet legt de vreemdeling bij de in persoon ingediende aanvraag in ieder geval over een geldig document voor grensoverschrijding, en, voor zover redelijkerwijs mogelijk, de gegevens en bescheiden op basis waarvan kan worden vastgesteld dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor de verlening, wijziging of verlenging van de verblijfsvergunning.
2.
In afwijking van het eerste lid, legt de vreemdeling die niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, voor zover redelijkerwijs mogelijk, gegevens en bescheiden over waarmee wordt aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld. In dat geval legt hij tevens aanvullende gegevens of bescheiden over omtrent zijn identiteit en nationaliteit.
3.
Bij de niet in persoon ingediende aanvraag legt de vreemdeling afschriften over van de in het eerste en tweede lid genoemde gegevens en bescheiden en legt hij op verzoek van Onze Minister de originelen over.
4.
Onverminderd artikel 24a van de Wet is het derde lid van overeenkomstige toepassing, indien de aanvraag is ingediend door de referent, met dien verstande dat voor «de vreemdeling» wordt gelezen: de referent.
5.
Desgevraagd bevestigt de aanvrager binnen een door Onze Minister te stellen termijn de juistheid van de gegevens, bedoeld in artikel 24a, eerste lid, onder a, van de Wet, dan wel geeft hij gemotiveerd en onder overlegging van de terzake relevante gegevens en bescheiden aan welke gegevens de juiste gegevens zijn.
6.
Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de in het eerste lid bedoelde gegevens en bescheiden.
Artikel 3.102a
De medewerking van de vreemdeling, bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel b, van de Wet, bestaat uit:
a. het op vordering van Onze Minister beschikbaar stellen van een goedgelijkende pasfoto, en
b. het zich laten fotograferen en het laten afnemen van vingerafdrukken.
1.
De vreemdeling legt bij de kennisgeving, bedoeld in artikel 3.99a, eerste en tweede lid, ten minste de voor de beslissing van Onze Minister relevante medische gegevens en overige bescheiden over, indien:
a. het een aanvraag betreft tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Wet onder een beperking verband houdend met medische behandeling als bedoeld in artikel 3.46;
b. het een aanvraag betreft tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Wet onder een beperking verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden als bedoeld in artikel 3.48, tweede lid, onder b, voor zover daarbij medische omstandigheden aan de orde zijn; of
c. de vreemdeling een beroep doet op medische redenen om vrijgesteld te worden van het vereiste van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf.
2.
De vreemdeling legt bij de kennisgeving, bedoeld in artikel 3.99a, derde lid, ten minste de voor de beslissing van Onze Minister relevante medische gegevens en overige bescheiden over.
3.
De vreemdeling legt bij de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Wet onder een beperking verband houdend met medische behandeling als bedoeld in artikel 3.46, ten minste de voor de beslissing van Onze Minister relevante medische gegevens en overige bescheiden over.
4.
De vreemdeling legt bij de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Wet, verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden als bedoeld in artikel 3.51, eerste lid, onderdeel a, ten tweede, dan wel onderdeel b of k, ten minste de voor de beslissing van Onze Minister relevante medische gegevens en overige bescheiden over.
5.
Indien de vreemdeling zich in verband met de intrekking van zijn verblijfsvergunning of in een bezwaarprocedure kan beroepen op medische gronden, legt hij, indien hij daartoe overgaat, ten minste de voor de beslissing van Onze Minister relevante medische gegevens en overige bescheiden over.
6.
Dit artikel blijft buiten toepassing ten aanzien van de bij ministeriële regeling aan te wijzen categorieën van vreemdelingen.
Artikel 3.103
De aanvraag wordt getoetst aan het recht dat gold op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen, tenzij uit deWet anders voortvloeit of het recht dat geldt op het tijdstip waarop de beschikking wordt gegeven, voor de vreemdeling gunstiger is.
1.
Indien Onze Minister een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet verleent aan of verlengt van een vreemdeling die houder is van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, afgegeven door een andere lidstaat van de Europese Unie, doet hij daarvan mededeling aan de autoriteiten van die staat.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien Onze Minister besluit de verblijfsvergunning van de in het eerste lid bedoelde houder in te trekken of niet te verlengen.
3.
Indien Onze Minister overweegt een vreemdeling die houder is als bedoeld in het eerste lid, uit te zetten naar een staat die geen lidstaat is van de Europese Unie, raadpleegt hij de autoriteiten van de staat, bedoeld in het eerste lid. Indien Onze Minister dienovereenkomstig besluit uit te zetten, verstrekt hij die autoriteiten alle nodige informatie met betrekking tot de uitzetting.
4.
Indien Onze Minister beslist op een aanvraag tot het verlenen van een Europese blauwe kaart ten behoeve van een vreemdeling die door een andere lidstaat van de Europese Unie reeds in het bezit is gesteld van een Europese blauwe kaart, doet hij daarvan mededeling aan de autoriteiten van die staat.
1.
Indien Onze Minister besluit tot intrekking van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet of afwijzing van een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur daarvan van een houder van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, afgegeven door een andere lidstaat van de Europese Unie, met de aantekening dat die staat de vreemdeling internationale bescherming heeft verleend, verzoekt Onze Minister die staat te bevestigen of de vreemdeling aldaar nog steeds internationale bescherming geniet. In het bevestigend geval zet Onze Minister de vreemdeling uit naar die staat, onverminderd het toepasselijke Unierecht en het beginsel van de eenheid van het gezin.
2.
In afwijking van het eerste lid en onverminderd de voor Nederland geldende internationale verplichtingen, kan Onze Minister de langdurig ingezetene uitzetten naar een andere staat dan de lidstaat die de internationale bescherming heeft verleend, indien is voldaan aan artikel 3.105c, tweede lid, onder a of b.
3.
Indien de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, van een vreemdeling die houder is van een door een andere lidstaat van de Europese Unie afgegeven EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen die de aantekening bevat dat die staat verantwoordelijk is voor de internationale bescherming van de vreemdeling, is ingetrokken of de aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur ervan is afgewezen, op grond dat de vreemdeling een bedreiging voor de openbare orde of de openbare veiligheid vormt, kan de vreemdeling, onverminderd de terugnameverplichting van de andere lidstaat en onverminderd de voor Nederland geldende internationale verplichtingen slechts van het grondgebied van de Europese Unie worden verwijderd, indien:
a. de internationale bescherming inmiddels is ingetrokken, of
1.
Indien Onze Minister een inreisverbod uitvaardigt, registreert Onze Minister dit inreisverbod in het Schengen Informatiesysteem.
2.
Indien Onze Minister overweegt een vreemdeling die houder is van een verblijfstitel of andere toestemming tot verblijf, afgegeven door een andere staat als bedoeld in artikel 1.3, uit te zetten naar de staat waarvan de vreemdeling de nationaliteit bezit of bij het ontbreken van een nationaliteit naar de staat van zijn vroegere verblijfplaats, wint Onze Minister de nodige informatie in bij de autoriteiten van die andere staat. Indien Onze Minister besluit de vreemdeling uit te zetten, verstrekt hij de autoriteiten van die andere staat alle nodige informatie met betrekking tot de uitzetting.
3.
Onze Minister vormt het contactpunt ter uitvoering van de Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PbEU, L 348) en is verantwoordelijk voor het inwinnen en verstrekken van de informatie, bedoeld in het tweede lid.
1.
De beschikking, waarbij de aanvraag tot het verlenen, het wijzigen of het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8, onder a of b, van de Wet, geheel of gedeeltelijk wordt ingewilligd, of waarbij de verblijfsvergunning ambtshalve wordt verleend of gewijzigd, wordt bekendgemaakt door uitreiking van het document, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wet, waaruit het rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder a onderscheidenlijk onder b, van de Wet blijkt. De referent die de aanvraag heeft ingediend, wordt onverwijld in kennis gesteld van de bekendmaking.
2.
In afwijking van het eerste lid, kan de beschikking bekend worden gemaakt door toezending van het in het eerste lid bedoelde document:
a. indien uitreiking om technische redenen, verband houdend met het aanmaken van het document, niet mogelijk is;
b. in andere bijzondere omstandigheden.
3.
Indien de vreemdeling, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, in aanmerking komt voor meer dan één verblijfsdocument wordt één document uitgereikt of toegezonden en worden de overige beschikkingen bekendgemaakt door het stellen van een aantekening op dat document.
4.
De beschikking ten aanzien van een zich in het buitenland bevindende vreemdeling, waarbij de aanvraag tot het verlenen, het wijzigen of het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning geheel of gedeeltelijk wordt ingewilligd, of waarbij de verblijfsvergunning ambtshalve wordt verleend of gewijzigd, wordt bekendgemaakt na zijn aankomst in Nederland. Het eerste, tweede en derde lid zijn van toepassing.
5.
De beschikking, die niet of niet mede strekt tot het verlenen, wijzigen of verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8, onder a of b, van de Wet, wordt bekend gemaakt door uitreiking of door toezending naar het laatst bekende adres. De referent die de aanvraag heeft ingediend, wordt onverwijld in kennis gesteld van de bekendmaking.