Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | Vacatures | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
» Energiewijzer « advertorial
Bespaar geld en stap over!
Energiewijzer.nl, eerlijk over energie.

Juridische vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Powered by Jbmatch.nl

Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Markttoegang
+ Hoofdstuk 3. Bestuur, inrichting en bedrijfsuitoefening
- Hoofdstuk 4. Financiële waarborgen
+ Hoofdstuk 5. Boekhouding en rapportage
+ Hoofdstuk 6. Bepalingen betreffende specifieke categorieën financiële ondernemingen
+ Hoofdstuk 7. Zorgvuldige dienstverlening
+ Hoofdstuk 8. Effectenverkeer
+ Hoofdstuk 9. Bestuurlijke boete
+ Hoofdstuk 10. Bijzondere prudentiële maatregelen verzekeraars
+ Hoofdstuk 11. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht

Besluit financiële markten BES

Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
1.
Het minimumbedrag aan eigen vermogen bedraagt:
a. voor een kredietinstelling, niet zijnde een kredietinstelling als bedoeld in de onderdelen b tot en met d: USD 2.750.000;
b. voor een kredietinstelling die voornamelijk is gespecialiseerd in het verstrekken van hypotheken: USD 1.650.000;
c. voor een kredietinstelling die voornamelijk zijn fondsen aantrekt bij wijze van spaardeposito’s: USD 558.000;
d. voor een kredietvereniging: USD 25.000.
2.
Het minimumbedrag aan eigen vermogen van een kredietinstelling wordt gevormd door de waarde van de vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 4:5, tweede lid. Deze vermogensbestanddelen, alsmede de waarden die tegenover die vermogensbestanddelen staan, staan onmiddellijk en zonder beperkingen ter beschikking van de kredietinstelling.
1.
De solvabiliteit, bedoeld in artikel 3:17, eerste lid, van de wet, is voldoende, indien het in aanmerking te nemen toetsingsvermogen, bedoeld in artikel 4:4, eerste lid, ten minste gelijk is aan de minimumomvang van het toetsingsvermogen berekend overeenkomstig de artikelen 4:8 tot en met 4:18.
2.
De solvabiliteit van een kredietvereniging is voldoende, indien het in aanmerking te nemen toetsingsvermogen, bedoeld in artikel 4:4, tweede lid, ten minste gelijk is aan vijf procent van de totale activa, met uitzondering van de liquide middelen en de vaste activa, van de kredietvereniging.
3.
Onverminderd het eerste en tweede lid is de solvabiliteit van een kredietinstelling ten minste gelijk aan het in artikel 4:2, eerste lid, voorgeschreven minimumbedrag aan eigen vermogen.
1.
Het toetsingsvermogen van een kredietinstelling, niet zijnde een kredietvereniging, wordt gevormd door de som van het in aanmerking te nemen kernkapitaal en aanvullend kapitaal, met inachtneming van artikel 4:7.
2.
Het toetsingsvermogen van een kredietvereniging wordt gevormd door de som van de ingehouden winsten, overige reserves en algemene voorzieningen.
3.
De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot het tweede lid.
1.
Het kernkapitaal wordt gevormd door de waarde van de vermogensbestanddelen, bedoeld in het tweede lid, verminderd met de waarde van de posten bedoeld in het derde lid.
2.
De voor de bepaling van het kernkapitaal in aanmerking te nemen vermogensbestanddelen zijn:
a. het geplaatste en volgestorte aandelenkapitaal;
b. agioreserve;
c. overige reserves;
d. ingehouden winst;
e. minderheidsbelangen;
f. voorzieningen ter dekking van algemene risico’s;
g. andere door de Nederlandsche Bank toegestane vermogensbestanddelen.
3.
De voor de bepaling van het kernkapitaal in aanmerking te nemen posten zijn:
a. immateriële activa;
b. goodwill;
c. niet erkende latente belastingvorderingen;
d. vijftig procent van de waarde van de volgende deelnemingen:
1°. significante minderheidsdeelnemingen in kredietinstellingen en andere financiële ondernemingen, niet zijnde verzekeraars;
2°. wederzijdse deelnemingen in andere kredietinstellingen die een geflatteerd beeld beogen te geven van de vermogenspositie;
3°. deelnemingen in verzekeraars;
4°. deelnemingen in overige ondernemingen.
4.
De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot de berekening van de in het tweede en derde lid genoemde vermogensbestanddelen en posten.
1.
Het aanvullend kapitaal wordt gevormd door de waarde van:
a. herwaarderingsreserves;
b. wettelijke reserves;
c. achtergestelde schuldinstrumenten en preferente aandelen met vaste looptijd.
2.
Het in aanmerking te nemen aanvullend kapitaal bedraagt de som van de in het eerste lid bedoelde vermogensbestanddelen, verminderd met vijftig procent van de waarde van de in artikel 4:5, derde lid, onderdeel d, bedoelde deelnemingen.
3.
De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot de berekening van de in het eerste lid genoemde waarden.
a. wordt het kernkapitaal volledig in aanmerking genomen voor de berekening van het toetsingsvermogen;
b. wordt het aanvullend kapitaal voor de berekening van het toetsingsvermogen slechts in aanmerking genomen, voor zover het niet meer bedraagt dan het kernkapitaal;
c. worden de achtergestelde schuldinstrumenten en preferente aandelen met vaste looptijd tot een maximum van vijftig procent van het kernkapitaal in aanmerking genomen;
d. wordt per post rekening gehouden met het voorzienbare bedrag van de daarover verschuldigde belastingen.
Artikel 4:8. (minimumomvang toetsingsvermogen)
De minimumomvang van het toetsingsvermogen van een kredietinstelling is gelijk aan de som van:
a. acht procent van de som van de ingevolge artikel 4:9 of 4:11 te berekenen bedragen van de naar risico gewogen activa en posten buiten de balanstelling voor de kredietrisico’s;
b. het ingevolge artikel 4:14 te berekenen bedrag voor het marktrisico;
c. het ingevolge de artikelen 4:15 tot en met 4:18 te berekenen bedrag voor het operationeel risico.
1.
Het bedrag van een naar risico gewogen actief of post als bedoeld in artikel 4:8, onderdeel a, is gelijk aan zijn vorderingswaarde, vermenigvuldigd met het ingevolge het tweede lid, onderdeel a, aan het actief of de post buiten de balanstelling toegekende risicogewicht.
2.
De Nederlandsche Bank stelt regels met betrekking tot:
a. de indeling van de activa en posten buiten de balansteling in categorieën naar gelang de wederpartij en de aan die categorieën toe te kennen risicogewichten met inachtneming van artikel 4:10;
b. de berekening van de vorderingswaarde van een actief of post buiten de balansteling.
1.
Bij de toekenning van een risicogewicht aan een categorie activa of posten buiten de balanstelling kan een kredietinstelling een kredietbeoordeling van een ingevolge artikel 4:13 door de Nederlandsche Bank erkend kredietbeoordelingbureau op een consistente wijze gebruiken. Onder een kredietbeoordeling wordt verstaan de taxatie van de kans op wanbetaling en de mate van wanbetaling door een bepaalde debiteur op al zijn verplichtingen of een deel van zijn verplichtingen.
2.
De Nederlandsche Bank stelt nadere regels met betrekking tot het gebruik van een kredietbeoordeling als bedoeld in het eerste lid.
3.
Een kredietinstelling gebruikt slechts gevraagde kredietbeoordelingen.
4.
De Nederlandsche Bank kan, in afwijking van het derde lid, op verzoek van de kredietinstelling toestemming verlenen om ongevraagde kredietbeoordelingen te gebruiken.
1.
De Nederlandsche Bank kan een kredietinstelling op verzoek toestemming verlenen om de bedragen van haar naar risico gewogen activa of posten buiten de balanstelling in afwijking van artikel 4:9 te berekenen volgens een interne modellenmethode, waarbij gebruik wordt gemaakt van eigen ramingen van de kans dat een wederpartij over een periode van een jaar in gebreke blijft, en van de verhouding tussen het verwachte economisch verlies op een vordering als gevolg van wanbetaling, met inachtneming van de tijdwaarde van geld, en het naar verwachting uitstaande bedrag bij wanbetaling.
2.
De gehanteerde interne modellen voor het beheer en de beoordeling van kredietrisico’s worden zorgvuldig toegepast. De Nederlandsche Bank kan regels stellen met betrekking tot deze interne modellen.
1.
Een kredietinstelling kan kredietrisicovermindering in aanmerking nemen, mits zij gebruik maakt van een door de Nederlandsche Bank toegestane techniek ter beperking van het kredietrisico dat verbonden is aan de activa en posten buiten de balanstelling, en zij voldoet aan de in voorkomend geval ingevolge het tweede lid gestelde regels.
2.
De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot de voorwaarden waaronder onder het eerste lid genoemde technieken van kredietrisicovermindering toelaatbaar zijn, en de beperking van de aan kredietrisicovermindering verbonden risico’s.
1.
De Nederlandsche Bank erkent op aanvraag, al dan niet voor bepaalde tijd, een kredietbeoordelingbureau, indien het voldoet aan door de Nederlandsche Bank gestelde criteria.
2.
De Nederlandsche Bank kan een procedure vaststellen voor de erkenning, bedoeld in het eerste lid, en maakt deze bekend.
3.
Indien een kredietbeoordelingbureau niet meer voldoet aan de criteria, bedoeld in het eerste lid, kan de Nederlandsche Bank de erkenning intrekken.
1.
Een kredietinstelling berekent het bedrag van de vereiste solvabiliteit voor het marktrisico, bedoeld in artikel 4:8, onderdeel b, conform de door de Nederlandsche Bank gestelde regels. De Nederlandsche Bank stelt regels met betrekking tot de berekening van de omvang van het marktrisico ten opzichte van het totale bedrijf en de grondslagen van die berekening.
2.
Het is een kredietinstelling toegestaan het bedrag van de vereiste solvabiliteit voor het marktrisico te berekenen overeenkomstig de in artikel 4:9 gestelde regels, indien het totale solvabiliteitsvereiste voor het marktrisico niet meer bedraagt dan vijf procent van het laatst berekende toetsingsvermogen.
3.
Een kredietinstelling die het tweede lid toepast, geeft hiervan kennis aan de Nederlandsche Bank met een door deze na overleg met de kredietinstelling te bepalen frequentie. Een overschrijding van de limiet, bedoeld in het tweede lid, meldt de kredietinstelling onverwijld aan de Nederlandsche Bank.
1.
Een kredietinstelling maakt gebruik van de basisindicatorbenadering voor de berekening van het bedrag van de met betrekking tot het totale bedrijf vereiste solvabiliteit ter dekking van het operationeel risico, bedoeld in artikel 4:8, onderdeel c.
2.
De Nederlandsche Bank stelt regels met betrekking tot de basisindicatorbenadering en de berekening van de vereiste solvabiliteit ter dekking van het operationeel risico volgens die benadering.
1.
In afwijking van artikel 4:15 kan een kredietinstelling gebruik maken van de standaardbenadering voor de berekening van het bedrag van de vereiste solvabiliteit ter dekking van het operationeel risico, bedoeld in artikel 4:8, onderdeel c.
2.
De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot de voorwaarden waaronder toepassing van de standaardbenadering is toegestaan en met betrekking tot de berekening van de vereiste solvabiliteit ter dekking van het operationeel risico volgens die benadering.
1.
De Nederlandsche Bank kan een kredietinstelling op verzoek toestemming verlenen om gebruik te maken van een alternatieve standaardbenadering voor de berekening van de vereiste solvabiliteit ter dekking van het operationeel risico.
2.
De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot de voorwaarden waaronder toepassing van de alternatieve standaardbenadering is toegestaan en met betrekking tot de berekening van de vereiste solvabiliteit ter dekking van het operationeel risico volgens die benadering.
1.
Het is een kredietinstelling die eenmaal de standaardbenadering, bedoeld in artikel 4:16 gebruikt, niet toegestaan daarna alsnog de basisindicatorbenadering te gebruiken.
2.
De Nederlandsche Bank kan een kredietinstelling op verzoek toestemming verlenen om de standaardbenadering in combinatie met de basisindicatorbenadering toe te passen, indien de kredietinstelling de standaardbenadering implementeert overeenkomstig een met de Nederlandsche Bank overeengekomen tijdschema.
1.
De waarde van de balansposten en posten buiten de balanstelling, bedoeld in artikel 3:17, vijfde lid, van de wet bedraagt voor een kredietinstelling ten aanzien van een wederpartij of groep van verbonden wederpartijen niet meer dan vijfentwintig procent van haar toetsingsvermogen.
2.
De totale waarde van de grote posities van een kredietinstelling bedraagt niet meer dan zeshonderd procent van haar toetsingsvermogen.
3.
De Nederlandsche Bank kan, op verzoek, besluiten dat het een kredietinstelling voor een beperkte duur is toegestaan het in het eerste of tweede lid bedoelde percentage te overschrijden. De Nederlandsche Bank stelt regels met betrekking tot de voorwaarden waaronder zij een overschrijding toestaat.