Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | Vacatures | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
» Energiewijzer « advertorial
Bespaar geld en stap over!
Energiewijzer.nl, eerlijk over energie.

Juridische vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Powered by Jbmatch.nl

Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Algemeene bepalingen
+ Hoofdstuk II. Van de Marineraden en hunne samenstelling
+ Hoofdstuk III. Van de bevoegdheid en den werkkring der Marineraden
- Hoofdstuk IV. Van het onderzoek
+ Hoofdstuk V. Bijzondere bepalingen
+ Hoofdstuk VI. Strafbepalingen
+ Hoofdstuk VII. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Parlement
Documenten bij de totstandkoming van (deze versie van) de wet.

Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht

Marinescheepsongevallenwet

Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Let op. Deze wet is vervallen op 1 februari 2005. U leest nu de tekst die gold op 31 januari 2005.
Artikel 11
De commandanten van oorlogsvaartuigen, aan welk een ramp of ongeval is overkomen, geven daarvan onverwijld, door toezending van een door hen ter zake opgemaakt verslag, kennis:
aan den betrokken Commandant der Marine in Nederland, wanneer de zaak, ingevolge artikel 4, ter kennisneming van den Nederlandschen Marineraad staat, met dien verstande, dat de commandant van een oorlogsvaartuig, dat onder rechtstreeksch bevel staat van Onzen Minister van Defensie, dit verslag doet toekomen aan genoemden Minister, die dit verslag in handen stelt van den commandant der Marine, dien hij voor het voorloopig onderzoek aanwijst;
aan den Commandant der Zeemacht in Nederlandsch-Indië, wanneer de zaak, ingevolge evengenoemd artikel, ter kennisneming van den Nederlandsch-Indischen Marineraad staat.
1.
De in artikel 11 bedoelde vlootvoogden stellen nopens alle op de in dat artikel aangegeven wijze te hunner kennis gekomen rampen of ongevallen een voorloopig onderzoek in of doen dit instellen door een door hen aan te wijzen marine-officier. De uitkomsten van dit onderzoek worden zoo spoedig mogelijk, onder overlegging van alle op de zaak betrekking hebbende stukken, aan den voorzitter van den betrokken Marineraad medegedeeld.
2.
Meent de met het voorloopig onderzoek belaste vlootvoogd, dat uit een oogpunt van defensiebelang een geheime behandeling der zaak noodzakelijk is, dan zendt hij de stukken van het onderzoek, vergezeld van zijne beschouwingen, aan Onzen Minister van Defensie, wanneer het een tot de competentie van den Nederlandschen Marineraad behoorende zaak betreft, en aan den Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië, wanneer het een zaak betreft, welke ter kennisneming van den Nederlandsch-Indischen Marineraad staat. Deze bewindslieden beslissen of de behandeling van en de uitspraak in de zaak geheim zullen zijn en geven, bij de doorzending der stukken, aan den betrokken Raad dienovereenkomstig opdracht.
3.
De Marineraden beslissen of met het oog op aard en omvang van ramp of ongeval al dan niet een onderzoek door den Raad zal worden ingesteld en geven van deze beslissing kennis, de Nederlandsche Raad aan Onzen Minister van Defensie, de Nederlandsch-Indische Raad aan den Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië. Acht de Minister of de Gouverneur-Generaal, in tegenstelling met de opvatting en beslissing van den Raad, het noodig dat een onderzoek wordt ingesteld, dan deelt hij zulks aan het betrokken college mede, hetwelk in dat geval alsnog hiertoe overgaat.
4.
Wanneer beslist is, dat door een Marineraad een onderzoek zal worden ingesteld, stelt de voorzitter de plaats, den dag en het uur daarvoor vast en roept hij de noodige getuigen en deskundigen voor die zitting van den Raad op.
5.
Een Marineraad, een zaak in behandeling genomen hebbend, is bevoegd, zoo noodig den vlootvoogd, die het voorloopig onderzoek in die zaak heeft ingesteld of doen instellen, te verzoeken middelerwijl nog nadere gegevens nopens bepaalde onderwerpen te verzamelen. Deze is gehouden, aan dat verzoek te voldoen.
1.
Op het voorloopig onderzoek, in te stellen door of vanwege de daartoe aangewezen vlootvoogden, zoomede op het onderzoek door de Marineraden, zijn van overeenkomstige toepassing de bepalingen omtrent het onderzoek van strafzaken, vervat in de Regtspleging bij de Zeemagt, met dien verstande, dat onder eede gehoord wordende getuigen, in stede van hunne mededeelingen na het afleggen daarvan met een eed of plechtige verklaring te bevestigen, zullen moeten zweren (beloven) dat zij de geheele waarheid en niets dan de waarheid zullen zeggen, alvorens tot het afleggen hunner verklaring te worden toegelaten.
2.
Voor de in het eerste lid bedoelde officieren, voor de voorzitters der Marineraden en voor de Marineraden gelden, met betrekking tot het te houden onderzoek, dezelfde bevoegdheden en verplichtingen, als in de Regtspleging bij de Zeemagt te dien opzichte zijn vastgelegd, onderscheidenlijk voor de officieren-commissarissen, belast met de informatiën, voor de presidenten van de zeekrijgsraden en voor de zeekrijgsraden.
3.
Bij het onderzoek, zoowel het voorloopige als het hoofdonderzoek, kunnen zij, die uit hoofde van hun stand, hun beroep of hun ambt tot geheimhouding verplicht zijn, zich van het geven van getuigenis of van het beantwoorden van bepaalde vragen verschoonen, doch alleen omtrent hetgeen waarvan de wetenschap aan hen als zoodanig is toevertrouwd.
Artikel 14
Aan getuigen en deskundigen, voor zoover hunne dienstverhouding tot de Overheid niet medebrengt, dat zij hunne medewerking zonder eenige schadeloosstelling verleenen, wordt, zoo zij dit verlangen, eene schadeloosstelling toegekend, door den Nederlandschen Marineraad naar den maatstaf der tarieven van justitiekosten en salarissen in burgerlijke zaken en door den Nederlandsch-Indischen Marineraad naar den maatstaf van het tarief van justitiekosten en salarissen in burgerlijke zaken voor de Europeesche rechtbanken in Nederlandsch-Indië.
1.
De betrokken vlootvoogden, de voorzitters van de Marineraden en deze Raden zelve kunnen overlegging vorderen binnen een bepaalden termijn van de door hen noodig geoordeelde voor het onderzoek vereischte officieele en wettelijke bescheiden zoowel van de commandanten en kapiteins der schepen bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, als van ieder ander, die de stukken onder zijn berusting heeft.
2.
Bij verzuim van overlegging binnen den gestelden termijn wordt daarvan proces-verbaal opgemaakt, hetwelk wordt toegezonden, zoo de nalatige militair is, aan de militaire autoriteit onder wier bevelen hij staat en anders aan het Openbaar Ministerie bij het gerecht, voor hetwelk de nalatige ter zake van zijne tekortkoming zal moeten terechtstaan.
3.
Het in het tweede lid bedoelde proces-verbaal levert, behoudens tegenbewijs, een volledig bewijs op van hetgeen daarin vermeld staat.
1.
De commandanten, de kapiteins, de officieren, de stuurlieden, de machinisten of scheepswerktuigkundigen en de radiotelegrafisten van schepen, bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, en voorts ieder, die meent over de oorzaken van de ramp of het ongeval licht te kunnen verspreiden, kunnen verzoeken, zoowel dat zij zelven gehoord worden, als ook bepaaldelijk door hen aangewezen personen, van wie evenzeer het geven van ter zake dienende inlichtingen kan worden verwacht.
2.
Van zoodanige verzoeken wordt, indien daaraan door den leider van het onderzoek geen gehoor wordt gegeven, in het proces-verbaal van het onderzoek aanteekening gehouden.
3.
De verzoekers mogen tot de verschenen getuigen vragen doen richten, met dien verstande, dat aan den leider van het onderzoek de beslissing blijft of een vraag al dan niet zal worden gesteld.
4.
Bij dit onderzoek is het niet toegelaten zich door een raadsman te doen bijstaan of zich te doen vertegenwoordigen door een gemachtigde.
1.
Wanneer de behandeling van een zaak voor een Marineraad is afgeloopen, wordt nopens de ramp of het ongeval door den voorzitter van dien Raad in het openbaar uitspraak gedaan, behoudens in het uitzonderingsgeval, bedoeld in het slot van artikel 10, eerste lid en in artikel 12, tweede lid.
2.
Deze uitspraak moet een overzicht bevatten van den gang van het gehouden onderzoek, en de uitkomst daarvan vermelden.
3.
Op grond van het gehouden onderzoek deelt de Nederlandsche Marineraad aan Onzen Minister van Defensie en de Nederlandsch-Indische Marineraad aan den Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië mede of er naar 's Raads oordeel aanleiding bestaat maatregelen te nemen tegen opvarenden van een oorlogsvaartuig, wier verzuim of schuld van invloed is geweest op de ramp of het ongeval, zoo noodig met advies omtrent de te hunnen aanzien te volgen gedragslijn.
4.
Indien bij den Nederlandschen Marineraad tijdens het onderzoek het vermoeden is gerezen, dat de ramp of het ongeval is veroorzaakt door de ongeschiktheid, of door een daad of nalatigheid van den kapitein, een stuurman, een machinist of een radiotelegrafist van een schip, dat ingevolge artikel 2 of artikel 2bis der Schepenwet onder de bepalingen dier wet valt, worden, behoudens in het uitzonderingsgeval, bedoeld in het slot van artikel 10, eerste lid, en in artikel 12, tweede lid, na afloop van de behandeling der zaak de stukken van het onderzoek in handen gesteld van den Inspecteur-Generaal voor de Scheepvaart te 's-Gravenhage, die handelt als in Hoofdstuk IV dier wet is omschreven. De Nederlandsch-Indische Marineraad stelt in een dergelijk geval, wanneer het betrokken schip ingevolge of krachtens artikel 2 der Schepenordonnantie 1927 ( Indisch Staatsblad n°. 33) valt onder de bepalingen dier ordonnantie, de stukken van het onderzoek in handen van den Hoofdinspecteur, Hoofd van den Dienst van Scheepvaart, die handelt als is aangegeven in artikel 22 der Schepenordonnantie 1927. Is een schip, vallende onder de bepalingen van de Schepenwet , bij de zaak betrokken, dan zendt de Nederlandsch-Indische Marineraad de stukken aan den Inspecteur-Generaal voor de Scheepvaart te 's-Gravenhage.
5.
Een gewaarmerkt afschrift van de uitspraak wordt zoo spoedig mogelijk aangeboden, door den Nederlandschen Marineraad aan Onzen Minister van Defensie, door den Nederlandsch-Indischen Marineraad aan den Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië.
6.
De uitspraken van den Nederlandschen Marineraad worden op door Ons te bepalen wijze openbaar gemaakt; ten aanzien van de uitspraken van den Nederlandsch-Indischen Marineraad geschiedt dit op de wijze, door den Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië te bepalen.
7.
Indien zich het uitzonderingsgeval, bedoeld in het slot van artikel 10, eerste lid, en in artikel 12, tweede lid, voordoet, wordt door den voorzitter van den Raad een verslag van den gang van het gehouden onderzoek en van de uitspraak onder geheim couvert overgelegd, voor zooveel betreft den Nederlandschen Raad aan Onzen Minister van Defensie en wat betreft den Nederlandsch-Indischen Raad aan den Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië. Wanneer deze rapporten geen defensiegeheimen bevatten, wordt daarvan een exemplaar neergelegd ter griffie van de Tweede Kamer der Staten-Generaal en, wanneer de zaak betrekking heeft op een oorlogsvaartuig, staande onder het opperbevel van den Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië, ook op het secretariaat van den Volksraad aldaar.