Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | Vacatures | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
» Energiewijzer « advertorial
Bespaar geld en stap over!
Energiewijzer.nl, eerlijk over energie.

Juridische vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Powered by Jbmatch.nl

Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
- Hoofdstuk 2. Voorschriften betreffende de vaart
+ Hoofdstuk 3. Lichten en dagmerken
+ Hoofdstuk 4. Geluids- en lichtseinen
+ Hoofdstuk 5. Diverse bepalingen
+ Hoofdstuk 6. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht

Scheepvaartreglement voor het Kanaal van Gent naar Terneuzen

Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Artikel 4. Toepassing
De voorschriften in deze afdeling zijn van toepassing bij elk soort zicht.
Artikel 5. Uitkijk
Een schip moet te allen tijde door kijken en luisteren alsook door gebruik te maken van alle beschikbare middelen aangepast aan de heersende omstandigheden en toestanden, goede uitkijk houden zodat de omstandigheden en het gevaar voor aanvaring volledig kunnen worden beoordeeld.
1.
Een schip moet te allen tijde een veilige vaart aanhouden zodat het juiste en doeltreffende maatregelen kan nemen ter vermijding van aanvaring en kan worden gestopt binnen een voor de heersende omstandigheden en toestanden aangepaste afstand. Bij de bepaling van een veilige vaart moet onder meer rekening worden gehouden met de volgende factoren:
a. door alle schepen:
1°. het zicht;
2°. de verkeersdichtheid met inbegrip van concentraties van schepen;
3°. de manoeuvreerbaarheid van het schip, in het bijzonder wat betreft de afstand waarbinnen gestopt kan worden en de wendbaarheid in verband met de heersende toestanden;
4°. bij nacht de aanwezigheid van achtergrondlicht zoals van wallichten of het stralen van eigen lichten;
5°. de toestand van wind en de nabijheid van gevaren voor de navigatie;
6°. de diepgang ten opzichte van de beschikbare waterdiepte;
7°. de afmetingen van het schip;
8°. de aard van de lading;
b. bovendien, door schepen met een goed werkende radar:
1°. de eigenschappen, doeltreffendheid en beperkingen van de radarinstallatie;
2°. eventuele beperkingen opgelegd door het ingestelde radarbereik;
3°. de invloed van de toestand van het vaarwater, het weer en andere omstandigheden die de radarwaarneming storend kunnen beïnvloeden;
4°. de mogelijkheid dat kleine schepen, ijs en drijvende voorwerpen niet op voldoende afstand met radar worden waargenomen;
5°. het aantal, de plaats en de beweging van de met radar waargenomen schepen;
6°. de mogelijkheid tot nauwkeuriger beoordelen van het zicht bij gebruik van de radar voor het bepalen van de afstand tot schepen en andere voorwerpen in de omgeving;
c. bovendien, voor schepen uitgerust met een goed werkende marifooninstallatie: de verplichting doeltreffend gebruik te maken van inlichtingen van walstations en van andere schepen via het door de bevoegde autoriteit daartoe aangewezen marifoonkanaal. Afgezien van de verplichting via het aangewezen marifoonkanaal de meldingen te doen die hun worden opgelegd door de bevoegde autoriteit, mag het marifoonkanaal door schepen slechts worden gebruikt voor mededelingen omtrent de veiligheid van de scheepvaart en, in dringende gevallen, omtrent de beveiliging van de personen aan boord.
2.
Om een veilige vaart te kunnen aanhouden moet een schip, tenzij het wordt gesleept of geduwd, uitgerust zijn met een gebruiksklare motor waarmede een snelheid van ten minste 6 kilometer per uur door het water kan worden gehandhaafd.
3.
a. De hierna genoemde schepen moeten met een goed werkende marifooninstallatie zijn uitgerust en deze zo nodig gebruiken:
1°. zeeschepen;
2°. binnenschepen of duwstellen met een lengte van meer dan 110 meter;
3°. binnenschepen, duwstellen en gekoppelde samenstellen geladen met de gevaarlijke stoffen bedoeld in de bij dit besluit behorende bijlagen 2 , 3 of 4 ;
b. Indien de lengte van een binnenschip of van een duwstel meer dan 110 meter bedraagt, moet dit van een in twee richtingen werkende spreekverbinding zijn voorzien tussen de stuurhut en de kop van het schip of tussen de duwboot en de kop van het duwstel.
4.
Werktuiglijk voortbewogen schepen moeten hun vaart tijdig verminderen en zo nodig stoppen, indien voor hen hierdoor geen onmiddellijk gevaar dreigt:
a. telkens wanneer zij in de nabijheid komen van schepen waarvoor golfslag of zuiging gevaar kan opleveren en die de bij artikel 31, derde lid, voorgeschreven lichten of dagmerken voeren;
b. op plaatsen aangeduid door het teken A 9 van de bij dit besluit behorende bijlage 5 .
5.
Wanneer schepen elkaar naderen met tegengestelde koersen bij een engte waarvan de doortocht zo nauw is dat het tegelijkertijd doorvaren gevaar kan opleveren, moet het schip dat geen hindernis aan zijn stuurboordzijde heeft, zijn weg vervolgen en moet het andere wachten totdat de engte vrij is.
6.
Een schip mag slechts gebruik maken van een marifooninstallatie indien deze is goedgekeurd door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, en deze geschikt is voor gebruik van de daartoe aangewezen kanalen.
7.
Het is verboden met een schip met een lengte van 20 meter of meer zeilen te voeren of te zeilen.
8.
De maximum toegelaten snelheid bedraagt:
a. voor schepen met een diepgang van 10 meter of meer: 9 kilometer per uur;
b. voor schepen met een diepgang tussen 4,50 en 10 meter: 12 kilometer per uur;
c. voor schepen met een diepgang van 4,50 meter of minder: 16 kilometer per uur.
9.
Een schip mag niet varen indien door de wijze van belading of anderszins de stabiliteit in gevaar wordt gebracht, of indien het schip slecht bestuurbaar is of dreigt te zinken.
1.
Een schip moet alle beschikbare middelen gebruiken, passend in de heersende omstandigheden en toestanden, om te bepalen of gevaar voor aanvaring bestaat. In geval van twijfel wordt zodanig gevaar geacht te bestaan.
2.
Wanneer op een schip een goed werkende marifooninstallatie en goed werkende radarapparatuur zijn aangebracht, moet daarvan dusdanig gebruik gemaakt worden, dat vroegtijdige waarschuwing voor het gevaar voor aanvaring wordt verkregen.
3.
Er mogen geen gevolgtrekkingen worden gemaakt op grond van summiere gegevens, vooral niet van summiere gegevens verkregen met behulp van radar.
1.
Alle maatregelen ter vermijding van aanvaring moeten, indien de omstandigheden zulks toelaten, doelmatig en duidelijk zijn en op tijd worden genomen, daarbij goed rekening houdend met de gebruiken van goede zeemanschap.
2.
Indien zulks noodzakelijk is ter vermijding van aanvaring of om meer tijd te verkrijgen ter beoordeling van de situatie, moet een schip vaart minderen of de vaart er geheel uithalen door stoppen of achteruit slaan.
3.
De maatregelen genomen ter vermijding van aanvaring met een ander schip moeten zodanig zijn dat zij leiden tot het voorbijvaren op veilige afstand. De doeltreffendheid van de maatregelen moet zorgvuldig worden gecontroleerd totdat het andere schip geheel voorbij is gevaren en goed vrij is.
1.
Een schip dat in het kanaal varende is en de richting ervan volgt, moet de oever van het kanaal aan zijn stuurboordzijde houden, zo dicht als veilig en uitvoerbaar is.
2.
Een schip dat een vaarwater geheel of gedeeltelijk oversteekt of van zijn ligplaats vertrekt, mag de koerslijn van een schip dat in dat vaarwater varende is en de richting ervan volgt, niet kruisen indien laatstgenoemd schip daardoor verplicht zou worden koers of vaart te wijzigen om aanvaring te voorkomen. Bij gevaar voor aanvaring moet het schip dat een vaarwater geheel of gedeeltelijk oversteekt of van zijn ligplaats vertrekt uitwijken.
3.
a. Een schip dat het kanaal wil binnenvaren, mag de koerslijn van een schip dat in het kanaal vaart en de richting ervan volgt, niet kruisen indien laatstgenoemd schip daardoor verplicht zou worden koers of vaart te wijzigen om aanvaring te voorkomen.
Bij gevaar voor aanvaring moet eerstgenoemd schip, daar waar het het kanaal binnenvaart, uitwijken voor een schip dat het kanaal volgt.
b. Een schip mag de Westerschelde niet invaren, indien daardoor een schip dat dit vaarwater in gestrekte koers volgt, zou worden genoodzaakt zijn koers of snelheid te wijzigen.
4.
Het is zonder toestemming van de bevoegde autoriteit verboden met een schip:
a. zich zodanig op te houden of af te meren dat andere schepen daarvan hinder kunnen ondervinden;
b. ten anker te komen, ten anker te liggen of een anker te hebben uitstaan;
c. een anker, een kabel of een ketting te laten slepen.
5.
Het bepaalde in het vierde lid is niet van toepassing:
a. indien dit voor de veiligheid noodzakelijk is;
b. op de door de bevoegde autoriteit aangewezen ligplaatsen en op wachtplaatsen voor sluizen en bruggen, mits dat niet geschiedt binnen een afstand van 100 meter van plaatsen waar zich kabels of buisleidingen bevinden.
6.
Het is verboden in het kanaal met een schip af te meren, tenzij dit is toegestaan middels verkeerstekens dan wel door de bevoegde autoriteit.
7.
De kapitein of schipper van een gemeerd schip is verplicht:
a. aan een ander schip dat wil vertrekken of verhalen, laden of lossen dan wel ruimte wil hebben voor het langszij komen van een schip ten behoeve van overslag, de nodige medewerking te geven;
b. te gedogen dat een ander schip verbinding met de wal heeft anders dan om te laden of te lossen;
c. op eerste vordering van de bevoegde autoriteit zijn schip onverwijld te verhalen of te doen verhalen, dan wel met zijn schip de haven of vaarweg te verlaten.
8.
Voor het vastmaken van meerdraden, kabels of kettingen mag alleen gebruik gemaakt worden van de daartoe bestemde voorzieningen.
9.
Een schip mag ankeren noch afmeren binnen de afstanden van een ander schip zoals hieronder wordt bepaald:
a. binnen 10 meter van een schip dat een blauw licht of een blauwe kegel, bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder a, voert;
b. binnen 50 meter van een schip dat twee blauwe lichten of kegels, bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder b, of een rood helder rondom zichtbaar licht of de internationale seinvlag "B", bedoeld in artikel 25, eerste lid, voert;
c. binnen 100 meter van een schip dat drie blauwe lichten of kegels, bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder c, voert.
10.
Het verbod in het negende lid, onder a, geldt niet voor een schip dat eveneens dit licht of dit dagmerk voert. Het verbod geldt evenmin voor een schip dat, zonder dat het dit licht of dit dagmerk voert, is voorzien van een certificaat van goedkeuring, bedoeld in de Europese Overeenkomst betreffende het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren (ADN) nr. 8.1.8, en dat voldoet aan de veiligheidsvoorschriften voor een schip dat ingevolge artikel 25, tweede lid, onder a, verplicht is een blauw licht of een blauwe kegel te voeren.
11.
De bevoegde autoriteit kan voor het ankeren en afmeren kleinere afstanden toestaan dan die in het negende lid worden vermeld.
12.
Het bepaalde in het negende, tiende en elfde lid is van overeenkomstige toepassing voor de afstanden waar binnen een schip, bedoeld in artikel 25, niet mag ankeren of afmeren ten opzichte van een ander schip.
1.
Een schip dat wil keren, mag de koerslijn van een schip dat in het vaarwater varende is en de richting ervan volgt, niet kruisen indien laatstgenoemd schip daardoor verplicht zou worden koers of vaart te wijzigen om aanvaring te voorkomen. Een schip dat wil keren moet dit tijdig aan de in de nabijheid zijnde schepen kenbaar maken door het geven van één lange stoot gevolgd door één of twee korte indien het keren respectievelijk over stuurboord dan wel over bakboord gebeurt; dit sein moet zo nodig worden herhaald.
2.
Een schip mag niet keren vóór de ingang van een haven, zijkanaal of de toegang tot een sluis wanneer andere schepen die verlaten of aanlopen.
Artikel 11. Toepassing
De voorschriften in deze afdeling zijn van toepassing op schepen die in zicht van elkaar zijn.
Artikel 12. Afstand houden van schepen die gevaarlijke stoffen vervoeren
Behalve bij oplopen en bij voorbijvaren met tegengestelde koersen, mag een schip niet varen binnen een afstand van 50 meter van een schip dat de lichten of dagmerken voert voorgeschreven in artikel 25, eerste lid en tweede lid, onder a, b en c.
1.
Elk schip dat een ander schip oploopt, moet uitwijken voor het schip dat wordt opgelopen.
2.
Een schip wordt geacht op te lopen wanneer het een ander schip nadert uit een richting van meer dan 22,5° achterlijker dan dwars, dat wil zeggen in zodanige positie met betrekking tot het schip dat wordt opgelopen dat het bij nacht alleen het heklicht daarvan zou kunnen zien doch geen van de beide zijdelichten. Geen daaropvolgende verandering van de peiling tussen de beide schepen zal het oplopende schip kunnen maken tot koerskruisend in de zin van dit reglement of het kunnen ontslaan van de plicht uit te wijken voor het opgelopen schip totdat dit geheel is voorbijgevaren en goed vrij is.
3.
Wanneer een schip in twijfel verkeert of het een ander schip oploopt, moet het zich als oplopend schip beschouwen en uitwijken.
4.
Een schip dat een ander schip oploopt, moet aan de bakboordzijde van dat schip voorbijvaren. Wanneer het oplopen slechts kan plaatsvinden indien het opgelopen schip maatregelen neemt om een veilig voorbijvaren mogelijk te maken, moet het schip dat wil oplopen tijdig zijn voornemen kenbaar maken door het geven van twee lange stoten gevolgd door twee korte. Kan het opgelopen schip ruimte aan zijn bakboordzijde geven dan moet het naar stuurboord uitwijken en één korte stoot geven.
5.
Wanneer de omstandigheden daartoe noodzaken, mag, in afwijking van hetgeen in het vierde lid is voorgeschreven, het oplopende schip aan de stuurboordzijde van het opgelopene voorbijvaren. Wanneer het oplopen slechts kan plaatsvinden indien het opgelopen schip maatregelen neemt om een veilig voorbijvaren mogelijk te maken, moet het schip dat wil oplopen tijdig zijn voornemen kenbaar maken door het geven van twee lange stoten gevolgd door één korte. Kan het opgelopen schip ruimte aan zijn stuurboordzijde geven dan moet het naar bakboord uitwijken en twee korte stoten geven.
6.
Het opgelopen schip moet ten minste vijf korte stoten geven indien het niet kan medewerken tot het oplopen of indien naar zijn mening het oplopen onmogelijk is.
7.
Een schip mag, behoudens toestemming van de bevoegde autoriteit, een bovenmaats zeeschip dat varende is en de lichten of het dagmerk voert omschreven in artikel 28 niet oplopen en voorbijvaren.
8.
Het opgelopen schip is verplicht het oplopen te vergemakkelijken door tijdig en genoegzaam vaart te verminderen en het oplopende schip zoveel mogelijk ruimte te geven.
9.
Schepen mogen niet op gelijke hoogte blijven varen tenzij dit zonder hinder of gevaar voor de scheepvaart kan geschieden.
1.
Wanneer twee werktuiglijk voortbewogen schepen op tegengestelde of bijna tegengestelde koersen tegen elkaar insturen zodanig dat dit gevaar voor aanvaring medebrengt, moeten beide naar stuurboord uitwijken zodat ze elkaar aan bakboord voorbijvaren.
2.
Een zodanige situatie wordt geacht te bestaan wanneer een schip een ander dusdanig recht of bijna recht vooruit ziet dat het, bij nacht, de toplichten daarvan in één lijn of nagenoeg in één lijn en/of beide zijdelichten zou kunnen zien. Wanneer een schip in twijfel verkeert of een zodanige situatie bestaat, moet het aannemen dat dit het geval is en dienovereenkomstig handelen.
Artikel 15. Koers kruisen
Wanneer de koersen van twee werktuiglijk voortbewogen schepen elkaar kruisen zodanig dat dit gevaar voor aanvaring medebrengt, moet, behalve waar artikel 9, tweede en derde lid, anders voorschrijft, het schip dat het andere aan stuurboordzijde van zich heeft uitwijken en, wanneer de omstandigheden het toelaten, vermijden vóór het andere over te lopen.
Artikel 16. Maatregelen van het schip dat moet uitwijken
Elk schip dat verplicht is uit te wijken voor een ander schip moet, voor zover dit mogelijk is, bijtijds ruim voldoende maatregelen nemen om goed vrij te blijven.
1.
Wanneer één van beide schepen verplicht is uit te wijken, moet het andere zijn koers behouden voor zover bij dit reglement niet anders is bepaald.
2.
Het schip dat zijn koers moet behouden mag echter maatregelen nemen ter vermijding van aanvaring door zelf een manoeuvre uit te voeren zodra hem duidelijk wordt dat het schip dat verplicht is uit te wijken niet de passende maatregelen neemt die ingevolge dit reglement zijn voorgeschreven.
3.
Indien ten gevolge van enige oorzaak het schip dat verplicht is koers te behouden zich zo dicht bij het andere bevindt dat aanvaring door een handeling van het schip dat moet uitwijken alléén niet kan worden vermeden, moet het de maatregelen nemen die het best kunnen bijdragen tot het vermijden van aanvaring.
4.
Dit voorschrift ontheft het schip dat verplicht is uit te wijken niet van die verplichting.
1.
Behalve waar artikel 13 anders voorschrijft:
a. moet een schip dat varende is uitwijken voor:
1°. een onmanoeuvreerbaar schip;
2°. een bovenmaats zeeschip;
3°. een beperkt manoeuvreerbaar schip;
b. moet een bovenmaats zeeschip dat varende is uitwijken voor een onmanoeuvreerbaar schip;
c. moet een beperkt manoeuvreerbaar schip dat varende is uitwijken voor een onmanoeuvreerbaar schip en voor een bovenmaats zeeschip;
d. moet een klein schip dat varende is uitwijken voor andere dan kleine schepen.
2.
Buiten de gedeelten van het kanaal die door de bevoegde autoriteit zijn aangegeven, is het een bovenmaats zeeschip verboden een ander bovenmaats zeeschip met tegengestelde koers voorbij te varen.
3.
Buiten de gedeelten van het kanaal die door de bevoegde autoriteit zijn aangegeven, is het een zeeschip met een lengte van 245 meter of meer en een duwstel of een gekoppeld samenstel met een breedte van 15 meter of meer verboden elkaar met tegengestelde koersen voorbij te varen.
4.
Wanneer twee kleine schepen elkaar zodanig naderen dat gevaar voor aanvaring bestaat en één van die schepen houdt de stuurboordzijde van het vaarwater, dan moet dit schip zijn weg vervolgen en moet het andere schip uitwijken.
5.
Wanneer een werktuiglijk voortbewogen klein schip, een door spierkracht voortbewogen klein schip of een klein zeilschip elkaar zodanig naderen dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet, behoudens in het geval genoemd in het vierde lid:
a. het werktuiglijk voortbewogen klein schip uitwijken voor het andere schip;
b. het door spierkracht voortbewogen klein schip uitwijken voor het zeilschip.
6.
Wanneer, behoudens in het geval genoemd in het vierde lid:
a. twee werktuiglijk voortbewogen kleine schepen zodanig recht of bijna recht tegen elkaar insturen dat gevaar voor aanvaring bestaat, moeten beide naar stuurboord uitwijken zodat ze elkaar aan bakboord voorbijvaren;
b. de koersen van twee werktuiglijk voortbewogen kleine schepen elkaar zodanig kruisen dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet het schip dat het andere aan stuurboordzijde van zich heeft, uitwijken.
7.
Een klein schip dat ingevolge het bij het eerste, vierde, vijfde of zesde lid gestelde verplicht is uit te wijken, moet dit tijdig en naar stuurboord doen en moet, indien de omstandigheden dit toelaten, vermijden vóór het andere schip over te lopen.
8.
Indien twee kleine zeilschepen elkaar zodanig naderen dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet, behoudens in het geval genoemd in het vierde lid:
a. wanneer beide schepen over verschillende boeg liggen, het schip dat over stuurboordboeg ligt uitwijken voor het schip dat over bakboordboeg ligt;
b. wanneer beide schepen over dezelfde boeg liggen, het loefwaartse schip wijken voor het lijwaartse;
c. een schip dat over stuurboordboeg ligt en dat aan zijn loefzijde een schip ziet waarvan niet met zekerheid is te bepalen of het over stuurboord- dan wel over bakboordboeg ligt, voor laatstgenoemd schip uitwijken.
1.
Bij beperkt zicht maakt een schip gebruik van radar. Als een schip niet op radar kan varen, gaat het bij beperkt zicht op de dichtstbijzijnde daarvoor geschikte plaats stilliggen.
2.
Elk schip moet een veilige vaart aanhouden aangepast aan de heersende omstandigheden en de toestanden van beperkt zicht en zonodig stoppen. Een werktuiglijk voortbewogen schip moet zijn machines gereed hebben ten einde onmiddellijk te kunnen manoeuvreren.
3.
Een schip dat alleen met radar de aanwezigheid van een ander schip waarneemt, moet vaststellen of zich een situatie ontwikkelt waarin men elkaar zo dicht nadert dat gevaar voor aanvaring kan ontstaan. Is dit het geval dan moet het bijtijds maatregelen ter vermijding daarvan nemen.
4.
Behalve wanneer is vastgesteld dat geen gevaar voor aanvaring bestaat, moet elk schip dat meent voorlijker dan dwars het mistsein te horen van een ander schip of dat een dicht naderen van een schip voorlijker dan dwars niet kan vermijden, zijn vaart verminderen tot het minimum waarbij het op koers kan worden gehouden. Indien nodig moet de vaart geheel uit het schip worden gehaald en in elk geval uiterst voorzichtig gemanoeuvreerd worden tot het gevaar voor aanvaring is geweken.
5.
Schepen mogen slechts met behulp van radar varen indien:
a. ze zijn uitgerust met een voor de behoeften van de binnenvaart geschikte radarinstallatie en een bochtaanwijzer;
b. ze zijn uitgerust met een marifooninstallatie waarmede het onderhouden van verbinding tussen schepen onderling mogelijk is;
c. zich aan boord een persoon bevindt die houder is van een diploma dat overeenkomstig de daaromtrent vastgestelde regelen is afgegeven;
d. zowel de in onderdeel c bedoelde persoon als een tweede persoon, die met deze wijze van varen voldoende op de hoogte is, zich voortdurend in de stuurhut bevinden. Voor een schip waarvan de stuurstelling zodanig is ingericht, dat het voeren van het schip dat vaart met behulp van radar, door één persoon kan geschieden, behoeft de tweede persoon slechts aan boord beschikbaar te zijn.
De radar, de marifooninstallatie en de bochtaanwijzer moeten goed functioneren en goedgekeurd zijn door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
6.
Bij het varen bij beperkt zicht met behulp van radar moet de marifooninstallatie voortdurend op het kanaal zijn ingeschakeld dat door de bevoegde autoriteit is voorgeschreven en aan de scheepvaart is bekend gemaakt, hetzij om uit te luisteren, hetzij om inlichtingen te geven ten behoeve van andere schepen. De marifooninstallatie moet tevens worden gebruikt voor het onderhouden van verbinding met de bevoegde personen aan de wal.