Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | Vacatures | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
» Energiewijzer « advertorial
Bespaar geld en stap over!
Energiewijzer.nl, eerlijk over energie.

Juridische vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Powered by Jbmatch.nl

Inhoudsopgave
- Hoofdstuk I. De begroting van het Rijk
+ Hoofdstuk II. Het financiële en materiële beheer van het Rijk
+ Hoofdstuk III. Het toezicht van de Minister van Financiën
+ Hoofdstuk IV. De Algemene Rekenkamer
+ Hoofdstuk V. De financiële verantwoording van het Rijk
+ Hoofdstuk VI. BATEN-LASTENDIENSTEN
+ Hoofdstuk VII. Comptabele noodwetgeving
+ Hoofdstuk VIII. Citeertitel
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Parlement
Documenten bij de totstandkoming van (deze versie van) de wet.

Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht

Comptabiliteitswet

Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Ook bekend als:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Let op. Deze wet is vervallen op 1 september 2002. U leest nu de tekst die gold op 31 augustus 2002.
1.
Tot de begroting van het Rijk behoren:
a. de begroting van het koninklijk huis;
b. de begroting van de hoge colleges van staat en het Kabinet van de Koning;
c. de begroting van nationale schuld;
d. de begrotingen van de onderscheiden ministeries;
e. de begrotingen van de onderscheiden begrotingsfondsen, bedoeld in artikel 2;
2.
Toevoeging aan de begroting van het Rijk van andere begrotingen, alsmede de intrekking van een zodanige toevoeging geschiedt bij koninklijk besluit. Het besluit tot toevoeging bepaalt wie van Onze ministers het beheer voert over die begroting.
3.
De begrotingen worden elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld.
1.
Ten behoeve van een afzonderlijk beheer van ontvangsten en uitgaven van het Rijk kan een begrotingsfonds worden ingesteld.
2.
De instelling van een begrotingsfonds geschiedt bij de wet.
3.
De wet tot instelling van een begrotingsfonds bepaalt de aard van de uitgaven en van de ontvangsten van het betrokken fonds, de bestemming van een batig dan wel de aanvulling van een nadelig jaarsaldo van het fonds, alsmede wie van Onze ministers het beheer voert over de begroting van het fonds.
4.
De bepalingen van deze wet zijn op een begrotingsfonds van toepassing, voor zover bij de wet tot instelling van het fonds daarvan niet wordt afgeweken.
1.
Het begrotingsjaar is het kalenderjaar.
2.
De begrotingen bevatten de ramingen van de verplichtingen, de uitgaven en de ontvangsten, voor zover de daarmee gemoeide gelden niet toebehoren aan derden. De ramingen van de verplichtingen en van de uitgaven hebben het karakter van een maximum.
3.
In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, eerste volzin, bevatten de begrotingen geen ramingen van de verplichtingen, de uitgaven en de ontvangsten die op grond van het bepaalde in artikel 23, tweede lid, buiten het begrotingsverband (zullen) worden gehouden.
4.
Onder uitgaven en ontvangsten van een jaar worden verstaan:
a. de geldelijke betalingen en ontvangsten in dat jaar;
b. de niet-geldelijke betalingen en ontvangsten in dat jaar, bedoeld in artikel 25, eerste lid;
c. de verrekeningen, bedoeld in artikel 26, eerste lid, die in dat jaar plaatsvinden;
d. de toevoegingen en onttrekkingen aan een reserve als bedoeld in artikel 5, vijfde lid.
5.
Als verplichting van een jaar wordt geraamd het bedrag van de verplichting die in dat jaar rechtstreeks ontstaat op grond van een verdrag, een wet, een koninklijk besluit, een ministeriële regeling, een beschikking, een verbintenis of een op een controleerbare wijze vastgelegde afspraak tussen dienstonderdelen en die in dat jaar dan wel in een later jaar tot uitgaven leidt of kan leiden.
6.
In afwijking van het vijfde lid kan als verplichting van een jaar worden opgenomen het bedrag dat in dat jaar als uitgave wordt geraamd met betrekking tot:
a. salarissen, wachtgelden en soortgelijke periodieke verplichtingen;
b. rente van de vaste en van de vlottende schuld;
c. aflossing van de vaste schuld;
d. huren, pachten en soortgelijke periodieke verplichtingen;
e. andere door Onze Minister van Financiën aan te wijzen categorieën verplichtingen.
7.
Onze Minister van Financiën doet aan de Algemene Rekenkamer schriftelijk mededeling van de aangewezen categorieën.
1.
De ramingen van de verplichtingen en de uitgaven enerzijds en die van de ontvangsten anderzijds worden opgenomen in afzonderlijke begrotingsartikelen.
2.
Een begrotingsartikel is de kleinste eenheid in een begroting. Het bevat mede een kernachtige omschrijving van het onderwerp waarop het betrekking heeft.
3.
Per begroting worden de begrotingsartikelen gegroepeerd naar hoofdbeleidsterreinen, zodanig dat elk hoofdbeleidsterrein een helder beeld geeft van de onderwerpen van beleid. Voor zover bepaalde begrotingsartikelen niet zinvol bij een hoofdbeleidsterrein kunnen worden ondergebracht, worden deze opgenomen in het hoofdbeleidsterrein "algemeen".
4.
Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op de ramingen van de uitgaven en de ontvangsten die op grond van het bepaalde in artikel 23, vierde lid, in mindering zullen worden gebracht op ontvangsten, onderscheidenlijk op uitgaven.
5.
Een begroting kan, met toestemming van Onze Minister van Financiën, een of meer begrotingsartikelen bevatten ten laste waarvan een begrotingsreserve kan worden aangehouden. De toelichting bij zo'n begrotingsartikel vermeldt de motieven voor het aanhouden van een reserve en geeft inzicht in de omvang van de reserve, alsmede zo mogelijk in de toevoeging en of onttrekking aan de reserve die in het begrotingsjaar worden verwacht.
6.
Een begroting kan een begrotingsartikel "onvoorzien" en een begrotingsartikel "geheim" bevatten.
7.
Een begroting kan administratieve begrotingsartikelen bevatten. De ramingen van deze begrotingsartikelen kunnen zowel negatief als positief zijn. De toelichting bij een dergelijk begrotingsartikel vermeldt het karakter ervan.
8.
De ramingen van de verplichtingen en de uitgaven, opgenomen in administratieve begrotingsartikelen, worden met toepassing van artikel 10 zodanig aangepast, dat deze bedragen in de rekening, bedoeld in artikel 65, op nihil uitkomen.
9.
Ten behoeve van de verwerking van de gevolgen van de loon- en van de prijsontwikkeling bevat een begroting een administratief begrotingsartikel "loonbijstelling" en een administratief begrotingsartikel "prijsbijstelling".
1.
De begroting van het koninklijk huis bevat de uitkeringen aan de leden van dat huis.
2.
De begroting van nationale schuld bevat in afzonderlijke begrotingsartikelen ramingen met betrekking tot:
a. de rente en de kosten van de vaste schuld;
b. de rente en de kosten van de vlottende schuld;
c. de uitgaven wegens aflossing van de vaste schuld;
d. de ontvangsten wegens uitgifte van vaste schuld.
3.
In afwijking van het tweede lid neemt Onze Minister van Financiën de vergoedingen en de kosten die voortvloeien uit vermogens- of financieringstransacties, andere dan transacties met betrekking tot de vaste of de vlottende schuld, als raming op in de begrotingsartikelen inzake de rente en de kosten van de vaste of de vlottende schuld.
Artikel 7
De memorie van toelichting bij een voorstel van wet tot vaststelling van een begroting vermeldt met betrekking tot elk begrotingsartikel de volgende gegevens:
a. een uiteenzetting over het te voeren beleid;
b. de eventuele regeling(en) op grond waarvan het beleid wordt gevoerd;
c. de factoren die aan de ramingen ten grondslag liggen, alsmede voor zover mogelijk gegevens omtrent de omvang van de activiteiten, prestaties en effecten die worden beoogd, waarbij deze gegevens in elk geval worden gesteld naast die van het lopende jaar en naast de uitkomsten van het aan het lopende jaar voorafgaande jaar;
d. voor zover zinvol een nadere splitsing van de begrotingsartikelen en van de daarbij behorende ramingen, waarbij deze ramingen worden gesteld naast de ramingen van het lopende jaar en naast de uitkomsten van het aan het lopende jaar voorafgaande jaar;
e. meerjarenramingen, dat wil zeggen de ramingen met betrekking tot de vier op het betrokken jaar volgende jaren;
f. eventuele andere cijfermatige gegevens die het inzicht in het te voeren beleid kunnen bevorderen, waartoe in voorkomende gevallen zijn te rekenen afzonderlijke gegevens over garantieverplichtingen en over grote projecten;
g. de economische en de functionele code, overeenkomstig de door Onze Minister van Financiën vast te stellen classificaties.
1.
Onze ministers, ieder met betrekking tot de begrotingen waarover hij het beheer voert, zenden jaarlijks aan Onze Minister van Financiën uiterlijk op een door hem te bepalen datum de ontwerp-begroting voor het komende jaar, alsmede de daarbij behorende ontwerp-meerjarenramingen, bedoeld in artikel 7, aanhef en onder e.
2.
Onze Minister van Financiën maakt tegen een ontwerp-begroting of tegen de ontwerp-meerjarenramingen bezwaar, voor zover deze hem met het oog op het algemene financiële beleid of het doelmatige beheer van 's Rijks gelden niet toelaatbaar voorkomen.
3.
Indien Onze Minister van Financiën tegen een ontwerp-begroting en de daarbij behorende ontwerp-meerjarenramingen geen bezwaar heeft, dan biedt hij Ons het daarop gebaseerde voorstel van wet tot vaststelling van de begroting ter indiening bij de Tweede Kamer aan.
4.
Wij zenden de voorstellen van wet op de derde dinsdag van september van het jaar voorafgaande aan het jaar waarop deze voorstellen betrekking hebben, gelijktijdig aan de Tweede Kamer.
5.
In afwijking van het bepaalde in het vierde lid kunnen Wij Onze Minister van Financiën machtigen de voorstellen van wet aan de Tweede Kamer aan te bieden.
Artikel 9
Onze Minister van Financiën biedt op de in artikel 8, vierde lid, genoemde dag aan de Staten-Generaal de miljoenennota aan. Daarin worden in elk geval opgenomen:
a. beschouwingen over de budgettaire betekenis van het voorgenomen beleid voor het Rijk;
b. beschouwingen over de betekenis van het voorgenomen beleid voor de volkshuishouding;
c. de meerjarenramingen, bedoeld in artikel 7, aanhef en onder e, volgens een door hem te bepalen mate van samenvoeging;
d. het overzicht, bedoeld in artikel 12, tweede lid;
e. een overzicht van de totalen van de uitgaven, ontvangsten en saldi over de laatste tien jaren;
f. een balans van de bezittingen, vorderingen en schulden van de Staat naar de toestand per 31 december van het laatst verstreken jaar met een toelichting, waaruit onder meer blijkt naar welke grondslagen deze zijn gewaardeerd.
1.
Onze ministers, ieder met betrekking tot de begrotingen waarover hij het beheer voert, zenden ontwerp-begrotingswijzigingen aan Onze Minister van Financiën. Artikel 8, tweede, derde en vijfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
2.
Voorstellen van wet tot wijziging van de begroting worden in elk geval ingediend met betrekking tot:
a. de wijzigingen, samenhangend met die bedoeld in artikel 12, eerste lid, en wel gelijktijdig met de betrokken voorjaarsnota;
b. nadere wijzigingen, tenzij boekhoudkundig van aard of voortvloeiend uit controlebevindingen, waaronder in elk geval begrepen de wijzigingen, samenhangend met die bedoeld in artikel 12, tweede en derde lid, en wel gelijktijdig met de betrokken najaarsnota.
c. de slotwetwijzigingen, zijnde per begrotingsartikel de wijziging die leidt tot opheffing van het resterende verschil tussen de begrotingsraming, inclusief eerdere wijzigingen daarin aangebracht, en het gerealiseerde bedrag en wel uiterlijk op 1 september van het jaar volgend op het begrotingsjaar.
3.
De memorie van toelichting bij een voorstel van wet, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder a of b, sluit aan bij de toelichting die op grond van artikel 7 is gegeven bij het desbetreffende voorstel van wet tot vaststelling van de begroting.
4.
In voorkomende gevallen zendt Onze Minister van Financiën uiterlijk op 1 juni en uiterlijk op 1 december aan de Tweede Kamer een overzicht van de voorstellen van wet, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder a en b, die niet voor of op de datum van 1 juni, onderscheidenlijk 1 december aan de Tweede Kamer zijn gezonden. Dit overzicht kan zonodig worden verwerkt in de voorjaarsnota, bedoeld in artikel 12, eerste lid, respectievelijk in de najaarsnota, bedoeld in artikel 12, derde lid.
Artikel 11
Overbrenging, geheel of gedeeltelijk, van begrotingsartikelen van een begroting naar een andere begroting in verband met een wijziging van de taakverdeling tussen ministeries geschiedt bij wet.
1.
Onze Minister van Financiën biedt uiterlijk op 1 juni van elk jaar aan de Staten-Generaal de voorjaarsnota aan, waarin een overzicht wordt gegeven van de wijzigingen die noodzakelijk worden geacht in de ramingen van de uitgaven en de ontvangsten, die in de voorstellen van wet tot vaststelling van de begroting waren opgenomen. Daarin wordt tevens aangegeven in hoeverre deze wijzigingen leiden tot wijziging van de meerjarenramingen, bedoeld in artikel 7, aanhef en onder e.
2.
Onze Minister van Financiën biedt op de derde dinsdag van september van elk jaar aan de Staten-Generaal een overzicht aan van de wijzigingen in de ramingen, die in aansluiting op de wijzigingen, bedoeld in de eerste volzin van het eerste lid, nader in dat jaar noodzakelijk worden geacht.
3.
Onze Minister van Financiën biedt uiterlijk op 1 december van elk jaar aan de Staten-Generaal de najaarsnota aan, waarin in aansluiting op de wijzigingen, bedoeld in het tweede lid, een overzicht wordt gegeven van de wijzigingen in de ramingen die nader in dat jaar noodzakelijk worden geacht.
1.
Voorstellen, andere dan voorstellen van wet tot vaststelling of wijziging van een begroting, alsmede voornemens en toezeggingen met financiële gevolgen voor het Rijk worden niet aan de ministerraad of aan de Staten-Generaal aangeboden, kenbaar gemaakt dan wel gedaan, voordat Onze Minister van Financiën daarover zijn oordeel heeft gegeven. Artikel 8, tweede lid, is ten aanzien van deze voorstellen, voornemens en toezeggingen van overeenkomstige toepassing.
2.
Het eerste lid, eerste zin, is eveneens van toepassing op voorstellen, voornemens en toezeggingen met gevolgen voor de regels die bij of krachtens deze wet zijn gesteld.
Artikel 14
Schriftelijke voorstellen, voornemens en toezeggingen als bedoeld in artikel 13, eerste lid, bevatten in de toelichting daarbij een afzonderlijk onderdeel, waarin alle financiële gevolgen voor het Rijk en, waar mogelijk, de financiële gevolgen voor andere maatschappelijke sectoren worden vermeld. Daarbij wordt tevens aangegeven in hoeverre de financiële gevolgen voor het Rijk zijn begrepen in de laatste bij de Tweede Kamer ingediende begroting en in de meerjarenramingen, bedoeld in artikel 7, aanhef en onder e.
Artikel 15
Onze Minister van Financiën stelt regels met betrekking tot:
a. de voorbereiding, de wijziging en de inrichting van de begrotingen met inbegrip van de daarbij behorende toelichtingen en bijlagen, alsmede met betrekking tot de wijze waarop de begrotingsramingen tot stand komen;
b. de inrichting van het afzonderlijk onderdeel van de toelichting bij de voorstellen, voornemens en toezeggingen, bedoeld in artikel 14.
Artikel 15a
Onze Minister van Financiën bepaalt de criteria die gehanteerd worden voor het instellen van een begrotingsreserve als bedoeld in artikel 5, vijfde lid, en stelt de voorwaarden vast voor de toevoeging en de onttrekking van gelden aan de reserve.