Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | Vacatures | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
» Energiewijzer « advertorial
Bespaar geld en stap over!
Energiewijzer.nl, eerlijk over energie.

Juridische vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Powered by Jbmatch.nl

Inhoudsopgave
- Titel I. Regelen voor het openbaar onderwijs, tevens voorwaarden voor bekostiging voor het bijzonder onderwijs
+ Titel II. Overige regelen voor het openbaar onderwijs
+ Titel III. Overige voorwaarden voor bekostiging van het bijzonder onderwijs
+ Titel IV. Georganiseerd overleg
+ Titel V. Overgangsbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht

Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel

Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Ook bekend als:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Let op. Deze wet is vervallen op 18 juni 2003. U leest nu de tekst die gold op 17 juni 2003.
Artikel I-P1. Begripsbepalingen
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. betrokkene: de betrokkene genoemd in artikel I-A1, onder e 1, e 2, e 4 tot en met e 6, alsmede e 10, e 12 tot en met e 18;
b. salaris: het bedrag dat met inachtneming van de bepalingen van dit besluit voor de betrokkene is vastgesteld aan de hand van de bijlagen 1A tot en met 1D en 1F van dit besluit;
c. schaal: een als zodanig in een der bijlagen 1A en 1B van dit besluit vermelde reeks van genummerde salarissen, behorende bij een normbetrekking;
d. maximumschaal: de hoogste schaal die behoort bij een functie;
e. aanloopschaal: een bij een functie behorende lagere schaal dan de maximumschaal;
f. salarisnummer: een aanduiding, bestaande uit een getal of uit een letter en een getal, dat in een salarisschaal bij een salaris is vermeld;
g. maximumsalaris: het hoogste bedrag dat in een schaal voorkomt, waarvan het salarisnummer uitsluitend uit een getal bestaat;
h. functie: het samenstel van werkzaamheden aan één of meer instellingen door de betrokkene in dienst van hetzelfde bevoegd gezag te verrichten krachtens en overeenkomstig hetgeen hem uit hoofde van een benoeming als bedoeld in artikel I-A1, onder o , door het bevoegd gezag is opgedragen; een en ander conform het bepaalde in de hoofdstukken I-Q, I-R of I-S;
i. normfunctie: een functie waarvan de inhoud en het niveau zijn omschreven in de bijlage Q1, Q2 en Q5 tot en met Q14, R1 en R2, R5 tot en met R11 a , S1 en S4 tot en met S12 bij dit besluit;
j. carrièrepatroon: de wijze waarop de betrokkene op grond van het bepaalde in hoofdstuk I-Q, I-R of I-S het maximumsalaris van de bij zijn functie behorende maximumschaal bereikt;
k. formatie: het samenstel van functies voor het gehele personeel in niveaus en aantallen, uitgedrukt in de omvang: van een normbetrekking of een gedeelte daarvan;
l. tijdelijke uitbreiding betrekkingsomvang: de tijdelijke uitbreiding van de betrekkingsomvang op grond van dit besluit van een reeds bij het bevoegd gezag benoemd personeelslid;
m. begintraject: de reeks salarisbedragen die voorafgaat aan de aanloopschaal bij een functie als bedoeld in hoofdstuk I-R, zoals aangegeven in bijlage 1D;
n. eindejaarsuitkering: de uitkering als bedoeld in artikel I-P30;
o. aanlooptraject: de reeks salarisbedragen die voorafgaat aan de maximumschaal bij een functie als bedoeld in artikel I-S102 a , zoals aangegeven in bijlage 1F.
1.
De betrokkene wordt benoemd in één van de functies die door het bevoegd gezag beschikbaar is gesteld.
2.
Het salaris van de betrokkene wordt vastgesteld aan de hand van de functie waarin hij is benoemd, een en ander met inachtneming van het bepaalde in dit hoofdstuk en in de hoofdstukken I-Q, I-R of I-S.
3.
De betrokkene kan bij een bevoegd gezag aan de instelling of instellingen waaraan hij uit hoofde van zijn benoeming verbonden kan worden, slechts in één functie zijn benoemd, met dien verstande dat in het kader van de bestuursbenoeming, bedoeld in artikel I-A1, onderdeel p, als één functie worden aangemerkt:
a. onderwijsgevende functies met dezelfde maximumschaal en hetzelfde carrièrepatroon;
b. gelijksoortige onderwijsondersteunende functies met dezelfde maximumschaal en hetzelfde carrièrepatroon.
4.
Het bevoegd gezag kan naast of in plaats van de normfuncties andere functies voor de instelling vaststellen waarbij taken behorend tot die normfunctie worden verzelfstandigd of andere taken dan wel taken behorende tot verschillende normfuncties worden samengevoegd tot één nieuwe functie. Voor het bevoegd gezag van een instelling bedoeld in artikel I-A1, onder d 1 tot en met d 6, d 10 en d 13 tot en met d 15, d 17 en d 18 geldt dat de maximumschaal van de in de eerste volzin bedoelde nieuwe functie ten hoogste één schaal hoger kan zijn dan de maximumschaal die op grond van hoofdstuk I-Q behoort bij de normfunctie directeur aan de desbetreffende instelling doch niet hoger dan schaal 18. Zonodig in afwijking van het bepaalde in de tweede volzin geldt voor het bevoegd gezag van een instelling bedoeld in artikel I-A1, onder d 1 en d 2, dat de maximumschaal van de in de eerste volzin bedoelde nieuwe functie in het kader van artikel 29, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 29, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra, of artikel 149, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, ten hoogste schaal 13 kan zijn.
5.
In de situaties bedoeld in het vierde lid stelt het bevoegd gezag een functiebeschrijving op en geeft daarbij de plaats in de organisatie aan voor de nieuwe functie. Tevens wordt de maximumschaal aangegeven op basis van de aard en het niveau van de werkzaamheden die in de functie zijn samengebracht rekening houdend met de voor het rijkspersoneel ter zake geldende normen en in samenhang met de formatie, en geeft het bevoegd gezag aan of hoofdstuk I-Q, I-R of I-S op die functie van toepassing is.
6.
De betrokkene die zich niet kan verenigen met de uitkomst van de waardering van zijn functie als bedoeld in het vijfde lid, kan het bevoegd gezag verzoeken die waarderingsuitkomst opnieuw in overweging te nemen. Onze minister geeft nadere voorschriften voor de behandeling van verzoeken als bedoeld in de eerste volzin.
7.
In afwijking van het derde lid kan een betrokkene in het in dat lid bedoelde geval worden benoemd:
a. in twee functies als bedoeld in hoofdstuk I-S dan wel hoofdstuk I-R en I-S, indien er een verschil van meer dan drie schalen is tussen de bij die functies behorende maximumschalen, of
b. in twee functies als bedoeld in hoofdstuk I-R indien die functies bestaan uit een normfunctie leraar voor basisscholen enerzijds en een normfunctie leraar voor speciale scholen voor basisonderwijs anderzijds.
8.
Over belangrijke facetten van de concrete taakinhoud en over wijziging daarvan pleegt het bevoegd gezag overleg met de betrokken betrokkene. De werkzaamheden moeten redelijkerwijs aan de betrokkene kunnen worden opgedragen.
1.
De betrokkene wordt benoemd in een normbetrekking of een deel daarvan, onverminderd het vijfde lid.
2.
De normbetrekking op jaarbasis wordt gerealiseerd door met inachtneming van het verlof op grond van artikel I-C2 respectievelijk artikel I-C7, tweede lid eerste volzin, op jaarbasis uit te gaan van een arbeidsduur van 1710 uren, waaruit verlof wordt verleend op grond van artikel I-C41.
3.
In afwijking van het tweede lid wordt de normbetrekking door het bevoegd gezag op verzoek van betrokkene gerealiseerd door middel van een arbeidsduur op jaarbasis die met inachtneming van het verlof op grond van artikel I-C2 respectievelijk artikel I-C7, tweede lid eerste volzin, wordt gelijkgesteld met 1790 uren, tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet.
4.
Aan het derde lid kan geen toepassing worden gegeven indien dat op enigerlei wijze direct leidt tot een plaatsing in de formatie, bedoeld in artikel I-P76, tweede lid onder b, dan wel tot enige uitkering op grond van het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel .
5.
Voor de betrokkene geldt dat de omvang van zijn betrekking of betrekkingen, waaronder tevens zijn begrepen werkzaamheden al of niet in dienstverband buiten het onderwijs verricht en waarmee inkomen wordt verworven, de omvang van 120% van een normbetrekking niet te boven mag gaan.
1.
Het salaris van de betrokkene die is benoemd in een betrekking met een omvang anders dan die van een normbetrekking wordt naar evenredigheid van die betrekkingsomvang berekend. De aldus berekende uitkomst wordt op rekenkundige wijze afgerond op centen.
2.
Waar dit in hoofdstuk of in de hoofdstukken I-Q, I-R of I-S sprake is van een vergelijking van salarisbedragen ten einde een inpassingsschaalbedrag te kunnen vaststellen moet worden uitgegaan van het salarisbedrag behorende bij een normbetrekking. Zonodig wordt het voor een betrokkene feitelijk geldende salaris omgerekend naar een salarisbedrag behorende bij een normbetrekking.
1.
Zonder voorafgaand ontslag kan voor een betrokkene geen andere functie gaan gelden dan de functie waarin hij reeds is benoemd, behoudens het bepaalde in de artikelen I-Q106, I-Q107, I-Q209 en I-S110. De eerste volzin is niet van toepassing indien het bevoegd gezag bij de bepaling van het functieniveau met de betrokkene is overeengekomen dat zijn functie een tijdelijk karakter heeft en de schaal in verband daarmee slechts tijdelijk zal gelden.
2.
De omvang van de betrekking van een betrokkene die in vaste dienst is benoemd, wordt niet tegen zijn wil verkleind, behoudens de mogelijkheid van het verval van rechtswege op grond van artikel I-P80.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op het personeel genoemd in artikel I-A1, onder e 5, e 6, e 10, e 13 tot en met e 15, e 17 en e 18, e 17 en e 18.
4.
Indien een betrokkene, als bedoeld in artikel I-A1, onder e 5, e 10, e 14, e 15, e 17 en e 18, in verband met de opheffing van zijn functie, aan dezelfde instelling direct aansluitend wordt benoemd in een functie met een lager functieniveau dan het functieniveau dat behoorde bij zijn oude functie en indien het salaris dat hij op de dag direct voorafgaande aan de benoeming in die oude functie genoot, hoger is dan het hoogste bedrag in de maximumschaal van de functie waarin benoeming plaatsvindt, wordt aan hem voor de duur van die benoeming een toelage toegekend ter grootte van het verschil tussen het bedrag behorende bij het salarisnummer dat op hem van toepassing was op de dag voorafgaande aan de benoeming in de bedoelde functie en het hoogste bedrag in de maximumschaal behorend bij de functie waarin de benoeming plaatsvindt. De toelage vervalt indien hij aan een andere instelling wordt benoemd danwel indien hij wordt benoemd in een functie met een hogere maximumschaal.
1.
Bij elke functie behoren één of meer schalen, een aantal schalen en een begintraject, of één schaal en een aanlooptraject. Het salaris van de in die functie benoemde betrokkene wordt vastgesteld aan de hand van één van de salarisbedragen die in het begintraject, het aanlooptraject of die schaal dan wel schalen voorkomen.
2.
Indien het bepaalde in hoofdstuk I-Q, I-R of I-S dit voorschrijft, wordt het salaris van de betrokkene eerst vastgesteld op een der salarisbedragen in het begintraject, aanlooptraject, de aanloopschaal of -schalen en, nadat hij die volgens het bepaalde in het desbetreffende hoofdstuk heeft doorlopen, op een salarisbedrag in de maximumschaal.
3.
De bij elke functie behorende maximumschaal, aanloopschaal of -schalen, begintraject en aanlooptraject zijn aangegeven in hoofdstuk I-Q, I-R of I-S.
Artikel I-P7. Inschaling
Behoudens het bepaalde in de artikelen I-P8 tot en met I-P11, I-Q104, I-R105 en I-S103 wordt het salaris van de betrokkene bij zijn benoeming vastgesteld op het laagste bedrag:
a. van het begintraject of aanlooptraject dan wel;
b. indien bij de functie geen begintraject of aanlooptraject behoort, op het laagste bedrag in de laagste schaal behorend bij de functie waarin hij wordt benoemd dan wel;
c. indien bij de functie bedoeld in hoofdstuk I-R schaal 12 als maximumschaal behoort, op het bedrag behorende bij salarisnummer 1 in schaal 10.
1.
Het salaris van de betrokkene die reeds eerder in een schooljaar gedurende ten minste 60 werkdagen in een onderwijsfunctie werkzaam en bezoldigd is geweest en die wordt benoemd in hetzij een functie met een lagere maximumschaal hetzij een functie met eenzelfde maximumschaal en hetzelfde of een ongunstiger carrièrepatroon dan die welke behoorde respectievelijk behoorden bij die vorige onderwijsfunctie, wordt vastgesteld in het begintraject dan wel, indien het bedrag hoger is of indien er bij de functie geen begintraject behoort in de laagst mogelijke schaal die bij zijn nieuwe functie behoort, op hetzelfde bedrag volgens welk hij in die vorige functie werd bezoldigd in dat schooljaar.
2.
Indien de in het eerste lid bedoelde betrokkene in enig aan zijn benoeming voorafgaand schooljaar reeds gedurende ten minste 60 werkdagen in zijn vorige onderwijsfunctie werkzaam en bezoldigd is geweest, wordt, voor zover het bij die vorige functie behorende carrièrepatroon zulks mogelijk maakt, zijn salaris vastgesteld in het begintraject dan wel, indien het bedrag hoger is of indien er bij de functie geen begintraject behoort in de laagst mogelijke schaal die bij zijn nieuwe functie behoort, op een bedrag dat één periodieke verhoging hoger is dan het salaris dat hij in die vorige functie genoot in dat voorafgaande schooljaar.
3.
Het salaris van de betrokkene die reeds eerder in een schooljaar gedurende ten minste 60 werkdagen in een onderwijsfunctie werkzaam en bezoldigd is geweest en die wordt benoemd in hetzij een functie met een hogere maximumschaal hetzij een functie met een gunstiger carrièrepatroon en ten minste eenzelfde maximumschaal dan die welke behoorde respectievelijk behoorden bij die vorige onderwijsfunctie, wordt vastgesteld in het begintraject dan wel, indien het bedrag hoger is of indien er bij de functie geen begintraject behoort in de laagst mogelijke schaal die bij zijn nieuwe functie behoort op het salarisbedrag dat onmiddellijk gelegen is boven het bedrag volgens welk hij in die vorige functie werd bezoldigd in dat schooljaar.
4.
Indien de in het derde lid bedoelde betrokkene in enig aan zijn benoeming voorafgaand schooljaar reeds gedurende ten minste 60 werkdagen in zijn vorige onderwijsfunctie werkzaam en bezoldigd is geweest, wordt, voor zover het bij die vorige functie behorende carrièrepatroon zulks mogelijk maakt, zijn salaris vastgesteld in het begintraject dan wel, indien het bedrag hoger is of indien er bij de functie geen begintraject behoort in de laagst mogelijke schaal die bij zijn nieuwe functie behoort, op het salarisbedrag dat onmiddellijk gelegen is boven het bedrag dat volgens het bij die vorige functie behorende carrièrepatroon één periodieke verhoging hoger is dan het salaris dat hij in die vorige functie genoot in dat voorafgaande schooljaar.
5.
Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste tot en met het vierde lid wordt met een schooljaar waarin de betrokkene gedurende ten minste 60 werkdagen werkzaam en bezoldigd is geweest in zijn vorige onderwijsfunctie, gelijkgesteld een schooljaar waarin de betrokkene gedurende alle schoolweken in die onderwijsfunctie benoemd is geweest.
6.
Bij een benoeming in een onderwijsfunctie wordt het salaris van de betrokkene die reeds meer dan één onderwijsfunctie vervulde, vastgesteld op de in het eerste tot en met vierde lid aangegeven wijze, met dien verstande dat hierbij wordt uitgegaan van
a. het schooljaar waarin de betrokkene voor het laatst in alle door hem vervulde onderwijsfuncties gezamenlijk gedurende alle schoolweken benoemd dan wel gedurende ten minste 60 werkdagen werkzaam en bezoldigd is geweest;
b. de vorige onderwijsfunctie met de hoogst mogelijke maximumschaal waarin de betrokkene tezamen met andere vorige onderwijsfuncties met eenzelfde of een hogere maximumschaal in het onder a bedoelde schooljaar gedurende alle schoolweken benoemd dan wel gedurende ten minste 60 werkdagen werkzaam en bezoldigd is geweest.
Indien de betrokkene in het onder a bedoelde schooljaar naast de onder b bepaalde onderwijsfunctie één of meer onderwijsfuncties heeft vervuld met dezelfde maximumschaal als die welke behoorde bij de onder b bepaalde onderwijsfunctie en hij in alle onderwijsfuncties met die gelijke maximumschaal niet volgens hetzelfde salarisbedrag werd bezoldigd, wordt uitgegaan van de onderwijsfunctie met die gelijke maximumschaal waarin de betrokkene in het onder a bedoelde schooljaar volgens het laagste salarisbedrag bezoldigd is geweest, tenzij hij in dat schooljaar in een andere onderwijsfunctie met die gelijke maximumschaal volgens een hoger salarisbedrag bezoldigd is geweest en hij in deze onderwijsfunctie tezamen met andere onderwijsfuncties met die gelijke maximumschaal en eenzelfde salarisbedrag in het onder a bedoelde schooljaar gedurende alle schoolweken benoemd dan wel gedurende ten minste 60 werkdagen werkzaam en bezoldigd is geweest; in dat geval wordt uitgegaan van die laatstbedoelde onderwijsfunctie.
7.
Voor de toepassing van het zesde lid:
a. worden dagen waarop de betrokkene gelijktijdig in meer dan één onderwijsfunctie werkzaam en bezoldigd was als één werkdag geteld; indien hierbij sprake was van twee of meer onderwijsfuncties met dezelfde maximumschaal waarin de betrokkene volgens verschillende salarisbedragen werd bezoldigd, worden de dagen waarop deze functies gelijktijdig zijn vervuld toegerekend aan de onderwijsfunctie waarin hij op die dagen volgens het hoogste salarisbedrag werd bezoldigd; dagen waarop de betrokkene gelijktijdig twee of meer onderwijsfuncties heeft vervuld met verschillende maximumschalen, worden toegerekend aan de onderwijsfunctie die hij op die dagen heeft vervuld met de hoogste maximumschaal;
b. wordt bij de telling van het aantal werkdagen, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, uitgegaan van het aantal werkdagen waarop de betrokkene in het schooljaar, bedoeld in het zesde lid onder a , werkzaam en bezoldigd is geweest in alle door hem vervulde onderwijsfuncties gezamenlijk;
c. wordt bij een benoeming in het, in het zesde lid, onder a , bedoelde schooljaar of in het onmiddellijk daarop volgende schooljaar, voor de betrokkene die op 1 augustus van het in het zesde lid, onder a , bedoelde schooljaar dezelfde onderwijsfuncties vervulde als op 31 juli van het onmiddellijk daaraan voorafgaande schooljaar, uitgegaan van het laatstbedoelde schooljaar indien dit leidt tot vaststelling van een hoger salaris en mits hij in dat schooljaar in alle door hem vervulde onderwijsfuncties gezamenlijk gedurende alle schoolweken benoemd dan wel gedurende ten minste 60 werkdagen werkzaam en bezoldigd is geweest.
d. wordt bij een benoeming aan dezelfde instelling of ingeval van een bestuursbenoeming bij hetzelfde bevoegd gezag, de vorige onderwijsfunctie met een hogere maximumschaal dan die welke behoort bij de functie waarin de benoeming plaatsvindt, buiten beschouwing gelaten indien de belanghebbende niet tenminste drie schooljaren in die vorige functie werkzaam is geweest en hij bij dezelfde instelling of ingeval van een bestuursbenoeming bij hetzelfde bevoegd gezag eveneens werkzaam is geweest in een functie met een lagere maximumschaal dan die behoorde bij die vorige functie. Voor de vaststelling van het salaris wordt uitgegaan van het salaris dat zou zijn genoten in de functie met de lagere maximumschaal. Het bepaalde in het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing.
8.
Vaststelling van het salaris bij benoeming als bedoeld in het eerste tot en met het zevende lid mag er niet toe leiden dat het vastgestelde bedrag hoger is dan het hoogste bedrag in de bij de desbetreffende functie behorende maximumschaal noch lager dan het laagste bedrag van het bij de functie behorende begintraject dan wel van de laagste aanloopschaal indien bij de functie geen begintraject behoort.
Indien het salarisbedrag dat de betrokkene in zijn vorige functie genoot niet voorkomt in het begintraject of de laagst mogelijke schaal behorende bij de functie waarin hij wordt benoemd, wordt het salaris vastgesteld op het naasthogere bedrag in dat begintraject of deze schaal. Indien het salaris dat de betrokkene in zijn vorige functie genoot hoger is dan het hoogste bedrag in de bij zijn functie behorende maximumschaal wordt zijn salaris vastgesteld op dat hoogste bedrag.
1.
Ten aanzien van de vaststelling van het salaris van de betrokkene die reeds één of meer functies bij het onderwijs vervult en die daarnaast wordt benoemd in een andere onderwijsfunctie is het bepaalde in artikel I-P8 van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat hierbij een aangehouden functie wordt gelijkgesteld met een vorige functie.
2.
Het salaris van de in het eerste lid bedoelde betrokkene die wordt benoemd in een functie met een maximumschaal en een carrièrepatroon die gelijk zijn aan de maximumschaal en het carrièrepatroon die bij de aangehouden functie respectievelijk bij één van de aangehouden functies behoren, wordt, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, vastgesteld op hetzelfde bedrag en in hetzelfde begintraject of in dezelfde schaal volgens welke hij wordt bezoldigd in de aangehouden functie met die gelijke maximumschaal en carrièrepatroon.
1.
Het salaris van de betrokkene die een inkomen geniet of heeft genoten voor werkzaamheden die buiten het onderwijs al dan niet in dienstbetrekking zijn verricht en waarin hij relevante ervaring heeft opgedaan, wordt vastgesteld op een bedrag dat ten hoogste één periodieke verhoging hoger is dan evenbedoeld inkomen per maand, in het begintraject of in een salarisschaal die voorkomt in het bij zijn functie behorende carrièrepatroon.
2.
Onze minister geeft nadere voorschriften voor de uitvoering van het eerste lid.
1.
Het salaris van de betrokkene die op het moment dat hij in een onderwijsfunctie wordt benoemd gedurende vier of meer achtereenvolgende schooljaren geen functie in het onderwijs heeft vervuld, wordt, onverminderd het bepaalde in artikel I-P10 vastgesteld op een bedrag dat hoger is dan het bedrag dat voor hem bij toepassing van artikel I-P8 zou gelden en wel voor elke periode van vier schooljaren na het schooljaar waarin de betrokkene voor het laatst in alle door hem vervulde onderwijsfuncties gezamenlijk gedurende alle schoolweken benoemd dan wel gedurende ten minste 60 werkdagen werkzaam en bezoldigd is geweest, één periodieke verhoging in het begintraject of de laagst mogelijke schaal die behoort bij de functie waarin hij wordt benoemd een en ander voor zover dit binnen het bij zijn vorige functie behorende carrièrepatroon mogelijk is.
2.
Het salaris van de belanghebbende, niet zijnde de belanghebbende als bedoeld in artikel I-P9, tweede lid, wordt bij zijn benoeming in een onderwijsfunctie in afwijking van het bepaalde in het eerste lid en de artikelen I-P7, I-P8, I-P9, eerste lid en I-P10, ten minste vastgesteld op een bedrag dat hoger is dan het in artikel I-P7 bedoelde bedrag indien hij de voor zijn onderwijsfunctie vereiste kwalificaties of bevoegdheden reeds vier jaar of langer geleden heeft verworven. De verhoging bedraagt één periodieke verhoging in het begintraject dan wel de laagst mogelijk bij zijn functie behorende schaal voor elke periode van vier volledige jaren die sedert de verwerving van de voor zijn functie vereiste kwalificaties of bevoegdheden is verstreken.
3.
Voor de betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e1, e2 en e16, e 4 tot en met e 6, e 10 en e 13 tot en met e 15, e 17 en e 18, wordt voor de toepassing van het eerste lid, de in dat lid bedoelde periode van vier schooljaren verkort tot drie schooljaren voor de eerste periode van zes schooljaren na het schooljaar waarin de betrokkene voor het laatst in alle door hem vervulde onderwijsfuncties gezamenlijk gedurende alle schoolweken benoemd dan wel gedurende ten minste 60 werkdagen werkzaam en bezoldigd is geweest;
4.
Voor de toepassing van het eerste tot en met het derde lid wordt een schooljaar waarin de betrokkene niet gedurende alle schoolweken benoemd en evenmin gedurende ten minste 60 werkdagen werkzaam en bezoldigd is geweest in één of meer onderwijsfuncties, gelijkgesteld aan een schooljaar waarin de betrokkene geen functie in het onderwijs heeft vervuld.
1.
In afwijking van het bepaalde in de artikelen I-P7 tot en met I-P11 en in de artikelen I-P13 en I-P14 wordt het salaris van een betrokkene die de leeftijd van 22 jaar nog niet heeft bereikt, vastgesteld op het bedrag dat in de voor hem geldende schaal is opgenomen bij het salarisnummer bestaande uit de letter J en het getal dat overeenkomt met zijn leeftijd in jaren voor zover de schaal in bijlage 1B dit aangeeft.
2.
Het salaris van de betrokkene die de leeftijd van 22 jaar bereikt wordt met ingang van de eerste dag van de maand waarin hij die leeftijd bereikt, vastgesteld:
a. op het laagste bedrag van het aanlooptraject;
b. Indien bij de functie geen aanlooptraject behoort, op het bedrag dat in de voor hem van toepassing zijnde schaal is vermeld bij salarisnummer 0.
1.
Het salaris van de betrokkene van wie het dienstverband niet wordt onderbroken wordt binnen het begintraject, aanlooptraject of de schaal jaarlijks op 1 augustus verhoogd tot het naasthogere bedrag onverminderd het bepaalde in artikel I-P14.
2.
In afwijking van het eerste lid wordt het salaris van de betrokkene wanneer het voorlaatste salarisnummer beginnend met de letter U van schaal 1, 2, 3 of 4 is bereikt, na twee jaar verhoogd tot het naasthogere bedrag.
1.
Behoudens het bepaalde in het tweede lid wordt het salaris van de betrokkene die reeds bij het bevoegd gezag benoemd is en die wordt benoemd in hetzij een functie met een hogere maximumschaal hetzij een functie met een gunstiger carrièrepatroon en tenminste dezelfde maximumschaal dan die welke behoorde bij zijn vorige functie, vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen I-P8 en I-P9, tweede lid dan wel artikel I-P51, met ingang van de datum waarop hij zijn werkzaamheden in die functie aanvangt.
2.
Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op de betrokkene voor wie een hogere maximumschaal of gunstiger carrièrepatroon ter beschikking komt uitsluitend ten gevolge van de grootte van de instelling.
3.
Indien op grond van het eerste lid een periodieke verhoging wordt toegekend aan een betrokkene wiens salaris werd vastgesteld volgens één der schalen 1 tot en met 6, wordt het salarisnummer in de nieuwe schaal zodanig vastgesteld dat het salaris in die schaal blijft uitgaan boven het salaris dat voor de betrokkene in de oude schaal zou hebben gegolden tot het hoogste bedrag in de bij de nieuwe functie behorende maximumschaal is bereikt.
1.
Indien het salaris van een betrokkene als gevolg van enige bepaling in dit hoofdstuk dan wel in de hoofdstukken I-Q, I-R of I-S moet worden vastgesteld over een periode die korter is dan een kalendermaand, wordt uitgegaan van de bezoldiging per dag berekend door het bedrag van de bezoldiging per maand te delen door het aantal dagen dat de desbetreffende maand telt.
2.
Indien voor een betrokkene die wordt benoemd voor een periode van 6 maanden of korter het salaris als gevolg van enige bepaling in dit hoofdstuk dan wel in de hoofdstukken I-Q, I-R of I-S moet worden vastgesteld over een periode die korter is dan een kalendermaand geschiedt dit in afwijking van het bepaalde in het eerste lid aan de hand van de formule:
(w x q + r) x (3:13) x s
waarin:
w = de werktijdfactor die voor betrokkene geldt;
q = het aantal volledige kalenderweken gedurende welke betrokkene in de desbetreffende maand werkzaam is;
r = het aantal uren dat betrokkene feitelijk heeft gewerkt in de niet volledige kalenderweek of kalenderweken gedurende welke hij in de desbetreffende maand is benoemd, gedeeld door 36,86;
s = het salaris bij een normbetrekking.
De uitkomst wordt rekenkundig afgerond op centen.
3.
het salaris van de betrokkene die bij een bevoegd gezag reeds benoemd is en van wie de betrekkingsomvang waarin hij is benoemd tijdelijk wordt uitgebreid, wordt voor zover het de kalendermaanden betreft waarover die tijdelijke uitbreiding zich niet volledig uitstrekt, voor de tijdelijke werkzaamheden vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in het tweede lid.
1.
Indien het salaris bij een normbetrekking minder is dan het maandbedrag van het minimumloon als vermeld in bijlage 2, onder 1 bij de leeftijd die de betrokkene heeft wordt aan hem een toelage toegekend ten bedrage van het verschil.
2.
Voor de betrokkene bedoeld in het eerste lid met een betrekkingsomvang anders dan een normbetrekking, wordt het voor werknemers van dezelfde leeftijd geldende minimumloon geacht te zijn vastgesteld op een evenredig deel van het in het eerste lid bedoelde maandbedrag.
1.
De betrokkene is voor door het bevoegd gezag verstrekte genot van woning, verstrekkingen in de woning, kost en inwoning een bedrag verschuldigd overeenkomende met een percentage van de voor hem geldende berekeningsbasis tot ten hoogste de door Onze minister vastgestelde maximumbedragen als aangegeven in bijlage 3 bij dit besluit.
2.
De berekeningsbasis bedoeld in het eerste lid, komt overeen met de som van salaris bij normbetrekking en toelagen op grond van dit besluit. Van de berekeningsbasis maakt geen deel uit de toelage onregelmatige dienst, als bedoeld in artikel I-S107 of de garantietoelage onregelmatige dienst als bedoeld in artikel I-S108.
3.
Indien de betrokkene aantoont dat de huurwaarde van de woning voor de heffing van de inkomsten- en loonbelasting minder bedraagt dan het op grond van het bepaalde in het eerste lid geldende bedrag wegens genot van de woning, wordt het verschuldigde bedrag op dat van die huurwaarde gesteld.
4.
Bij geoorloofde afwezigheid wordt het bedrag dat voor het genot van kost verschuldigd zou zijn voor elke dag dat dit emolument niet wordt genoten, verminderd met een bedrag als is aangegeven in bijlage 3.
5.
De op grond van de bepalingen van dit artikel door betrokkene verschuldigde bedragen worden verrekend bij de uitbetalingen van het salaris dan wel, indien dat niet mogelijk is, afzonderlijk in rekening gebracht.
6.
In bijzondere gevallen kan een regeling worden getroffen die afwijkt van het bepaalde in het eerste en het vierde lid.
7.
In geval andere dan de in dit artikel en bijlage 3 genoemde voordelen worden genoten kan een regeling worden getroffen, waarbij de hiervoor door betrokkene verschuldigde bedragen worden vastgesteld.
8.
Een regeling als bedoeld in het zesde en zevende lid wordt getroffen bij gemeenschappelijke beschikking van Onze minister en Onze minister van Binnenlandse Zaken.
9.
Voor zover een verstrekking niet gedurende een hele maand wordt genoten wordt het bedrag van de inhouding over het gedeelte van de maand berekend door het maandbedrag van de inhouding te vermenigvuldigen met q * 3/13, waarbij "q" gelijk is aan het aantal volledige kalenderweken waarin de desbetreffende verstrekking wordt genoten.
10.
De maximumbedragen als bedoeld in het eerste en het vierde lid worden door Onze minister vastgesteld overeenkomstig de bedragen die gelden voor het rijkspersoneel.
1.
Het salaris, de toelagen en de vergoedingen voor extra diensten vastgesteld volgens de bepalingen van dit besluit worden per maand uitbetaald.
2.
Het bevoegd gezag verstrekt de betrokkene bij zijn indiensttreding en indien er een wijziging optreedt in het salaris, de toelagen of de vergoedingen voor extra diensten, een specificatie van de door hem genoten bezoldiging.
1.
De betrokkene is verplicht de werkzaamheden behorende bij de functie waarin hij is benoemd op zich te nemen.
2.
De betrokkene ontvangt geen bezoldiging over de tijd, gedurende welke hij in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk nalaat zijn werkzaamheden te verrichten en over de tijd, gedurende welke hij bij het einde van zijn dienstverband meer verlof op grond van artikel I-C41 of hoofdstuk I-V heeft genoten dan waarop hij aanspraak had.
3.
Onze minister geeft voor de toepassing van het bepaalde in het tweede lid nadere voorschriften.
1.
Het bevoegd gezag kan voor ten hoogste 1/3 gedeelte de bezoldiging inhouden van de betrokkene die bij wijze van straf is geschorst wegens het feit dat:
a. een strafrechtelijke vervolging wegens misdrijf tegen hem is ingesteld;
b. hij krachtens een wettelijke maatregel van zijn vrijheid is beroofd;
c. hij de bevoegdheid tot het geven van onderwijs door een nog niet onherroepelijk geworden vonnis heeft verloren.
2.
De ingehouden bezoldiging wordt alsnog uitbetaald indien door de strafrechter geen straf wordt opgelegd of de beslissing van het bevoegd gezag tot inhouding van bezoldiging wordt vernietigd alsmede voor zover op andere gronden alsnog tot uitbetaling wordt besloten. Op de aldus uit te keren bezoldiging worden in mindering gebracht de inkomsten welke de betrokkene sedert de schorsing heeft genoten uit arbeid die hij als gevolg van de schorsing heeft kunnen verrichten, tenzij zulks naar het oordeel van het bevoegd gezag onredelijk of onbillijk is.
3.
Van de inhouding en de uitbetaling van de bezoldiging als bedoeld in dit artikel doet het bevoegd gezag terstond mededeling aan Onze minister.
1.
De benoeming gaat in op de dag waarop de betrokkene zijn werkzaamheden aanvangt, onverminderd het bepaalde in artikel I-R108.
2.
De betrokkene heeft in geval van ontslag aanspraak op bezoldiging tot de dag waarop het ontslag ingaat, onverminderd het bepaalde in artikel I-R108.
3.
De betrokkene die blijkens een beslissing als bedoeld in artikel P5 van de pensioenwet blijvend ongeschikt is verklaard voor de vervulling van zijn betrekking, blijft benoemd voor ten hoogste de duur van de voor hem geldende opzegtermijn, te rekenen vanaf de dag waarop de beslissing onherroepelijk is geworden.
4.
Het dienstverband van de betrokkene die overlijdt, is beëindigd met ingang van de dag volgende op die van het overlijden.
5.
Het dienstverband van de betrokkene die krachtens rechterlijke uitspraak tot het geven van onderwijs is uitgesloten kan zich uitstrekken tot uiterlijk de dag waarop de rechterlijke uitspraak onherroepelijk is geworden.
Artikel I-P27. Detachering
De betrokkene kan op zijn verzoek of met zijn instemming voor bepaalde tijd worden belast met werkzaamheden bij het bevoegd gezag van een andere instelling of instellingen dan wel buiten het onderwijs.
1.
Indien aan een bevoegd gezag door Onze minister een vergoeding is verstrekt ten behoeve van het bestrijden van al dan niet schoolspecifieke knelpunten in de personeelsvoorziening kan dat bevoegd gezag, uitsluitend ten laste van de eigen middelen aan een betrokkene met het oog op deze knelpunten een nader door het bevoegd gezag vast te stellen tegemoetkoming verstrekken.
2.
De tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, maakt geen deel uit van het inkomen, bedoeld in het pensioenreglement.
Artikel I-P29. Premie in het kader van een premiespaarregeling
Het bevoegd gezag kan uitsluitend ten laste van eigen middelen een premie toekennen in het kader van een premiespaarregeling in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 .
1.
Onze minister kan bij ministeriële regeling bepalen dat recht bestaat op een algemene eindejaarsuitkering en daarbij de wijze waarop deze uitkering wordt berekend, vaststellen.
2.
In de ministeriële regeling, bedoeld in het eerste lid, kan worden bepaald dat de ministeriële regeling terugwerkt tot en met 1 januari 1996.
Artikel I-P50. Begripsbepalingen
In afwijking van het bepaalde in artikel I-P1, wordt in deze paragraaf verstaan onder
a. instelling: de instelling bedoeld in artikel I-A1, onder d 4 tot en met d 6, d 10, d 13 tot en met d 15 alsmede d 17 en d 18;
b. betrokkene: de betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e 4 tot en met e 6, e 10, e 13 tot en met e 15 alsmede e 17 en e 18.
Artikel I-P51. Vaststelling salaris bij indiensttreding
Bij de vaststelling van het salaris bij indiensttreding van een betrokkene kan het bevoegd gezag in voor de betrokkene gunstige zin afwijken van de artikelen I-P7 tot en met I-P11.
Artikel I-P52. Carrièrepatroon
Het bevoegd gezag kan regels opstellen ten aanzien van het carrièrepatroon en het doorlopen daarvan die afwijken van de artikelen I-Q105, I-R106, I-R107 I-S104 en I-S104 a .
1.
In afwijking van het bepaalde in de artikelen I-P12 en I-P13 geschiedt de verhoging van het salaris bedoeld in die artikelen indien de betrokkene naar het oordeel van het bevoegd gezag zijn functie naar behoren vervult.
2.
Bij de toepassing van het bepaalde in de artikelen I-P12 en I-P13 kan het salaris worden vastgesteld op een hoger bedrag in het carrièrepatroon dan dat bedoeld in de artikelen I-P12 en I-P13, indien hij naar het oordeel van het bevoegd gezag zijn werkzaamheden zeer goed of uitstekend vervult.
3.
Vervult de betrokkene zijn functie naar het oordeel van het bevoegd gezag niet naar behoren, dan blijft salarisverhoging als bedoeld in het eerste lid achterwege.
4.
Het tijdstip waarop ingevolge artikel I-P13 een salarisverhoging wordt toegekend, kan worden vervroegd indien daartoe naar het oordeel van het bevoegd gezag aanleiding bestaat.
5.
Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste en tweede lid kan het bevoegd gezag nadere regels vaststellen.
Artikel I-P54. Nevenwerkzaamheden
De betrokkene is verplicht eventuele geldelijke vergoedingen voor nevenwerkzaamheden af te dragen aan de instelling of instellingen waar hij werkzaam is, voor zover hij deze verricht gedurende werktijd en voor zover het bevoegd gezag hem niet van deze verplichting ontheffing heeft verleend.
1.
Slechts indien naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van zeer goede of uitstekende vervulling van de functie kan voor de duur van een jaar aan de betrokkene die het hoogste bedrag van de voor hem geldende maximumschaal heeft bereikt, een toelage worden toegekend.
2.
Slechts indien naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van zeer goede of uitstekende vervulling van de functie en daartoe op grond van bijzondere omstandigheden aanleiding bestaat, kan een toelage voor een langere duur dan één jaar worden toegekend.
3.
De in het eerste en het tweede lid bedoelde toelage bedraagt voor de betrokkene voor wie een maximumschaal geldt als vermeld in kolom I van onderstaand schema ten hoogste het daarnaast in kolom II genoemde percentage van het voor hem geldende salaris.
4.
De toelage, bedoeld in het eerste lid, maakt geen deel uit van het ambtelijk inkomen als bedoeld in de pensioenwet.
5.
Voor de toepassing van het eerste en tweede lid kan het bevoegd gezag nadere regels vaststellen.
1.
Bij bijzondere prestaties kan door het bevoegd gezag aan een betrokkene een gratificatie worden toegekend.
2.
Een gratificatie als bedoeld in het eerste lid wordt niet aangemerkt als bezoldiging en maakt geen deel uit van het ambtelijk inkomen als bedoeld in de pensioenwet.
3.
Voor de toepassing van het eerste lid kan het bevoegd gezag nadere regels vaststellen.
1.
Het bevoegd gezag kan aan de betrokkene die een functie vervult als bedoeld in hoofdstuk I-R of hoofdstuk I-S om redenen van werving of behoud een uitkering toekennen. De uitkering maakt geen deel uit van het ambtelijk inkomen bedoeld in de pensioenwet.
2.
De in het eerste lid bedoelde uitkering wordt toegekend aan het einde van het tijdvak dat tevoren door het bevoegd gezag is vastgesteld. Het bevoegd gezag kan aan de toekenning nadere voorwaarden verbinden.
3.
Aan de betrokkene die niet heeft kunnen voldoen aan de in het tweede lid bedoelde voorwaarden door een naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aan hem zelf te wijten oorzaak, kan de uitkering niettemin geheel of gedeeltelijk worden toegekend.
4.
Aan de betrokkene worden de nadere voorwaarden als bedoeld in het tweede lid, evenals de grootte van de uitkering en de maand en het jaar van toekenning, voor zover deze niet reeds in de akte van benoeming zijn vermeld, zo spoedig mogelijk schriftelijk medegedeeld.
1.
Het bevoegd gezag kan aan de betrokkene die een functie vervult als bedoeld in hoofdstuk I-R of hoofdstuk I-S om redenen van werving of behoud een maandelijkse toelage toekennen.
2.
Een toegekende toelage als bedoeld in het eerste lid wordt door het bevoegd gezag ingetrokken indien de gronden waarop de toelage werd toegekend niet meer aanwezig zijn, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat er omstandigheden zijn om de toelage geheel of gedeeltelijk te handhaven.
1.
Indien het niet mogelijk is de betrokkene in relatie tot zijn betrekkingsomvang voldoende bij zijn functie behorende werkzaamheden op te dragen, kunnen hem andere werkzaamheden worden opgedragen, mits deze in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden en gelet op zijn functieniveau passend zijn. De betrokkene is verplicht deze werkzaamheden te aanvaarden.
2.
Indien het na een zorgvuldig onderzoek in redelijkheid niet mogelijk is gebleken de betrokkene een mede in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden voor hem passende functie bij het bevoegd gezag aan te bieden dan wel indien deze een passende functie weigert te aanvaarden, kan ontslag wegens opheffing van de betrekking plaatsvinden.
Artikel I-P60. EHBO-toelage
Het bevoegd gezag kan één of meer personeelsleden die in het bezit zijn van een geldig EHBO-diploma maandelijks een toelage als vermeld in bijlage 2, onder 3, toekennen.
Artikel I-P75. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt, in afwijking van artikel I-P1, verstaan onder:
a. instelling: een instelling, bedoeld in artikel I-A1, onder d 1 of d 2, d 12 en d 16;
b. betrokkene: de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e 1 en e 2, e 12 en e 16;
c. rekeneenheid: de eenheid die voor de instelling beschikbaar is op grond van het het Formatiebesluit WPO , het Formatiebesluit WEC , deel II van het Formatiebesluit W.V.O. of het Besluit trekkende bevolking WPO ;
d. formatiebudget: het totaal aan rekeneenheden dat voor een instelling beschikbaar is.
1.
Het bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d 1 en d 2, d 16, stelt vóór 1 mei van ieder jaar de formatie van de instelling voor het daaropvolgend schooljaar vast. Het bevoegd gezag, doet vóór het begin van het schooljaar mededeling aan Onze minister van de aldus bestede formatierekeneenheden.
2.
De formatie bedoeld in het eerste lid wordt onderscheiden in de volgende categorieën:
a. de door het bevoegd gezag structureel gewenste functies naar aard, niveau en omvang;
b. functies die naar het oordeel van het bevoegd gezag nog slechts één schooljaar kunnen worden gehandhaafd;
c. functies in verband met een project waarvoor door het bevoegd gezag dan wel door Onze minister gedurende 3 of minder schooljaren uit additionele middelen formatie beschikbaar is gesteld en die door het bevoegd gezag niet in de onder a bedoelde formatie zijn opgenomen.
3.
Het bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in het eerste lid, neemt in de vast te stellen formatie bedoeld in het tweede lid, onder a in elk geval de functies van de reeds in deze formatie opgenomen en in vaste dienst verbonden betrokkenen op voor de omvang van de betrekking waarin zij zijn benoemd, tenzij dit in het licht van een goede en doelmatige uitvoering van de aan de instelling te verrichten werkzaamheden in redelijkheid niet van het bevoegd gezag kan worden gevergd.
4.
Indien in de vast te stellen formatie bedoeld in het tweede lid, onder a , daarvoor ruimte is ontstaan, neemt het bevoegd gezag onder gelijke voorwaarden als genoemd in het derde lid, hierin tevens op functies van in vaste dienst verbonden betrokkenen die deel uitmaken van de formatie bedoeld in het tweede lid, onder b .
5.
Indien Onze Minister voor korter dan een schooljaar formatierekeneenheden beschikbaar heeft gesteld, wordt in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, de formatie bedoeld in het tweede lid, onder c , tijdens het schooljaar opnieuw vastgesteld voor zover de toekenning dan wel het vervallen van deze formatierekeneenheden geschiedt tijdens het schooljaar.
6.
[Vervallen.]
7.
Het bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d 12, stelt de formatie van de instelling vast met inachtneming van het bepaalde in het Uitvoeringsbesluit W.O.V. ( Stb. 1988, 128). Het bevoegd gezag bedoeld in de eerste volzin, neemt in de formatie in elk geval de functies van de aan de instelling verbonden betrokkenen op voor de betrekkingsomvang waarvoor zij zijn benoemd, tenzij dit gezien de in artikel D6, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit W.O.V. neergelegde uitgangspunten in redelijkheid niet van het bevoegd gezag kan worden gevergd.
1.
Indien in de formatie bedoeld in artikel I-P76, tweede lid, onder a , een functie beschikbaar komt, wordt die functie door het bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d 1 en d 2 en d 16, toegedeeld aan de betrokkene wiens functie is opgenomen in de formatie bedoeld in artikel I-P76, tweede lid onder b , tenzij dit in het licht van een goede en doelmatige uitvoering van de aan de instelling te verrichten werkzaamheden in redelijkheid niet van het bevoegd gezag kan worden gevergd.
2.
Indien een bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in het eerste lid, voornemens is over te gaan tot herbenoeming van een betrokkene wiens dienstverband is beëindigd in verband met ziekte en arbeidsongeschiktheid wordt de betrokkene benoemd voor ten hoogste de betrekkingsomvang die overeenkomt met zijn restvaliditeit en voor ten hoogste de betrekkingsomvang die vóór de beëindiging van het dienstverband voor hem in de formatie bedoeld in artikel I-P76, tweede lid, was opgenomen.
1.
Voor iedere functie aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d1, d2 en d16, die voor rijksbekostiging in aanmerking wordt gebracht, wordt bij een normbetrekking een aantal rekeneenheden verbruikt als is aangegeven in onderstaand schema.
1a.
Voor de functie van leraar in opleiding, bedoeld in hoofdstuk I-T, die voor rijksbekostiging in aanmerking wordt gebracht, worden bij een normbetrekking aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d1, voor zover het betreft een basisschool 76 rekeneenheden verbruikt en voor zover het een speciale school voor basisonderwijs betreft 81 eenheden verbruikt, en worden bij een normbetrekking aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d2, 81 rekeneenheden verbruikt.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt voor de functie van de betrokkene bedoeld in artikel I-Q101, onder b , uitgegaan van de maximumschaal die op grond van het bepaalde in één van de paragrafen 2 en 3 van hoofdstuk I-Q bij de desbetreffende functie behoort.
3.
Indien voor een betrokkene bedoeld in artikel I-S601, V-S201 en V-S301 een hogere salarisschaal geldt of zal gelden dan de maximumschaal die behoort bij de functie waarin hij is benoemd, wordt in afwijking van het bepaalde in het eerste lid voor zijn functie een aantal rekeneenheden verbruikt dat overeenkomt met de hogere salarisschaal. Het bepaalde in de vorige volzin is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een betrokkene bedoeld in artikel I-R401, onder b , die is benoemd in een functie waarvoor schaal 10 de maximumschaal is en voor wie een salaris geldt of zal gelden in maximumschaal 12.
4.
Bij benoeming van een betrokkene als bedoeld in artikel I-A1, onder e1, e2 en e16, dan wel bij benoeming van een betrokkene als bedoeld in artikel I-T3, onder a, in een betrekking waarvan de omvang niet gelijk is aan die van een normbetrekking wordt het aantal rekeneenheden, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, naar evenredigheid vastgesteld. De aldus berekende uitkomst wordt op rekenkundige wijze afgerond op 2 decimalen.
5.
Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste tot en met derde lid en in afwijking van het bepaalde in het vierde lid, geldt dat voor de betrokkene wiens salaris wordt berekend op grond van artikel I-P15, een aantal eenheden wordt verbruikt dat wordt berekend aan de hand van de formule
w x (d : e) x f, waarin
w = de omvang van de werktijdfactor waarvoor betrokkene is benoemd voor zover die voor rijksbekostiging in aanmerking wordt gebracht;
d = het aantal kalenderdagen gedurende welke de betrokkene in die functie in de desbetreffende kalendermaand is benoemd;
e = het aantal kalenderdagen dat in de desbetreffende maand geldt;
f = het aantal rekeneenheden dat op grond van het eerste tot en met derde lid bij de desbetreffende functie behoort.
De aldus berekende uitkomst wordt op rekenkundige wijze afgerond op 2 decimalen.
6.
Indien een betrokkene als bedoeld in artikel I-A1, onder e1, e2 en e16, verlof als bedoeld in artikel I-C32, I-C33, I-C34 of I-C35 geniet, is het bepaalde in het eerste tot en met vijfde lid van toepassing, indien de functie van de betrokkene gedurende ten minste een gedeelte van het voorafgaande schooljaar voor rijksbekostiging in aanmerking werd gebracht.
1.
Indien en voorzover die werkzaamheden niet langer aan de betrokkene worden opgedragen vervalt van rechtswege het gedeelte van de betrekkingsomvang van een betrokkene dat bestaat uit:
a. uren boven de normbetrekking; of
b. tijdelijke uitbreiding van de betrekkingsomvang of benoeming
1. in verband met vervanging of
2. in verband met een tijdelijke voorziening in een vacature voor ten hoogste één jaar;
c. tijdelijke uitbreiding van de betrekkingsomvang of benoeming in verband met een project waarvoor door het bevoegd gezag dan wel Onze minister gedurende 3 of minder schooljaren uit additionele middelen formatie beschikbaar is gesteld en die door het bevoegd gezag niet in de in artikel I-P76, tweede lid, onder a , bedoelde formatie is opgenomen.
d. uitbreiding of tijdelijke uitbreiding van de betrekkingsomvang of benoeming in verband met contractactiviteiten die gedurende een periode van 3 jaar of minder is toegekend; alsmede
e. uitbreiding of tijdelijke uitbreiding van de betrekkingsomvang of benoeming gedurende een periode van 3 jaar of minder ten gevolge van het toekennen van werkzaamheden in verband met contractactiviteiten aan een andere betrokkene.
2.
Het gedeelte van de betrekkingsomvang bedoeld in het eerste lid, wordt voor de duur waarvoor het wordt toegekend afzonderlijk in de akte van benoeming vermeld.
1.
Het bevoegd gezag kan, uitsluitend ten laste van eigen middelen en volgens door het bevoegd gezag vast te stellen beleidsregels, aan een betrokkene een gratificatie toekennen of een maandelijkse toelage.
2.
Het bevoegd gezag kan aan de toekenning van een maandelijkse toelage voorwaarden verbinden.
3.
Het bevoegd gezag trekt een maandelijkse toelage in, indien de gronden voor toekenning van de toelage niet meer aanwezig zijn.
4.
De in het eerste lid bedoelde toelage behoort tot de bezoldiging, bedoeld in het Besluit ziekte- en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneel.
1.
Onze minister kent aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d 2 een toelage als vermeld in bijlage 2, onder 3, toe indien het bevoegd gezag deze toekent aan één of meer personeelsleden die in het bezit zijn van een geldig EHBO-diploma.
2.
Indien de in het eerste lid bedoelde instelling is gehuisvest in verschillende gebouwen wordt per gebouw dat niet in de onmiddellijke nabijheid van de hoofdvestiging staat, door Onze Minister een toelage overeenkomstig het eerste lid toegekend.
3.
Onverminderd het bepaalde in het eerste en tweede lid kan het bevoegd gezag uitsluitend ten laste van eigen middelen één of meer personeelsleden die in het bezit zijn van een geldig EHBO-diploma maandelijks een toelage als vermeld in bijlage 2, onder 3, toekennen.
1.
De betrokkene niet zijnde de betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e 12, voor wie de functie is opgenomen in de formatie bedoeld in artikel I-P76, tweede lid , onder b , is verplicht andere hem door het bevoegd gezag opgedragen werkzaamheden die in het kader van de door hem vervulde functie passend zijn te achten, te verrichten, dan wel bij een ander bevoegd gezag dan wel buiten het onderwijs een passende betrekking te aanvaarden.
2.
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, kan het bevoegd gezag een betrokkene bedoeld in het eerste lid, een sollicitatieplicht of, met inachtneming van artikel I-P86, een scholingsplicht opleggen.
3.
De betrokkene voor wie op grond van het tweede lid een sollicitatieverplichting geldt, is verplicht zich als werkzoekende te laten registreren bij de Centrale organisatie werk en inkomen en een andere passende betrekking binnen dan wel buiten het onderwijs te aanvaarden.
1.
Ontslag in verband met opheffing van de betrekking kan niet eerder worden verleend dan nadat de functie bedoeld in artikel I-P76, tweede lid, onder a , gedurende een geheel schooljaar is geplaatst in de formatie bedoeld in artikel I-P76, tweede lid, onder b . Ontslag wegens opheffing van de betrekking kan niet plaatsvinden om herbenoeming in een functie voor een kleinere betrekkingsomvang mogelijk te maken.
2.
Indien het bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d 1, d 2, en d 16, besluit over te gaan tot opheffing van een betrekking dient het eerst zorgvuldig te onderzoeken of het in redelijkheid mogelijk is de betrokkene een mede in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden voor hem passende functie bij het bevoegd gezag aan te bieden. Indien een in de eerste volzin bedoelde functie beschikbaar is, vindt ontslag wegens opheffing van de betrekking plaats onder gelijktijdige benoeming in de nieuwe functie.
3.
Indien geen passende functie als bedoeld in het eerste lid beschikbaar is, dan wel de betrokkene een passende functie weigert te aanvaarden, wordt de betrekking opgeheven indien de functie van de betrokkene niet langer in de formatie als bedoeld in artikel I-P76, tweede lid, onder a of b , is opgenomen.
4.
Het bepaalde in artikel I-P59 is van overeenkomstige toepassing voor de betrokkene aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d 12.
Artikel I-P86. Voorwaarden scholingsplicht
Indien het bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d 1, d 2, en d 16, met toepassing van het bepaalde in artikel I-P84, tweede lid, aan de betrokkene een scholingsplicht oplegt, gelden hierbij de volgende voorwaarden.
a. Het bevoegd gezag stelt de betrokkene vrij van het verrichten van passende werkzaamheden bedoeld in artikel I-P84, eerste lid, voor zover dit noodzakelijk is voor het volgen van de scholing.
b. Het bevoegd gezag belast de betrokkene niet met het geven van onderwijs bedoeld in de taakkarakteristiek, voor zover deze lesgebonden taken zouden samenvallen met het volgen van de scholing.
c. Tussen het bevoegd gezag en de betrokkene wordt een redelijke termijn afgesproken waarbinnen de betrokkene de scholing met succes kan afronden.
d. Het bevoegd gezag is verplicht de betrokkene te benoemen in een, gelet op de scholing die is of wordt gevolgd, passende vacante functie bij het bevoegd gezag. Indien voor de in de eerste volzin bedoelde benoeming ontheffing van de bevoegdheidseisen noodzakelijk is omdat de betrokkene de scholing nog niet heeft afgerond, is het bevoegd gezag verplicht die ontheffing aan te vragen. Indien de ontheffing wordt verleend, geldt de in de eerste volzin bedoelde verplichting.
1.
De bezoldiging van de betrokkene voor wie de betrekkingsomvang is opgenomen in de formatie bedoeld in artikel I-P76, tweede lid onder b , wordt verminderd met:
a. neveninkomsten uit de betrekkingen bij het onderwijs die hij reeds genoot op de dag waarop van zijn betrekkingsomvang niet langer in de formatie bedoeld in artikel I-P76, tweede lid, onder a is opgenomen, voor zover de totale omvang van de betrekking de omvang van de normbetrekking overschrijdt;
b. neveninkomsten die hij gaat genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf ter hand genomen in verband met de verplichting bedoeld in artikel I-P84, eerste lid.
2.
Over het bedrag dat op grond van het eerste lid in mindering wordt gebracht kan door het bevoegd gezag worden beschikt.
1.
Onze minister kan bepalen dat aan een betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e 1 en e 2 en e 16 die wordt belast met externe taken ten behoeve van het onderwijs, voor zover hij daarvoor geen vergoeding of verlof op de voet van artikel I-C38 verkrijgt, tijdelijk een gedeelte van een normbetrekking wordt toegekend.
2.
Het in het eerste lid bedoelde gedeelte van een normbetrekking wordt voor de duur waarvoor het wordt toegekend afzonderlijk in de akte van benoeming vermeld. De bezoldiging voor dit gedeelte bedraagt een evenredig gedeelte van het voor de betrokkene geldende salarisbedrag behorende bij een normbetrekking.
3.
Zodra voor de betrokkene het gedeelte van de normbetrekking bedoeld in het eerste lid wordt verminderd, wordt de omvang van de betrekking dienovereenkomstig verkleind.
1.
Onze minister:
- wijst jaarlijks van de instellingen als bedoeld in artikel I-A1, onder d1, d2 en d16 die categorieën van instellingen aan, die bindingspremies om redenen van werving of behoud kunnen toekennen;
- bepaalt daarbij tevens tot welk totaalbedrag deze instellingen bindingspremies kunnen toekennen;
- wijst jaarlijks de categorie betrokkenen aan, aan wie de premie kan worden toegekend;
- stelt jaarlijks de hoogte van het bedrag vast dat maximaal aan de door het bevoegd gezag aangewezen betrokkene wordt uitgekeerd en bepaalt daarbij tevens de periode die maximaal met de betrokkene kan worden overeengekomen.
2.
Het bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in het eerste lid kan aan een betrokkene die in dienst is of treedt en die behoort tot de categorie betrokkenen als bedoeld in het eerste lid, om redenen van werving of behoud een bindingspremie toekennen. De bindingspremie maakt geen deel uit van het inkomen, bedoeld in het pensioenreglement.
3.
Het bevoegd gezag verbindt aan de toekenning als bedoeld in het tweede lid de voorwaarde dat de betrokkene, als bedoeld in het tweede lid, gedurende een bepaalde, tevoren overeengekomen periode, aan de instelling verbonden zal blijven. Bij voortijdig vertrek dient de toegekende uitkering geheel of gedeeltelijk te worden terugbetaald. Het bevoegd gezag kan aan de toekenning nadere voorwaarden verbinden.
4.
Indien de betrokkene bedoeld in het tweede lid voor het einde van de in het tweede lid bedoelde periode de dienst verlaat of indien hij niet voldoet aan de in het derde lid bedoelde nadere voorwaarden door een naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aan hemzelf te wijten oorzaak, ontheft het bevoegd gezag hem van de verplichtingen tot terugbetaling.
5.
De voorwaarden bedoeld in het derde lid worden aan de betrokkene, bedoeld in het tweede lid evenals de grootte van de uitkering alsmede de maand en jaar van toekenning, voor zover deze niet reeds in de akte van benoeming zijn vermeld, zo spoedig mogelijk schriftelijk medegedeeld.