Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | Vacatures | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
» Energiewijzer « advertorial
Bespaar geld en stap over!
Energiewijzer.nl, eerlijk over energie.

Juridische vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Powered by Jbmatch.nl

Inhoudsopgave
+ § 1. Begripsomschrijvingen
+ § 1a. College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen
- § 2. De toelating en registratie van bestrijdingsmiddelen
+ § 3. Ge- en verbodsbepalingen met betrekking tot toegelaten bestrijdingsmiddelen
+ § 3a. Toezicht op de naleving
+ § 3b. Bestuurlijke handhaving
+ § 4. Monsterneming
+ § 5. Adviesinstantie
+ § 6. Plaatselijke voorzieningen
+ § 7. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Parlement
Documenten bij de totstandkoming van (deze versie van) de wet.

Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht

Bestrijdingsmiddelenwet 1962

Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Ook bekend als:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Let op. Deze wet is vervallen op 17 oktober 2007. U leest nu de tekst die gold op 16 oktober 2007.
1.
Het is verboden een bestrijdingsmiddel af te leveren, voorhanden of in voorraad te hebben, binnen Nederland te brengen of te gebruiken, waarvan niet blijkt dat het ingevolge deze wet is toegelaten of voor zover het een biocide met een gering risico betreft, is geregistreerd.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid gelden als toegelaten of geregistreerd: bestrijdingsmiddelen, op de verpakking waarvan de naam van een toegelaten of geregistreerd middel en het nummer van de toelating of de registratie zijn vermeld.
3.
Het verbod van het eerste lid geldt niet voor het afleveren of voorhanden of in voorraad hebben elders dan in winkels, op markten of op enige andere voor het publiek toegankelijke verkoopplaats van bestrijdingsmiddelen, welke kennelijk bestemd zijn voor uitvoer of doorvoer, mits wordt voldaan aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde regelen.
4.
Het verbod van het eerste lid geldt niet voor:
a. het voorhanden of in voorraad hebben door een particuliere persoon, voor zover het betreft een biocide dat kennelijk bestemd is om door die persoon in een door hem bewoonde ruimte te worden gebruikt;
b. het gebruiken van een biocide door een particuliere persoon in een door hem bewoonde ruimte.
5.
Het college maakt in de Staatscourant bekend dat een bestrijdingsmiddel, dat ten gevolge van de toepassing van artikel 7, eerste of tweede lid, niet meer is toegelaten of geregistreerd, gedurende een bij die bekendmaking bepaalde termijn in afwijking van het in het eerste lid bedoelde verbod nog mag worden afgeleverd, gebruikt dan wel in voorraad of voorhanden gehouden. Daarbij kan het voorschriften met betrekking tot het gebruik geven als bedoeld in artikel 5, tweede lid. De termijn, bedoeld in de eerste volzin, staat in verhouding tot de reden waarom het bestrijdingsmiddel niet meer is toegelaten of geregistreerd.
6.
Bij regeling van Onze betrokken Minister kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de aflevering of het in voorraad of voorhanden hebben van de in het vijfde lid bedoelde bestrijdingsmiddelen. Daarbij kunnen tevens regelen worden gesteld omtrent de verwijdering binnen een daarbij te bepalen tijdvak van een niet meer toegelaten of geregistreerd bestrijdingsmiddel.
7.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan Onze betrokken Minister, indien er bij het college gegronde aanwijzingen bestaan om te oordelen dat een ingevolge een communautaire maatregel toe te laten of te registreren middel gevaar oplevert voor de gezondheid van mens of dier of voor het milieu, tijdelijk bepalen dat de aflevering en het gebruik van dat middel verboden is.
1.
Het is verboden een werkzame stof af te leveren, voorhanden of in voorraad te hebben of binnen Nederland te brengen, tenzij het bepaalde in artikel 4 ain acht is genomen.
2.
Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een werkzame stof:
a. die tot de samenstelling behoort van een ingevolge deze wet toegelaten of geregistreerd bestrijdingsmiddel of van een bestrijdingsmiddel waarvoor deze wet buiten toepassing is verklaard, of
b. die kennelijk bestemd is om overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens artikel 15 voor een proef te worden gebruikt.
1.
Een bestrijdingsmiddel wordt slechts toegelaten of geregistreerd indien:
a. op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis en aan de hand van onderzoek van de gegevens, bedoeld in artikel 4, tweede lid, met inachtneming van de bij of krachtens artikel 3 avastgestelde regels en beginselen voor de beoordeling, is vastgesteld dat het bestrijdingsmiddel en zijn omzettingsprodukten, wanneer het overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deze wet wordt gebruikt:
1. voldoende werkzaam is;
2. geen onaanvaardbare uitwerking heeft op planten of plantaardige produkten;
3. geen schadelijke uitwerking heeft op de gezondheid van de mens, hetzij direct, hetzij indirect;
4. geen schadelijke uitwerking heeft op de gezondheid van dieren, hetzij direct, hetzij indirect;
5. de gezondheid niet schaadt of de veiligheid niet in gevaar brengt van degene die het middel toepast;
6. de gezondheid niet schaadt of de veiligheid niet in gevaar brengt van diegenen, die na toepassing van het middel door het verrichten van werkzaamheden daarmee of met de residuen daarvan in aanraking komen;
7. de hoedanigheid van voedingsmiddelen niet schaadt;
8. het welzijn van de te bestrijden gewervelde dieren niet onnodig schaadt;
9. geen schadelijke uitwerking heeft op het grondwater;
10. geen voor het milieu onaanvaardbaar effect heeft, waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met:
- de plaats waar het bestrijdingsmiddel in het milieu terecht komt en wordt verspreid, met name voor wat betreft besmetting van het water, met inbegrip van drink- en grondwater en belasting van de bodem;
- de gevolgen voor niet-doelsoorten;
b. de aard en de hoeveelheid van de werkzame stoffen en zo nodig de in toxicologisch en ecotoxicologisch opzicht belangrijke onzuiverheden en hulpstoffen en omzettingsprodukten kunnen worden bepaald overeenkomstig de bij een communautaire maatregel vastgestelde methoden, of, voor zover deze methoden niet zijn vastgesteld, door Onze betrokken Minister zijn vastgesteld of worden goedgekeurd;
c. de residuen die het gevolg zijn van het gebruik van het bestrijdingsmiddel overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deze wet en die uit toxicologisch of milieu-oogpunt van belang zijn, kunnen worden bepaald door middel van methoden die voldoen aan door Onze betrokken Minister gestelde regelen;
d. de fysisch-chemische eigenschappen van het bestrijdingsmiddel worden vastgesteld en voor het gebruik van het bestrijdingsmiddel overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deze wet aanvaardbaar zijn.
2.
Een bestrijdingsmiddel wordt voorts slechts toegelaten of geregistreerd indien:
a. voor zover het een bestrijdingsmiddel betreft, de werkzame stof of werkzame stoffen zijn aangewezen bij een communautaire maatregel die de werkzame stoffen vermeldt die mogen worden gebruikt als basis voor bestrijdingsmiddelen en aan de daarbij gestelde voorwaarden wordt voldaan;
b. het gehalte aan werkzame stof of werkzame stoffen en de verdere samenstelling, de kleur, vorm, afwerking, verpakking en aanduidingen en vermeldingen op, aan of bij de verpakking voldoen aan door Onze betrokken Minister gestelde regelen;
c. voor zover het betreft een biocide, voldaan is aan de ingevolge een communautaire maatregel gestelde eisen.
3.
Een biocide wordt voorts slechts toegelaten of geregistreerd indien op adequate wijze rekening wordt gehouden met:
a. alle omstandigheden waaronder het biocide normaliter gebruikt wordt,
b. de wijze waarop het met het biocide behandelde materiaal kan worden gebruikt en
c. de gevolgen van gebruik en verwijdering van het biocide.
1.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regelen worden gesteld met betrekking tot de toelatingscriteria of registratiecriteria als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a en het tweede lid, onderdeel c, en kunnen beginselen voor de beoordeling worden vastgesteld.
2.
De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid, wordt:
a. voor zover daarin gestelde regelen betrekking hebben op de toelatingscriteria of registratiecriteria, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a , ten eerste, ten tweede, ten vierde en ten achtste en derde lid, Ons gedaan door Onze betrokken Minister;
b. voor zover daarin gestelde regelen betrekking hebben op de toelatingscriteria of registratiecriteria als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a , ten derde en ten zevende en derde lid, Ons gedaan door Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
c. voor zover daarin gestelde regelen, betrekking hebben op de toelatingscriteria of registratiecriteria als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a , ten derde, ten vijfde en ten zesde, Ons gedaan door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
d. voor zover daarin gestelde regelen, betrekking hebben op de toelatingscriteria of registratiecriteria als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a , ten negende en ten tiende, Ons gedaan door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
e. voor zover daarin gestelde regelen betrekking hebben op meerdere toelatingscriteria of registratiecriteria als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a en derde lid, Ons gedaan door Onze meest betrokken minister in overeenstemming met de andere in onderdeel b , c of d genoemde ministers.
3.
Indien Onze Minister, bedoeld in het tweede lid, overweegt een voordracht te doen tot vaststelling, wijziging of intrekking van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid kan hij indien in verband met de toelatingscriteria of registratiecriteria, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, naar zijn oordeel een onmiddellijke voorziening is vereist, in overeenstemming met de andere in het tweede lid genoemde ministers regelen stellen overeenkomstig de in overweging zijnde maatregelen.
4.
Een regeling als bedoeld in het derde lid blijft, behoudens eerdere intrekking, van kracht totdat de daar bedoelde algemene maatregel van bestuur, in werking treedt, doch uiterlijk tot acht maanden na het in werking treden van de regeling.
1.
Over de toelating of registratie van een bestrijdingsmiddel wordt op aanvraag beslist door het college.
2.
Onze betrokken Minister stelt regelen omtrent het indienen van een aanvraag, de bij een aanvraag door de aanvrager over te leggen gegevens en zelfstandigheden, de aan de gegevens en zelfstandigheden ten grondslag liggende onderzoeksmethoden en omstandigheden en de wijze van behandeling daarvan. Daarbij kan onder meer worden bepaald:
a. dat een aanvraag eerst in behandeling wordt genomen nadat een daarvoor vastgesteld bedrag is voldaan;
b. in welke gevallen een aanvraag voor een toelating of registratie niet in behandeling wordt genomen.
3.
Bij de regeling, bedoeld in het tweede lid, wordt bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden het overleggen van gevraagde gegevens achterwege kan blijven.
4.
Degene die het voornemen heeft een aanvraag in te dienen, dient, indien aan de over te leggen gegevens dierproeven ten grondslag liggen, alvorens tot dergelijke proeven wordt overgegaan, inlichtingen in te winnen bij het college omtrent:
a. het reeds verleend zijn van een toelating of registratie voor het betrokken middel en omtrent de identiteit van degenen die daartoe de betrokken gegevens hebben overgelegd, en
b. voor zover het een niet bij een communautaire maatregel als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, aangewezen werkzame stof van een middel betreft, het met betrekking tot die stof reeds overgelegd zijn van aan dierproeven ontleende gegevens en omtrent de identiteit van degenen die deze gegevens hebben overgelegd.
De identiteit van de betrokken partijen wordt door het college over en weer aan hen bekendgemaakt nadat zij zekerheid heeft verkregen over het voornemen. Indien is overgegaan tot het verrichten van dierproeven zonder dat daaraan voorafgaand de in de eerste zin bedoelde inlichtingen zijn ingewonnen, wordt de aanvraag door het college niet in behandeling genomen.
5.
Bij ministeriële regeling worden regelen gesteld die onder meer betrekking kunnen hebben op:
a. gegevens die het verzoek om inlichtingen als bedoeld in het vierde lid dienen te vergezellen;
b. de te volgen procedure om tot verwijzing naar of uitwisseling van gegevens als bedoeld in het vierde lid te komen, en,
c. de voorwaarden waaronder de gegevens als bedoeld in het vierde lid niet behoeven te worden overgelegd indien partijen niet tot overeenstemming komen omtrent de verwijzing naar of uitwisseling van die gegevens; onder deze voorwaarden kan zijn begrepen de betaling van een geldsom ter vergoeding aan degenen die die gegevens hebben overgelegd.
6.
De kosten van het onderzoek, voortvloeiende uit een aanvraag, de kosten van voortgezette onderzoekingen na de beslissing op een aanvraag, alsmede de kosten voortvloeiende uit de toepassing van het vierde en vijfde lid kunnen geheel of gedeeltelijk ten laste van de aanvrager worden gebracht.
7.
De toelatinghouder of registratiehouder, die in het in artikel 6, tweede lid, bedoelde register staat vermeld, is periodiek een vergoeding verschuldigd.
8.
Een aanvraag kan slechts worden gedaan door een binnen de Europese Gemeenschappen permanent gevestigde natuurlijke of rechtspersoon die er verantwoordelijk voor is dat het middel wordt afgeleverd.
9.
Het bepaalde in dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de verlenging van een toelating of registratie.
1.
Ten behoeve van de aanwijzing van een werkzame stof bij een communautaire maatregel als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, alsmede de verlenging van die aanwijzing dient een aanvraag te worden gedaan.
2.
Artikel 4, tweede, zesde, achtste en negende lid, is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid. Onze betrokken Minister stelt daarbij voorts regelen met betrekking tot de door de aanvrager aan de bevoegde instanties van de andere Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen alsmede aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen te zenden gegevens en de wijze waarop dit dient te geschieden.
3.
Onze betrokken Minister kan regelen stellen met betrekking tot de verstrekking door toelatinghouders of registratiehouders van gegevens met betrekking tot werkzame stoffen aan de in het tweede lid genoemde instanties en aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen.
4.
Ten behoeve van het anders dan op aanvraag als bedoeld in het eerste lid aanwijzen van een werkzame stof bij een communautaire maatregel als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, het herbeoordelen van die aanwijzing alsmede het verlengen van die aanwijzing, kan Onze betrokken Minister bepalen dat de kosten verbonden aan de beoordeling van die werkzame stof geheel of gedeeltelijk ten laste worden gebracht van de kennisgevers als bedoeld in een communautaire maatregel van die werkzame stof of van een bestrijdingsmiddel waarin die werkzame stof wordt gebruikt.
1.
De bedragen, gelden en vergoedingen als bedoeld in de artikelen 4, 4a, 6 en 15 worden met inachtneming van het bepaalde krachtens het tweede lid door het college vastgesteld en in de Staatscourant bekendgemaakt.
2.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld inzake bedragen, gelden en vergoedingen als bedoeld in de artikelen 4, 4a, 6 en 15.
3.
De tarieven behoeven de goedkeuring van Onze betrokken Minister.
4.
De goedkeuring kan worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.
1.
De toelating of registratie van een bestrijdingsmiddel geldt voor een in het besluit tot toelating of registratie te bepalen termijn van ten hoogste tien jaren. De toelating of registratie kan één of meerdere malen met ten hoogste tien jaren worden verlengd indien is gebleken dat nog steeds aan de voorwaarden voor toelating of registratie is voldaan. Zonodig kan de toelating of registratie worden verlengd voor de periode die met de beoordeling van de aanvraag tot verlenging gemoeid is.
2.
Bij de toelating of de registratie:
a. worden voorschriften gegeven omtrent:
1. de doeleinden waarvoor het middel uitsluitend dan wel niet gebruikt mag worden;
2. voor zover het een biocide betreft, een rationele toepassing van een combinatie van fysische, biologische, chemische of eventueel andere maatregelen, waardoor het gebruik van biociden tot het strikt noodzakelijke wordt beperkt, en
3. voor zover het de toelating van een gewasbeschermingsmiddel betreft, waar mogelijk, de toepassing van de beginselen van geïntegreerde bestrijding;
b. kunnen voorschriften worden gegeven welke onder meer betrekking hebben op:
1. de tijden en de plaatsen waarop,
2. de klimatologische omstandigheden waaronder,
3. de doseringen waarin,
4. de wijze waarop, of
5. de technische hulpmiddelen waarmede het middel uitsluitend dan wel niet mag worden gebruikt, alsmede op de bij het gebruik in acht te nemen veiligheidstermijnen.
3.
Bij de toelating of registratie kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de samenstelling, kleur, vorm, afwerking, verpakking en aanduidingen en vermeldingen op, aan of bij de verpakking van het bestrijdingsmiddel.
4.
Bij de toelating:
a. kan worden bepaald, dat het bestrijdingsmiddel uitsluitend mag worden afgeleverd aan en gebruikt door personen of rechtspersonen, behorende tot een daarbij aangewezen categorie;
b. wordt bepaald dat het verboden is aan het grote publiek biociden af te leveren, welke ingevolge richtlijn nr. 1999/45/EG van het Europese Parlement en de Raad van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge aanpassingen van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten (Pb EG L 187) als vergiftig, zeer vergiftig, kankerverwekkend of mutageen categorie 1 of 2, of als vergiftig voor de voortplanting categorie 1 of 2 zijn ingedeeld.
5.
Het college kan, hetzij op een met redenen omkleed schriftelijk verzoek van de toelatinghouder of registratiehouder, hetzij in bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen gevallen, de ingevolge dit artikel gestelde voorschriften wijzigen met ingang van een bij die wijziging aan te geven tijdstip. Alvorens tot wijziging van de voorschriften te besluiten, stelt het college de toelatinghouder of registratiehouder binnen een daarvoor aangegeven termijn in de gelegenheid zijn zienswijze omtrent de voorgenomen wijziging en het tijdstip van ingang daarvan kenbaar te maken en kan hij hem verzoeken aanvullende informatie te verschaffen. Artikel 4, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de op verzoek of anders dan op verzoek te verstrekken gegevens. Indien is overgegaan tot het verrichten van dierproeven zonder dat daaraan voorafgaand de bedoelde inlichtingen zijn ingewonnen, worden de uit die dierproeven verkregen gegevens door het college bij de beslissing buiten beschouwing gelaten, tenzij zij leiden tot een inperking van de toelating.
6.
Het college kan, voor zover het gewasbeschermingsmiddelen betreft, op aanvraag van wetenschappelijke instanties, lichamen, organisaties en instellingen die werkzaamheden verrichten of mede verrichten op het gebied van de landbouw dan wel van organisaties van gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen onder nader door Onze betrokken Minister gestelde regelen, de doeleinden waarvoor het middel gebruikt mag worden, bedoeld in het tweede lid, uitbreiden.
7.
Het college kan voorts op aanvraag van de toelating- of registratiehouder onder nader door Onze betrokken Minister te stellen regelen de doeleinden waarvoor een bestrijdingsmiddel gebruikt mag worden, bedoeld in het tweede lid, uitbreiden, voor zover het een gewasbeschermingsmiddel onderscheidenlijk biocide betreft dat een werkzame stof bevat die reeds vóór 26 juli 1993, onderscheidenlijk vóór 15 mei 2000 werd afgeleverd en niet bij een in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, bedoelde communautaire maatregel is aangewezen of ten aanzien waarvan geen communautaire maatregel geldt op grond waarvan de toelating of registratie niet verleend mag worden of dient te worden ingetrokken.
8.
Met uitzondering van het toelatingscriterium, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, ten derde, kan bij de regelen, bedoeld in het zesde en zevende lid, voor bij die regelen aangewezen bestrijdingsmiddelen onder meer worden bepaald dat voor de beoordeling van de uitbreiding van de doeleinden, waarvoor het middel mag worden gebruikt, één of meer eisen van toepassing zijn aan de hand waarvan het betrokken middel of een ander bestrijdingsmiddel dat dezelfde werkzame stof bevat en is toegelaten of geregistreerd voor een naar het oordeel van het college vergelijkbaar doeleinde, laatstelijk is beoordeeld, en dat die beoordeling, in afwijking van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, aanhef, plaatsvindt aan de hand van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis op het tijdstip waarop het betrokken middel, dan wel een ander bestrijdingsmiddel, zoals hiervoor bedoeld, laatstelijk is beoordeeld. Het college kan, indien het belang van de volksgezondheid zich hier naar het oordeel van het college niet tegen verzet, op een daartoe gemotiveerd verzoek van de aanvrager, bepalen dat de beoordeling van de uitbreiding van de doeleinden van een bestrijdingsmiddel aan de hand van het toelatingscriterium, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, ten derde, voor zover dat toelatingscriterium betrekking heeft op de beoordeling van de uitwerking van residuen van bestrijdingsmiddelen op de gezondheid van de mens, in afwijking van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, aanhef, plaatsvindt aan de hand van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis op het tijdstip waarop het betrokken middel laatstelijk is beoordeeld.
9.
Het bepaalde in artikel 4, tweede tot en met zesde, achtste en negende lid, is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag als bedoeld in het zesde, onderscheidenlijk zevende lid. In het geval het college overweegt een wijziging aan te brengen in de uitbreiding, bedoeld in het zesde, onderscheidenlijk zevende lid, is het bepaalde in het vijfde lid, met uitzondering van de eerste volzin, van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat, indien het een uitbreiding betreft als bedoeld in het zesde lid, ook de toelatinghouder of registratiehouder bij die procedure wordt betrokken.
1.
Onze betrokken Minister kan bij regeling voorschriften geven omtrent:
a. het in acht nemen van veiligheidstermijnen bij het oogsten van met een bestrijdingsmiddel behandelde planten of bij het in het verkeer brengen van met een bestrijdingsmiddel behandelde planten of delen daarvan;
b. het in acht nemen van veiligheidstermijnen bij het in het verkeer brengen van voortbrengselen van met een bestrijdingsmiddel behandelde dieren of bij het slachten van zodanige dieren;
c. het gebruiken van met een bestrijdingsmiddel behandelde planten of delen van planten;
d. het telen van gewassen op met een bestrijdingsmiddel behandelde grond;
e. het gebruiken van met een bestrijdingsmiddel behandeld water;
f. het betreden onderscheidenlijk gebruiken van met een bestrijdingsmiddel behandelde ruimten, oppervlakken en goederen, dan wel van ruimten waarin zich behandelde goederen bevinden of bevonden hebben;
g. het rekening houden met de voordelen van het gebruik van het biocide.
2.
Ten aanzien van een bestrijdingsmiddel, waarop de in het vorige lid bedoelde regeling geen betrekking heeft, kunnen bij de toelating of registratie één of meer voorschriften van die regeling van toepassing worden verklaard. Dit wordt bekend gemaakt in de Staatscourant.
3.
Degene die een bestrijdingsmiddel ten aanzien waarvan een voorschrift geldt, als bedoeld in de vorige leden, heeft gebruikt met betrekking tot in het eerste lid bedoelde zelfstandigheden waarvan een ander het genot heeft, is verplicht omtrent dat gebruik de ander, onder vermelding van de naam, de werkzame stof en het nummer van toelating of registratie van het bestrijdingsmiddel, zodanig op de hoogte te stellen als voor deze nodig is om vorenbedoeld voorschrift te kunnen naleven. Het in de vorige volzin bepaalde is van overeenkomstige toepassing op degene die het genot van zelfstandigheden als daar bedoeld aan een ander overdraagt.
4.
Behoudens tegenbewijs wordt men geacht niet aan de in het derde lid bedoelde verplichting te hebben voldaan, voor zover dit niet blijkt uit een geschrift, ondertekend door degene aan wie de inlichtingen moesten worden verstrekt.
1.
Van een toelating of registratie wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
2.
Het college draagt zorg, dat van de toegelaten of geregistreerde bestrijdingsmiddelen aantekening wordt gehouden in een register dat volgens door Onze betrokken Minister te stellen regelen wordt ingericht.
3.
Op aanvraag van de in het register vermelde fabrikant, importeur of handelaar en tegen betaling van een bedrag worden wijzigingen in het register aangetekend.
4.
Van de wijziging wordt aan de belanghebbenden een bewijs verstrekt en wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
1.
Het college trekt een toelating of registratie als bedoeld in artikel 4 in, indien:
a. niet of niet meer wordt voldaan aan het bepaalde bij of krachtens de artikelen 3 en 3 a;
b. onjuiste of misleidende informatie is verstrekt met betrekking tot de gegevens op grond waarvan een toelating of registratie als bedoeld in artikel 4 is verleend of
c. zulks noodzakelijk is ter uitvoering van een communautaire maatregel.
2.
Het college trekt een toelating of registratie als bedoeld in artikel 4 in, indien de toelatinghouder of registratiehouder hiertoe een aanvraag indient.
3.
Een besluit op grond van het eerste of tweede lid wordt bekend gemaakt in de Staatscourant .
4.
Het besluit vermeldt de datum met ingang waarvan de intrekking van kracht wordt.
5.
Een toelating of registratie kan tijdelijk worden ingetrokken, indien het college gegronde aanwijzingen heeft dat het bestrijdingsmiddel een gevaar oplevert voor de gezondheid van mens of dier of voor het milieu. Het bepaalde in het derde en vierde lid is van overeenkomstige toepassing op de tijdelijke intrekking.
6.
In afwijking van artikel 2, eerste lid, is het toegestaan een bestrijdingsmiddel, waarvan de toelating of registratie tijdelijk is ingetrokken, voorhanden of in voorraad te hebben.
7.
Artikel 4, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de op verzoek of anders dan op verzoek te verstrekken gegevens. Indien is overgegaan tot het verrichten van dierproeven zonder dat daaraan voorafgaand de bedoelde inlichtingen zijn ingewonnen, worden de uit die dierproeven verkregen gegevens door het college bij de beslissing buiten beschouwing gelaten.
Artikel 8
Tegen een op grond van deze wet genomen besluit kan een belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
1.
Op verzoek van Onze betrokken Minister wordt een bestrijdingsmiddel door het college ambtshalve toegelaten of geregistreerd.
2.
Aan een toelating of registratie ingevolge het eerste lid kunnen voorschriften, als bedoeld in artikel 5, tweede lid, worden verbonden.
3.
Aan een toelating of registratie ingevolge het eerste lid kunnen nadere voorschriften, als bedoeld in artikel 5, derde en vierde lid, worden verbonden.
4.
Een besluit tot ambtshalve toelating of registratie, tot wijziging van de in het tweede en derde lid bedoelde voorschriften en tot intrekking van de toelating of registratie wordt in de Staatscourant bekend gemaakt.
1.
De toelatinghouder of registratiehouder alsmede de instanties, lichamen, organisaties of instellingen waarvan het verzoek als bedoeld in artikel 5, zesde lid, is toegewezen, zijn verplicht terstond mededeling aan het college te doen van alle nieuwe gegevens die zij verkrijgen met betrekking tot de mogelijke gevaarlijke gevolgen van een bestrijdingsmiddel of van de residuen van een werkzame stof voor de gezondheid van mens of dier of voor het milieu.
2.
De toelatinghouder of registratiehouder alsmede de in het eerste lid bedoelde instanties, lichamen, organisaties of instellingen zijn onverminderd het eerste lid tevens verplicht de gegevens, bedoeld in het eerste lid terstond te melden aan de bevoegde instanties van de andere Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen alsmede aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen.
3.
Onze betrokken Minister kan regelen stellen omtrent de wijze waarop en de instanties waaraan een mededeling als bedoeld in het eerste of tweede lid dient te geschieden.
4.
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat andere dan de in het eerste lid bedoelde gegevens dienen te worden medegedeeld. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op deze gegevens.