Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | Vacatures | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
» Energiewijzer « advertorial
Bespaar geld en stap over!
Energiewijzer.nl, eerlijk over energie.

Juridische vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Powered by Jbmatch.nl

Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemeen
+ Hoofdstuk 2. Indicatiestelling
+ Hoofdstuk 3. Indicatiecriteria
+ Hoofdstuk 4. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken

Besluit leerlinggebonden financiering

Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Let op. Deze wet is vervallen op 1 augustus 2014. U leest nu de tekst die gold op 31 juli 2014.
Besluit van 26 februari 2003, houdende de vaststelling van onder meer de voorschriften voor inrichting van de commissie voor de indicatiestelling en de landelijke commissie toezicht indicatiestelling (Besluit leerlinggebonden financiering)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, drs. K. Y. I. J. Adelmund, van 19 april 2002, nr. WJZ/2002/15492 (2539), directie Wetgeving en Juridische Zaken;
Gelet op artikel 2, vijfde lid, artikel 28b, tweede lid en zevende lid, artikel 28c, tweede lid, artikel 28e, eerste lid en vierde lid, en artikel 40a, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra;
De Raad van State gehoord (advies van 9 juli 2002, nr. W05.02.0182/III);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, van 20 februari 2003, nr. WJZ/2003/1872(2539), directie Wetgeving en Juridische Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1. Begripsbepalingen
In dit besluit wordt verstaan onder:
Onze minister: Onze minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
wet: Wet op de expertisecentra ;
cluster: een cluster als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de wet;
commissie voor de indicatiestelling: een commissie als bedoeld in artikel 28b, zesde lid, onder a, van de wet;
Regionaal expertisecentrum: een expertisecentrum als bedoeld in artikel 28b, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra;
DSM-IV: het classificatiesysteem voor psychische stoornissen volgens Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, 4th Edition (American Psychiatric Association, 1997);
ICD-10: het classificatiesysteem voor psychische stoornissen volgens International Classification of Diseases; classificatie van ziekten en met gezondheid verbandhoudende problemen; 10 e revisie (World Health Organisation, Genève, 1992);
Cochleair implantaat: een electronische prothese die het buiten-, midden- en binnenoor overbrugt. Het zet geluid om in electrische pulsen die de gehoorzenuw stimuleren;
Jeugd-GGZ: de geestelijke gezondheidszorg voor kinderen en jeugdigen, is onderdeel van de jeugdzorg;
onderwijskundig rapport: onderwijskundig rapport als bedoeld in artikel 43 van de wet en de artikelen 42 en 43 van de Wet op het primair onderwijs;
LG: lichamelijk gehandicapte kinderen voor wie vaststaat dat zij overwegend op een orthopedagogische en orthodidactische benadering aangewezen zijn;
LZK: langdurig somatisch zieke kinderen voor wie vaststaat dat zij overwegend op een orthopedagogische en orthodidactische benadering aangewezen zijn;
ZMLK: zeer moeilijk lerende kinderen voor wie vaststaat dat zij overwegend op een orthopedagogische en orthodidactische benadering aangewezen zijn.
1.
De gebieden, bedoeld in artikel 28b, tweede lid, van de wet zijn de in bijlage A van dit besluit opgenomen gebieden.
2.
Bij wijziging van een of meer gemeentenamen als gevolg van een herindeling op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet algemene regels herindeling die de indeling in gebieden, bedoeld in het eerste lid, niet wijzigt, treedt de naam van de nieuwe gemeente dan wel treden de namen van de nieuwe gemeenten op de datum van de herindeling in de plaats van de betreffende, in bijlage A van dit besluit opgenomen naam dan wel namen.
3.
Indien op grond van artikel 158, eerste lid, van de Gemeentewet de naam van een gemeente wordt gewijzigd, treedt de gewijzigde naam op het moment van de naamswijziging in de plaats van de in bijlage A van dit besluit opgenomen oorspronkelijke naam.
Artikel 3. Combinatie van handicaps
Het onderwijs aan meervoudig gehandicapte kinderen bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder n, van de wet bestaat uit:
a. ten aanzien van cluster 1:
het onderwijs aan visueel gehandicapte kinderen die tevens zeer moeilijk lerend zijn;
b. ten aanzien van cluster 2:
1°. het onderwijs aan dove kinderen die tevens zeer moeilijk lerend zijn,
2°. het onderwijs aan slechthorende kinderen die tevens zeer moeilijk lerend zijn, en
3°. het onderwijs aan doofblinde kinderen; en
c. ten aanzien van cluster 3:
het onderwijs aan lichamelijk gehandicapte kinderen die tevens zeer moeilijk lerend zijn.
1.
De commissie voor de indicatiestelling bestaat uit:
a. een voorzitter die tevens lid is van de commissie, en
b. vier of meer andere leden.
2.
Tot de commissie voor de indicatiestelling behoren de volgende deskundigen: een onderwijsdeskundige, een als diagnosticus gekwalificeerd gedragswetenschapper, een jeugdarts of andere arts, en een maatschappelijk werker of voor zover het cluster 2 betreft, een logopedist.
3.
De commissie voor de indicatiestelling die een verzoek beoordeelt als bedoeld in artikel 28c, eerste lid, aanhef, of tweede lid, derde volzin, van de wet, artikel 70b van de Wet op het primair onderwijs en artikel 77b van de Wet op het voortgezet onderwijs, is samengesteld uit de voorzitter en vier andere leden. Het tweede lid is van toepassing.
4.
Indien dat in een uitzonderlijk geval in het belang van een goede beoordeling noodzakelijk is, kan de commissie in haar samenstelling, bedoeld in het derde lid, met een of meer daartoe deskundigen worden uitgebreid.
5.
De leden van de commissie voor de indicatiestelling vervullen geen nevenbetrekking of nevenwerkzaamheden die schadelijk zijn voor de vervulling van de functie van lid van de commissie en zij verrichten hun werkzaamheden zonder last of ruggespraak.
1.
De gegevens en verklaringen die bij het aanmeldingsformulier, bedoeld in artikel 28c, vierde lid, van de wet, worden gevoegd zijn de toepasselijke onderzoeksgegevens en het onderwijskundig rapport, bedoeld in de afzonderlijke artikelen 13 tot en met 23.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing voor zover de ouders van een leerling toestemming geven aan de commissie voor de indicatiestelling of de instantie binnen het regionaal expertisecentrum die de ouders bij de aanmelding begeleidt de gegevens en verklaringen, bedoeld in het eerste lid, op te vragen bij degene die het onderzoek heeft verricht of het rapport heeft opgesteld.
1.
Het aantal schooljaren waarop het oordeel van de commissie voor de indicatiestelling, bedoeld in artikel 28c, tweede lid, eerste volzin, van de wet betrekking heeft, is
a. indien het betreft de toelaatbaarheid tot het speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs aan:
1°. dove kinderen: 4 schooljaren;
2°. slechthorende kinderen: 3 schooljaren;
3°. kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden die niet tevens behoren tot de onder 1° of onder 2° bedoelde kinderen: 3 schooljaren;
4°. lichamelijk gehandicapte kinderen: 3 schooljaren;
5°. langdurig zieke kinderen met een lichamelijke handicap: 3 schooljaren;
6°. langdurig zieke kinderen anders dan met een lichamelijke handicap: 3 schooljaren;
7°. zeer moeilijk lerende kinderen: 4 schooljaren;
8°. meervoudig gehandicapte kinderen: 4 schooljaren, en
b. indien het betreft de toelaatbaarheid tot cluster 4: 3 schooljaren voor alle tot cluster 4 behorende onderwijssoorten.
2.
Indien het de toelaatbaarheid van een kind met het syndroom van Down betreft voor de onderwijssoort zeer moeilijk lerende kinderen, ziet het oordeel van de commissie voor de indicatiestelling in afwijking van het eerste lid op de schooljaren waarvoor het kind ingeschreven staat bij een school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van de wet en artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs, en op de studiejaren waarvoor het betreffende kind deelnemer is als bedoeld in artikel 2.2.5 van de Wet educatie en beroepsonderwijs.
3.
Indien het de toelaatbaarheid van een jongere afkomstig uit een justitiële jeugdinrichting betreft en deze jongere toelaatbaar is op grond van artikel 23, derde lid, ziet het oordeel van de commissie voor de indicatiestelling in afwijking van het eerste lid op een periode van één schooljaar aansluitend op de periode dat deze jongere in een justitiële jeugdinrichting heeft gezeten. Indien het oordeel in de loop van een schooljaar wordt gegeven, wordt de periode tot de eerste dag van het eerstvolgende schooljaar toegevoegd aan de in de eerste volzin bedoelde periode.
Artikel 12. Leerlinggebonden budget en toelaatbaarheid
Een leerling komt in aanmerking voor een leerlinggebonden budget en is toelaatbaar tot een van de onderwijssoorten in cluster 2 of 3, dan wel tot cluster 4, in de zin van artikel 28c, eerste lid, van de wet indien wordt voldaan aan de criteria, bedoeld in de artikelen 15 tot en met 23.
Artikel 13. Beperkingen in de onderwijsparticipatie
Een leerling heeft een beperking in de mogelijkheid tot participatie in het onderwijs wanneer in die gevallen dat er sprake is van:
a. een leerachterstand in het basis onderwijs en bij instroom in de eerste klas van het voortgezet onderwijs, blijkend uit resultaten in het onderwijskundig rapport, zodanig dat de prestaties van de leerling in het basisonderwijs en bij instroom in het voortgezet onderwijs in vergelijking met de prestaties van leerlingen van de overeenkomstige didactische leeftijdsgroep, behoren tot de 10 procent zwakst presterende leerlingen op twee van de drie volgende terreinen:
1°. voor groep 1 en 2 voorbereidend lezen, spellen en rekenen;
2°. voor groep 3 tot en met groep 8 rekenen, technisch lezen of spellen, en begrijpend lezen; en
3°. bij de instroom in het voortgezet onderwijs rekenen, technisch lezen of spellen, en begrijpend lezen,
b. een zeer geringe communicatieve redzaamheid bij de leerling die voor cluster 2 wordt aangemeld, die op basis van een logopedisch of een psychodiagnostisch onderzoek is vastgesteld en blijkt uit resultaten in het onderwijskundig rapport indien de leerling naar school gaat, zodanig dat de leerling een zeer beperkt vermogen heeft om wederkerig te communiceren met behulp van woord en gebaar en dit beperkte vermogen zich manifesteert in gesprekken in diverse situaties vanaf de periode dat de leerling leerde spreken en niet is te verklaren uit de ontwikkelingscontext van de leerling,
c. een zeer geringe sociale redzaamheid bij de leerling met een IQ tussen 54 en 70 die voor ZMLK onderwijs wordt aangemeld. De mate van sociale redzaamheid wordt vastgesteld op basis van een psychodiagnostisch onderzoek met onderzoeksgegevens, waaruit blijkt dat de leerling een zeer ernstige ontwikkelingsachterstand heeft op het gebied van sociale redzaamheid, en niet zelfstandig op een reguliere school kan functioneren,
d. een zeer geringe zelfredzaamheid bij de leerling die voor cluster 3 LG/LZK wordt aangemeld, die op basis van medisch of psychodiagnostisch onderzoek is vastgesteld, waarbij de leerling ook met gebruikmaking van technische hulpmiddelen afhankelijk is van een ander voor de algemene dagelijkse levensverrichtingen of de voor het onderwijs voorwaardelijke, fijnmotorische en motorische activiteiten en handelingen,
e. structureel schoolverzuim bij de leerling die voor cluster 3 LG/LZK wordt aangemeld, blijkend uit het onderwijskundig rapport met een verzuimregistratie van het afgelopen jaar of een behandelschema van zorgverleners, waarbij de leerling 25 procent van de verplichte onderwijstijd verzuimt als gevolg van de stoornis of in verband met de benodigde zorg terzake van de stoornis,
f. ontbrekende leervoorwaarden of leerachterstand bij leerlingen met een IQ tussen 54 en 70 die voor ZMLK worden aangemeld:
1°. voor kinderen tot en met 7 jaar het ontbreken van algemene leervoorwaarden, blijkend uit ernstige tekortkomingen in eigenschappen die noodzakelijk zijn om deel te kunnen nemen aan regulier onderwijs: voor de leerling die nog niet naar school gaat of voor de leerling uit groep 1 en 2, voor deze laatste blijkend uit gegevens van het onderwijskundig rapport, zodanig dat sprake is van ernstige tekortkomingen op het gebied van het leer- en taakgedrag, zoals werkhouding, taakgerichtheid, aandacht en motivatie, waarbij uit rapportages blijkt dat de leerling gedurende een jaar zeer geringe vooruitgang heeft geboekt;
2°. voor kinderen van 8 tot 12 jaar een zeer geringe vooruitgang gedurende een jaar op de gebieden van aanvankelijk lezen, spellen en rekenen die blijkt uit een didactisch toetsoverzicht van tenminste een jaar met ruwe toetsscores; of
3°. voor leerlingen van 12 jaar en ouder schoolvorderingen die niet verder gaan dan beheersing van de leerstof tot en met eind groep 3,
g. het ontbreken van algemene voorwaarden wat betreft het leer- of werkgedrag van de leerling blijkend uit gegevens van een psychodiagnostisch onderzoek niet ouder dan een jaar en uit het onderwijskundig rapport zodanig dat er sprake is van:
1°. ernstige tekortkomingen in verband met het gedrag op het gebied van het leer- en taakgedrag zoals werkhouding, taakgerichtheid, aandacht en motivatie;
2°. ernstige problemen in de interactie met het onderwijsgevend personeel; of
3°. ernstig storend gedrag in het onderwijsleerproces van medeleerlingen, waarbij de genoemde problemen manifest zijn gedurende ten minste een half jaar, zich niet beperken tot een bepaalde situatie en weinig of niet worden beïnvloed door op de problemen gerichte aanpak en afspraken, of
h. extreem agressief gedrag of extreem impulsief gedrag bij de leerling die voor cluster 4 wordt aangemeld, waarbij op basis van psychodiagnostisch onderzoek blijkt dat de leerling een gevaar voor zichzelf of voor anderen is of extreem fysiek of extreem verbaal agressief gedrag vertoont, waarbij dit gedrag zich niet beperkt tot een bepaalde situatie en weinig of niet wordt beïnvloed door op de problemen gerichte aanpak en afspraken.
1.
Onder zorg als bedoeld in de artikelen 16, 17, 19, 20, 21, 23 en 27 wordt de extra zorg verstaan die is geboden of zal kunnen worden geboden door de reguliere school en door het samenwerkingsverband waarvan deze school deel uitmaakt, om het onderwijs aan te passen aan de onderwijsbeperking van de leerling, bedoeld in artikel 13, die samenhangt met de handicap of de stoornis van de leerling.
2.
De zorg, bedoeld in het eerste lid, wordt beschreven in het onderwijskundig rapport. Indien deze zorg na een half jaar onvoldoende effect heeft gehad of zal kunnen hebben, wordt in het onderwijskundig rapport tevens beschreven:
a. de evaluatie waar dit uit blijkt, of
b. indien de leerling nog geen school bezoekt, de gegevens van de zorginstantie waar dit uit blijkt.
3.
Onder ondersteuning als bedoeld in de artikelen 16, 17, 19, 20, 21 en 23 wordt verstaan: de ondersteuning van zorg- of hulpverleningsinstanties, die redelijkerwijs voor de desbetreffende stoornis beschikbaar is.
1.
Een leerling is toelaatbaar tot het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs aan dove kinderen, indien op basis van audiologisch onderzoek, zo nodig aangevuld met logopedisch onderzoek of een onderzoek van de behandelend arts, gericht op de vraag of de leerling dooffunctionerend is, is vastgesteld:
a. een gehoorstoornis van 80 decibel of meer bij het beste oor zonder gehoortoestel, of
b. een gehoorstoornis tussen 70 decibel en 80 decibel bij het beste oor zonder gehoortoestel waarbij de leerling kennelijk dooffunctionerend is.
2.
Een leerling met een cochleair implantaat is toelaatbaar tot het onderwijs, bedoeld in het eerste lid, indien is vastgesteld:
a. dat de leerling, met gebruikmaking van het cochleair implantaat dat ten minste twee jaar eerder is aangebracht, kennelijk dooffunctionerend is; en
b. dat er sprake is van een zeer geringe verbale communicatieve redzaamheid, zodanig dat bij de leerling betekenisverlening aan geluid niet of nauwelijks tot stand komt en dat de leerling niet of nauwelijks in staat is om door middel van gesproken taal te reageren.
3.
De vaststelling op grond van het tweede lid, onderdelen a en b, geschiedt op basis van een audiologisch onderzoek aangevuld met een logopedisch onderzoek of een door een gedragsdeskundige gemaakte beschrijving van de wijze waarop de leerling het cochleair implantaat gebruikt.
1.
Een leerling is toelaatbaar tot het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs aan slechthorende kinderen, indien:
a. op basis van audiologisch onderzoek een gehoorstoornis, niet zijnde een gehoorstoornis als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel b, is vastgesteld tussen 35 decibel en 80 decibel bij het beste oor zonder gehoortoestel;
b. sprake is van een beperking in de onderwijsparticipatie die blijkt uit:
1°. een leerachterstand als bedoeld in artikel 13, onder a; of
2°. een zeer geringe communicatieve redzaamheid als bedoeld in artikel 13, onder b; en
c. de zorg onvoldoende effect heeft gesorteerd of zal kunnen sorteren, en de ondersteuning deelname aan het regulier onderwijs niet mogelijk maakt.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een leerling met een cochleair implantaat dat ten minste 2 jaar eerder is aangebracht met dien verstande dat:
a. het audiologische onderzoek is aangevuld met een logopedisch onderzoek of met een door een gedragsdeskundige gemaakte beschrijving van de wijze waarop de leerling het cochleair implantaat gebruikt; en
b. de leerling wat betreft de communicatie is aangewezen op het gesproken Nederlands aangevuld met gebaren.
3.
Een leerling van 12 jaar of ouder is tevens toelaatbaar tot het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs aan slechthorende kinderen, indien:
a. op basis van logopedisch en psychodiagnostisch onderzoek gericht op het communicatief en cognitief functioneren, zo nodig aangevuld met audiologisch onderzoek, is vastgesteld:
1°. spraak- of taalstoornissen, die niet toe te schrijven zijn aan een beperkt niveau van cognitief functioneren, op het gebied van spraakproblematiek, problemen in de auditieve verwerking, grammaticale problematiek, of lexicaal-semantische problematiek, bij welke stoornissen uit tests voor tenminste twee van de vier genoemde gebieden een afwijking naar beneden in spraak-taalontwikkeling van meer dan anderhalve standaarddeviatie blijkt; of
2°. een algemene spraak of taalstoornis die niet toe te schrijven is aan een beperkt niveau van cognitief functioneren, op het gehele gebied van spraak of taalstoornissen, namelijk spraakproblematiek, problemen in de auditieve verwerking, grammaticale problematiek en lexicaal-semantische problematiek, bij welke stoornis uit de totaalscore op algemene tests voor spraak-taalproblematiek een afwijking naar beneden in spraak-taalontwikkeling van meer dan twee standaarddeviaties blijkt,
b. sprake is van een beperking als bedoeld in het eerste lid, onder b, en
c. gerichte spraak- of taaltherapie van een half jaar geen vooruitgang heeft opgeleverd, ofwel een ernstige stoornis, die indien van toepassing volgens het classificatiesysteem DSM-IV of ICD-10 is vastgesteld en de beperking, bedoeld in het eerste lid, onder b, negatief beïnvloedt,
d. de zorg onvoldoende effect heeft gesorteerd of zal kunnen sorteren, en de ondersteuning deelname aan het regulier onderwijs niet mogelijk maakt.
4.
Een leerling van 12 jaar of ouder is tevens toelaatbaar tot het onderwijs, bedoeld in het eerste lid, aanhef, indien:
a. een stoornis uit het autismespectrum is vastgesteld volgens het classificatiesysteem DSM IV waarbij de verbale communicatieve beperking op de voorgrond staat, blijkend uit onderzoeksgegevens die wijzen op ernstige achterstand in lexicaal-semantische kennisontwikkeling of pragmatiek,
b. sprake is van een beperking als bedoeld in het eerste lid, onder b, en
c. de zorg onvoldoende effect heeft gesorteerd of zal kunnen sorteren, en de ondersteuning deelname aan het regulier onderwijs niet mogelijk maakt.
1.
Een leerling is toelaatbaar tot het speciaal onderwijs aan kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden, indien:
a. op basis van logopedisch en psychodiagnostisch onderzoek gericht op het communicatief en cognitief functioneren, zo nodig aangevuld met audiologisch onderzoek, is vastgesteld:
1°. spraak- of taalstoornissen, die niet toe te schrijven zijn aan een beperkt niveau van cognitief functioneren, op het gebied van spraakproblematiek, problemen in de auditieve verwerking, grammaticale problematiek, of lexicaal-semantische problematiek, bij welke stoornissen uit tests voor tenminste twee van de vier genoemde gebieden een afwijking naar beneden in spraak-taalontwikkeling van meer dan anderhalve standaarddeviatie blijkt; of
2°. een algemene spraak-taalstoornis die niet toe te schrijven is aan een beperkt niveau van cognitief functioneren, op het gehele gebied van spraakproblematiek, problemen in de auditieve verwerking, grammaticale problematiek, of lexicaal-semantische problematiek, bij welke stoornis uit de totaalscore op algemene tests voor spraak-taalproblematiek deviatie naar beneden in spraak-taalontwikkeling van meer dan twee standaarddeviaties blijkt,
b. gerichte spraak- of taaltherapie van een half jaar geen vooruitgang heeft opgeleverd, ofwel een ernstige stoornis, die indien van toepassing volgens het classificatiesysteem DSM-IV of ICD-10 is vastgesteld en de beperking, bedoeld onder c, negatief beïnvloedt,
c. sprake is van een beperking in de onderwijsparticipatie die blijkt uit:
1°. een leerachterstand als bedoeld in artikel 13, onder a; of
2°. een zeer geringe communicatieve redzaamheid als bedoeld in artikel 13, onder b, en
d. de zorg onvoldoende effect heeft gesorteerd of zal kunnen sorteren, en de ondersteuning deelname aan het regulier onderwijs niet mogelijk maakt.
2.
Een leerling is tevens toelaatbaar tot het onderwijs, bedoeld in het eerste lid, aanhef, indien:
a. een stoornis uit het autismespectrum is vastgesteld volgens de classificatiesysteem DSM-IV, waarbij de verbale communicatieve beperking op de voorgrond staat, blijkend uit onderzoeksgegevens die wijzen op ernstige achterstand in lexicaal-semantische kennisontwikkeling of pragmatiek,
b. de zorg onvoldoende effect heeft gesorteerd of zal kunnen sorteren, en de ondersteuning als deelname aan het regulier onderwijs niet mogelijk maakt, en
c. sprake is van een beperking als bedoeld in het eerste lid, onder b.
1.
Een leerling is toelaatbaar tot het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs aan meervoudig gehandicapte dove kinderen binnen cluster 2, indien:
a. op basis van audiologisch onderzoek is vastgesteld een gehoorstoornis van meer dan 70 decibel bij het beste oor zonder gehoortoestel, en
b. op basis van psychodiagnostisch onderzoek dat individueel is afgenomen en rekening houdt met de kenmerken van de leerling, is vastgesteld een intelligentiequotiënt lager dan 70.
2.
Een leerling is toelaatbaar tot het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs aan meervoudig gehandicapte slechthorende kinderen binnen cluster 2, indien:
a. op basis van audiologisch onderzoek is vastgesteld een gehoorstoornis tussen 35 decibel en 71 decibel bij het beste oor zonder gehoortoestel, en
b. wordt voldaan aan het eerste lid, onder b.
3.
Bij leerlingen met een cochleair implantaat wordt het gehoor twee jaar na operatie vastgesteld met gebruik van het cochleair implantaat.
1.
Een leerling is toelaatbaar tot het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs aan doofblinde kinderen, indien deze leerling geen diepe of ernstige stoornis in de intellectuele ontwikkeling als bedoeld in artikel 22, eerste lid, heeft, waarbij rekening is gehouden met leerlingkenmerken en:
a. op basis van multidisciplinair onderzoek is vastgesteld dat deze leerling:
1°. een gehoorstoornis heeft van 35 decibel of meer bij het beste oor zonder gehoortoestel of indien van toepassing met gebruik van het cochleair implantaat; en
2°. een visuele beperking heeft van ten minste 0.3 gezichtsscherpte of een diameter gezichtsveld heeft van minder dan 30 graden gemeten bij het beste oog, waarbij het gezichtsvermogen gecorrigeerd is;
b. op basis van medisch onderzoek een syndroom bij deze leerling is vastgesteld dat:
1°. bekend is met gehoorverlies en verlies van het gezichtsvermogen al dan niet progressief; en
2°. leidt tot een ernstige beperking om deel te nemen aan het onderwijs; of
c. op basis van medisch onderzoek een syndroom of een neurologisch deficit bij deze leerling is vastgesteld dat leidt tot een beperking in de onderwijsparticipatie en waardoor op neurologische basis:
1°. problemen aan het gezichtsvermogen ontstaan; en
2°. gehoorproblemen ontstaan; of
3°. ernstige problemen in de auditieve en visuele verwerking.
2.
Van een multidisciplinair onderzoek als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is sprake, indien naast een psychologisch of orthopedagogisch onderzoek in ieder geval is uitgevoerd:
a. een audiologisch onderzoek;
b. een visueel onderzoek; en
c. een medisch onderzoek naar neurologische stoornissen.
1.
Een leerling is toelaatbaar tot het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs aan zeer moeilijk lerende kinderen, indien op basis van psychodiagnostisch onderzoek dat individueel is afgenomen en rekening houdt met de kenmerken van de leerling, is vastgesteld een intelligentiequotiënt lager dan 55, niet zijnde een diepe of ernstige stoornis als bedoeld in artikel 22, eerste lid.
2.
Een leerling is tevens toelaatbaar tot het onderwijs, bedoeld in het eerste lid, indien:
a. op basis van psychodiagnostisch onderzoek dat individueel is afgenomen en rekening houdt met de kenmerken van de leerling, een intelligentiequotiënt tussen 54 en 70 is vastgesteld,
b. sprake is van een beperking in de onderwijsparticipatie die blijkt uit:
1°. een leerachterstand of het ontbreken van algemene leervoorwaarden als bedoeld in artikel 13, onder f; en
2°. een zeer geringe sociale redzaamheid als bedoeld in artikel 13, onder c,
c. voor leerlingen tot en met 7 jaar een stoornis is vastgesteld, indien van toepassing volgens het classificatiesysteem DSM-IV of ICD-10, die de beperking, bedoeld onder b, ernstig negatief beïnvloedt, en
d. de zorg onvoldoende effect heeft gesorteerd of zal kunnen sorteren, en de ondersteuning deelname aan het regulier onderwijs niet mogelijk maakt.
3.
Een leerling is tevens toelaatbaar tot het onderwijs, bedoeld in het eerste lid, indien uit een verklaring van een arts blijkt dat er bij de leerling sprake is van het syndroom van Down.
Artikel 20. Indicatiecriteria lichamelijk gehandicapte kinderen
Een leerling is toelaatbaar tot het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs aan lichamelijk gehandicapte kinderen, indien:
a. op basis van medisch en psychodiagnostisch onderzoek zijn vastgesteld een of meer stoornissen in structuur of in functie die gepaard gaan met stoornissen in de motorische functies en die leiden tot een ernstige belemmering om aan onderwijs deel te nemen,
b. sprake is van een beperking in de onderwijsparticipatie die blijkt uit:
1°. een leerachterstand als bedoeld in artikel 13, onder a;
2°. structureel schoolverzuim als bedoeld in artikel 13, onder e; of
3°. een zeer geringe zelfredzaamheid als bedoeld in artikel 13, onder d; en
c. de zorg onvoldoende effect heeft gesorteerd of zal kunnen sorteren, en de ondersteuning deelname aan het regulier onderwijs niet mogelijk maakt.
Artikel 21. Indicatiecriteria langdurig zieke kinderen met een lichamelijke handicap
Een leerling is toelaatbaar tot het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs aan langdurig zieke kinderen met een lichamelijke handicap indien:
a. op basis van psychodiagnostisch en medisch onderzoek is vastgesteld:
1°. een chronische somatische stoornis;
2°. een chronische centrale of chronische perifere neurologische stoornis; of
3°. een chronische psychosomatische stoornis; die niet in hoofdzaak leiden tot een stoornis in motorische functies maar wel leiden tot een ernstige belemmering om aan onderwijs deel te nemen,
b. sprake is van een beperking in de onderwijsparticipatie die blijkt uit:
1°. een leerachterstand als bedoeld in artikel 13, onder a;
2°. structureel schoolverzuim als bedoeld in artikel 13, onder e; of
3°. een zeer geringe zelfredzaamheid als bedoeld in artikel 13, onder d, en
c. de zorg onvoldoende effect heeft gesorteerd of zal kunnen sorteren, en de ondersteuning deelname aan het regulier onderwijs niet mogelijk maakt.
1.
Een leerling is toelaatbaar tot het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs aan meervoudig gehandicapte kinderen binnen cluster 3, indien op basis van psychodiagnostisch onderzoek is vastgesteld een diepe stoornis in de intellectuele ontwikkeling, of een ernstige stoornis in de intellectuele ontwikkeling met bijbehorend zeer beperkt gedragsrepertoire en bijkomende medische of gedragsproblematiek.
2.
Een leerling is tevens toelaatbaar tot het onderwijs, bedoeld in het eerste lid, indien:
a. de leerling voldoet aan de criteria, bedoeld in artikel 19, eerste lid, of artikel 19, tweede lid, onder a,
b. de leerling tevens voldoet aan de criteria, bedoeld in artikel 20, onder a, en
c. de leerling voldoet aan de criteria, bedoeld in artikel 20, onder b, tweede of derde graad.
1.
Een leerling is toelaatbaar tot cluster 4 indien:
a. op basis van psychodiagnostisch of psychiatrisch onderzoek eventueel in combinatie met andere onderzoekgegevens over de mate waarin de problematiek een integraal karakter heeft, is vastgesteld een ernstige psychische stoornis of een ontwikkelingspsychopathologie volgens het classificatiesysteem DSM-IV of ICD-10, voor zover het betreft:
1°. een emotionele stoornis;
2°. een gedragsstoornis; of
3°. een ontwikkelingsstoornis,
b. de stoornis, bedoeld onder a, zich manifesteert op school, en thuis of tijdens vrijetijdsbesteding waarbij gerichte hulpverlening is verleend of wordt verleend door een voorziening als Jeugdhulpverlening, Jeugd-GGZ of hulp door een kinderpsychiatrische voorziening of Jeugdbescherming,
c. sprake is van een beperking in de onderwijsparticipatie die blijkt uit twee in dit onderdeel bedoelde subonderdelen:
1°. leerachterstanden als bedoeld in artikel 13, onder a, die niet toe te schrijven zijn aan een beperkt niveau van cognitief functioneren;
2°. ernstige tekortkomingen in verband met het gedrag als bedoeld in artikel 13, onder g, sub 1°;
3°. ernstige problemen in de interactie met het onderwijzend personeel als bedoeld in artikel 13, onder g, sub 2°;
4°. ernstig storend gedrag in het onderwijsleerproces van medeleerlingen als bedoeld in artikel 13, onder g, sub 3°; of
5°. extreem agressief gedrag of extreem impulsief gedrag als bedoeld in artikel 13, onder h, en
d. de zorg onvoldoende effect heeft gesorteerd of zal kunnen sorteren, en de ondersteuning deelname aan het regulier onderwijs niet mogelijk maakt.
2.
Een leerling is tevens toelaatbaar tot cluster 4, indien:
a. er sprake is van ernstige gedragsproblemen, die zich manifesteren op school en thuis of tijdens vrijetijdsbesteding, waarvoor gerichte geïndiceerde hulpverlening is verleend of wordt verleend door een voorziening als Jeugdhulpverlening, Jeugd-GGZ, of hulp van een kinderpsychiatrische voorziening of Jeugdbescherming, waarbij uit de resultaten blijkt dat na een half jaar weinig tot geen vooruitgang is geboekt,
b. sprake is van een beperking in de onderwijsparticipatie die blijkt uit twee in dit onderdeel bedoelde subonderdelen:
1°. leerachterstanden als bedoeld in artikel 13, onder a, die niet toe te schrijven zijn aan een beperkt niveau van cognitief functioneren;
2°. ernstige tekortkomingen in verband met het gedrag als bedoeld in artikel 13, onder g, sub 1°;
3°. ernstige problemen in de interactie met het onderwijzend personeel als bedoeld in artikel 13, onder g, sub 2°;
4°. ernstig storend gedrag in het onderwijsleerproces van medeleerlingen als bedoeld in artikel 13, onder g, sub 3°; of
5°. extreem agressief gedrag of extreem impulsief gedrag als bedoeld in artikel 13, onder h, en
c. de zorg onvoldoende effect heeft gesorteerd of zal kunnen sorteren, en de ondersteuning deelname aan het regulier onderwijs niet mogelijk maakt.
3.
Een jongere afkomstig uit een justitiële jeugdinrichting is toelaatbaar tot cluster 4, indien de ouders het bewijs van inschrijving bij de school in de justitiële jeugdinrichting overleggen aan de commissie voor de indicatiestelling.
1.
Indien een leerling op grond van de artikelen 15 tot en met 17, en 19 tot en met 23 toelaatbaar zou zijn tot meer dan één onderwijssoort of toelaatbaar zou zijn tot zowel een onderwijssoort als tot cluster 4 dan geldt het volgende:
a. indien het in ieder geval betreft onderwijs aan dove kinderen, dan wel het onderwijs aan slechthorende kinderen: dan wordt de leerling toelaatbaar verklaard tot het onderwijs aan dove, respectievelijk het onderwijs aan slechthorende kinderen,
b. indien het in ieder geval betreft onderwijs aan doofblinde kinderen: dan wordt de leerling toelaatbaar verklaard tot het onderwijs aan doofblinde kinderen,
c. indien het in ieder geval betreft onderwijs aan zeer moeilijk lerende kinderen: dan wordt de leerling toelaatbaar verklaard tot het onderwijs aan zeer moeilijk lerende kinderen,
d. indien het in ieder geval cluster 4 betreft: dan wordt de leerling toelaatbaar verklaard tot cluster 4.
2.
Bij indicaties anders dan bedoeld in het eerste lid, beoordeelt de commissie voor de indicatiestelling op basis van de handicaps of de leerling toelaatbaar is tot een van de onderwijssoorten of tot cluster 4.
1.
Een leerling bij wie een stoornis is vastgesteld die gepaard gaat met een structurele beperking in de onderwijsparticipatie die niet leidt tot toelaatbaarheid op grond van de artikelen 15 tot en met 23, is eveneens toelaatbaar tot een van de onderwijssoorten in cluster 2 of 3, dan wel tot cluster 4 indien de ernst van de stoornis en de beperking in de onderwijsparticipatie vergelijkbaar zijn met die van de op grond van artikel 15 tot en met 23 toelaatbare leerlingen. De aard van de stoornis(sen) en de aard van de beperking in de onderwijsparticipatie zijn in dat geval bepalend voor de onderwijssoort waarvoor de leerling toelaatbaar is.
2.
Een leerling bij wie een progressieve stoornis is vastgesteld die niet leidt tot toelaatbaarheid op grond van de artikelen 15 tot en met 23, is toelaatbaar tot een van de onderwijssoorten in cluster 2 of 3, dan wel tot cluster 4 indien zich als gevolg van die stoornis, een structurele beperking in de onderwijsparticipatie als bedoeld in artikel 13, zal voordoen binnen zes tot twaalf maanden na indiening van het verzoek, bedoeld in artikel 28c, eerste lid, aanhef, van de wet. De progressieve stoornis is in dat geval bepalend voor de onderwijssoort waartoe de leerling toelaatbaar is.
1.
Voor het vaststellen van de stoornissen en beperkingen genoemd in de artikelen 14 tot en met 22 worden betrouwbare onderzoeksgegevens gebruikt. Wanneer het een diagnose betreft die een aantal symptomen samenvat, dan is voor de indicatiestelling een heldere omschrijving nodig van de aard van de problemen, de mate waarin de leerling beperkt wordt bij het volgen van onderwijs en die waar van toepassing geclassificeerd zijn op basis van de classificatiesystemen DSM-IV of ICD-10.
2.
De onderzoeksgegevens bedoeld in het eerste lid zijn betrouwbaar indien:
a. het onderzoek is uitgevoerd door een daartoe bevoegde deskundige;
b. het onderzoek is uitgevoerd met een door de beroepsgroep als geschikt aangemerkt onderzoeksinstrumentarium;
c. gegevens bij indiening van het verzoek op grond van artikel 28c, eerste lid, van de wet niet ouder zijn dan een jaar, of in geval van psychiatrisch of psychodiagnostisch onderzoek twee jaar, tenzij het gegevens betreft over evident stabiele leerlingkenmerken, en
d. gegevens in het onderwijskundig rapport van de school waar een leerling staat ingeschreven zo recent mogelijk zijn, maar niet ouder dan zes maanden.
3.
Waar mogelijk worden reeds beschikbare onderzoeksgegevens, bedoeld in het eerste lid, gebruikt uit de gezondheidszorg, jeugdzorg, justitie, de zorgstructuur van het regulier onderwijs of de schoolbegeleiding.
1.
Bij een beoordeling van leerlingen op basis van artikel 28c, tweede lid, derde volzin, kunnen stoornissen als bedoeld in deze regeling worden aangetoond aan de hand van onderzoek dat tot een voorgaande indicatiestelling heeft geleid indien sprake is van een evident stabiel kindkenmerk. Die onderzoeksgegevens worden aangevuld met een recente beschrijving van de aard en de ernst van de stoornis door een deskundig lid van de commissie voor de begeleiding en een onderbouwing dat het om een evident stabiel kindkenmerk gaat.
2.
Bij een beoordeling van leerlingen door de commissie voor indicatiestelling als bedoeld in artikel V, tweede lid, van de Wet van 28 november 2002 tot wijziging van de Wet op de expertisecentra, de Wet op het primair onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de invoering van een leerlinggebonden financiering en de invoering van regionale expertisecentra (Stb. 2002, 631), kunnen stoornissen als bedoeld in deze regeling worden aangetoond met een recente beschrijving van de aard en de ernst van de stoornis door een deskundig lid van de commissie voor de begeleiding en een onderbouwing dat het om een evident stabiel kindkenmerk gaat. Een afschrift van het toelatingsbesluit dat opgesteld is bij eerste toelating van de leerling wordt aan deze beoordeling bijgevoegd. Voor leerlingen die voor 1 augustus 2003 ambulante begeleiding ontvingen zijn de eerste twee volzinnen van overeenkomstige toepassing.
3.
De verklaring waaruit een beperking in de onderwijsparticipatie blijkt als bedoeld in artikel 13, en waaruit blijkt dat de zorg ontoereikend is, kan in de gevallen, bedoeld in het eerste en tweede lid, bestaan uit de evaluatie van het handelingsplan zoals bedoeld in artikel 41a van de wet samen met het rapport waarin de commissie voor de begeleiding of de reguliere school met de ambulant begeleider de beperking in de onderwijsparticipatie vaststelt en de zorg die de leerling nodig heeft om aan onderwijs deel te kunnen nemen beschrijft.
Artikel 28. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Laatstbedoeld besluit wordt niet genomen voordat vier weken zijn verstreken nadat het onderhavige besluit is overgelegd aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, en evenmin indien binnen die termijn door of namens de Tweede Kamer de wens te kennen wordt gegeven dat het in dit besluit geregelde onderwerp bij wet wordt geregeld.
Artikel 29. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit leerlinggebonden financiering.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 26 februari 2003
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
Uitgegeven de achttiende maart 2003
De Minister van Justitie,