Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | Vacatures | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
» Energiewijzer « advertorial
Bespaar geld en stap over!
Energiewijzer.nl, eerlijk over energie.

Juridische vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Powered by Jbmatch.nl

Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk II. Aanwijzing van beschermde soorten
+ Hoofdstuk III. Algemene verbodsbepalingen
+ Hoofdstuk IV. Beschermde leefomgeving
- Hoofdstuk V. Bijzondere bepalingen
+ Hoofdstuk VI. Het faunafonds
+ Hoofdstuk VII. Overige bepalingen
+ Hoofdstuk VIII. Toezicht, straf- en dwangbepalingen
+ Hoofdstuk IX. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht

Flora- en faunawet

Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Ook bekend als:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2017. U leest nu de tekst die gold op -.
1.
Het is verboden te jagen zonder voorzien te zijn van:
a. een geldige jachtakte, voorzover het betreft het jagen met een geweer;
b. een geldige valkeniersakte, voorzover het betreft het jagen met één of meer jachtvogels;
c. een geldige kooikersakte, voorzover het betreft het jagen met een eendenkooi.
2.
Het model van de akten wordt door Onze Minister vastgesteld.
1.
Een jachtakte, valkeniersakte of kooikersakte wordt geweigerd indien:
a. de aanvrager de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt;
b. de aanvrager niet genoegzaam heeft aangetoond in de gelegenheid te zijn om met gebruikmaking van een geweer of met een jachtvogel te jagen in een jachtveld, waarin hem het genot van de jacht overeenkomstig de artikelen 33 of 34 toekomt of waarin hem de uitoefening van dat genot overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens artikel 36 is toegestaan;
c. de aanvrager niet heeft aangetoond met gunstig gevolg een door Onze Minister erkend jachtexamen te hebben afgelegd;
d. de aanvrager geen geldig bewijs van verzekering als bedoeld in artikel 54, zesde lid, heeft overgelegd;
e. er grond is om aan te nemen dat de aanvrager van de bevoegdheid om wapens en munitie voorhanden te hebben misbruik zal maken of hierdoor een gevaar voor zichzelf, de openbare orde of de veiligheid kan gaan vormen;
f. er grond is om aan te nemen dat de aanvrager van de bevoegdheid om te jagen misbruik zal maken of hierdoor een gevaar voor zichzelf, de openbare orde of de veiligheid kan gaan vormen;
g. er grond is om aan te nemen dat de aanvrager van de bevoegdheden in het kader van beheer en schadebestrijding als bedoeld in Hoofdstuk V, titel III, afdeling 1, § 3, misbruik zal maken of hierdoor een gevaar voor zichzelf, de openbare orde of de veiligheid kan gaan vormen;
h. er grond is om aan te nemen dat de aanvrager nalatig zal zijn te doen wat een goed jager betaamt bij de uitoefening van de jacht;
i. aan de aanvrager de bevoegdheid om te jagen is ontzegd bij een rechterlijke uitspraak, welke voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, en de tijd, voor welke die bevoegdheid is ontzegd, nog niet is verstreken of
j. de aanvrager in de twee jaren, voorafgaande aan het verzoek tot het verkrijgen van een jachtakte, valkeniersakte of kooikersakte wegens één der bij of krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten, dan wel wegens een feit strafbaar gesteld bij de Wet dieren voorzover het gedragingen als bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2, 2.3, 2.5, 2.6, 2.7, 2.8, 2.9, 2.10, 2.13, 2.14 of  2.15 van die wet is veroordeeld, dan wel deswege hem een strafbeschikking is uitgevaardigd, of indien hij vervolging deswege heeft voorkomen overeenkomstig de bepalingen van artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht of hem wegens overtreding van het krachtens de voornoemde artikelen van de Wet dieren bepaalde een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 8.7 van de Wet dieren is opgelegd.
2.
Het bepaalde in het eerste lid, onderdeel d, is niet van toepassing voorzover de aanvrage een valkeniersakte betreft.
3.
Het bepaalde in het eerste lid, onderdelen b en d, is niet van toepassing voorzover de aanvrage een kooikersakte betreft.
1.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels vastgesteld met betrekking tot de aanvraag van een erkenning van een jachtexamen alsmede de eisen, waaraan het in artikel 39, eerste lid, onderdeel c, bedoelde examen moet voldoen om te worden erkend. Deze eisen worden verschillend vastgesteld naar gelang het betreft de jacht met het geweer, met jachtvogels of met de eendenkooi.
2.
In afwijking van het bepaalde in artikel 39, eerste lid, aanhef en onderdeel c, is het afleggen van een jachtexamen niet vereist indien de aanvrager met gunstig gevolg een door de bevoegde autoriteit van een andere staat erkend jachtexamen heeft afgelegd en dat examen door Onze Minister als gelijkwaardig aan het in het eerste lid bedoelde jachtexamen is erkend.
1.
Een jachtakte, valkeniersakte of kooikersakte wordt in ieder geval ingetrokken indien:
a. de ter verkrijging van de akte verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat, waren de juiste gegevens verstrekt, de akte zou zijn geweigerd;
b. blijkt dat de burgerrechtelijke aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 54, eerste lid, niet langer overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens dat artikel is gedekt of
c. de houder misbruik heeft gemaakt van wapens of munitie dan wel van de bevoegdheid om wapens of munitie voorhanden te hebben, of indien er anderszins aanwijzingen zijn dat aan hem het voorhanden hebben van wapens en munitie niet langer kan worden toevertrouwd.
2.
Een jachtakte, valkeniersakte of kooikersakte kan worden ingetrokken indien:
a. er grond is om aan te nemen dat de houder van zijn bevoegdheid om te jagen misbruik maakt;
b. de houder nalatig is te doen wat een goed jager betaamt bij de uitoefening van de jacht;
c. er grond is om aan te nemen dat de houder van zijn bevoegdheden in het kader van beheer en schadebestrijding als bedoeld in Hoofdstuk V, titel III, afdeling 1, § 3, misbruik maakt.
3.
De valkeniersakte kan voorts worden ingetrokken indien een ontheffing als bedoeld in artikel 75, derde lid, om jachtvogels onder zich te hebben, is ingetrokken.
4.
Het bepaalde in het eerste lid, aanhef en de onderdelen b en c, is niet van toepassing ten aanzien van de valkeniersakte of de kooikersakte.
1.
De bevoegdheid tot het nemen van beschikkingen omtrent het verlenen van jachtakten berust bij de korpschef, bedoeld in artikel 27, van de Politiewet 2012.
2.
De bevoegdheid tot het nemen van beschikkingen tot intrekking van jachtakten berust bij de korpschef.
3.
De in het tweede lid bedoeld bevoegdheid komt tevens toe aan Onze Minister van Veiligheid en Justitie in gevallen als bedoeld in artikel 41, eerste lid, onderdeel c.
4.
Tegen beschikkingen van de korpschef staat administratief beroep open bij Onze Minister van Veiligheid en Justitie indien de jachtakte is geweigerd of ingetrokken of mede is geweigerd of ingetrokken om redenen als bedoeld in artikel 39, eerste lid, aanhef en onderdeel e, onderscheidenlijk artikel 41, eerste lid, aanhef en onderdeel c.
Artikel 43
De bevoegdheid tot het nemen van beschikkingen omtrent het verlenen en intrekken van valkeniersakten en kooikersakten berust bij Onze Minister.
Artikel 44
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld betreffende de akten, bedoeld in artikel 38. Tot deze regels behoren in ieder geval regels betreffende het betalen van een voor een akte verschuldigde geldsom waarvan de hoogte bij of krachtens die maatregel wordt vastgesteld, en betreffende de geldigheid en de inlevering van de akten.
1.
In afwijking van het bepaalde in artikel 39, eerste lid, aanhef en onderdeel c, kan degene die geen woonplaats in Nederland heeft een jachtakte of een valkeniersakte verkrijgen, die geldig is gedurende zes opeenvolgende in de akte vermelde dagen.
2.
Een akte als bedoeld in het eerste lid wordt slechts verleend indien de aanvrager genoegzaam aantoont dat hij gerechtigd is te jagen in het land waarin hij zijn woon- of verblijfplaats heeft.
3.
De in het eerste lid bedoelde akten zijn slechts geldig indien de houder zich bevindt in gezelschap van een in Nederland woonachtige houder van een geldige akte.