Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | Vacatures | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
» Energiewijzer « advertorial
Bespaar geld en stap over!
Energiewijzer.nl, eerlijk over energie.

Juridische vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Powered by Jbmatch.nl

Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Begripsomschrijvingen
+ Hoofdstuk Ia. Elektronische berichtgeving
+ Hoofdstuk II. Algemene en organisatorische bepalingen
+ Hoofdstuk III. Toepasselijkheid van bepalingen
+ Hoofdstuk IV. Aanstelling
+ Hoofdstuk V. Loopbaanvorming
+ Hoofdstuk VI. Bezoldiging
+ Hoofdstuk VII. Tegemoetkomingen en vergoedingen in verband met plaatsing in het buitenland
+ Hoofdstuk VIII. Dienst- en werktijden en keuzemogelijkheden in het arbeidsvoorwaardenpakket
- Hoofdstuk IX. Vakantie en verlof
+ Hoofdstuk X. Arbeidsgezondheidskundige begeleiding, rechten en verplichtingen bij ziekte en arbeidsongeschiktheid; alsmede gezondheidskundige begeleiding van gezinsleden in verband met plaatsing in het buitenland
- Hoofdstuk XI. Rechten en verplichtingen bij reorganisaties. procedure bij reorganisaties
+ Hoofdstuk XII. Overige rechten en verplichtingen van de ambtenaar
+ Hoofdstuk XIIa
+ Hoofdstuk XIII. Disciplinaire straffen
+ Hoofdstuk XIV. Schorsing en ontslag
Hoofdstuk XV. Vervallen.
Hoofdstuk XVI. Vervallen.
Hoofdstuk XVII. Vervallen.
Hoofdstuk XVIIA. Vervallen.
+ Hoofdstuk XVIII. Lokaal indienstgenomen werknemers
+ Hoofdstuk XIX. Honoraire consulaire ambtenaren, behorende tot de DBZ
+ Hoofdstuk XX. Honoraire adviseurs, behorende tot de DBZ
+ Hoofdstuk XXI. Titels
+ Hoofdstuk XXII. Georganiseerd overleg en medezeggenschap
+ Hoofdstuk XXIII. Bezwaar
+ Hoofdstuk XXIV
+ Hoofdstuk XXV. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht

Reglement Dienst Buitenlandse Zaken

Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Ook bekend als:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
1.
Onverminderd het bepaalde in de hoofdstukken VI en X, geniet verlof:
a. de ambtenaar die uit hoofde van ziekte of ongeval verhinderd is dienst te verrichten;
b. de ambtenaar die als militair, dan wel als vrijwillige ambtenaar als bedoeld in artikel 1, onder d, van het Besluit rechtspositie vrijwillige politie, in werkelijke dienst is;
c. de ambtenaar die zich bevindt in een van de omstandigheden, genoemd in artikel 20b van het ARAR.
2.
De ambtenaar die ingevolge het eerste lid, onder a, verlof geniet, kan, onverminderd artikel 41a, zevende lid, vakantie opnemen.
1.
Indien de rijksdienst in Nederland op een daartoe aangewezen kerkelijke of niet-kerkelijke, landelijk, regionaal of plaatselijk erkende feest- of gedenkdag is gesloten, geniet de ambtenaar verlof voor zover het dienstbelang niet anders vereist.
2.
Het eerste lid vindt geen toepassing, indien de sluiting van de rijksdienst regionaal of plaatselijk plaatsvindt en de ambtenaar elders werkzaam is.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot het eerste en tweede lid nadere en zonodig afwijkende regels worden vastgesteld voor degenen die buiten Nederland zijn geplaatst.
1.
Onverminderd het bepaalde in artikel 82 wordt aan de ambtenaar in de gevallen en onder de voorwaarden, genoemd in de artikelen 43a tot en met 48, buitengewoon verlof verleend.
2.
Onder zeer persoonlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 4:1 van de Wet arbeid en zorg worden in ieder geval begrepen de omstandigheden, genoemd in de artikelen 43d, 43e en 45.
Artikel 43a. Buitengewoon verlof van korte duur; kiesrecht en wettelijke verplichtingen
Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend:
a. voor de uitoefening van kiesrecht;
b. voor het voldoen aan een wettelijke verplichting, een en ander voor zover dit niet in vrije tijd kan geschieden en omzetting van dienst niet mogelijk is.
1.
Indien de ambtenaar een vaste vergoeding ontvangt uit de functie waarvoor hem het in artikel 125c, tweede lid, van de Ambtenarenwet bedoelde verlof wordt verleend, wordt op zijn bezoldiging een inhouding toegepast over de tijd dat hij het verlof geniet. Deze inhouding gaat hetgeen hij geacht kan worden te ontvangen als vaste vergoeding voor de met het verlof overeenkomende tijd in de bedoelde functie niet te boven.
2.
Door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties krachtens artikel 33a van het ARAR gestelde nadere regels zijn van overeenkomstige toepassing.
1.
Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt jaarlijks ten hoogste 120 uren buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend voor het bijwonen van vergaderingen van statutaire organen van verenigingen van ambtenaren, van centrale organisaties waarbij deze verenigingen zijn aangesloten of van internationale ambtenarenorganisaties, mits de ambtenaar hieraan deelneemt:
a. indien het vergaderingen betreft van verenigingen van ambtenaren: als bestuurslid van die vereniging dan wel als afgevaardigde of bestuurslid van een onderdeel daarvan;
b. indien het vergaderingen betreft van centrale organisaties waarbij verenigingen van ambtenaren zijn aangesloten: als bestuurslid van die centrale organisatie dan wel als afgevaardigde of bestuurslid van een bij die organisatie aangesloten vereniging van ambtenaren;
c. indien het vergaderingen betreft van een internationale ambtenarenorganisatie: als bestuurslid van deze organisatie dan wel als afgevaardigde of bestuurslid van een bij die organisatie aangesloten vereniging van ambtenaren.
2.
Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt tot ten hoogste 208 uren per jaar buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend aan de ambtenaar, die door een centrale als bedoeld in artikel 142, derde lid, of door een daarbij aangesloten vereniging is aangewezen om bestuurlijke of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen zijn centrale of een daarbij aangesloten vereniging dan wel binnen de organisatie van de werkgever, die er toe strekken de doelstellingen van zijn centrale van overheidspersoneel en de daarbij aangesloten verenigingen te ondersteunen.
3.
Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend aan de ambtenaar voor het – op uitnodiging van een organisatie van ambtenaren – als cursist deelnemen aan een cursus, met dien verstande dat dit verlof ten hoogste 48 uren per twee jaren bedraagt.
4.
Het aantal uren dat op grond van het eerste, tweede en derde lid aan een ambtenaar mag worden verleend, bedraagt tezamen ten hoogste 240 uren per jaar, met dien verstande dat ten hoogste 320 uren worden verleend:
a. aan leden van de hoofdbesturen van de centrale organisaties, genoemd in artikel 105, tweede lid, onder a en b, van het ARAR en van organisaties, die rechtstreeks bij die centrale organisaties zijn aangesloten;
b. aan leden van het hoofdbestuur van het Ambtenarencentrum en aan leden van het dagelijks bestuur van de bij die centrale aangesloten organisaties;
c. aan leden van het hoofdbestuur van de Centrale van Middelbare en Hogere Functionarissen bij Overheid, Onderwijs, Bedrijven en Instellingen, alsmede aan de bestuursleden van de sectoren en secties van die organisatie.
5.
Het verlof, bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, wordt slechts verleend aan ambtenaren die lid zijn van verenigingen van ambtenaren die zijn aangesloten bij centrales van verenigingen van ambtenaren die deel uitmaken van de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel.
6.
Tenzij andere belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend voor het bijwonen van vergaderingen van georganiseerd overleg in ambtenarenzaken. Dit geldt eveneens voor een voorvergadering per in de eerste volzin bedoelde vergadering.
1.
Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend:
a. voor het zoeken van een woning vanwege overplaatsing: ten hoogste twee dagen;
b. bij verhuizing vanwege overplaatsing: aan hen die een eigen huishouding hebben: twee dagen, zonodig te verlengen tot drie en in zeer bijzondere gevallen tot vier dagen en aan hen die niet een eigen huishouding hebben: ten hoogste twee dagen.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere of afwijkende regels worden gesteld, zonodig onderscheiden naar degenen die in Nederland dan wel in het buitenland zijn geplaatst.
1.
Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt aan de ambtenaar buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend:
a. bij zijn huwelijk: twee dagen;
b. tot het bijwonen van een huwelijk van bloed- of aanverwanten in de eerste en tweede graad: een dag;
c. bij overlijden van:
1e. in artikel 45d, tweede lid, genoemde personen: vier dagen;
2e. bloed- of aanverwanten in de tweede graad: twee dagen, of, indien de ambtenaar is belast met de regeling van de lijkbezorging of van de nalatenschap dan wel van beide, ten hoogste vier dagen;
d. bij bevalling van zijn huwelijkspartner: ten hoogste twee dagen;
e. na de bevalling van de echtgenote of degene van wie hij het kind erkent, gedurende een tijdvak van vier weken vanaf de eerste dag dat het kind feitelijk op hetzelfde adres als de moeder woont: twee dagen.
2.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder huwelijk mede begrepen het sluiten van een samenlevingscontract als bedoeld in artikel 2, tweede lid, of het aangaan van een geregistreerd partnerschap.
3.
Buitengewoon verlof dat aan de ambtenaar op grond van het eerste lid wordt verleend in verband met aanverwantschap die door zijn huwelijk is ontstaan met bloedverwanten van zijn huwelijkspartner, wordt op gelijke wijze verleend aan de ambtenaar die ongehuwd samenwoont als bedoeld in artikel 2, tweede lid, of aan de ambtenaar die een geregistreerd partnerschap is aangegaan, met betrekking tot dezelfde bloedverwanten van zijn levenspartner of van zijn geregistreerde partner.
4.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere of afwijkende regels worden gesteld voor degenen die in het buitenland zijn geplaatst.
1.
Buitengewoon verlof van korte duur, al dan niet met behoud van bezoldiging, kan bovendien worden verleend in de gevallen waarin daartoe aanleiding bestaat.
2.
Door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties gestelde nadere regels als bedoeld in artikel 33e, tweede lid, van het ARAR zijn van overeenkomstige toepassing.
1.
Behoudens in dringende gevallen moet buitengewoon verlof van korte duur ten minste 24 uren tevoren schriftelijk of mondeling worden aangevraagd.
2.
Indien de ambtenaar, die niet vooraf een verzoek om buitengewoon verlof van korte duur heeft ingediend, aantoont dat hij daartoe geen gelegenheid heeft gehad, terwijl er voor zijn afwezigheid gegronde redenen bestonden, wordt deze afwezigheid beschouwd als buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging.
3.
Een gegronde reden als bedoeld in het tweede lid is slechts aanwezig:
a. indien een omstandigheid als genoemd in de artikelen 43a tot en met 43f aanwezig is geweest, op grond waarvan aan de ambtenaar op zijn verzoek buitengewoon verlof wordt verleend, zulks met inachtneming van de daarbij vermelde voorwaarden en termijnen;
b. in alle andere gevallen, indien de ambtenaar, alle omstandigheden in aanmerking genomen, redelijkerwijze de dienst mocht verzuimen.
1.
De ambtenaar die zorg draagt voor een of meer personen als bedoeld in het vierde lid heeft aanspraak op zorgverlof bij calamiteiten met behoud van bezoldiging.
2.
Onder calamiteit wordt verstaan ziekte of een andere onverwachte gebeurtenis waardoor een noodsituatie ontstaat in de verzorging van een of meer van de in het vierde lid bedoelde personen.
3.
Het verlof is bedoeld als eerste opvang en voor het treffen van verdere voorzieningen en bedraagt maximaal een dag per calamiteit.
4.
De personen voor wier verzorging het verlof kan worden verleend zijn: de huwelijkspartner, ouders, stiefouders, pleegouders, schoonouders, kinderen, stiefkinderen, pleegkinderen of aangehuwd kinderen van de ambtenaar.
5.
De ambtenaar informeert het bevoegd gezag vooraf over het opnemen van het verlof onder vermelding van de reden.
6.
Geëist kan worden dat de ambtenaar achteraf aannemelijk maakt dat daadwerkelijk sprake was van een noodsituatie. Indien de ambtenaar dat niet aannemelijk maakt, kunnen de opgenomen uren in mindering worden gebracht op zijn vakantie-aanspraken.
7.
Voor de toepassing van dit artikel is het derde lid van artikel 43e van overeenkomstige toepassing.
1.
De vrouwelijke ambtenaar heeft in verband met haar bevalling aanspraak op zwangerschaps- en bevallingsverlof.
2.
Gedurende het zwangerschaps- en bevallingsverlof behoudt de vrouwelijke ambtenaar haar aanspraak op bezoldiging.
3.
De vrouwelijke ambtenaar heeft recht op een zwangerschapsverlof vanaf de dag waarop de bevalling blijkens een verklaring van een arts of van een verloskundige aangevende de vermoedelijke datum van de bevalling, binnen zes weken is te verwachten. Dit verlof gaat uiterlijk in vier weken voor de dag na de vermoedelijke datum van bevalling.
4.
De vrouwelijke ambtenaar heeft recht op een bevallingsverlof van tien weken vanaf de dag volgend op die van de bevalling. Dit verlof wordt verlengd tot ten hoogste zestien weken, voor zover het zwangerschapsverlof voorafgaand aan de vermoedelijke datum van bevalling, om andere redenen dan wegens ziekte minder dan zes weken heeft bedragen.
5.
Indien de vrouwelijke ambtenaar aan wie verlof is verleend gedurende dat verlof of gedurende een bepaalde periode van dat verlof tevens recht heeft op een financiële tegemoetkoming op basis van de Wet arbeid en zorg , wordt gedurende de periode waarin sprake is van samenloop een inhouding op de bezoldiging toegepast welke overeenkomt met het bedrag van bedoelde financiële tegemoetkoming.
6.
Indien aan de gestelde voorwaarden voor het toekennen van een financiële tegemoetkoming als bedoeld in het vijfde lid is voldaan maar geen financiële tegemoetkoming is toegekend omdat de vrouwelijke ambtenaar geen aanvraag heeft ingediend, wordt het vijfde lid op overeenkomstige wijze toegepast. In dat geval wordt rekening gehouden met de financiële tegemoetkoming die aan de vrouwelijke ambtenaar zou zijn toegekend indien zij wel een aanvraag zou hebben ingediend.
1.
De gewezen vrouwelijke ambtenaar, wier tijdstip van ingang van haar ontslag is gelegen in de periode, bedoeld in artikel 45a, eerste lid, behoudt haar aanspraak op haar laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering. De aanspraak eindigt na 16 weken, te rekenen vanaf de eerste dag waarop haar zwangerschapsverlof als bedoeld in artikel 45a, eerste lid, een aanvang heeft genomen.
2.
De gewezen vrouwelijke ambtenaar, wier bevalling wordt verwacht binnen vier maanden na het tijdstip van ingang van haar ontslag, ontvangt haar laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering gedurende de periode die:
a. aanvangt op de 41e dag voorafgaande aan de vermoedelijke datum van bevalling; en
b. eindigt op de 70e dag na de datum van bevalling.
3.
De periode, bedoeld in het tweede lid, wordt verlengd tot 16 weken, indien die periode door een voortijdige bevalling minder dan 16 weken heeft bedragen.
4.
De gewezen vrouwelijke ambtenaar, wier bevalling niet wordt verwacht binnen vier maanden na het tijdstip van ingang van haar ontslag, maar die niettemin binnen die periode bevalt, ontvangt haar laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering gedurende de periode die:
a. aanvangt op de datum van bevalling; en
b. eindigt op de 70e dag na de datum waarop de bevalling heeft plaatsgevonden.
5.
De artikelen 45a, vijfde en zesde lid, 54e, tweede lid, en 57, zijn van overeenkomstige toepassing.
1.
De ambtenaar die als ouder in familierechtelijke betrekking staat tot een kind, heeft aanspraak op verlof. Indien de ambtenaar met ingang van hetzelfde tijdstip tot meer dan één kind in familierechtelijke betrekking komt te staan, bestaat er ten aanzien van ieder van die kinderen aanspraak op verlof.
2.
De ambtenaar die blijkens de basisregistratie personen op hetzelfde adres woont als een kind en duurzaam de verzorging en de opvoeding van dat kind als eigen kind op zich heeft genomen, heeft aanspraak op verlof. Indien de ambtenaar met ingang van hetzelfde tijdstip de verzorging en opvoeding van meer dan één kind op zich heeft genomen, bestaat er ten aanzien van ieder van die kinderen aanspraak op verlof.
3.
Geen aanspraak op verlof bestaat na de datum waarop het kind de leeftijd van acht jaren heeft bereikt.
4.
Het verlof wordt uitsluitend verleend aan de ambtenaar wiens dienstbetrekking ten minste een jaar heeft geduurd. Het verlof wordt behoudens bijzondere gevallen genoten gedurende een plaatsing in Nederland. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden het verlof gedurende plaatsing buiten Nederland kan worden genoten.
5.
Het aantal uren verlof waarop de ambtenaar per keer ten hoogste aanspraak heeft, bedraagt zesentwintig maal de arbeidsduur per week uitgaande van zijn arbeidsduur op het tijdstip waarop het verlof aanvangt. Indien de arbeidsduur van de ambtenaar gedurende het verlof wijzigt, wordt de aanspraak op het verlof opnieuw vastgesteld, rekening houdend met de mate waarin de arbeidsduur is gewijzigd en de mate waarin de periode gedurende welke het verlof wordt genoten is verstreken.
6.
Het verlof wordt opgenomen gedurende een aaneengesloten periode van ten hoogste twaalf maanden en gelijkmatig over deze periode verdeeld. In afwijking van de eerste volzin kan de ambtenaar verzoeken om het verlof op een andere wijze aaneengesloten te genieten of het verlof op te delen in ten hoogste drie perioden, waarbij iedere periode ten minste een maand bedraagt. Met het verzoek wordt ingestemd, tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet.
7.
Bij een keuze voor het maximale aantal uren verlof als bedoeld in het vijfde lid, heeft de ambtenaar over de verlofuren aanspraak op 27,5% van zijn bezoldiging. Bij een aanvraag voor een geringer aantal uren verlof wordt het percentage evenredig verhoogd tot ten hoogste 55. Zo nodig wordt het percentage rekenkundig afgerond op één decimaal achter de komma.
8.
De ambtenaar is verplicht tot terugbetaling van hetgeen hem over de genoten uren ouderschapsverlof is toegekend over de genoten verlofuren indien hem tijdens de verlofperiode of binnen een jaar na afloop van het verlof ontslag wordt verleend op aanvraag dan wel niet op aanvraag op grond van aan de ambtenaar te wijten feiten of omstandigheden. Ontslag op aanvraag gevolgd door een overgang binnen een maand naar een andere functie binnen de rijksdienst wordt niet als ontslag beschouwd. De ambtenaar kan worden ontheven van de in de eerste volzin bedoelde verplichting, indien er bijzondere omstandigheden zijn die dat rechtvaardigen.
9.
De ambtenaar meldt het voornemen verlof op te nemen ten minste twee maanden voor het door hem gewenste tijdstip van ingang van het verlof schriftelijk aan het tot verlening van het verlof bevoegde gezag.
Daarbij geeft de ambtenaar op:
a. het tijdvak waarin het verlof zal worden genoten;
b. het aantal uren verlof per week; en
c. de spreiding van de verlofuren over de week.
Bij de eerste melding van het desbetreffende kind dient tevens opgave te worden gedaan van het totaal aantal uren dat de ambtenaar wenst op te nemen en de eventuele opdeling daarvan in perioden op grond van het zesde lid. Indien de ambtenaar het verlof heeft opgedeeld in meerdere perioden geldt de opgave, bedoeld in de onderdelen a tot en met c, slechts voor één verlofdeel tegelijk. De tijdstippen van ingang en einde van het verlof kunnen afhankelijk worden gesteld van de datum van de bevalling, van het einde van het bevallingsverlof of van de aanvang van de verzorging van het kind.
10.
Het bevoegd gezag is verplicht in te stemmen met een aanvraag van de ambtenaar het verlof niet op te nemen of niet voort te zetten op grond van het opnemen van zwangerschaps-, bevallings- of adoptieverlof als bedoeld in de artikelen 45a, onderscheidenlijk 45c.
Het bevoegd gezag is tevens verplicht in te stemmen met een aanvraag van de ambtenaar het verlof niet op te nemen of niet voort te zetten op grond van onvoorziene omstandigheden, tenzij gewichtige redenen van dienstbelang zich hiertegen verzetten.
11.
Het bevoegd gezag behoeft aan een aanvraag als bedoeld in het tiende lid niet met ingang van een vroeger tijdstip gevolg te geven dan vier weken na de aanvraag. In het geval het verlof met toepassing van het tiende lid, eerste volzin, na het tijdstip van ingang daarvan niet wordt voortgezet, wordt de aanspraak op het overige deel van het verlof opgeschort. In het geval het verlof met toepassing van het tiende lid, tweede volzin, na het tijdstip van ingang daarvan niet wordt voortgezet, vervalt de aanspraak op het overige deel van dat verlof.
12.
Indien op grond van het zesde lid het verlof is opgedeeld, zijn het tiende en elfde lid op iedere periode van toepassing.
13.
Na overleg met de ambtenaar kan de spreiding van de uren over de week op grond van gewichtige redenen van dienstbelang worden gewijzigd tot vier weken voor het tijdstip van ingang van het verlof.
14.
Indien het verlof op grond van het zesde lid is opgedeeld en de aanstelling eindigt voordat het verlof volledig is genoten, heeft de ambtenaar, indien hij een nieuwe aanstelling krijgt bij een ander bevoegd gezag aanspraak op de eventueel resterende deelperioden van het verlof met inachtneming van het bepaalde in dit artikel.
15.
Op de ambtenaar die voor een kind het verlof geheel of gedeeltelijk heeft opgenomen voor 1 januari 2011, blijven het vijfde en zevende lid, van toepassing zoals die luidden op 31 december 2010 voor wat betreft zijn recht op bezoldiging tijdens de uren waarop hem ouderschapsverlof is verleend, met dien verstande dat aanvullend dertien maal de arbeidsduur per week kan worden opgenomen zonder behoud van bezoldiging.
1.
De ambtenaar heeft in verband met de adoptie van een kind aanspraak op verlof met behoud van bezoldiging.
2.
a. De aanspraak op verlof in verband met adoptie van een kind bedraagt ten hoogste vier aaneengesloten weken. De aanspraak bestaat gedurende een tijdvak van achttien weken te rekenen vanaf twee weken vóór de eerste dag dat de feitelijke opneming ter adoptie een aanvang heeft genomen of zal nemen zoals die dag is aangeduid in een door de ambtenaar overgelegd document waaruit blijkt dat een kind ter adoptie is of zal worden opgenomen.
b. Ingeval redenen van zwaarwegend dienstbelang daartoe noodzaken, kan besloten worden dat het adoptieverlof gedurende plaatsing bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland op een andere wijze wordt genoten dan vermeld onder a.
3.
Indien als gevolg van een adoptieverzoek tegelijkertijd twee of meer kinderen feitelijk ter adoptie worden opgenomen, bestaat de aanspraak op verlof slechts ten aanzien van een van die kinderen.
4.
De ambtenaar meldt het verlof in verband met adoptie uiterlijk drie weken voor de dag van ingang van het verlof onder opgave van de omvang van het verlof. Bij de melding worden documenten gevoegd waaruit blijkt dat een kind ter adoptie is of zal worden opgenomen.
5.
Indien de ambtenaar aan wie verlof is verleend gedurende dat verlof of gedurende een bepaalde periode van dat verlof tevens recht heeft op een financiële tegemoetkoming op basis van de Wet arbeid en zorg , wordt gedurende de periode waarin sprake is van samenloop een inhouding op de doorbetaling van bezoldiging als bedoeld in het eerste lid toegepast welke overeenkomt met het bedrag van bedoelde financiële tegemoetkoming.
6.
Indien aan gestelde voorwaarden voor het toekennen van een financiële tegemoetkoming als bedoeld in het vijfde lid is voldaan, maar geen financiële tegemoetkoming is toegekend omdat de ambtenaar geen aanvraag heeft ingediend, wordt het vijfde lid op overeenkomstige wijze toegepast. In dat geval wordt rekening gehouden met de financiële tegemoetkoming die aan de ambtenaar zou zijn toegekend indien hij wel een aanvraag zou hebben ingediend.
7.
Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de ambtenaar die een pleegkind opneemt als bedoeld in artikel 5:1, tweede lid, onderdeel d, van de Wet arbeid en zorg.
1.
Tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet, wordt aan de ambtenaar verlof met behoud van bezoldiging verleend voor de noodzakelijke verzorging in verband met ziekte van:
a. zijn huwelijkspartner;
b. een inwonend kind tot wie de ambtenaar als ouder in een familierechtelijke betrekking staat;
c. een inwonend kind van zijn huwelijkspartner;
d. een pleegkind dat blijkens de basisregistratie personen op hetzelfde adres woont als de ambtenaar en door hem duurzaam wordt verzorgd en opgevoed op basis van een pleegcontract als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg.
2.
Tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet wordt aan de ambtenaar verlof met behoud van bezoldiging verleend voor de noodzakelijke verzorging in verband met ernstige ziekte van: zijn huwelijkspartner, ouders, stiefouders, pleegouders, schoonouders, kinderen, stiefkinderen, pleegkinderen of aangehuwde kinderen.
3.
Het verlof, bedoeld in het eerste en tweede lid, bedraagt in elk kalenderjaar ten hoogste tweemaal de arbeidsduur per week.
4.
De ambtenaar meldt vooraf dat hij het verlof, bedoeld in het eerste en tweede lid, opneemt onder opgave van de reden. Indien dit niet mogelijk is, meldt de ambtenaar het opnemen van het verlof zo spoedig mogelijk onder opgave van de reden. Bij die melding geeft de ambtenaar ook de omvang, de wijze van opneming en de vermoedelijke duur van het verlof aan.
5.
Achteraf kan van de ambtenaar worden verlangd dat hij aannemelijk maakt dat hij zijn arbeid niet heeft verricht in verband met de noodzakelijke verzorging als bedoeld in het eerste en tweede lid.
1.
Buitengewoon verlof van lange duur kan aan de ambtenaar op zijn aanvraag worden verleend, al dan niet met behoud van bezoldiging en al dan niet onder bepaalde voorwaarden.
2.
Het verlof, bedoeld in het eerste lid, gaat pas in nadat de ambtenaar schriftelijk heeft verklaard dat hij de daaraan verbonden voorwaarden aanvaardt.
3.
Indien het verlof, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend strekt in het persoonlijk belang van de ambtenaar, wordt dit verleend zonder behoud van bezoldiging en voor ten hoogste een jaar.
4.
Indien het verlof, bedoeld in het eerste lid, verband houdt met een benoeming van de ambtenaar tot bezoldigd bestuurder van een vereniging van ambtenaren, van een centrale of van een internationale organisatie van zodanige verenigingen, wordt dit verleend zonder behoud van bezoldiging en voor ten hoogste twee jaren. Artikel 43c, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
5.
Indien het verlof, bedoeld in het eerste lid, ten doel heeft de ambtenaar in de gelegenheid te stellen de huwelijkspartner, indien deze als ambtenaar buiten Nederland wordt geplaatst, te vergezellen, wordt dat verlof in beginsel verleend voor de duur van de plaatsing van de huwelijkspartner, zonder behoud van bezoldiging.
6.
Het bevoegd gezag biedt de ambtenaar aan wie buitengewoon verlof is verleend op grond van het eerste lid in verband met het vervullen van een functie bij een internationale volkenrechtelijke organisatie, dan wel van een functie als bedoeld in het vierde lid, na afloop van het verlof een passende functie aan. Indien plaatsing niet aanstonds mogelijk is, wordt de ambtenaar ter beschikking gehouden overeenkomstig artikel 27, vierde lid.
7.
Een passende functie als bedoeld in het zesde lid, dient zo mogelijk ten minste gelijkwaardig te zijn aan de functie waarop het buitengewoon verlof betrekking had.
1.
De ambtenaar die na afloop van hem verleend buitengewoon verlof van lange duur en zonder dat dit is verlengd, zijn dienst niet tijdig hervat, wordt voor de toepassing van dit reglement geacht een aanvraag tot ontslag te hebben ingediend.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing, indien de ambtenaar binnen een redelijke termijn aannemelijk maakt dat hij geldige redenen had zijn dienst niet te hervatten, in welk geval het verlof geacht wordt te zijn verlengd tot het tijdstip, waarop bedoelde geldige redenen hebben opgehouden te bestaan.
Artikel 46b. Buitengewoon verlof; doorbetalen toelage voor onregelmatige diensten of voor consignatie
Voor zover op grond van deze paragraaf buitengewoon verlof met gehele of gedeeltelijke bezoldiging wordt verleend, wordt, indien de ambtenaar in het genot is van een toelage als bedoeld in artikel 17, 18 en 18a van het BBRA 1984, dit bezoldigingsdeel vastgesteld met overeenkomstige toepassing van de in artikel 57, tweede tot en met vierde lid, vermelde berekeningswijze.
Artikel 47. Levensloopverlof
Door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties krachtens artikel 34g van het ARAR gestelde regels ten aanzien van levensloopverlof zijn van overeenkomstige toepassing.
1.
Aan een ambtenaar die buiten Nederland in samenhang met diens functie onwettig wordt gegijzeld of anderszins buiten Nederland onwettig van de vrijheid wordt beroofd op een wijze die door Onze Minister met gijzeling gelijk wordt gesteld, wordt na afloop daarvan, onverminderd de mogelijkheid van bedrijfsgeneeskundige begeleiding ingevolge de bepalingen van hoofdstuk X, naar billijkheid recuperatieverlof verleend met behoud van bezoldiging.
2.
Indien het in het eerste lid genoemde recuperatieverlof wordt verleend, wordt aan de ambtenaar een recuperatie-uitkering toegekend. Deze uitkering verhoudt zich tot de jaarlijkse vakantie-uitkering als de duur van het recuperatieverlof zich verhoudt tot de duur van de jaarlijkse vakantie.
3.
Indien een gezinslid van een ambtenaar buiten Nederland onwettig wordt gegijzeld of anderszins buiten Nederland onwettig van de vrijheid wordt beroofd op een wijze die door Onze Minister met gijzeling wordt gelijkgesteld, en samenhang bestaat met de functie van de ambtenaar, wordt aan die ambtenaar na afloop daarvan, onverminderd de mogelijkheid van geneeskundige begeleiding van dat gezinslid ingevolge de bepalingen van hoofdstuk X, naar billijkheid recuperatieverlof verleend en een recuperatie-uitkering toegekend overeenkomstig het eerste en tweede lid.
4.
In bijzondere gevallen kunnen bij onwettige vrijheidsberovingen als bedoeld in het eerste en derde lid ook kosten van gezinshereniging en andere in samenhang met de onwettige vrijheidsberoving gemaakte kosten of schade worden vergoed voor zover deze redelijk zijn en als niet verzekerbaar kunnen worden beschouwd. Voor het vrijkopen van personen betaalde losprijzen worden nimmer vergoed.
5.
De in het eerste tot en met vierde lid genoemde voorzieningen gelden uitsluitend voor zover de ambtenaar aanspraken op vergoeding en verhaal aan het Rijk heeft gecedeerd.