Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | Vacatures | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
» Energiewijzer « advertorial
Bespaar geld en stap over!
Energiewijzer.nl, eerlijk over energie.

Juridische vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Powered by Jbmatch.nl

Inhoudsopgave
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6
Artikel 7
Artikel 8
Artikel 9
Artikel 10
Artikel 10a
Artikel 10b
Artikel 10c
Artikel 10d
Artikel 10e
Artikel 11
Artikel 12
Artikel 12a
Artikel 13
Artikel 13a
Artikel 14
Artikel 15
Artikel 16
Artikel 17
Artikel 18
Artikel 19
Artikel 20
Artikel 21
Artikel 22
Artikel 23
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken

Besluit produktie en handel vers vlees

Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2006. U leest nu de tekst die gold op -.
Besluit van 7 december 1993, houdende regels betreffende de produktie van en de handel in vers vlees
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 24 mei 1993, DGVgz/VVP/V-93845, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
Gelet op richtlijn nr. 91/497/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29 juli 1991 tot wijziging en bijwerking van richtlijn nr. 64/433/EEG inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in vers vlees teneinde deze uit te breiden tot de produktie en het in de handel brengen van vers vlees en tot wijziging van richtlijn nr. 72/462/EEG ( PbEG L 268), op richtlijn nr. 91/498/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29 juli 1991, houdende vaststelling van de voorschriften voor het toestaan van tijdelijke en beperkte afwijkingen op de specifieke communautaire gezondheidsvoorschriften voor de produktie en het in de handel brengen van vers vlees ( PbEG L 268), op richtlijn 91/495/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 november 1990 inzake gezondheidsvoorschriften en veterinairrechtelijke voorschriften voor de produktie en het in de handel brengen van konijnevlees en vlees van gekweekt wild ( PbEG L 268) en op richtlijn nr. 92/120/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 december 1992, houdende vaststelling van de voorschriften voor het toestaan van tijdelijk en beperkte afwijkingen op de specifieke communautaire gezondheidsvoorschriften voor de produktie en het in de handel brengen van bepaalde produkten van dierlijke oorsprong ( PbEG L 62), alsmede op de artikelen 5, 18, 19, 19 a , 25 en 30 a van de Vleeskeuringswet en op het eerste lid van artikel II van de wijzigingswet 1988 Warenwet ( Stb. 358) juncto artikel 16 van de Warenwet ( Stb . 1935, 793);
Gezien het advies van de Adviescommissie Vleeskeuringswet (advies van 12 maart 1993, ACVW/U-93002);
De Raad van State gehoord (advies van 26 augustus 1993, No. W13.93.0320);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 23 november 1993, DGVgz/VVP/V-931986, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
Hebben goedgevonden en verstaan:
1.
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur;
b. de wet: de Vleeskeuringswet ;
c. hoofdinspecteur: de veterinair hoofdinspecteur van de Voedsel en Waren Autoriteit;
d. keuringsdierenarts: persoon, bedoeld in de eerste zinsnede van artikel 25 van de wet , belast met keuring van slachtdieren en van vlees;
e. de richtlijn: richtlijn nr. 64/433/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende de gezondheidsvoorschriften voor de produktie en het in de handel brengen van vers vlees ( PbEG 1964, L 121);
f. vlees: alle voor menselijke consumptie geschikte delen van als landbouwhuisdier gehouden runderen (de soorten Bubalus bubalis en Bison bison daaronder begrepen), varkens, schapen, geiten en eenhoevigen;
g. vers vlees: vlees, ook vacuüm of in gecontroleerde atmosfeer verpakt, dat, buiten de koudebehandeling, geen behandeling ter bevordering van de houdbaarheid heeft ondergaan;
h. separatorvlees: vlees dat machinaal is afgescheiden van beenderen met daaraan vastzittend vlees;
i. karkas: het uitgebloede gehele slachtdier dat is ontdaan van de ingewanden, waarvan de poten zijn afgesneden ter hoogte van het voorkniegewricht respectievelijk het spronggewricht, en waarvan de kop, de staart en de uier zijn verwijderd; voor runderen, schapen, geiten en eenhoevigen betreft het karkassen als hierboven bedoeld na het onthuiden. Bij varkens hoeven de poten niet ter hoogte van het voorkniegewricht, respectievelijk het spronggewricht te worden afgesneden en hoeft de kop niet te worden verwijderd wanneer het vlees bestemd is om te worden behandeld overeenkomstig de regelen, gesteld krachtens richtlijn nr. 77/99/EEG;
j. slachtafval: vers vlees dat geen deel uitmaakt van het karkas als omschreven onder i , ook indien het op natuurlijke wijze met het karkas verbonden blijft;
k. ingewanden: het slachtafval in de borst-, buik- en de bekkenholte, met inbegrip van de luchtpijp en de slokdarm;
l. land van verzending: de lid-staat van de Europese Gemeenschappen of van de Europese Ruimte van waaruit vers vlees wordt verzonden;
m. land van bestemming: de lid-staat van de Europese Gemeenschappen of van de Europese Ruimte waarnaar vers vlees uit een andere lid-staat wordt verzonden;
n. land van produktie: de lid-staat van de Europese Gemeenschappen of van de Europese Ruimte op het grondgebied waarvan de inrichting zich bevindt;
o. vervoermiddelen: voor belading bestemde gedeelten van motorvoetuigen, van spoorvoertuigen en van luchtvaartuigen, alsmede scheepsruimen of containers voor het vervoer over land, over zee of door de lucht;
p. inrichting: slachthuis, uitsnijderij, koelhuis of vrieshuis, herverpakkingscentrum of een complex bestaande uit verscheidene van deze inrichtingen;
q. herverpakkingscentrum: een werkplaats of een opslagplaats waar vlees met een onmiddellijke verpakking dat bestemd is om in de handel te worden gebracht opnieuw bijeengebracht of herverpakt wordt;
r. GVE: Groot Vee Eenheden;
s. onmiddellijke verpakking: het beschermen van vers vlees door middel van een eerste omhulsel of een eerste bergingsmiddel dat rechtstreeks in contact komt met het betrokken verse vlees, alsmede het eerste omhulsel of het eerste bergingsmiddel zelf;
t. eindverpakking: het plaatsen van vers vlees in onmiddellijke verpakking in een tweede bergingsmiddel, alsmede het bergingsmiddel zelf;
u. speciale noodslachting: het doden, op last van een dierenarts, wegens een ongeval of ernstige lichamelijke en functionele stoornissen. De speciale noodslachting wordt buiten een slachthuis uitgevoerd indien de dierenarts meent dat vervoer onmogelijk is of onnodig lijden van het dier zou meebrengen;
v. vlees van gekweekt wild: alle voor menselijke consumptie geschikte delen van niet-gedomesticeerde landzoogdieren, niet zijnde lagomorfen, die niet worden vermeld onder f , die in gevangenschap zijn gekweekt, gehouden en geslacht;
w. gekweekt wild: niet als huisdier beschouwde landzoogdieren,niet zijnde lagomorfen, die niet worden vermeld onder f , en die worden gehouden als huisdieren. Niet-gedomesticeerde zoogdieren die leven op een afgesloten gebied onder soortgelijke omstandigheden ten aanzien van vrijheid als wild worden evenwel niet als gekweekt wild beschouwd;
x. richtlijn 90/675/EEG: de richtlijn nr. 90/675/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 10 december 1990 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor produkten uit derde landen die in de Gemeenschap worden binnengebracht ( PbEG L 373);
ij. richtlijn 93/119/EG: richtlijn nr. 93/119/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 december 1993 inzake de bescherming van dieren bij het slachten of doden ( PbEG L 340);
z. richtlijn 91/495/EEG: de richtlijn nr. 91/495/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 november 1990 inzake gezondheidsvoorschriften en veterinairrechtlijke voorschriften voor de produktie en het in de handel brengen van konijnevlees en vlees van gekweekt wild ( PbEG L 268);
aa. richtlijn 74/557/EEG: de richtlijn nr. 74/557/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 november 1974 betreffende de verdoving van dieren voor het slachten ( PbEG L 316);
bb. richtlijn 77/99/EEG: richtlijn nr. 77/99/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1976 inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in vleesprodukten en bepaalde andere produkten van dierlijke oorsprong ( PbEG L 26);
cc. richtlijn 90/667/EEG: de richtlijn nr. 90/667/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 november 1990 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften voor de verwijdering en verwerking van dierlijke afvallen, voor het in de handel brengen van dierlijke afvallen en ter voorkoming van de aanwezigheid van ziekteverwekkers in diervoeders van dierlijke oorsprong (vissen daaronder begrepen) en tot wijziging van richtlijn nr. 90/425/EEG ( PbEG L 363);
dd. richtlijn 86/363/EEG: de richtlijn nr. 86/363/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 juli 1986 tot vaststelling van maximumgehalten aan residuen van bestrijdingsmiddelen in en op levensmiddelen van dierlijke oorsprong ( PbEG L 221);
ee. richtlijn 91/498/EEG: de richtlijn nr. 91/498/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29 juli 1991 houdende vaststelling van de voorschriften voor het toestaan van tijdelijke en beperkte afwijkingen op de specifieke communautaire gezondheidsvoorschriften voor de produktie en het in de handel brengen van vers vlees ( PbEG L 268);
ff. richtlijn 77/96/EEG: de richtlijn nr. 77/96/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1976 inzake het opsporen van trichinen bij de invoer van vers vlees van varkens en huisdieren uit derde landen ( PbEG L 26);
gg. richtlijn 92/120/EEG: de richtlijn nr. 92/120/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 december 1992 houdende vaststelling van de voorschriften voor het toestaan van tijdelijke en beperkte afwijkingen op de specifieke communautaire gezondheidsvoorschriften voor de produktie en het in de handel brengen van bepaalde produkten van dierlijke oorsprong ( PbEG L 62);
hh. richtlijn 86/469/EEG: de richtlijn nr. 86/469/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 september 1986 inzake het onderzoek van dieren en vers vlees op de aanwezigheid van residuen ( PbEG L 275);
ii. beschikking 84/371/EEG: de beschikking nr. 84/371/EEG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 3 juli 1984 tot vaststelling van het speciale merk voor vers vlees als bedoeld in artikel 5, sub a ), van richtlijn nr. 64/433/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen ( PbEG L 196);
jj. richtlijn 80/778/EEG: de richtlijn nr. 80/778/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1980 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water ( PbEG L 229);
kk. verordening (EEG) 2377/90: de verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1990 houdende een communautaire procedure tot vaststelling van maximumwaarden voor residuen van geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik in levensmiddelen van dierlijke oorsprong ( PbEG L 224);
ll. in de handel brengen: het verkopen, te koop aanbieden of uitstallen met het oog op verkoop, het afleveren, het ten geschenke geven of op enige andere wijze afstaan, het tot vervoer of aflevering voorhanden hebben, het in voorraad hebben, het vervoeren of doen vervoeren, anders dan ter naleving van enig wettelijk voorschrift;
mm. beschikking 2001/471/EG: beschikking nr. 2001/471/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 8 juni 2001 tot vaststelling van voorschriften voor het regelmatig doen controleren van de algemene hygiëne door de exploitanten in inrichtingen overeenkomstig richtlijn nr. 64/433/EEG betreffende gezondheidsvoorschriften voor de productie en het in de handel brengen van vers vlees en richtlijn nr. 71/118/EEG inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van de productie en het in de handel brengen van vers vlees van pluimvee (PbEG L 165).
2.
Voor zover niet anders bepaald, zijn de artikelen 2 en 4, 5, eerste, derde, vierde tot en met zevende lid, en 6 tot en met 12 van overeenkomstige toepassing op vlees van gekweekt wild.
3.
Dit besluit is niet van toepassing op het uitsnijden en de opslag van vers vlees en vlees van gekweekt wild in detailhandelzaken of in lokalen die aan verkooppunten grenzen, waar het uitsnijden en de opslag uitsluitend met het oog op rechtstreekse verkoop ter plaatse aan de consument geschiedt.
1.
Met betrekking tot de produktie en het in de handel brengen van vers vlees wordt voldaan aan de eisen dat:
A. hele karkassen, halve karkassen, halve karkassen die in ten hoogste drie stukken zijn verdeeld, of voeten:
a. verkregen worden in een slachthuis dat aan de voorwaarden van bijlage I , hoofdstukken I en II , voldoet en overeenkomstig artikel 9 is erkend en gecontroleerd;
b. afkomstig zijn van een slachtdier dat overeenkomstig bijlage I , hoofdstuk VI , vóór het slachten is gekeurd door een keuringsdierenarts en daarbij geschikt is bevonden om voor de toepassing van dit besluit te worden geslacht;
c. op bevredigende hygiënische wijze worden behandeld overeenkomstig bijlage I , hoofdstukken V en VII ;
d. overeenkomstig bijlage I , hoofdstuk VIII , na het slachten door een keuringsdierenarts worden gekeurd en daarbij geen enkele afwijking vertonen, met uitzondering van kort vóór het slachten opgelopen traumatische laesies en plaatselijke misvormingen of afwijkingen, voor zover wordt vastgesteld, zo nodig door passend laboratoriumonderzoek, dat het karkas en de daarbij behorende slachtafvallen door deze laesies, misvormingen of afwijkingen niet ongeschikt worden voor menselijke consumptie of gevaarlijk voor de gezondheid van de mens;
e. overeenkomstig bijlage I , hoofdstuk XI , worden voorzien van een keurmerk;
f. gedurende het vervoer vergezeld gaan van een begeleidend handelsdocument, waarvan de vorm en inhoud door Onze Minister, in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, zal worden vastgesteld;
g. overeenkomstig bijlage I , hoofdstuk XIII , na de keuring na het slachten onder bevredigende hygiënische omstandigheden worden opgeslagen in overeenkomstig artikel 9 erkende en overeenkomstig bijlage I , hoofdstuk X , gecontroleerde inrichtingen;
h. overeenkomstig bijlage I , hoofdstuk XIV , in bevredigende hyginische omstandigheden worden vervoerd;
B. uitgesneden delen of stukken die kleiner zijn dan die bedoeld onder A of uitgebeend vlees met of zonder onmiddellijke verpakking:
a. uitgesneden of uitgebeend of van een onmiddellijke verpakking voorzien worden in een uitsnijderij die voldoet aan de voorwaarden van Bijlage I , hoofdstukken I en III , en die overeenkomstig artikel 9 is erkend en gecontroleerd;
b. uitgesneden of uitgebeend of van een onmiddellijke verpakking voorzien en verkregen worden overeenkomstig bijlage I , hoofdstuk IX , en
- afkomstig zijn van vers vlees dat voldoet aan de onder A genoemde voorwaarden, behalve die welke zijn genoemd onder h , en dat overeenkomstig bijlage I , hoofdstuk XIV , is vervoerd; of
- afkomstig zijn van vers vlees, niet zijnde vlees van gekweekt wild, dat uit derde landen is ingevoerd overeenkomstig richtlijn nr. 90/675/EEG;
c. onder omstandigheden die beantwoorden aan bijlage I , hoofdstuk XIII , worden opgeslagen in overeenkomstig artikel 9 erkende en overeenkomstig bijlage I , hoofdstuk X , gecontroleerde inrichtingen;
d. gekeurd worden door een keuringsdierenarts, overeenkomstig bijlage I , hoofdstuk X ;
e. voldoen aan de voorschriften van bijlage I , hoofdstuk XII , inzake onmiddellijke en eindverpakking;
f. voldoen aan het bepaalde onder A, de punten c, e, f en h ;
C. slachtafvallen afkomstig zijn van een erkend slachthuis of een erkende uitsnijderij. Hele slachtafvallen moeten voldoen aan A en B. Slachtafvallen moeten voldoen aan B.
D. vers vlees dat overeenkomstig dit besluit in een erkend koel- of vrieshuis is opgeslagen en nadien geen andere behandeling dan voor de opslag heeft ondergaan:
a. voldoet aan het bepaalde onder A, de punten c, e, g en h, en onder B en C, of, indien het geen vlees van gekweekt wild betreft, overeenkomstig richtlijn nr. 90/675/EEG uit een derde land is ingevoerd;
b. tijdens het vervoer naar de plaats van bestemming vergezeld gaat van een begeleidend handelsdocument als bedoeld onder A, punt f .
E. vers vlees dat overeenkomstig dit besluit is verkregen en dat onder douanetoezicht is opgeslagen in een overeenkomstig richtlijn nr. 72/462/EEG goedgekeurd koel- of vrieshuis van een derde land en nadien geen andere behandeling dan voor de opslag heeft ondergaan:
a. voldoet aan het bepaalde onder A, B en C;
b. beantwoordt aan de bijzondere waarborgen betreffende de keuring en de verklaring dat is voldaan aan de eisen met betrekking tot de opslag en het vervoer;
c. vergezeld gaat van een certificaat waarvan het model door Onze Minister wordt opgesteld;
F. vers vlees, waarvan de eindverpakking verwijderd is en dat in een andere inrichting dan die waar het voordien van een onmiddellijke verpakking voorzien is, opnieuw van een eindverpakking voorzien wordt,
a. voldoet aan A tot en met D; en
b. wordt uitgepakt en van een nieuwe eindverpakking voorzien in een herverpakkingscentrum dat aan de voorwaarden van bijlage I , hoofdstuk I , voldoet en overeenkomstig artikel 9 erkend is en wordt gecontroleerd.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op:
a. vers vlees dat bestemd is voor ander gebruik dan menselijke consumptie;
b. vers vlees dat bestemd is voor tentoonstellingen, bijzonder onderzoek of analyses, mits dit vlees niet voor menselijke consumptie wordt gebruikt en na afloop van de tentoonstellingen of voltooiing van het bijzondere onderzoek of de analyses, dit vlees met uitzondering van de bij de analyses gebruikte hoeveelheden, wordt vernietigd;
c. vers vlees dat uitsluitend is bestemd voor de bevoorrading van internationale organisaties.
1.
Onverminderd artikel 1, tweede lid, voldoet vlees van gekweekt wild aan de navolgende eisen:
a. het beslag van oorsprong wordt aan een periodieke veterinaire controle onderworpen;
b. er mogen geen beperkingen gelden naar aanleiding van:
- het overeenkomstig artikel 11 van richtlijn nr. 91/495/EEG verrichte onderzoek;
- een veterinaire keuring;
c. de desbetreffende dieren worden op andere tijdstippen geslacht dan runderen, varkens, schapen, paarden en geiten.
2.
Indien gekweekt wild niet kan worden vervoerd zonder risico's voor de begeleiders of in verband met het welzijn van de dieren, kan de Voedsel en Waren Autoriteit, in afwijking van het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onder A, punten b. en c., toestaan dat wordt geslacht op de plaats van oorsprong. Deze afwijking kan worden toegestaan onder de volgende voorwaarden:
- de eigenaar van de dieren dient daartoe een verzoek in bij de Voedsel en Waren Autoriteit onder opgave van het aantal dieren, plaats en de datum waarop de dieren worden geslacht;
- het bedrijf beschikt over een verzamelcentrum van de niet-gedomesticeerde dieren waar het mogelijk is een keuring vóór het slachten van de te slachten groep te verrichten;
- het bedrijf beschikt over een passende ruimte voor het bedwelmen, het steken en het uitbloeden van de dieren;
- het doden door steken en uitbloeden wordt voorafgegaan door bedwelming, overeenkomstig richtlijn 93/119/EG, de Voedsel en Waren Autoriteit mag in bijzondere gevallen doden door middel van de kogel toestaan;
- de gedode en uitgebloede dieren worden onder bevredigende hygiënische omstandigheden, in hangende positie vervoerd naar een overeenkomstig artikel 9 of 10 erkend slachthuis en zulks zo spoedig mogelijk na het doden. Wanneer het wild dat is gedood op de plaats waar het werd gekweekt, niet binnen een uur naar een overeenkomstig artikel 9 of 10 erkend slachthuis kan worden gebracht, wordt het vervoerd in een container of vervoermiddel waarin een temperatuur heerst tussen 0°C en 4°C. Het verwijderen van de ingewanden dient ten laatste drie uur na het bedwelmen plaats te vinden;
- bij het vervoer naar het slachthuis gaan de geslachte dieren vergezeld van een verklaring van de keuringsdierenarts waaruit blijkt dat de keuring voor het slachten een gunstig resultaat heeft opgeleverd, dat het leegbloeden op correcte wijze is geschied en waarin het uur waarop het slachten heeft plaatsgevonden wordt vermeld; deze verklaring stemt overeen met het model in bijlage IV .
Artikel 4
Vlees is slechts geschikt voor menselijke consumptie indien het wordt goedgekeurd. Onze Minister bepaalt in welke gevallen vlees wordt afgekeurd en onbruikbaar moet worden gemaakt voor voedsel van mens en dier.
1.
Onverminderd artikel 4, ondergaat vers vlees van varkens of paarden als bedoeld in artikel 2, dat niet overeenkomstig bijlage I van richtlijn nr. 77/96/EEG op trichinen is onderzocht, een koudebehandeling overeenkomstig bijlage IV van die richtlijn. Vlees van gekweekte everzwijnen of van andere voor besmetting met trichinen vatbare soorten gekweekt wild wordt onderzocht met behulp van een digestiemethode overeenkomstig richtlijn nr. 77/96/EEG.
2.
Vlees
a. van mannelijke varkens bestemd voor de fok;
b. van cryptorchiede en hermafrodiete varkens;
c. van niet-gecastreerde mannelijke varkens met een geslacht gewicht hoger dan 80 kg, tenzij de inrichting op basis van een door Onze Minister goedgekeurde methode kan garanderen dat karkassen met een uitgesproken seksuele geur kunnen worden opgespoord; wordt voorzien van het speciale merk als bedoeld in Beschikking 84/371/EEG en ondergaat een behandeling als bedoeld in richtlijn nr. 77/99/EEG.
3.
Voor het bereiden van separatorvlees mag niet worden gebruikt kopbeenderen, poten onder het voorkniegewricht, respectievelijk het spronggewricht, alsmede varkensstaarten. Separatorvlees moet een warmtebehandeling overeenkomstig richtlijn nr. 77/99/EEG ondergaan.
4.
Vlees van dieren die bij een speciale noodslachting zijn gedood, mag uitsluitend ten behoeve van de plaatselijke markt voor menselijke consumptie geschikt worden verklaard en slechts indien aan de onderstaande voorwaarden is voldaan:
- voor het bedrijf van oorsprong mogen geen veterinairrechtelijke beperkingen gelden;
- het dier wordt vóór het doden onderworpen aan een keuring voor het slachten door een dierenarts overeenkomstig artikel 2, eerste lid, onder A, punt b;
- het dier moet na bedwelming gedood, uitgebloed en eventueel ter plaatse van de ingewanden ontdaan zijn; de dierenarts mag in bijzondere gevallen afzien van bedwelming en doden door middel van de kogel toestaan;
- het gedode en uitgebloede dier wordt onder bevredigende hygiënische omstandigheden vervoerd naar een overeenkomstig artikel 9, tweede lid, erkende slachtplaats en zulks zo spoedig mogelijk na het doden. Wanneer het gedode dier niet binnen één uur naar dit slachthuis kan worden gebracht, moet het worden vervoerd in een container of vervoermiddel waarin een temperatuur heerst tussen 0°C en 4°C. Het verwijderen van de ingewanden - indien dat niet meteen bij het doden is gebeurd - vindt ten laatste drie uur daarna plaats. Indien de ingewanden ter plaatse worden verwijderd, blijven zij tot in het slachthuis duidelijk geïdentificeerd bij het karkas;
- het gedode dier gaat bij het vervoer naar het slachthuis vergezeld van een verklaring van de dierenarts die opdracht heeft gegeven tot het doden, ter vermelding van het resultaat van de keuring voor het slachten, het tijdstip van het doden en de aard van de eventuele aan het dier toegediende behandeling en, eventueel, het resultaat van de keuring van de ingewanden; deze verklaring stemt overeen met een door Onze Minister vastgesteld model;
- het karkas van het gedode dier wordt, zolang het niet geheel of gedeeltelijk geschikt bevonden voor menselijke consumptie kan worden beschouwd op basis van de keuring na het slachten overeenkomstig artikel 2, eerste lid, onder A, punt d, eventueel aangevuld met een bacteriologisch onderzoek, zodanig gehanteerd dat het niet in contact komt met karkassen, vlees en slachtafvallen die geschikt zijn bevonden voor menselijke consumptie.
5.
Vlees afkomstig uit een zone waarvoor veterinairrechtelijke beperkingen gelden, wordt onderworpen aan door Onze Minister, in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, vastgestelde voorschriften.
6.
De in de vorige leden bedoelde behandelingen worden uitgevoerd in de inrichting van oorsprong of in een andere door de keuringsdierenarts aangewezen inrichting.
7.
Vlees als bedoeld in het vierde lid en geschikt bevonden voor menselijke consumptie wordt voorzien van het in artikel 10, vierde lid, bedoelde stempel.
1.
Vlees dat is afgekeurd, dient duidelijk te kunnen worden onderscheiden van vlees dat is goedgekeurd.
2.
Vlees dat is afgekeurd, dient een behandeling overeenkomstig richtlijn nr. 90/667/EEG te ondergaan.
1.
Indien de keuringsdierenarts op grond van de bevindingen bij de keuring de aanwezigheid van residuen vermoedt, worden de desbetreffende dieren of het vlees daarvan op residuen onderzocht. Dit onderzoek heeft betrekking op opsporing van residuen van stoffen met farmacologische werking en de omzettingsprodukten daarvan, alsmede van andere stoffen die in het vlees terecht kunnen komen en die een gevaar voor de gezondheid van de mens kunnen opleveren.
2.
Indien in het onderzochte vlees sporen van residuen voorkomen in hoeveelheden die de toegestane toleranties overschrijden, wordt dit vlees afgekeurd.
3.
De onderzoeken op residuen worden verricht volgens deugdelijk gebleken methoden die wetenschappelijk zijn erkend, in het bijzonder die welke zijn omschreven in de desbetreffende communautaire regelingen of in andere internationale normen.
4.
Onze Minister stelt de toleranties vast voor stoffen die in vlees terecht kunnen komen en die schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid van de mens, voor zover die nog niet zijn vastgesteld bij richtlijn nr. 86/363/EEG en bij Verordening (EEG) nr. 2377/90.
1.
De aanwezigheid van een keuringsdierenarts is vereist:
a. in een overeenkomstig artikel 9 erkend slachthuis gedurende de tijd dat er keuringen vóór en na het slachten worden verricht;
b. in een overeenkomstig artikel 9 erkende uitsnijderij terwijl er vlees wordt bewerkt, ten minste eenmaal per dag om de algemene hygiëne van de uitsnijderij en het register van het in- en uitgaande verse vlees te controleren;
c. in een overeenkomstig artikel 9 erkend koel- of vrieshuis of herverpakkingscentrum, op gezette tijden.
2.
De keuringsdierenarts kan zich laten bijstaan door keurmeesters, onder zijn gezag en verantwoordelijkheid, voor de volgende taken:
a. keuring vóór het slachten; de keurmeester verricht een eerste observatie van de dieren en zuiver praktische werkzaamheden;
b. keuring na het slachten, voor zover de keuringsdierenarts daadwerkelijk ter plaatse toezicht kan houden op het werk van de keurmeesters;
c. keuring van uitgesneden en opgeslagen vlees;
d. inspectie en controle van de overeenkomstig artikel 9 erkende inrichtingen.
3.
Als keurmeesters kunnen slechts optreden personen die voldoen aan de in bijlage III vastgestelde eisen na het met goed gevolg afgelegd hebben van een door Onze Minister aangewezen examen.
4.
Het aantal keurmeesters wordt beperkt tot een niveau dat de keuringsdierenarts de mogelijkheid biedt daadwerkelijk controle uit te oefenen op de keuring na het slachten. Onze Minister kan, in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, het maximum aantal vaststellen.
5.
De keurmeesters verlenen de bijstand in het kader van een keuringsteam onder controle en verantwoordelijkheid van de keuringsdierenarts. Zij zijn onafhankelijk van de betrokken inrichting. De Voedsel en Waren Autoriteit bepaalt voor elke inrichting de samenstelling van het team, ten einde de keuringsdierenarts in staat te stellen op het verloop van bovengenoemde werkzaamheden toezicht te houden.
1.
Onze Minister kan inrichtingen erkennen, die voldoen aan het bepaalde bij of krachtens dit besluit.
2.
De erkenning geldt niet voor speciale noodslachtingen en het slachten van zieke of van ziekte verdachte dieren, tenzij onze Minister anders heeft bepaald.
3.
Wanneer wordt geconstateerd dat de hygiënische voorschriften niet worden nageleefd en wanneer de in bijlage I, hoofdstuk VIII, punt 41F , bedoelde maatregelen onvoldoende zijn gebleken om dit te verhelpen, wordt de erkenning voor het in geding zijnde deel van de activiteit of voor de hele inrichting tijdelijk door Onze Minister opgeschort.
4.
Wanneer de exploitant van de inrichting, de eigenaar of diens vertegenwoordiger de geconstateerde gebreken niet binnen de door Onze Minister vastgestelde termijn herstelt, trekt Onze Minister de erkenning voor het in geding zijnde deel van de activiteit of voor de hele inrichting in.
5.
Aan de erkenning zijn de volgende voorschriften verbonden:
a. De exploitant van een inrichting, de eigenaar of diens vertegenwoordiger doet regelmatig de algemene hygiëne bij de productie in zijn inrichting controleren door het uitwerken en toepassen van een permanente procedure op basis van de HACCP-beginselen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van beschikking 2001/471/EG;
b. De exploitant van een inrichting, de eigenaar of diens vertegenwoordiger kan voor de procedure, bedoeld in onderdeel a, gebruikmaken van de aanvulling op de hygiënecode voor slachterijen en uitsnijderijen van de Productschappen voor Vee, Vlees en Eieren van 17 mei 2002, met de titel: «Uitvoering van de Beschikking 2001/471/EG voor slachterijen, uitsnijderijen en koel- en vrieshuizen in de roodvleessector (rund, kalf, varken, paard, schaap en geit)»;
c. De exploitant van een slachthuis, de eigenaar of diens vertegenwoordiger doet de in artikel 10, tweede lid, van de richtlijn bedoelde microbiologische controles uitvoeren overeenkomstig de in de bijlage van beschikking 2001/471/EG vastgelegde methode, dan wel overeenkomstig een door Onze Minister en de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij goedgekeurde methode die tenminste gelijkwaardig is aan die in de bijlage van beschikking 2001/471/EG;
d. De exploitant van een uitsnijderij, de eigenaar of diens vertegenwoordiger doet de in artikel 10, tweede lid, van de richtlijn bedoelde microbiologische controles uitvoeren overeenkomstig de in deel 2 van de bijlage van beschikking 2001/471/EG vastgelegde methode, dan wel overeenkomstig een door Onze Minister in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij goedgekeurde methode die tenminste gelijkwaardig is aan die in deel 2 van de bijlage van beschikking 2001/471/EG.
e. De exploitant van de inrichting, de eigenaar of diens vertegenwoordiger is, op verzoek, in staat de hoofdinspecteur, de keuringsdierenarts of de veterinaire deskundigen van de Commissie van de EEG, bedoeld in artikel 12 van de richtlijn in kennis te stellen van aard, frequentie en resultaat van de te dien einde verrichte controles, alsmede, zo nodig, van de naam van het controlelaboratorium;
f. De exploitant van de inrichting, de eigenaar of diens vertegenwoordiger zet een opleidingsprogramma op dat het personeel in staat stelt te voldoen aan de voorschriften inzake hygiënische produktie die zijn aangepast aan de produktiestructuur. De keuringsdierenarts die voor de inrichting verantwoordelijk is, wordt bij het opzetten en de uitvoering van dit programma betrokken;
g. De inrichtingen geven medewerking aan de controles, bedoeld in artikel 12 van de richtlijn.
1.
In afwijking van artikel 9 kan Onze Minister slachthuizen erkennen die niet voldoen aan de hoofdstukken I en II van bijlage I van dit besluit, indien:
a. het slachthuis,
1. niet meer behandelt dan 20 GVE per week met een maximum van 1000 GVE per jaar;
2. voldoet aan de voorschriften van bijlage I , hoofdstukken V en VII , hoofdstuk XIII , punt 65, eerste, tweede en vierde volzin , en punt 66 en hoofdstuk XIV , punt 68 , met uitzondering van de voorschriften voor ingevoerd vers vlees, en de punten 70, 71 en 72;
3. voldoet aan de voorwaarden van bijlage II ;
4. de keuringsdierenarts op de hoogte brengt van het tijdstip van slachten, het aantal dieren en de herkomst ervan, zodat deze, hetzij op het landbouwbedrijf, hetzij in het slachthuis, overeenkomstig bijlage I , hoofdstuk VI , vóór het slachten een keuring kan uitvoeren;
b. de exploitant van het slachthuis, de eigenaar of diens vertegenwoordiger een register bijhoudt van:
de inkomende dieren en de uitgaande slachtprodukten;
de uitgevoerde keuringen; en
de resultaten van de keuringen;
deze gegevens worden desgevraagd aan de keuringsdierenarts medegedeeld; en
c. het vlees na het slachten overeenkomstig bijlage I , hoofdstuk VIII , met inachtneming van bijlage I , hoofdstuk VII , punt 32 , door de keuringsdierenarts of de keurmeester wordt gekeurd; als het vlees laesies of afwijkingen vertoont, wordt de keuring na het slachten uitgevoerd door de keuringsdierenarts; de keuringsdierenarts of de keurmeester controleert regelmatig of de in bijlage I , hoofdstukken V en VII bedoelde hygiënevoorschriften worden nageleefd.
2.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel a , onder i , kan Onze Minister slachthuizen erkennen waar in de loop van een werkweek met duidelijk onderscheiden tussenpozen verschillende ondernemers voor eigen rekening slachten en waar na cumulatie van de individuele slachthoeveelheden ten hoogste 30 GVE per week en 1500 GVE per jaar worden geslacht, mits aan de onderstaande voorwaarden is voldaan:
a. de eigenaar van de inrichting op het gebied van de hygiënische produktie een door de hoofdinspecteur erkende bijzondere opleiding heeft gevolgd;
b. de voor de slacht bestemde dieren behoren toe aan de eigenaar van de inrichting of aan een zelfstandige slager of zijn door deze laatsten gekocht om aan de behoeften bedoeld in onderdeel d , te voldoen;
c. de vleesproduktie geschiedt in lokalen die voldoen aan de voorschriften van bijlage II ;
d. de vleesproduktie is bestemd voor de bevoorrading van de inrichtingen die toebehoren aan de in onderdeel b bedoelde slagers en voor de verkoop ter plaatse aan de consument.
3.
Tevens kan Onze Minister in afwijking van het eerste lid, onderdeel a , onder i , toestaan dat met inachtneming van het maximum van 1000 GVE per jaar, wordt afgeweken van het wekelijkse maximum om rekening te houden met religieuze feesten mits de keuringsdierenarts bij het slachten aanwezig is en het vlees van de geslachte dieren niet wordt ingevroren alvorens het in de handel te brengen.
Artikel 10a
Voor de toepassing van dit besluit worden voor de berekening van GVE de volgende omrekeningscoëfficiënten gebruikt:
Diersoort GVE
Runderen en gedomesticeerde wilde soortgenoten
volwassen runderen en eenhoevigen 1
andere runderen, alsmede gedomesticeerde edelherten 0,5
   
Varkens en gedomesticeerde wilde soortgenoten
varkens meer dan 100 kg levend gewicht 0,2
andere varkens 0,15
   
Andere diersoorten en gedomesticeerde wilde soortgenoten  
schapen en geiten, alsmede gedomesticeerde damherten 0,1
   
lammeren, jonge geiten en biggen van minder dan 15 kg levend gewicht 0,05
1.
In afwijking van artikel 9 kan Onze Minister uitsnijderijen, die niet in een erkende inrichting zijn gelegen en niet meer dan 5 ton uitgebeend vlees of het equivalent daarvan in vlees met been per week produceren en die niet voldoen aan hoofdstukken I en III van bijlage I van dit besluit, erkennen en afwijkingen toestaan overeenkomstig bijlage II van dit besluit.
2.
Op de opslag en het uitsnijden in inrichtingen, die op grond van het eerste lid zijn erkend, zijn van toepassing de bepalingen van bijlage I , hoofdstuk V , hoofdstuk VII , punt 38 , hoofdstuk IX , met uitzondering van het in punt 46, onder c , bepaalde voorschrift, inzake temperatuur in het lokaal en hoofdstuk X, punt 48.
Artikel 10c
Vlees dat afkomstig is van de ingevolge artikel 10 of 10 b erkende inrichtingen en dat voldoet aan de hygiëne- en de keuringsvoorschriften van dit besluit en geschikt wordt bevonden voor menselijke consumptie, wordt voorzien van een stempel, waarvan het model door Onze Minister zal worden vastgesteld.
Artikel 10d
Onze Minister kan aan inrichtingen, erkend overeenkomstig artikel 10 en die op basis van een goedgekeurd herstructureringsplan aanpassingen ondergaan om overeenkomstig artikel 9 te worden erkend, aanvullende voorwaarden stellen met betrekking tot de slachtcapaciteit en de te verhandelen hoeveelheden vlees.
Artikel 10e
Onze Minister kan aan inrichtingen, waaraan tot en met 31 december 1995 een afwijking is toegestaan als bedoeld in artikel 22, tweede lid, en die ten genoegen van onze Minister kunnen aantonen dat ze begonnen zijn te voldoen aan de voorschriften van dit besluit, maar de aanvankelijk bepaalde termijn, om redenen die hun niet zijn aan te rekenen, niet zullen kunnen eerbiedigen, een aanvullende termijn toekennen die uiterlijk op 31 december 1998 eindigt, om de aangegane verbintenissen na te kunnen komen.
Artikel 11
Ingeval de keuringsdierenarts bij de keuring voor of na het slachten een voor de mens besmettelijke ziekte constateert, stelt hij hiervan de hoofdinspecteur in kennis.
Artikel 12
Onze Minister kan ter uitvoering van krachtens artikel 16 van de richtlijn vastgestelde maatregelen:
a. met betrekking tot artikel 2, eerste lid, onder A, punt f, nadere regelen stellen, met name inzake de toekenning van de codenummers en de opstelling van een of meer lijsten aan de hand waarvan de keuringsdierenartsen kunnen worden geïdentificeerd;
b. met betrekking tot artikel 2, eerste lid, onder E, punten b en c, regels stellen inzake de bijzondere waarborgen betreffende de keuring en de verklaring dat is voldaan aan de eisen met betrekking tot de opslag en het vervoer, alsmede de voorwaarden vaststellen voor de afgifte van het certificaat;
c. met betrekking tot artikel 3, eerste lid, onder a en b, nadere regels stellen inzake de uitvoering van de in dat lid bedoelde controle.
d. met betrekking tot artikel 6 nadere regelen stellen;
e. met betrekking tot artikel 7, derde lid, referentiemethoden vaststellen aan de hand waarvan de uitkomsten van de onderzoeken op residuen moeten kunnen worden geëvalueerd, alsmede de referentielaboratoria aanwijzen voor het onderzoek op residuen;
f. met betrekking tot artikel 8 nadere regelen vaststellen inzake de in dat artikel bedoelde bijstand door keurmeesters;
g. met betrekking tot artikel 9, vijfde lid, onder b, de aard en de frequentie van de daar bedoelde controles, alsmede de methoden van monsterneming en bacteriologisch onderzoek vaststellen;
h. artikel 10 van toepassing verklaren op inrichtingen in gebieden met bijzondere geografische beperkingen of voorzieningsmoeilijkheden waar ten hoogste 2000 GVE per jaar worden verwerkt, indien is voldaan aan de onderstaande voorwaarden:
1e. de eigenaar van de inrichting moet op het gebied van de hygiënische produktie een door de inspecteur erkende bijzondere opleiding hebben gevolgd;
2e. de voor de slacht bestemde dieren moeten toebehoren aan de eigenaar van de inrichting of door hem zijn gekocht om aan de behoeften als bedoeld onder 4e te voldoen;
3e. de vleesproduktie moet geschieden in lokalen die zijn gelegen in de inrichting en die voldoen aan de voorschriften van bijlage II ;
4e. de vleesproduktie moet beperkt blijven tot de voorziening van de inrichting of tot de directe verkoop ter plaatse aan de verbruiker;
i. artikel 10 van toepassing verklaren op slachthuizen en uitsnijderijen in andere gevallen dan bedoeld onder h .;
j. afwijkende regelen stellen met betrekking tot bijlage I , hoofdstuk II , punt 14 , onder c , tweede, derde en vierde streepje, hoofdstuk VIII, punt 42A, onder 2, en hoofdstuk IX, punt 46, onder d ;
k. bijzondere erkenningsvoorwaarden stellen voor inrichtingen die in groothandelsmarkten zijn gelegen;
l. regels vaststellen met betrekking tot bijstand aan veterinaire deskundigen van de Commissie van de Europese Gemeenschap.
Artikel 12a
Onze Minister kan met betrekking tot artikel 9, vijfde lid, onder b, regels stellen omtrent de aard en de frequentie van de daar bedoelde controles, alsmede omtrent de methoden van monsterneming en het bacteriologische onderzoek, indien het betreft het opvangen en behandelen van bloed bestemd voor menselijke consumptie.
Artikel 13
Voor de toepassing van dit besluit wordt een ter uitvoering van artikel 10 van de richtlijn door een andere lid-staat van de Europese Gemeenschappen of van de Europese Ruimte erkende inrichting gelijkgesteld met een inrichting, erkend overeenkomstig artikel 9 van dit besluit.
Artikel 13a
Terzake van de controle alsmede keuring verricht door de keuringsdierenarts, als bedoeld in punt 48 van bijlage I , hoofdstuk X , is de eigenaar, het hoofd of de bestuurder van een uitsnijderij, koel- of vrieshuis een vergoeding verschuldigd overeenkomstig een door Onze Minister vastgesteld tarief.
Artikel 14
Het Besluit van 13 maart 1985 ( Stb. 217), ex artikel 1, tweede lid van de Vleeskeuringswet wordt ingetrokken.
Artikel 15
Het Besluit van 22 juni 1920 ( Stb. 314) tot uitvoering van artikel 25, tweede lid van de Vleeskeuringswet wordt ingetrokken.
Artikel 16
Het Besluit bijzondere slachtplaatsen wordt ingetrokken.
Artikel 17
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 18
Het Besluit van 26 november 1957 ( Stb. 513), tot uitvoering van artikel 2, eerste lid, onder a en b , van de Vleeskeuringswet wordt ingetrokken.
Artikel 19
Het Besluit van 14 februari 1958 ( Stb. 92), tot uitvoering van artikel 2, tweede lid, van de Vleeskeuringswet wordt ingetrokken.
Artikel 20
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 21
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
1.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
2.
In afwijking van het eerste lid treedt dit besluit voor inrichtingen waaraan door Onze Minister, op de voet van richtlijn nr. 91/498/EEG of op voet van richtlijn nr. 92/120/EEG, een afwijking is toegestaan van de in de punten 1 tot en met 14, onderscheidenlijk 16 en 17 van bijlage I bij de in artikel 1, eerste lid, onder e, bedoelde richtlijn, voor wat betreft die punten in werking met ingang van 1 januari 1996. Vlees, onderscheidenlijk vlees van gekweekt grof wild, afkomstig uit in dit lid bedoelde inrichtingen wordt voorzien van een door Onze minister vast te stellen stempel.
3.
Wijziging van een of meer onderdelen van richtlijnen waarnaar in dit besluit wordt verwezen, treedt voor de toepassing van de artikelen van dit besluit, waarin naar die onderdelen van deze richtlijnen wordt verwezen, in werking met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.
Artikel 23
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit produktie en handel vers vlees.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende bijlagen en nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 7 december 1993
De Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,
Uitgegeven de dertiende januari 1994
De Minister van Justitie,