Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | Vacatures | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
» Energiewijzer « advertorial
Bespaar geld en stap over!
Energiewijzer.nl, eerlijk over energie.

Juridische vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Powered by Jbmatch.nl

Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. De financiering van de volksverzekeringen
+ Hoofdstuk 3. De financiering van de werknemersverzekeringen
+ Hoofdstuk 3a. Monitoring arbeidsbeperkten en quotumheffing
+ Hoofdstuk 4. Gemoedsbezwaarden
+ Hoofdstuk 5. De fondsen
+ Hoofdstuk 6. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken

Regeling Wfsv

Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Ook bekend als:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Financiën van 2 december 2005, Directie Sociale Verzekeringen, Nr. SV/F&W/05/96420, ter uitvoering van de Wet financiering sociale verzekeringen (Regeling Wfsv)
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Financiën,
Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
Gelet op de artikelen 13, 17, vijfde en zesde lid, 34, tweede lid, 40, derde lid, 41, eerste lid, 55, 63, 67, 81, 95, eerste lid, 96, derde lid, 102, derde lid, 110, derde lid, 119, zesde en zevende lid, 120, tweede, zevende en achtste lid, 121 en 122 van de Wet financiering sociale verzekeringen, en de artikelen 2.2, achtste lid, en 2.3, eerste en derde lid, van het Besluit Wfsv;
Besluiten:
Artikel 1.1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
AKW: de Algemene Kinderbijslagwet ;
ANW: de Algemene nabestaandenwet ;
AOW: Algemene Ouderdomswet ;
Wlz: De Wet langdurige zorg .
IOW: de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen ;
Tijdelijke wet BIA: de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria ;
TW: de Toeslagenwet ;
Wajong: de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten ;
WAO: de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ;
Wet SUWI: de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen ;
Wfsv: de Wet financiering sociale verzekeringen ;
WW: de Werkloosheidswet ;
Wet WIA: de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen ;
ZW: de Ziektewet .
Artikel 2.1. Begripsbepaling
Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden de landen van het Koninkrijk der Nederlanden aangemerkt als afzonderlijke mogendheden.
Artikel 2.2. Partnerbegrip voor vaststelling premie-inkomen
Voor de toepassing van artikel 8, eerste lid, van de Wfsv wordt verstaan onder partner: degene, die partner is in de zin van artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 1.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, waarbij het vierde lid, onderdeel b, van het laatstgenoemde artikel buiten toepassing blijft.
Artikel 2.3. Uitzonderingen premie-inkomen voor premieheffing
Voor de heffing van premie voor de volksverzekeringen behoren niet tot het premie-inkomen:
a. uitkeringen op grond van de socialezekerheidswetgeving van een andere mogendheid die zijn onderworpen aan premieheffing krachtens een wettelijke regeling inzake uitkeringen bij ouderdom en overlijden van die andere mogendheid;
b. ten aanzien van degene die verzekerd is en die tevens werkzaamheden verricht of heeft verricht buiten het Europese deel van Nederland:
1°. het gedeelte van het premie-inkomen dat onderworpen is aan premieheffing krachtens een wettelijke regeling inzake uitkeringen bij ouderdom en overlijden ten behoeve van Bonaire, Sint Eustatius en Saba,
2°. het gedeelte van het premie-inkomen, waarop ingevolge een internationale regeling inzake sociale zekerheid die tussen Nederland en een of meer andere mogendheden van kracht is, de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is,
3°. het gedeelte van het premie-inkomen, dat, bij gebreke van een internationale regeling, is onderworpen aan premieheffing krachtens een wettelijke regeling inzake uitkeringen bij ouderdom en overlijden van een andere mogendheid;
c. ten aanzien van degene die niet is uitgezonderd van de verplichte verzekering voor de volksverzekeringen op grond van de artikelen 13, eerste lid, onderdeel a, 13, tweede lid, onderdeel c, 13, derde lid, onderdeel a, 13, vierde lid, onderdeel c, 14, eerste lid, onderdeel a, 15, eerste lid, onderdelen a, b of c, subonderdeel 1°, of 16, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 in verband met het verrichten van de in die artikelen bedoelde andere werkzaamheden: het belastbare loon uit de dienstbetrekking uit hoofde waarvan hij zou zijn uitgezonderd van de verplichte verzekering voor de volksverzekeringen indien hij die andere werkzaamheden niet zou hebben verricht.
Artikel 2.4. Premie-inkomen bij premieplichtigheid over gedeelte kalenderjaar
Ten aanzien van degene die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar niet premieplichtig is, wordt voor de premieheffing bij wege van aanslag als premie-inkomen geen hoger bedrag in aanmerking genomen dan het premie-inkomen verminderd met het gedeelte daarvan waarop, op grond van een internationale regeling inzake sociale zekerheid die tussen Nederland en een of meer andere mogendheden van kracht is, de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is, of dat, bij gebreke van een internationale regeling, is onderworpen aan premieheffing krachtens een wettelijke regeling inzake uitkeringen bij ouderdom en overlijden van een andere mogendheid.
Artikel 2.5. Aanpassing maximum premie-inkomen bij gedeeltelijke premieplicht anders dan door overlijden
Ten aanzien van degene die gedurende een deel van het kalenderjaar anders dan door overlijden niet premieplichtig is, wordt voor de premieheffing bij wege van aanslag als premie-inkomen in aanmerking genomen het bedrag dat naar tijdsevenredigheid is afgeleid van het in artikel 8, derde lid, van de Wfsv vermelde premie-inkomen dat maximaal in aanmerking zou zijn genomen indien gedurende het gehele kalenderjaar sprake zou zijn geweest van premieplicht, tenzij toepassing van de bepalingen in die wet of van de overige bepalingen in deze regeling tot een lager premie-inkomen leidt.
Artikel 2.6. Heffingspercentage bij verschillende premiepercentages
Ingeval zich ten aanzien van een verzekerde die in de premieheffing bij wege van aanslag wordt betrokken in het kalenderjaar tijdvakken voordoen waarin anders dan ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Wfsv verschillende premiepercentages gelden, wordt van hem de premie geheven naar een percentage (heffingspercentage) dat is samengesteld uit tijdsevenredige delen van die verschillende premiepercentages. Het heffingspercentage wordt afgerond op honderdsten naar beneden.
Artikel 2.6a. Heffingskorting bij premieplichtigheid over gedeelte kalenderjaar
Ten aanzien van degene die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar anders dan door overlijden niet premieplichtig is, wordt de heffingskorting, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdelen a, b en c, van de Wfsv, tijdsevenredig verminderd naar rato van de periode van premieplicht in het kalenderjaar.
Artikel 2.7. Tijdsevenredige vaststelling
Ingeval voor de premieheffing bij wege van aanslag het premie-inkomen, het heffingspercentage of de heffingskorting moet worden bepaald door middel van tijdsevenredige vaststelling, wordt daarbij:
a. een kalenderjaar op 360 dagen gesteld;
b. een kalendermaand op 30 dagen gesteld;
c. de dag waarop het tijdvak aanvangt als een gehele dag in aanmerking genomen;
d. de dag waarop het tijdvak eindigt niet in aanmerking genomen.
Artikel 3.1. Bepaling loontijdvak bij twee kalenderjaren
Voor de toepassing van artikel 17, eerste en tweede lid, van de Wfsv wordt een loontijdvak dat zich uitstrekt over twee kalenderjaren, geacht te behoren tot het kalenderjaar waarin het loon over dat loontijdvak wordt genoten.
Artikel 3.2. Begrippen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. arbeidsloon: loon uit een dienstbetrekking;
b. uitkering: een uitkering krachtens de ZW , hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg, de WAO , de Wet WIA of de WW ;
c. aanvulling: arbeidsloon dat naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering en door de werkgever, op grond van een aan zijn werknemer toegekende aanspraak, over dezelfde periode als waarover de uitkering wordt verstrekt aan de werknemer wordt betaald.
1.
Indien een werknemer die van één of meerdere werkgevers arbeidsloon ontvangt, vervolgens in plaats van één of elk van die lonen uitkering en aanvulling ontvangt, wordt het totaalbedrag van die uitkering en aanvulling voor de toepassing van artikel 17 van de Wfsv geacht bij dezelfde werkgever te zijn genoten.
2.
Indien het eerste lid toepassing vindt, blijft bij de berekening van het loon waarnaar de premies op grond van hoofdstuk 3 van de Wfsv worden geheven de aanvulling buiten aanmerking voorzover de aanvulling en uitkering tezamen meer bedragen dan het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wfsv.
Artikel 3.4. Samenloop
Indien een werknemer van twee of meer werkgevers arbeidsloon ontvangt en vervolgens in plaats van één van die lonen een uitkering op grond van de ZW of op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg ontvangt en in plaats van het overige loon of één of meer van de overige lonen een uitkering ontvangt, worden deze uitkeringen, in afwijking van artikel 17, eerste lid, van de Wfsv geacht niet bij dezelfde werkgever te zijn genoten.
Artikel 3.4a. Berekening premies werknemersverzekeringen
Indien voor de werknemer gedurende een loontijdvak verschillende premiepercentages gelden, wordt het op grond van artikel 17, derde lid, van de Wfsv berekende verschil naar evenredigheid van de lonen waarvoor die verschillende premiepercentages gelden, aan die lonen toegerekend.
1.
De bijdrage, bedoeld in artikel 2.2a van het Besluit Wfsv, wordt in aanmerking genomen bij het voor de sector uitzendbedrijven vaststellen van het op grond van artikel 2.2, eerste lid, van het Besluit Wfsv bedoelde deel van het sectorpremiepercentage ter dekking van de werkloosheidslasten, bedoeld in artikel 3.8.
2.
De bijdrage bedraagt € 85.000.000.
Artikel 3.6. Sectoronderdelen in de sector uitzendbedrijven
De sector uitzendbedrijven wordt ingedeeld in de volgende sectoronderdelen, bedoeld in artikel 95, eerste lid, van de Wfsv:
a. uitzendbedrijven IA: groepen uitzendkrachten met administratieve of (para)medische functies krachtens een uitzendovereenkomst in de zin van artikel 690 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en op wier uitzendovereenkomst een beding als bedoeld in artikel 691, tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is, werkzaam bij uitzendbedrijven;
b. uitzendbedrijven IIA: groepen uitzendkrachten met technische of overige functies krachtens een uitzendovereenkomst in de zin van artikel 690 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en op wier uitzendovereenkomst een beding als bedoeld in artikel 691, tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is, werkzaam bij uitzendbedrijven;
c. intermediaire diensten: intercedenten en consulenten; filiaalhouders en vestigingsmanagers; administratief personeel; directie en stafleden; operationele stafmedewerkers; boekhouding en uitzendadministratie; al het personeel waarvan de werkzaamheden zijn terug te voeren op het ter beschikking stellen van arbeidskrachten aan derden, werkzaam bij uitzendbedrijven;
d. uitzendbedrijven IB en IIB: groepen uitzendkrachten met administratieve, (para)medische functies, technische of overige functies krachtens een uitzendovereenkomst in de zin van artikel 690 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en op wier uitzendovereenkomst niet een beding als bedoeld in artikel 691, tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is, werkzaam bij uitzendbedrijven;
e. detachering: overige werknemers die niet vallen onder de uitzendbedrijven, genoemd in de onderdelen a tot en met d, werkzaam bij uitzendbedrijven.
1.
Het op grond van artikel 2.2, eerste lid, van het Besluit Wfsv vastgestelde deel van het sectorpremiepercentage ter dekking van de werkloosheidslasten voor de sector uitzendbedrijven, wordt verschillend vastgesteld voor de sectoronderdelen, genoemd in artikel 3.6.
2.
Per sectoronderdeel wordt het gewogen gemiddelde vastgesteld van het percentage, bedoeld in het eerste lid.
1.
Voor de sector uitzendbedrijven wordt voor de premiecomponent voor de WGA-lasten flexibele dienstbetrekkingen van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas, bedoeld in artikel 2.6, vierde of vijfde lid, van het Besluit Wfsv, een maximum vastgesteld, dat vier maal het voor die lasten in die sector met toepassing van artikel 2.10, eerste lid, van het Besluit Wfsv vastgestelde percentage bedraagt.
2.
Voor de sector uitzendbedrijven wordt voor de premiecomponent voor de ZW-lasten van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas, bedoeld in artikel 2.6, vierde of vijfde lid, van het Besluit Wfsv een maximum vastgesteld, dat 1,75 maal het voor die lasten in die sector met toepassing van artikel 2.10, eerste lid, van het Besluit Wfsv vastgestelde percentage bedraagt.
Artikel 3.10. Sectoronderdelen in de sector grafische industrie
De sector grafische industrie wordt ingedeeld in de volgende sectoronderdelen, bedoeld in artikel 95, eerste lid, van de Wfsv:
a. de grafische industrie exclusief het fotografisch bedrijf, bedoeld in onderdeel b;
b. het fotografisch bedrijf, al of niet verbonden met een detailhandel in fotoartikelen, bedoeld in sector 9, onderdeel 5, zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling.
1.
Het op grond van artikel 2.2, eerste lid, van het Besluit Wfsv vastgestelde deel van het sectorpremiepercentage ter dekking van de werkloosheidslasten en het op grond van artikel 2.2, tweede lid, van het Besluit Wfsv vastgestelde opslagpercentage voor de dekking van de daar bedoelde overige ziekengeld- en WGA-lasten en WGA-staartlasten voor de sector grafische industrie, worden verschillend vastgesteld voor de sectoronderdelen, genoemd in artikel 3.10.
2.
Het deel van het sectorpremiepercentage ter dekking van de werkloosheidslasten wordt per sectoronderdeel berekend aan de hand van het gemiddelde risico per sectoronderdeel over de laatste vier jaar.
3.
Het opslagpercentage ter dekking van overige ziekengeld- en WGA-lasten en WGA-staartlasten wordt per sectoronderdeel berekend aan de hand van het gemiddelde risico per sectoronderdeel over de laatste vier jaar.
1.
Het sectorpremiepercentage voor de werknemer op wie artikel 2.3, tweede lid, onderdeel a, van het Besluit Wfsv van toepassing is, verhoudt zich:
a. voor de sectoren, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onderdelen b tot en met e, van het Besluit Wfsv als ten minste 1 staat tot 5 tot het sectorpremiepercentage voor de werknemer op wie artikel 2.3, tweede lid, onderdeel b, van dat besluit van toepassing is;
b. voor de sector, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit Wfsv als ten minste 1 staat tot 7 tot het sectorpremiepercentage voor de werknemer op wie artikel 2.3, tweede lid, onderdeel b, van dat besluit van toepassing is.
2.
Het UWV kan, gehoord de sectorfondsen, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van het Besluit Wfsv, in afwijking van het eerste lid, het op grond van artikel 2.2, eerste lid, van het Besluit Wfsv vastgestelde deel van het sectorpremiepercentage ter dekking van de werkloosheidslasten voor de werknemer op wie artikel 2.3, tweede lid, onderdeel b, van het Besluit Wfsv van toepassing is, ten hoogste vaststellen op 12,5 procent.
1.
Voor de vaststelling van het sectorpremiepercentage worden met de werknemer op wie artikel 2.3, tweede lid, onderdeel a, van het Besluit Wfsv van toepassing is, gelijkgesteld:
a. scholieren en studenten die blijkens een schriftelijke overeenkomst ten hoogste acht aaneengesloten weken per kalenderjaar in dienstbetrekking zullen staan tot dezelfde werkgever;
b. de werknemer die de beroepspraktijkvorming volgt van de beroepsbegeleidende leerweg van een beroepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, op de grondslag van een overeenkomst als bedoeld in artikel 7.2.8, gesloten door de partijen, genoemd in artikel 7.2.9 van die wet.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a wordt onder scholieren en studenten verstaan:
a. de werknemer die bij het begin van het kalenderkwartaal recht heeft op een gift, een voorwaardelijke gift of een prestatiebeurs op grond van de Wet studiefinanciering 2000 of de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek ;
b. de werknemer die bij het begin van het kalenderkwartaal recht heeft op een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten;
c. de werknemer voor wie bij het begin van het kalenderkwartaal recht bestaat op kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet ;
d. de werknemer die bij het begin van het kalenderkwartaal staat ingeschreven bij een onderwijsinstelling waar hij een voltijdse opleiding volgt en die inwoner is van een lidstaat van de Europese Unie, van een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of van Zwitserland.
3.
Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, bewaart de werkgever bij zijn loonadministratie een schriftelijke door de werknemer gedagtekende en ondertekende verklaring dat ten zijnen aanzien het kalenderkwartaal als loontijdvak kan worden aangemerkt alsmede:
a. ingeval het tweede lid, onderdeel a van toepassing is, het burgerservicenummer of het onderwijsnummer;
b. ingeval het tweede lid, onderdeel b van toepassing is, het onderwijsnummer;
c. ingeval het tweede lid, onderdeel c van toepassing is, het burgerservicenummer en bij het ontbreken daarvan het sociaal-fiscaal nummer;
d. ingeval het tweede lid, onderdeel d van toepassing is, een kopie van een internationale studentenkaart als bedoeld in artikel 6.3, tweede lid, onderdeel d, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011.
4.
Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel b, bewaart de werkgever een afschrift van de in dat onderdeel genoemde overeenkomst bij de loonadministratie.
1.
De sectorale premiecomponent voor de WGA-lasten vaste dienstbetrekkingen van de sectorale premiepercentages bedoeld in artikel 2.10, tweede lid, van het Besluit Wfsv, voor de sectoren 26 en 27, bedoeld in bijlage 1 bij deze regeling, is gelijk aan het gemiddelde van deze premiecomponent van de sectorale premiepercentages voor de sectoren 25 tot en met 32.
2.
De sectorale premiecomponent voor de ZW-lasten van de sectorale premiepercentages, bedoeld in artikel 2.10, tweede lid, van het Besluit Wfsv, voor de sector Vervoer NS, bedoeld in bijlage 1 bij deze regeling, is gelijk aan het gemiddelde van deze premiecomponent van de sectorale premiepercentages voor de sectoren 25 tot en met 32.
a. de Koning, ten aanzien van door hem in dienst genomen overheidswerknemers die bij de Koninklijke Hofhouding werkzaam zijn en uit dien hoofde onder de Pensioenregeling van de Stichting tot verzorging van de pensioenen van het personeel van de Koninklijke Hofhouding van het Huis van Oranje-Nassau vallen;
b. het Rijk, de provincies, de gemeenten en de waterschappen;
c. rechtspersonen, anders dan bedoeld in onderdeel b, die:
bij of krachtens de wet zijn ingesteld, en
overheidswerknemers rechtstreeks ten laste van de rechtspersoon bezoldigen of belonen.
Artikel 3.15a. Modelgarantie voor de eigenrisicodrager
Voor de garantie, bedoeld in artikel 40, tweede lid, van de Wfsv, wordt het model gehanteerd dat is opgenomen in bijlage 2 bij deze regeling.
Artikel 3.16. Definities
In deze afdeling wordt verstaan onder eigenrisicodrager: de werkgever aan wie op grond van artikel 40 van de Wfsv toestemming is verleend het risico te dragen van de betalingen, bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Wfsv.
1.
Voor de eigenrisicodrager die ter dekking van het risico, bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel b, van de Wfsv, een verzekering heeft gesloten, bedragen de kosten, die op grond van artikel 41, eerste lid, van de Wfsv voor verhaal op de werknemer in aanmerking komen de door hem verschuldigde premie, voor zover die premie betrekking heeft op verzekering van dat risico.
2.
Voor de werkgever die ter dekking van het risico, bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel b, van de Wfsv, geen verzekering heeft gesloten worden de kosten, die op grond van artikel 41, eerste lid, van de Wfsv voor verhaal op een werknemer in aanmerking komen, vastgesteld op een percentage van het loon van de werknemer.
3.
Het percentage, bedoeld in het tweede lid, wordt bepaald door het totaal van de in het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld te verwachten betalingen van WGA-uitkeringen of in het voorgaande kalenderjaar betaalde WGA-uitkeringen overeenkomstig artikel 82 van de Wet WIA te delen door het totaal van het premieplichtig loon dat in dat kalenderjaar ten laste komt of is gekomen van de eigenrisicodrager. Dit percentage bedraagt ten hoogste 1,5 maal de gedifferentieerde premie, bedoeld in artikel 2.6, derde, vierde, vijfde en zesde lid, van het Besluit Wfsv, waarbij de premiecomponent ZW-lasten niet in aanmerking wordt genomen, die ten hoogste op de werkgever van toepassing zou zijn indien hij geen eigenrisicodrager zou zijn.
4.
Indien na afloop van het kalenderjaar blijkt, dat de te verwachten bedragen in een kalenderjaar afwijken van de gerealiseerde bedragen, kan indien dit zou leiden tot een ander bedrag van de kosten voor het verhaal, het bedrag van het verhaal in het kalenderjaar volgend op dat kalenderjaar worden herzien tot ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 41, eerste lid, van de Wfsv.
5.
Tot 1 januari 2017 wordt voor de toepassing van het derde lid, tweede zin, alleen de premiecomponent WGA-lasten vaste dienstbetrekkingen in aanmerking genomen.
Artikel 3.18. Verhaal gedifferentieerde premie Werkhervattingskas
De werkgever kan de met betrekking tot een werknemer door hem verschuldigde premie Werkhervattingskas die betrekking heeft op de premiecomponent WGA-lasten vaste dienstbetrekkingen en WGA-lasten flexibele dienstbetrekkingen, bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, onderdeel g, onderscheidenlijk h, van het Besluit Wfsv, tot ten hoogste de helft verhalen op de werknemer.
Artikel 3.30. Gelijkgestelde arbeidsbeperkten
De werknemer die werkzaam is in een dienstbetrekking of op basis van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 78d, eerste lid, van de Participatiewet wordt mede beschouwd als een arbeidsbeperkte.
1.
Voor de toepassing van hoofdstuk 3, afdeling 4, paragraaf 4a van de Wfsv en artikel 122n van de Wfsv worden overheidswerkgevers gerekend tot de sector overheid, en werkgevers, met uitzondering van overheidswerkgevers, tot de sector niet-overheid.
2.
In afwijking van het eerste lid wordt een overheidswerkgever die tevens premieplichtig is ten gunste van een sectorfonds, aangemerkt als werkgever die behoort tot de sector niet-overheid indien van het totaal aantal verloonde uren ten minste de helft is onderworpen aan de premieplicht ten gunste van een sectorfonds.
3.
De indeling van overheidswerkgevers en werkgevers overeenkomstig het eerste en tweede lid wordt bepaald op basis van het laatste aangiftetijdvak in het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarover het quotumtekort, bedoeld in artikel 38g van de Wfsv, wordt vastgesteld en geldt gedurende dat laatste kalenderjaar.
Artikel 3.32. Gemiddeld aantal verloonde uren arbeidsbeperkten
Voor de toepassing van artikel 38g, derde lid, van de Wfsv wordt het gemiddeld aantal verloonde uren van een werkzame arbeidsbeperkte op jaarbasis bepaald op 1.331 uren.
1.
Het aantal banen in 2013 vervuld door arbeidsbeperkten als bedoeld in de artikelen 38b, eerste lid, van de Wfsv en artikel 3.30, uitgedrukt in verloonde uren in de maand december 2012, bedraagt voor:
a. de overheidssector: 1.055.474 uren;
b. de niet-overheidssector: 6.914.491 uren.
2.
Het cumulatief aantal extra te realiseren banen voor arbeidsbeperkten, bedoeld in het eerste lid, uitgedrukt in verloonde uren in de maand december in het desbetreffende kalenderjaar, bedraagt voor de overheidsector in:
1°. 2015: 332.760 uren;
2°. 2016: 720.980 uren;
3°. 2017: 1.109.200 uren;
4°. 2018: 1.386.500 uren;
5°. 2019: 1.663.800 uren;
6°. 2020: 1.941.100 uren;
7°. 2021: 2.218.400 uren;
8°. 2022: 2.495.700 uren;
9°. 2023 en verder: 2.773.000 uren.
3.
Het cumulatief aantal extra te realiseren banen voor arbeidsbeperkten, bedoeld in het eerste lid, uitgedrukt in verloonde uren in de maand december in het desbetreffende kalenderjaar, bedraagt voor de niet-overheidssector in:
1°. 2015: 665.520 uren;
2°. 2016: 1.552.880 uren;
3°. 2017: 2.551.160 uren;
4°. 2018: 3.438.520 uren;
5°. 2019: 4.436.800 uren;
6°. 2020: 5.546.000 uren;
7°. 2021: 6.655.200 uren;
8°. 2022: 7.764.400 uren;
9°. 2023: 8.873.600 uren;
10°. 2024: 9.982.800 uren.
11°. 2025 en verder: 11.092.000 uren.
1.
Voor de toepassing van artikel 122n, tweede lid, van de Wfsv wordt als arbeidsbeperkte beschouwd de arbeidsbeperkte werknemer die aan de werkgever in de sector overheid onderscheidenlijk de sector niet-overheid ter beschikking is gesteld om voor hem onder zijn toezicht en leiding arbeid te verrichten.
2.
Het aantal banen, uitgedrukt in verloonde uren, bedoeld in artikel 3.33, eerste lid, wordt voor 2013 verminderd met het aantal banen, uitgedrukt in verloonde uren, van de ter beschikking gestelde arbeidsbeperkten, bedoeld in het eerste lid, door werkgevers in de overheidssector aan werkgevers in de niet-overheidssector onderscheidenlijk door werkgevers in de niet-overheidssector aan werkgevers in de overheidssector. De banen, uitgedrukt in verloonde uren, die in mindering zijn gebracht worden gerekend tot de niet-overheidssector onderscheidenlijk de overheidssector waartoe de werkgever behoort waaraan de arbeidsbeperkte ter beschikking is gesteld.
3.
Het aantal banen, uitgedrukt in verloonde uren, bedoeld in artikel 3.33, tweede en derde lid, wordt voor 2015 en voor de jaren daarna, bedoeld in deze leden, verminderd met het aantal banen, uitgedrukt in verloonde uren in de maand december in het desbetreffende kalenderjaar, van de ter beschikking gestelde arbeidsbeperkten, bedoeld in het eerste lid, door werkgevers in de overheidssector aan werkgevers in de niet-overheidssector onderscheidenlijk door werkgevers in de niet-overheidssector aan werkgevers in de overheidssector. Het tweede lid, tweede zin, is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat hierbij de personen die arbeid verrichten in een dienstbetrekking in de zin van artikel 2 van de Wet sociale werkvoorziening niet in aanmerking worden genomen. De toepassing van het tweede lid, tweede zin, vindt plaats op grond van een verdeelsleutel die bij de jaarlijkse meting van het aantal banen, bedoeld in artikel 3.33, tweede en derde lid, wordt geactualiseerd.
4.
Per 1 januari 2015 bedraagt het totaal aantal ter beschikking gestelde arbeidsbeperkten die arbeid verrichten in een dienstbetrekking in de zin van artikel 2 van de Wet sociale werkvoorziening of die nog een geldende indicatiebeschikking hadden op grond van artikel 11 van de Wet sociale werkvoorziening, zoals dat artikel luidde voor de datum van inwerkingtreding van artikel II van de Invoeringswet Participatiewet, en vervolgens arbeid zijn gaan verrichten in een dienstbetrekking in de zin artikel 2 van de Wet sociale werkvoorziening en de ter beschikkingstelling van de laatstbedoelde arbeidsbeperkten is aangevangen in 2013 of 2014, 29501 personen.
5.
Over de maand december van het desbetreffende kalenderjaar, bedoeld in artikel 3.33, tweede en derde lid, wordt het aantal ter beschikking gestelde arbeidsbeperkten die arbeid verrichten in een dienstbetrekking in de zin van artikel 2 van de Wet sociale werkvoorziening vastgesteld en wordt ten aanzien van deze arbeidsbeperkten het gemiddeld aantal verloonde uren in die maand per persoon vastgesteld.
6.
Indien voor het desbetreffende kalenderjaar, bedoeld in artikel 3.33, tweede en derde lid, in de maand december sprake is van een toename van het aantal ter beschikking gestelde arbeidsbeperkten, bedoeld in het vijfde lid, ten opzichte van het aantal ter beschikking gestelde arbeidsbeperkten, bedoeld in het vierde lid, wordt deze toename in het desbetreffende kalenderjaar in aanmerking genomen tot ten hoogste het aantal personen dat werkzaam is in een beschutte werkomgeving als bedoeld in artikel 10b van de Participatiewet in de maand december van het desbetreffende kalenderjaar bedoeld in artikel 3.33, tweede en derde lid.
7.
Het aantal ter beschikking gestelde arbeidsperkten in enig kalenderjaar, bedoeld in het vijfde lid, met inachtneming van het zesde lid, wordt vermenigvuldigd met het gemiddeld aantal verloonde uren per persoon, bedoeld in het vijfde lid.
8.
Het tweede lid, tweede zin, is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de banen van ter beschikking gestelde arbeidsbeperkten, uitgedrukt in verloonde uren, bedoeld in het zevende lid, voor 2015 en voor de jaren daarna, bedoeld artikel 3.33, tweede en derde lid, op grond van een verdeelsleutel die bij de jaarlijkse meting van het aantal banen, bedoeld in artikel 3.33, tweede en derde lid, wordt geactualiseerd.
Artikel 3.35. Nadere bepaling variabelen quotumpercentages
Voor de berekening van de quotumpercentages, bedoeld in artikel 38f, tweede lid, van de Wfsv, wordt voor de toepassing van de variabelen van de formule, bedoeld in dat lid, het volgende in acht genomen:
a. voor variabele A:
1°. onder een baan wordt verstaan het gemiddeld aantal verloonde uren van arbeidsbeperkten in de onderscheiden sectoren tezamen overeenkomstig variabele C als bedoeld in onderdeel c;
2°. het aantal banen in 2013 vervuld door arbeidsbeperkten werkzaam bij werkgevers die op grond van artikel 34, derde, vierde en zesde lid, van de Wfsv een quotumheffing zijn verschuldigd, gemeten over de maand december 2012 bedraagt op grond van artikel 3.33, eerste lid, met overeenkomstige toepassing van artikel 3.34, eerste en tweede lid, voor de overheidssector 12.196 banen en voor de niet-overheidssector 35.397 banen.
b. voor variabele B:
1°. het aantal extra banen voor arbeidsbeperkten dat voor de berekening van het quotumpercentage in het desbetreffende kalenderjaar wordt geteld, bedraagt voor de overheidsector in:
1°. 2017: 8.750;
2°. 2018: 11.250;
3°. 2019: 13.750;
4°. 2020: 16.250;
5°. 2021: 18.750;
6°. 2022: 21.250;
7°. 2023: 23.750.
8°. 2024 en verder: 25.000
2°. het aantal extra banen voor arbeidsbeperkten dat voor de berekening van het quotumpercentage in het desbetreffende kalenderjaar wordt geteld, bedraagt voor de niet-overheidssector in:
1°. 2017: 19.500;
2°. 2018: 27.000;
3°. 2019: 35.500;
4°. 2020: 45.000;
5°. 2021: 55.000;
6°. 2022: 65.000;
7°. 2023: 75.000;
8°. 2024: 85.000;
9°. 2025: 95.000;
10°. 2026 en verder: 100.000.
c. voor variabele C: het gemiddeld aantal verloonde uren van arbeidsbeperkten in de onderscheiden sectoren tezamen bedraagt 1.331 uren per jaar.
d. voor variabele E: het gemiddeld aantal verloonde uren van een werknemer in de onderscheiden sectoren tezamen bedraagt 1.623 uren per jaar.
1.
De persoon, die gemoedsbezwaren heeft tegen één van de volksverzekeringen, bedoeld in artikel 2 van de Wfsv, of alle werknemersverzekeringen als bedoeld in artikel 2 van de Wfsv, alsmede de rechtspersoon, waarbij natuurlijke personen betrokken zijn, die zodanige gemoedsbezwaren hebben, kan op zijn verzoek door de SVB worden ontheven van verplichtingen hem bij de Wfsv , of bij één van deze volksverzekeringen of werknemersverzekeringen opgelegd.
2.
In afwijking van het eerste lid kan geen ontheffing worden verleend van de verplichtingen, bedoeld in artikel 54 van de AWBZ, de artikelen 13 en 49 van de ZW, de artikelen 12 en 80 van de WAO, de artikelen 27 en 33 van de Wet WIA en de artikelen 13 en 25 van de WW.
1.
Het verzoek geschiedt door indiening bij de SVB van een door de verzoeker ondertekende verklaring, waarvan het model door de SVB wordt vastgesteld.
2.
Deze verklaring houdt tenminste in, dat degene, die de verklaring indient, overwegende gemoedsbezwaren heeft tegen elke vorm van verzekering, dat hij mitsdien noch zichzelf, noch iemand anders, noch zijn eigendommen heeft verzekerd.
3.
Voorzover de volksverzekeringen in het geding zijn, blijkt uit de verklaring tevens, of degene, die haar indient, de in deze wetten geregelde voorzieningen al dan niet als verzekeringen beschouwt.
4.
Uit een door een werkgever bij de SVB ingediende verklaring blijkt of deze ook gemoedsbezwaren heeft tegen de nakoming van de hem als werkgever opgelegde verplichtingen.
1.
Wanneer het verzoek een rechtspersoon betreft, wordt de verklaring ingediend bij de SVB door het op grond van een wettelijk voorschrift of statuten van die rechtspersoon daartoe bevoegde orgaan.
2.
Onverminderd artikel 4.2 houdt de verklaring, bedoeld in het eerste lid, tevens in, dat de natuurlijke personen, die behoren tot het orgaan, dat op grond van een wettelijk voorschrift of de statuten bevoegd is te besluiten de ontheffing aan te vragen, in meerderheid overwegende gemoedsbezwaren hebben.
3.
Bij het verzoek, bedoeld in het eerste lid, worden gevoegd:
a. een afschrift van de aan elk van de tot de in het tweede lid bedoelde meerderheid behorende natuurlijke personen verleende ontheffing, bedoeld in artikel 4.1;
b. een gewaarmerkt afschrift van de statuten van de rechtspersoon, en
c. een gewaarmerkt afschrift van de notulen van de vergadering, waarin het besluit tot het aanvragen van de ontheffing is genomen.
Artikel 4.4. Ontheffing
De SVB verleent de ontheffing, indien de verklaring naar haar mening overeenkomstig de waarheid is. Aan een werkgever, die heeft verklaard geen gemoedsbezwaren te hebben tegen de nakoming van de hem als werkgever opgelegde verplichtingen, kan op die grond een ontheffing van de hem anders dan in zijn hoedanigheid van werkgever opgelegde verplichtingen niet worden geweigerd.
Artikel 4.5. Volksverzekeringen
Voorzover volksverzekeringen in het geding zijn, wordt, indien de verzoeker heeft verklaard, dat hij de in één of meer van de genoemde wetten geregelde voorzieningen niet als verzekering beschouwt, geen ontheffing verleend van de in die wet of wetten opgelegde verplichtingen.
Artikel 4.6. Bewijs ontheffing
Van de verleende ontheffing wordt door de SVB aan de verzoeker een bewijs uitgereikt, waarvan het model wordt vastgesteld door de SVB.
Artikel 4.7. Openbaarmaking ontheffing
Degene, die is ontheven van zijn verplichtingen als werkgever, is verplicht te zorgen, dat het hem uitgereikte bewijs van ontheffing of een afschrift daarvan wordt en blijft opgehangen op een plaats, die vrij toegankelijk is voor alle in zijn dienst zijnde werknemers en waar deze geregeld plegen te komen, op zodanige wijze, dat van hetgeen op het desbetreffende stuk staat vermeld, gemakkelijk kan worden kennisgenomen.
1.
Indien degene aan wie ontheffing is verleend aan de loonbelasting is onderworpen, is hij verplicht van de hem verleende ontheffing mededeling te doen aan degene, die de inhouding verricht, door het tonen aan laatstbedoelde van het uitgereikte bewijs van ontheffing.
2.
Voor de werknemer, die niet aan de loonbelasting is onderworpen, geldt dezelfde verplichting ten opzichte van diens werkgever.
1.
Een ontheffing wordt door de SVB ingetrokken:
a. op verzoek van degene, aan wie de ontheffing is verleend;
b. indien naar het oordeel van de SVB de gemoedsbezwaren, op grond waarvan de ontheffing is verleend, niet langer geacht kunnen worden te bestaan.
2.
De ontheffing kan worden ingetrokken, indien verplichtingen, die nog op de degene aan wie ontheffing is verleend rusten ingevolge de in artikel 4.1 genoemde wetten, of die hem bij deze regeling zijn opgelegd, niet door hem worden nageleefd.
3.
De SVB kan bij de intrekking tevens bepalen, dat een verzoek om ontheffing gedaan binnen twee jaren na de dagtekening van de intrekking, enkel op die grond niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
4.
Degene, wiens ontheffing is ingetrokken, is verplicht binnen drie dagen na de dagtekening van de desbetreffende kennisgeving, het bewijs van ontheffing terug te geven aan de SVB.
5.
Indien degene, wiens ontheffing is ingetrokken, aan de loonbelasting is onderworpen, doet de SVB van de intrekking mededeling aan degene, die de inhouding verricht.
6.
Ten aanzien van de werknemer, die niet aan de loonbelasting is onderworpen, wordt eenzelfde mededeling als bedoeld in het vorige lid gedaan aan diens werkgever.
7.
Onverminderd het overigens in dit artikel bepaalde vervalt de ontheffing, die is verleend aan een rechtspersoon, na verloop van vijf jaar na de datum van ingang van de ontheffing. Met ingang van de datum, waarop een ontheffing is vervallen, kan een nieuwe ontheffing worden verleend.
Artikel 5.1. Indeling in sectoren
Het bedrijfs- en beroepsleven wordt ingedeeld in de volgende genummerde sectoren, bedoeld in artikel 95, van de Wfsv:
1. Agrarisch bedrijf
2. Tabakverwerkende industrie
3. Bouwbedrijf
4. Baggerbedrijf
5. Houten emballage-industrie, houtwaren- en borstelindustrie
6. Timmerindustrie
7. Meubel- en orgelbouwindustrie
8. Groothandel in hout, zagerijen, schaverijen en houtbereidingsindustrie
9. Grafische industrie
10. Metaalindustrie
11. Elektrotechnische industrie
12. Metaal-en technische bedrijfstakken
13. Bakkerijen
14. Suikerverwerkende industrie
15. Slagersbedrijven en poeliers
16. Slagers overig
17. Detailhandel en ambachten
18. Reiniging
19. Grootwinkelbedrijf
20. Havenbedrijven
21. Havenclassificeerders
22. Binnenscheepvaart
23. Visserij
24. Koopvaardij
25. Vervoer KLM
26. Vervoer NS
27. Vervoer posterijen
28. Taxivervoer
29. Openbaar Vervoer
30. Besloten busvervoer
31. Overig personenvervoer te land en in de lucht
32. Overig goederenvervoer te land en in de lucht
33. Horeca algemeen
34. Horeca catering
35. Gezondheid, geestelijke en maatschappelijke belangen
38. Banken
39. Verzekeringswezen
40. Uitgeverij
41. Groothandel I
42. Groothandel II
43. Zakelijke Dienstverlening I
44. Zakelijke Dienstverlening II
45. Zakelijke Dienstverlening III
46. Zuivelindustrie
47. Textielindustrie
48. Steen-, cement-, glas- en keramische industrie
49. Chemische industrie
50. Voedingsindustrie
51. Algemene industrie
52. Uitzendbedrijven
53. Bewakingsondernemingen
54. Culturele instellingen
55. Overige takken van bedrijf en beroep
56. Schildersbedrijf
57. Stukadoorsbedrijf
58. Dakdekkersbedrijf
59. Mortelbedrijf
60. Steenhouwersbedrijf
61. Overheid, onderwijs en wetenschappen
62. Overheid, rijk, politie en rechterlijke macht
63. Overheid, defensie
64. Overheid, provincies, gemeenten en waterschappen
65. Overheid, openbare nutsbedrijven
66. Overheid, overige instellingen
67. Werk en (re)Integratie
68. Railbouw
69. Telecommunicatie
bijlage van Regeling Wfsv">
Artikel 5.2. Werkzaamheden in bijlage
Tot elke sector van het bedrijfs- en beroepsleven worden gerekend de werkzaamheden, verricht in de takken van bedrijf of beroep of gedeelten daarvan, welke in de bij deze regeling behorende bijlage 1 zijn vermeld. Werkzaamheden die een overheidswerkgever als werkgever doet verrichten, worden gerekend tot een van de sectoren 61 tot en met 66.
bijlage van Regeling Wfsv">
Artikel 5.3. Werkzaamheden niet in bijlage
Werkzaamheden, verricht in takken van bedrijf en beroep, welke niet in bijlage 1 bij deze regeling zijn vermeld, worden geacht te behoren tot een sector van het bedrijfs- en beroepsleven, waartoe takken van bedrijf en beroep behoren, waarin werkzaamheden worden verricht, welke naar de aard het meest met de eerstbedoelde werkzaamheden overeenkomen.
1.
De inspecteur kan op aanvraag van twee of meer werkgevers, wier bedrijven of instellingen in juridisch opzicht zelfstandig zijn, doch tot een economische of organisatorische eenheid behoren bij voor bezwaar vatbare beschikking beslissen dat deze werkgevers aangesloten zijn bij dezelfde sector. Deze werkgevers worden aangesloten in de sector waaronder de werkzaamheden ressorteren voor welke door de gezamenlijke werkgevers het grootste bedrag aan premieplichtig loon wordt betaald of vermoedelijk zal worden betaald, tenzij de inspecteur in verband met de maatschappelijke functie van het geheel van deze bedrijven of instellingen anders beslist.
2.
In afwijking van het eerste lid, kan de inspecteur op verzoek van een werkgever bij voor bezwaar vatbare beschikking beslissen dat de werkgever vanaf een bij de beslissing aan te wijzen datum is aangesloten bij de sector waaronder de werkzaamheden van die werkgever ressorteren.
3.
De inspecteur kan op aanvraag van werkgevers, wier bedrijven of instellingen dermate sterk verbonden zijn met een bepaalde tak van bedrijf of beroep dat deze bedrijven of instellingen geacht kunnen worden nevenbedrijven of neveninstellingen te zijn van deze tak van bedrijf of beroep bij voor bezwaar vatbare beschikking beslissen dat deze bedrijven of instellingen aangesloten worden bij de sector waaronder de bedoelde tak van bedrijf of beroep ressorteert.
4.
De inspecteur kan, ambtshalve of op verzoek van een of meer werkgevers, bij voor bezwaar vatbare beschikking beslissen dat de aansluiting van een of meer werkgevers bij een sector wordt gewijzigd of ingetrokken vanaf een bij de beslissing aan te wijzen datum.
1.
De werkgever die in verband met het aantal arbeidsuren van de werknemers in dienst van zijn onderneming is aangesloten bij de sector Metaal- en technische bedrijfstakken, is de eerste dag in het eerstvolgende kalenderjaar na afloop van de hierna bedoelde periode aangesloten bij de sector Metaalindustrie of de sector Elektrotechnische industrie, indien het bedoeld aantal arbeidsuren per week in de onderneming, rekening houdende met het in de bedrijfstak geldende normale aantal arbeidsuren per week in de onderneming, gedurende een ononderbroken periode van onderscheidenlijk drie, twee of één jaar, te rekenen vanaf 1 januari van enig jaar, ten minste heeft bedragen onderscheidenlijk 1200, 2000 of 3000.
2.
De werkgever die in verband met het aantal arbeidsuren van de werknemers in dienst van zijn onderneming is aangesloten bij de sector Metaalindustrie of de sector Elektrotechnische industrie, is de eerste dag in het eerstvolgende kalenderjaar na afloop van de hierna bedoelde periode aangesloten bij de sector Metaal- en technische bedrijfstakken, indien het bedoeld aantal arbeidsuren per week in de onderneming, rekening houdende met het in de bedrijfstak geldende normale aantal arbeidsuren per week in de onderneming, gedurende een ononderbroken periode van onderscheidenlijk drie, twee of één jaar, te rekenen vanaf 1 januari van enig jaar, minder heeft bedragen dan onderscheidenlijk 1200, 800 of 400.
3.
In geval van rechtsopvolging van een werkgever als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt voor de toepassing van deze leden aangenomen dat sprake is van eenzelfde aansluiting.
1.
Ondernemingen waarvan de bedrijfsuitoefening uitsluitend of in overwegende mate behoort tot de in de bijlage van deze regeling bij de sectoren Metaalindustrie, Elektrotechnische industrie en Metaal- en technische bedrijfstakken genoemde takken van bedrijf of beroep waarop het tot 1 januari 1985 geldende criterium van het aantal werknemers van toepassing is en die als werkgever zijn ingedeeld bij de sector Metaal- en technische bedrijfstakken, doch waarbij op genoemde datum gedurende een ononderbroken periode van vier, drie, twee of één jaar, respectievelijk ten minste 30, 50, 100 of 150 werknemers ten behoeve van bedoelde bedrijfsuitoefening in dienst waren, blijven aangesloten bij de sector Metaal- en technische bedrijfstakken.
2.
Ondernemingen waarvan de bedrijfsuitoefening uitsluitend of in overwegende mate behoort tot de in de bijlage van deze regeling bij de sector Metaalindustrie en de sector Metaal- en technische bedrijfstakken genoemde takken van bedrijf of beroep waarop het tot 1 januari 1985 geldende criterium van het aantal werknemers van toepassing is en die als werkgever zijn ingedeeld bij de sector Metaalindustrie doch waarbij op genoemde datum gedurende een ononderbroken periode van vier, drie, twee of één jaar respectievelijk minder dan 30, 15, 10 of 5 werknemers ten behoeve van bedoelde bedrijfsuitoefening in dienst waren, blijven aangesloten bij de sector Metaalindustrie.
3.
Ondernemingen waarvan de bedrijfsuitoefening uitsluitend of in overwegende mate behoort tot de in de bijlage van deze regeling bij de sector Elektrotechnische industrie en de sector Metaal- en technische bedrijfstakken genoemde takken van bedrijf of beroep waarop het tot 1 januari 1985 geldende criterium van het aantal werknemers van toepassing is en die als werkgever zijn ingedeeld bij de sector Elektrotechnische industrie, doch waarbij op genoemde datum gedurende een ononderbroken periode van vier, drie, twee of één jaar respectievelijk minder dan 30, 15, 10 of 5 werknemers ten behoeve van bedoelde bedrijfsuitoefening in dienst waren, blijven aangesloten bij de sector Elektrotechnische industrie.
4.
In geval van rechtsopvolging van een werkgever als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid wordt voor de toepassing van deze leden aangenomen dat sprake is van eenzelfde aansluiting.
1.
Een werkgever als bedoeld in artikel 5.6 of de ondernemingsraad die aan de onderneming van die werkgever is verbonden, kan aan de inspecteur verzoeken te beslissen dat die werkgever is aangesloten bij die sector waarbij hij op grond van artikel 5.5 en zonder het bepaalde in artikel 5.6 zou zijn aangesloten.
2.
Een verzoek als bedoeld in het eerste lid, wordt ingewilligd indien tussen de werkgever en de aan zijn onderneming verbonden ondernemingsraad daarover overeenstemming bestaat.
3.
Indien geen ondernemingsraad is verbonden aan de onderneming van de in het eerste lid bedoelde werkgever, treden de gezamenlijke werknemers in alle rechten van een ondernemingsraad wat betreft het in het eerste en tweede lid gestelde, met dien verstande dat als oordeel van de gezamenlijke werknemers geldt de met meerderheid van stemmen door hen ter zake uitgesproken mening.
1.
Een werkgever, aangesloten bij sector 17, Detailhandel en ambachten is aangesloten bij sector 19, Grootwinkelbedrijf, indien het loon dat hij betaalt gedurende drie jaren tenminste het bedrag is, dat genoemd wordt in de bijlage bij deze regeling bij de sector Grootwinkelbedrijf.
2.
Een werkgever, aangesloten bij sector 19, Grootwinkelbedrijf, is aangesloten bij sector 17, Detailhandel en ambachten, indien het loon dat hij betaalt gedurende drie jaren lager is dan het bedrag, dat genoemd wordt in de bijlage bij deze regeling bij de sector Grootwinkelbedrijf.
1.
Het UWV vergoedt met inachtneming van de artikelen 102, eerste en tweede lid, en 110, eerste en tweede lid, van de Wfsv, per kalenderjaar aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de door de SVB in dat jaar aan werknemers toegekende remigratiebijdragen, doch ten hoogste tot een bedrag gelijk aan het totaal van de uitkeringen die op grond van de WW in dat kalenderjaar waarin remigratiebijdragen zijn verstrekt, aan deze werknemers hadden moeten worden betaald, indien zij werkloos waren gebleven en niet naar een bestemmingsland als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de Remigratiewet waren vertrokken.
2.
Onder remigratiebijdrage als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan: een periodieke uitkering als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Remigratiewet of een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 4, derde lid, van de Remigratiewet.
Artikel 5.10. Informatieverplichting SVB
Binnen twee maanden na afloop van enig kalenderjaar verstrekt de SVB aan het UWV een lijst met namen van de werknemers, bedoeld in artikel 5.9, eerste lid, alsmede een overzicht van de aan hen in dat jaar verstrekte remigratiebijdragen.
Artikel 5.11. Betalingsverplichting UWV
Binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar, bedoeld in artikel 5.10, betaalt het UWV de vergoeding, bedoeld in artikel 5.9, onder overlegging van een lijst met namen van de personen op wie de vergoeding betrekking heeft.
a. de verzekerde loonsom: het totaalbedrag van het loon, bedoeld in artikel 26 van de Wfsv, waarover het UWV in een kalenderjaar de premies ten gunste van een sectorfonds ontvangt, met uitzondering van het loon, waarop artikel 28, tweede lid, van de Wfsv van toepassing is;
b. werkloosheidslasten: hetgeen op grond van artikel 104, eerste lid, van de Wfsv ten laste van een sectorfonds komt en hetgeen op grond van artikel 104, vierde lid, van de Wfsv ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds komt;
c. de drempelwaarde: 0,4 procentpunt.
d. het lastenpercentage: het percentage van de verzekerde loonsom in een kalenderjaar waarin de werkloosheidslasten van dat kalenderjaar tot uitdrukking komen;
e. de wijziging van het lastenpercentage in een kalenderjaar: het verschil tussen het lastenpercentage in een kalenderjaar en het lastenpercentage in het daaraan voorafgaande kalenderjaar.
1.
Het UWV wijst, met inachtneming van het tweede lid, de sectorfondsen aan waarvoor een reserve voor de werkloosheidslasten wordt gevormd en in standgehouden.
2.
De reserve wordt niet gevormd of in stand gehouden, indien in het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarin de reserve zou worden gevormd of in stand gehouden, of in de 14 aan dat tweede kalenderjaar voorafgaande kalenderjaren, het lastenpercentage van de werkloosheidslasten niet ten minste éénmaal een wijziging van minimaal de drempelwaarde heeft gekend.
3.
De reserve heeft aan het einde van elk kalenderjaar een omvang van ten hoogste 2,5 maal de verzekerde loonsom in dat kalenderjaar maal het verschil tussen de grootste wijziging van het lastenpercentage van de werkloosheidslasten en de drempelwaarde in het jaar van de grootste wijziging.
Artikel 5.15. Begripsbepalingen
In deze afdeling en afdeling 3 wordt verstaan onder:
a. een rekening-courant: een rekening in de centrale administratie van ’s Rijks schatkist bij het ministerie van Financiën op naam van een rekening-couranthouder, waarop dagelijks het geldelijk tegoed (positief of negatief) wordt bijgehouden van de betrokken rekening-couranthouder bij het Rijk en de mutaties in het tegoed;
b. de rekening-couranthouder: de SVB, het UWV of het Zorginstituut, ieder voorzover het hem aangaat;
c. Euribor: de dagelijks door de European Banking Federation vastgestelde rente waartegen op de geldmarkt interbancair deposito's in euro's van verschillende looptijden worden aangeboden in de landen waar de euro betaalmiddel is;
d. het verdeelpercentage: het percentage waarmee de totale opbrengst van de loonheffing (de gecombineerde heffing van loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen) en de premie voor de werknemersverzekeringen wordt verdeeld in een opbrengst van de loonheffing en in een opbrengst van de diverse premies voor de werknemersverzekeringen;
e. het toedelingspercentage: het percentage waarmee de opbrengst van de loonheffing respectievelijk de inkomensheffing (de gecombineerde heffing van inkomstenbelasting en premie voor de volksverzekeringen) wordt verdeeld in belastingopbrengst en opbrengst van de premie voor de volksverzekeringen;
f. de valutadatum: de dag waarop het bedrag van een boeking rentedragend wordt.
Artikel 5.16. Rekeningen-courant en rekening-couranthouders
In de centrale administratie van 's Rijks schatkist worden de volgende rekeningen-courant geopend:
a. één of meer rekeningen-courant op naam van de SVB ten behoeve van de financiële middelen van de fondsen die de SVB beheert;
b. één of meer rekeningen-courant op naam van het UWV ten behoeve van de financiële middelen van de fondsen die het UWV beheert;
c. één of meer rekeningen-courant op naam van het Zorginstituut ten behoeve van de financiële middelen van het Fonds langdurige zorg.
1.
Ten gunste van de rekeningen-courant van de SVB en het UWV worden geboekt:
a. de bijdragen van het Rijk aan de rekening-couranthouders ten behoeve van de desbetreffende fondsen;
b. de afdrachten van de door de rijksbelastingdienst geïnde premies aan de rekening-couranthouders ten behoeve van de desbetreffende fondsen;
c. de creditrente, bedoeld in artikel 5.18, vijfde lid;
d. de bijschrijvingen op het tegoed van ’s Rijks schatkist bij een bankinstelling door de rekening-couranthouders.
2.
Ten laste van de rekeningen-courant van de SVB en het UWV worden geboekt:
a. de afdrachten door de rekening-couranthouders ten gunste van het tegoed van ’s Rijks schatkist of ten gunste van het tegoed dat een derde bij ’s Rijks schatkist in rekening-courant aanhoudt;
b. de eventuele terugbetalingen aan de rijksbelastingdienst samenhangende met de afdrachten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b;
c. de debetrente, bedoeld in artikel 5.18, vijfde lid;
d. de afschrijvingen van het tegoed van ’s Rijks schatkist bij een bankinstelling door de rekening-couranthouders.
3.
De Minister van Financiën sluit met de SVB en het UWV overeenkomsten ter uitwerking van het gebruik van de rekeningen-courant.
4.
In een overeenkomst als bedoeld in het derde lid worden afspraken vastgelegd over de wederzijdse informatievoorziening tussen enerzijds de Minister van Financiën en anderzijds respectievelijk de SVB en het UWV.
5.
De boekingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, worden door de Minister van Financiën van valutadata voorzien, zodanig dat deze data overeenkomen met de gemiddelde data waarop de premies door de rijksbelastingdienst worden geïnd.
6.
De artikelen 4.3 en 4.4 van de Regeling zorgverzekering zijn van overeenkomstige toepassing op de rekeningen-courant op naam van het Zorginstituut ten behoeve van de financiële middelen van het Fonds langdurige zorg.
1.
Over de dagelijkse credit-saldi van elk van de rekeningen-courant wordt door de Minister van Financiën een rente vergoed die gelijk is aan het 12-maands Euribor van de desbetreffende dag.
2.
Over de dagelijkse debet-saldi van elk van de rekeningen-courant wordt door de rekening-couranthouders een rente betaald die gelijk is aan het 1-maands Euribor.
3.
In afwijking van het eerste lid wordt door de Minister van Financiën aan het UWV over het gedurende het gehele jaar aanwezige minimale creditsaldo van de rekening-courant ten behoeve van de financiële middelen van de gezamenlijke sectorfondsen een rente vergoed die gelijk is aan het effectief rendement op staatsobligaties met een resterende looptijd van 5 tot 6 jaar verhoogd met 10 basispunten. Voor de dagsaldi die boven dit minimale creditsaldo uitkomen, wordt over die meerdere saldi een aanvullende rente berekend. Daarvoor is het eerste lid van toepassing.
4.
De Minister van Financiën deelt de geldende rentepercentages schriftelijk aan de rekening-couranthouders mee.
5.
De rente wordt jaarlijks achteraf, met valutadatum 31 december van het jaar waarop de renteberekening betrekking heeft, ten gunste respectievelijk ten laste van de rekeningen-courant geboekt. Daartoe stelt de Minister van Financiën een rentenota op.
Artikel 5.19. Financiële middelen buiten de rekening-courant
De rekening-couranthouder is bevoegd een bedrag van ten hoogste € 2,5 miljoen buiten de rekening-courant te houden.
1.
De totale opbrengsten van de gecombineerde heffing van de loonbelasting en de premies voor de sociale verzekeringen alsmede op looninkomsten betrekking hebbende naheffingsaanslagen, heffings- en invorderingsrente en boeteontvangsten worden uitgesplitst in een voor de afdracht vastgesteld verdeelpercentage per belasting/premiejaar.
2.
Het verdeelpercentage wordt maandelijks per belasting/premiejaar door de Minister van Financiën vastgesteld op basis van de in het belasting/premiejaar ontvangen loonaangiften en opgelegde naheffingen.
3.
Alle ontvangen gelden over het belasting/premiejaar worden verdeeld op basis van het verdeelpercentage, bedoeld in het eerste lid. De mutatie ten opzichte van de vorige periode vormt het af te dragen bedrag.
4.
Een jaar na afloop van het belasting/premiejaar wordt het verdeelpercentage voor het betreffende belasting/premiejaar definitief vastgesteld. Dit percentage wordt gehanteerd voor de definitieve verdeling van de ontvangen gelden over het betreffende belasting/premiejaar. De mutatie ten opzichte van de reeds betaalde bedragen, vormt het af te dragen bedrag. Dit verdeelpercentage wordt tevens gehanteerd voor alle betalingen die daarna worden geïnd.
1.
De opbrengsten van de gecombineerde heffing van de loonbelasting, inkomstenbelasting en de premie voor de volksverzekeringen worden uitgesplitst volgens een voor de loonheffing en voor de inkomensheffing afzonderlijk vastgesteld toedelingspercentage.
2.
Voorafgaand aan het belasting/premiejaar worden in overleg tussen de beheerders van de fondsen voor de volksverzekeringen en de Minister van Financiën voorlopige toedelingspercentages vastgesteld. De toedelingspercentages worden gebaseerd op de transactieramingen voor het desbetreffende belasting/premiejaar.
3.
In het tweede jaar na afloop van het belasting/premiejaar wordt het toedelingspercentage voor de loonheffing definitief vastgesteld. In het vierde kalenderjaar na afloop van het belasting/premiejaar wordt het toedelingspercentage voor de inkomensheffing definitief vastgesteld. De definitieve vaststelling vindt plaats op basis van de gerealiseerde belastingopbrengsten en leidt tot een correctie van de reeds afgedragen premie-opbrengsten aan de fondsen.
4.
De opbrengsten van de loonheffing en de inkomensheffing die door de rijksbelastingdienst worden geïnd nadat het toedelingspercentage definitief is vastgesteld, worden uitgesplitst op basis van het definitief vastgestelde toedelingspercentage.
5.
De correctie, bedoeld in het derde lid, wordt door de Minister van Financiën met de beheerder van dat fonds afgerekend.
1.
De rijksbelastingdienst rapporteert uiterlijk de tiende werkdag na afloop van de maand over de opbrengsten, bedoeld in de artikelen 5.20 en 5.21 aan de Minister van Financiën en de SVB, het UWV en het Zorginstituut.
2.
In afwijking van het eerste lid vindt de rapportage over de laatste maand van het kalenderjaar uiterlijk de vijftiende werkdag na afloop van het kalenderjaar plaats.
Artikel 5.23. Begripsbepalingen
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. Algemeen Kinderbijslagfonds: het Algemeen Kinderbijslagfonds, genoemd in artikel 29a van de AKW;
b. lasten met betrekking tot het Algemeen Kinderbijslagfonds: de op grond van de AKW uit te keren kinderbijslagen, alsmede de aan de uitvoering van de AKW verbonden kosten;
c. overige baten en lasten met betrekking tot het Algemeen Kinderbijslagfonds: de baten verkregen met toepassing van artikel 17a van de AKW, de baten verkregen met toepassing van artikel 17 van de AKW en de baten en lasten verkregen door interesten en diversen;
d. Wajong-fonds: het Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten, genoemd in artikel 5:1 van de Wajong;
e. Toeslagenfonds: het Toeslagenfonds, genoemd in artikel 31 van de Toeslagenwet;
f. overige baten en lasten met betrekking tot het Wajong-fonds: wettelijke rente, proceskosten, rentelasten, baten op grond van artikel 4:2 van de Wajong, en de vereveningsbijdrage, bedoeld in artikel 2:54 of 3:46 van de Wajong;
g. valutadag: de op de rekening-courantafschriften aangegeven dag van betaling;
h. overige baten en lasten met betrekking tot het Toeslagenfonds: wettelijke rente, proceskosten, rentelasten en de baten verkregen met toepassing van artikel 14a van de TW.
1.
Voor 1 oktober van elk jaar verstrekt de SVB aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het jaarplan met begroting een opgave van het totaalbedrag aan de voor het komende jaar geraamde baten en lasten met betrekking tot het Algemeen Kinderbijslagfonds, uitgesplitst naar uitkeringslasten per maand en uitvoeringskosten per jaar.
2.
De bedragen in de opgave, bedoeld in het eerste lid, worden gespecificeerd naar het aantal kinderbijslaggerechtigden en het aantal kinderen naar leeftijdsklassen en naar rangorde uitgesplitst naar toepassing van artikel 12 van de Algemene Kinderbijslagwet.
1.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stort op de rekening-courant, bedoeld in artikel 5.16, onderdeel a, een periodiek voorschot op het bedrag, bedoeld in artikel 5.24, eerste lid, van:
a. geraamde uitkeringslasten met als valutadatum de eerste dag van elke maand, en
b. 1/12 de deel van de geraamde uitvoeringskosten met als valutadatum de vijftiende dag van elke maand.
2.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan, na overleg met de SVB, van de in het eerste lid, onderdelen a en b, bedoelde bedragen afwijken.
1.
In de jaarrekening, bedoeld in artikel 49 van de Wet SUWI, worden de baten en lasten opgenomen, alsmede de ontvangen voorschotten, bedoeld in artikel 5.25, eerste lid, uitgesplitst naar uitkeringslasten en uitvoeringskosten.
2.
Na goedkeuring van het besluit tot vaststelling van de jaarrekening, bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, rekent de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten, met betrekking tot het desbetreffende kalenderjaar af, met als valutadatum 1 juni van het hierop volgende kalenderjaar.
1.
Deze paragraaf heeft betrekking op de middelen voor het Toeslagenfonds en het Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten, waarin voorzien wordt door rijksbijdragen.
2.
De middelen voor Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten dienen ter dekking van lasten die op grond van enige wettelijk voorschrift ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten komen.
3.
De middelen voor het Toeslagenfonds dienen ter dekking van lasten van het UWV voor:
a. toeslagen op grond van de TW ;
b. uitkeringen op grond van de Tijdelijke wet BIA ;
d. uitkeringen op grond van de IOW .
Artikel 5.29b. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. toeslagen: toeslagen op grond van de TW , inclusief de op grond van enige wet over de toeslagen door het UWV verschuldigde premies die niet op deze toeslagen in mindering kunnen worden gebracht en de door het UWV verschuldigde vergoedingen, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet. Onder toeslagen wordt mede begrepen de uitkeringen op grond van de Tijdelijke wet BIA ;
b. uitkeringen: uitkeringen op grond van de IOW en de Wajong , inclusief de op grond van enige wet over de uitkeringen door het UWV verschuldigde premies, die niet op deze uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht, de door het UWV verschuldigde vergoedingen, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet, en de tegemoetkomingen op grond van de artikelen 2:52 en 3:10 van de Wajong;
d. overige baten en lasten: de overige baten en lasten met betrekking tot het Wajong-fonds en de overige baten en lasten met betrekking tot het Toeslagenfonds.
1.
Voor 1 oktober van elk jaar verstrekt het UWV aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het jaarplan met begroting een opgave van het totaalbedrag aan de voor het komende jaar geraamde baten en lasten met betrekking tot het Toeslagenfonds en het Wajong-fonds, uitgesplitst naar uitkeringslasten, tegemoetkomingen en toeslagen per maand en uitvoeringskosten per jaar.
2.
De bedragen in de opgave, bedoeld in het eerste lid, worden gespecificeerd naar de in artikel 5.29a, derde lid, genoemde wetten, met uitzondering van onderdeel b.
1.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stort op de rekening-courant, bedoeld in artikel 5.16, onderdeel b, een periodiek voorschot op het bedrag, bedoeld in artikel 5.30, eerste lid, van:
a. geraamde uitkeringslasten, toeslagen en tegemoetkomingen met als valutadatum de tweeëntwintigste dag van elke maand, en
b. 1/12 de deel van de geraamde uitvoeringskosten met als valutadatum de vijftiende dag van elke maand.
2.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan, na overleg met het UWV, van de in het eerste lid, onderdelen a en b, bedoelde bedragen afwijken.
1.
In de jaarrekening, bedoeld in artikel 49 van de Wet SUWI, worden de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten, bedoeld in artikel 5.31, eerste lid, met betrekking tot hetToeslagenfonds en het Wajong-fonds opgenomen, waarbij de gegevens met betrekking tot het Toeslagenfonds tevens worden gespecificeerd naar de in artikel 5.29a, derde lid, genoemde wetten, met uitzondering van onderdeel b.
2.
De overige baten en lasten met betrekking tot het Toeslagenfonds en het Wajong-fonds kunnen in de jaarrekening, bedoeld in het eerste lid, worden toegerekend aan respectievelijk de Toeslagenwet en de Wajong .
3.
Na goedkeuring van het besluit tot vaststelling van de jaarrekening, bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, rekent de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten, met betrekking tot het desbetreffende kalenderjaar af, met als valutadatum 1 juni van het hierop volgende kalenderjaar.
1.
Voor 1 oktober van elk jaar verstrekt het UWV aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het jaarplan met begroting een opgave van het totaalbedrag aan de voor het komende jaar geraamde baten en lasten met betrekking tot het Arbeidsongeschiktheidsfonds, op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 2, en artikel 3.30 van de Wet arbeid en zorg, uitgesplitst naar uitkeringslasten per maand en uitvoeringskosten per jaar.
2.
In deze paragraaf wordt onder uitkeringen verstaan de uitkeringslasten inclusief de door het UWV over die uitkeringen verschuldigde premies en vergoedingen, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet, die niet op deze uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht.
1.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stort op de rekening-courant, bedoeld in artikel 5.16, onderdeel b, een periodiek voorschot op het bedrag, bedoeld in artikel 5.36, eerste lid, van:
a. geraamde uitkeringslasten met als valutadatum de tweeëntwintigste dag van elke maand, en
b. 1/12 de deel van de geraamde uitvoeringskosten met als valutadatum de vijftiende dag van elke maand.
2.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan, na overleg met het UWV, van de in het eerste lid, onderdelen a en b, bedoelde bedragen afwijken.
1.
In de jaarrekening, bedoeld in artikel 49 van de Wet SUWI, worden de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten, bedoeld in artikel 5.37, eerste lid, uitgesplitst naar uitkeringslasten en uitvoeringskosten, met betrekking tot hetArbeidsongeschiktheidsfonds opgenomen.
2.
Na goedkeuring van het besluit tot vaststelling van de jaarrekening, bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, rekent de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten, met betrekking tot het desbetreffende kalenderjaar af, met als valutadatum 1 juni van het hierop volgende kalenderjaar.
Artikel 5.39. Vaststelling rijksbijdrage
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stelt jaarlijks voor 31 oktober het bedrag vast dat over het afgelopen kalenderjaar als rijksbijdrage als bedoeld in artikel 114, onderdeel f, van de Wet financiering sociale verzekeringen, ten gunste komt van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds.
1.
In verband met het middelenbeheer wordt de rijksbijdrage, bedoeld in artikel 45, eerste lid, onderdeel e, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen beschouwd als middelen die deel uitmaken van het Algemeen Werkloosheidsfonds.
2.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bepaalt dat bepaalde kosten, die ten laste komen van de rijksbijdrage aan het UWV, bedoeld in artikel 45, eerste lid, onderdeel e, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in afwijking van het eerste lid niet als uitgaven ten laste van de fondsen, bedoeld in artikel 45, eerste lid, onderdelen a tot en met d, van die wet komen.
1
De kosten van het in artikel 5.21, tweede lid, van het Besluit SUWI bedoelde organisatieonderdeel dat in het bijzonder is belast met het beheer van de elektronische voorzieningen, komen als bedoeld in artikel 5.40, tweede lid, direct ten laste van de rijksbijdrage aan het UWV, bedoeld in artikel 45, eerste lid, onderdeel e, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
2.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stort op de rekening-courant van het UWV, bedoeld in artikel 120, eerste lid, van de Wfsv, een periodiek voorschot ter hoogte van 1/12 de deel van de in het eerste lid bedoelde kosten, met als valutadag de vijftiende dag van elke maand. De Minister kan na overleg met het UWV voor het in artikel 5.21, tweede lid, van het Besluit SUWI bedoelde organisatieonderdeel van het in de eerste zin genoemde bedrag afwijken.
1.
De uitvoeringskosten van het UWV voor de beoordelingen van de verdienmogelijkheid van het wettelijk minimumloon, bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, van het Besluit SUWI, de werkzaamheden ten behoeve van de vaststelling of een persoon medisch urenbeperkt is als bedoeld in artikel 6b, vierde lid, van de Participatiewet en de werkzaamheden ten behoeve van de vaststelling of een persoon uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden heeft tot arbeidsparticipatie, bedoeld in artikel 10b, tweede lid, van de Participatiewet komen als bedoeld in artikel 5.40, tweede lid, ten laste van de rijksbijdragen aan het UWV, bedoeld in artikel 45, eerste lid, onderdeel e, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
2.
Voor 1 oktober van elk jaar verstrekt het UWV aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het jaarplan met begroting een opgave van het totaalbedrag aan de voor het komende jaar geraamde uitvoeringskosten.
3.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stort op de rekening-courant van het UWV, bedoeld in artikel 120, eerste lid, van de Wfsv een voorschot ter hoogte van 1/12 e deel van het in het tweede lid bedoelde bedrag, met als valutadag de vijftiende dag van elke kalendermaand.
4.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan na overleg met het UWV van het in het tweede lid bedoelde bedrag afwijken.
5.
In het jaarverslag, bedoeld in artikel 49 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, neemt het UWV de gerealiseerde uitvoeringskosten en de ontvangen voorschotten op.
6.
Na goedkeuring van het besluit tot vaststelling van de jaarrekening, bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, rekent de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten, met betrekking tot het desbetreffende kalenderjaar af, met als valutadatum 1 juni van het hierop volgende kalenderjaar.
Artikel 5.42. Begripsbepaling
In deze paragraaf wordt verstaan onder AIO: algemene bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen, bedoeld in artikel 47a, eerste lid, van de Participatiewet.
Artikel 5.43. Raming baten en lasten
Voor 1 oktober van elk jaar verstrekt de SVB aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het jaarplan met begroting een opgave van het totaalbedrag aan de voor het komende jaar geraamde baten en lasten met betrekking tot de toekenning van AIO, uitgesplitst naar uitkeringslasten per maand en uitvoeringskosten per jaar.
1.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stort op de rekening-courant, bedoeld in artikel 5.16, onderdeel a, een periodiek voorschot op het bedrag, bedoeld in artikel 5.43, van:
a. geraamde uitkeringslasten met als valutadatum de tweeëntwintigste dag van elke maand, en
b. 1/12 de deel van de geraamde uitvoeringskosten met als valutadatum de vijftiende dag van elke maand.
2.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan, na overleg met de SVB, van de in het eerste lid, onderdelen a en b, bedoelde bedragen afwijken.
1.
In de jaarrekening, bedoeld in artikel 49 van de Wet SUWI, worden de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten, bedoeld in artikel 5.44, eerste lid, uitgesplitst naar uitkeringslasten en uitvoeringskosten, met betrekking tot de toekenning van AIO opgenomen.
2.
Na goedkeuring van het besluit tot vaststelling van de jaarrekening, bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, rekent de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten, met betrekking tot het desbetreffende kalenderjaar af, met als valutadatum 1 juni van het hierop volgende kalenderjaar.
Artikel 5.49. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. WKB: het totaalbedrag van de kindgebonden budgetten die door tussenkomst van de SVB worden uitbetaald en waarbij sprake is van toepassing van de Regeling samenloop met buitenlandse tegemoetkomingen 2008 of van uitbetaling van kindgebonden budget aan degenen die in Marokko zijn belast met de zorg voor in Marokko woonachtige kinderen;
b. uitvoeringskosten: het totaalbedrag van de kosten die de SVB maakt bij de uitvoering, bedoeld in artikel 34, derde lid, onderdeel b, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voor zover het betreft de Wet op het kindgebonden budget , de uitvoering van de Regeling samenloop met buitenlandse tegemoetkomingen 2008 en de uitvoering van de uitbetaling van kindgebonden budget aan degenen die in Marokko zijn belast met de zorg voor in Marokko woonachtige kinderen van een aanspraak op het kindgebonden budget.
Artikel 5.50. Raming baten en lasten
Voor 1 oktober van elk jaar verstrekt de SVB aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het jaarplan met begroting een opgave van het totaalbedrag aan de voor het komende jaar geraamde baten en lasten met betrekking tot de WKB, uitgesplitst naar uitkeringslasten per maand en uitvoeringskosten per jaar.
1.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stort op de rekening-courant, bedoeld in artikel 5.16, onderdeel a, een periodiek voorschot op het bedrag, bedoeld in artikel 5.50, van:
a. geraamde uitkeringslasten met als valutadatum de tweeëntwintigste dag van elke maand, en
b. 1/12 de deel van de geraamde uitvoeringskosten met als valutadatum de vijftiende dag van elke maand.
2.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan, na overleg met de SVB, van de in het eerste lid, onderdelen a en b, bedoelde bedragen afwijken.
1.
In de jaarrekening, bedoeld in artikel 49 van de Wet SUWI, worden de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten, bedoeld in artikel 5.51, eerste lid, met betrekking tot de WKB opgenomen.
2.
Na goedkeuring van het besluit tot vaststelling van de jaarrekening, bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, rekent de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten, met betrekking tot het desbetreffende kalenderjaar af, met als valutadatum 1 juni van het hierop volgende kalenderjaar.
Artikel 5.53. Begripsbepaling
In deze paragraaf wordt verstaan onder remigratiekosten: De kosten voor remigratievoorzieningen op grond van de Remigratiewet , en de daarmee samenhangende uitvoeringskosten.
Artikel 5.54. Raming baten en lasten
Voor 1 oktober van elk jaar verstrekt de SVB aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het jaarplan met begroting een opgave van het totaalbedrag aan de voor het komende jaar geraamde baten en lasten met betrekking tot remigratiekosten, uitgesplitst naar kosten voor remigratievoorzieningen per maand en uitvoeringskosten per jaar.
1.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stort op de rekening-courant, bedoeld in artikel 5.16, onderdeel a, een periodiek voorschot op het bedrag, bedoeld in artikel 5.54, van:
a. geraamde kosten voor remigratievoorzieningen met als valutadatum de tweeëntwintigste dag van elke maand, en
b. 1/12de deel van de geraamde uitvoeringskosten met als valutadatum de vijftiende dag van elke maand.
2.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan, na overleg met de SVB, van de in het eerste lid, onderdelen a en b, bedoelde bedragen afwijken.
1.
In de jaarrekening, bedoeld in artikel 49 van de Wet SUWI, worden de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten, bedoeld in artikel 5.55, eerste lid, uitgesplitst naar kosten voor remigratievoorzieningen en uitvoeringskosten, met betrekking tot de remigratiekosten opgenomen.
2.
Na goedkeuring van het besluit tot vaststelling van de jaarrekening, bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, rekent de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten, met betrekking tot het desbetreffende kalenderjaar af, met als valutadatum 1 juni van het hierop volgende kalenderjaar.
1.
De Regeling vergoeding bijdragen Remigratiewet wordt ingetrokken.
2.
De Regeling rekening-courantverhouding sociale verzekeringen wordt ingetrokken.
3.
De Regeling indeling bedrijfs- en beroepsleven in sectoren wordt ingetrokken.
4.
De Regeling reservevorming Algemeen werkloosheidsfonds 2002 wordt ingetrokken.
5.
De Regeling reservevorming wachtgeldfondsen 2002 wordt ingetrokken.
6.
De Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 december 2003 houdende nadere regels met betrekking tot de vrijstelling van de basispremie op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering voor oudere werknemers (Stcrt. 2003, 250) wordt ingetrokken.
7.
De Uitvoeringsregeling premieheffing volksverzekeringen 2002 wordt ingetrokken.
8.
De Regeling verdeling premiekorting WAO wordt ingetrokken.
9.
De Financieringsregeling Algemene Kinderbijslagfonds 2005 wordt ingetrokken.
10.
De Financieringsregeling Toeslagenfonds en Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten wordt ingetrokken.
11.
De Financieringsregeling rijksbijdrage Arbeidsongeschiktheidsfonds wordt ingetrokken.
Artikel 6.2. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2006 waarbij onderdeel 19 van bijlage 1 bij deze regeling terug werkt tot en met 1 januari 2005.
Artikel 6.3. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Wfsv.
Deze regeling zal met de toelichting en de bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst.
Den Haag, 2 december 2005
De
Minister
De
Staatssecretaris