Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | Vacatures | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
» Energiewijzer « advertorial
Bespaar geld en stap over!
Energiewijzer.nl, eerlijk over energie.

Juridische vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Powered by Jbmatch.nl

Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Markttoegang
+ Hoofdstuk 3. Bestuur, inrichting en bedrijfsuitoefening
- Hoofdstuk 4. Financiële waarborgen
+ Hoofdstuk 5. Boekhouding en rapportage
+ Hoofdstuk 6. Bepalingen betreffende specifieke categorieën financiële ondernemingen
+ Hoofdstuk 7. Zorgvuldige dienstverlening
+ Hoofdstuk 8. Effectenverkeer
+ Hoofdstuk 9. Bestuurlijke boete
+ Hoofdstuk 10. Bijzondere prudentiële maatregelen verzekeraars
+ Hoofdstuk 11. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht

Besluit financiële markten BES

Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
1.
Dit paragrafen 2 tot en met 5 zijn niet van toepassing op financiële ondernemingen, beheerders en bewaarders met zetel in het buitenland die in de staat van zetel onder prudentieel toezicht staan.
2.
Een financiële onderneming, beheerder of bewaarder als bedoeld in het eerste lid voldoet aan de in de staat van zetel op haar van toepassing zijnde eisen met betrekking tot eigen vermogen, solvabiliteit, liquiditeit en technische voorzieningen.
1.
Het minimumbedrag aan eigen vermogen bedraagt:
a. voor een kredietinstelling, niet zijnde een kredietinstelling als bedoeld in de onderdelen b tot en met d: USD 2.750.000;
b. voor een kredietinstelling die voornamelijk is gespecialiseerd in het verstrekken van hypotheken: USD 1.650.000;
c. voor een kredietinstelling die voornamelijk zijn fondsen aantrekt bij wijze van spaardeposito’s: USD 558.000;
d. voor een kredietvereniging: USD 25.000.
2.
Het minimumbedrag aan eigen vermogen van een kredietinstelling wordt gevormd door de waarde van de vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 4:5, tweede lid. Deze vermogensbestanddelen, alsmede de waarden die tegenover die vermogensbestanddelen staan, staan onmiddellijk en zonder beperkingen ter beschikking van de kredietinstelling.
1.
De solvabiliteit, bedoeld in artikel 3:17, eerste lid, van de wet, is voldoende, indien het in aanmerking te nemen toetsingsvermogen, bedoeld in artikel 4:4, eerste lid, ten minste gelijk is aan de minimumomvang van het toetsingsvermogen berekend overeenkomstig de artikelen 4:8 tot en met 4:18.
2.
De solvabiliteit van een kredietvereniging is voldoende, indien het in aanmerking te nemen toetsingsvermogen, bedoeld in artikel 4:4, tweede lid, ten minste gelijk is aan vijf procent van de totale activa, met uitzondering van de liquide middelen en de vaste activa, van de kredietvereniging.
3.
Onverminderd het eerste en tweede lid is de solvabiliteit van een kredietinstelling ten minste gelijk aan het in artikel 4:2, eerste lid, voorgeschreven minimumbedrag aan eigen vermogen.
1.
Het toetsingsvermogen van een kredietinstelling, niet zijnde een kredietvereniging, wordt gevormd door de som van het in aanmerking te nemen kernkapitaal en aanvullend kapitaal, met inachtneming van artikel 4:7.
2.
Het toetsingsvermogen van een kredietvereniging wordt gevormd door de som van de ingehouden winsten, overige reserves en algemene voorzieningen.
3.
De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot het tweede lid.
1.
Het kernkapitaal wordt gevormd door de waarde van de vermogensbestanddelen, bedoeld in het tweede lid, verminderd met de waarde van de posten bedoeld in het derde lid.
2.
De voor de bepaling van het kernkapitaal in aanmerking te nemen vermogensbestanddelen zijn:
a. het geplaatste en volgestorte aandelenkapitaal;
b. agioreserve;
c. overige reserves;
d. ingehouden winst;
e. minderheidsbelangen;
f. voorzieningen ter dekking van algemene risico’s;
g. andere door de Nederlandsche Bank toegestane vermogensbestanddelen.
3.
De voor de bepaling van het kernkapitaal in aanmerking te nemen posten zijn:
a. immateriële activa;
b. goodwill;
c. niet erkende latente belastingvorderingen;
d. vijftig procent van de waarde van de volgende deelnemingen:
1°. significante minderheidsdeelnemingen in kredietinstellingen en andere financiële ondernemingen, niet zijnde verzekeraars;
2°. wederzijdse deelnemingen in andere kredietinstellingen die een geflatteerd beeld beogen te geven van de vermogenspositie;
3°. deelnemingen in verzekeraars;
4°. deelnemingen in overige ondernemingen.
4.
De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot de berekening van de in het tweede en derde lid genoemde vermogensbestanddelen en posten.
1.
Het aanvullend kapitaal wordt gevormd door de waarde van:
a. herwaarderingsreserves;
b. wettelijke reserves;
c. achtergestelde schuldinstrumenten en preferente aandelen met vaste looptijd.
2.
Het in aanmerking te nemen aanvullend kapitaal bedraagt de som van de in het eerste lid bedoelde vermogensbestanddelen, verminderd met vijftig procent van de waarde van de in artikel 4:5, derde lid, onderdeel d, bedoelde deelnemingen.
3.
De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot de berekening van de in het eerste lid genoemde waarden.
a. wordt het kernkapitaal volledig in aanmerking genomen voor de berekening van het toetsingsvermogen;
b. wordt het aanvullend kapitaal voor de berekening van het toetsingsvermogen slechts in aanmerking genomen, voor zover het niet meer bedraagt dan het kernkapitaal;
c. worden de achtergestelde schuldinstrumenten en preferente aandelen met vaste looptijd tot een maximum van vijftig procent van het kernkapitaal in aanmerking genomen;
d. wordt per post rekening gehouden met het voorzienbare bedrag van de daarover verschuldigde belastingen.
Artikel 4:8. (minimumomvang toetsingsvermogen)
De minimumomvang van het toetsingsvermogen van een kredietinstelling is gelijk aan de som van:
a. acht procent van de som van de ingevolge artikel 4:9 of 4:11 te berekenen bedragen van de naar risico gewogen activa en posten buiten de balanstelling voor de kredietrisico’s;
b. het ingevolge artikel 4:14 te berekenen bedrag voor het marktrisico;
c. het ingevolge de artikelen 4:15 tot en met 4:18 te berekenen bedrag voor het operationeel risico.
1.
Het bedrag van een naar risico gewogen actief of post als bedoeld in artikel 4:8, onderdeel a, is gelijk aan zijn vorderingswaarde, vermenigvuldigd met het ingevolge het tweede lid, onderdeel a, aan het actief of de post buiten de balanstelling toegekende risicogewicht.
2.
De Nederlandsche Bank stelt regels met betrekking tot:
a. de indeling van de activa en posten buiten de balansteling in categorieën naar gelang de wederpartij en de aan die categorieën toe te kennen risicogewichten met inachtneming van artikel 4:10;
b. de berekening van de vorderingswaarde van een actief of post buiten de balansteling.
1.
Bij de toekenning van een risicogewicht aan een categorie activa of posten buiten de balanstelling kan een kredietinstelling een kredietbeoordeling van een ingevolge artikel 4:13 door de Nederlandsche Bank erkend kredietbeoordelingbureau op een consistente wijze gebruiken. Onder een kredietbeoordeling wordt verstaan de taxatie van de kans op wanbetaling en de mate van wanbetaling door een bepaalde debiteur op al zijn verplichtingen of een deel van zijn verplichtingen.
2.
De Nederlandsche Bank stelt nadere regels met betrekking tot het gebruik van een kredietbeoordeling als bedoeld in het eerste lid.
3.
Een kredietinstelling gebruikt slechts gevraagde kredietbeoordelingen.
4.
De Nederlandsche Bank kan, in afwijking van het derde lid, op verzoek van de kredietinstelling toestemming verlenen om ongevraagde kredietbeoordelingen te gebruiken.
1.
De Nederlandsche Bank kan een kredietinstelling op verzoek toestemming verlenen om de bedragen van haar naar risico gewogen activa of posten buiten de balanstelling in afwijking van artikel 4:9 te berekenen volgens een interne modellenmethode, waarbij gebruik wordt gemaakt van eigen ramingen van de kans dat een wederpartij over een periode van een jaar in gebreke blijft, en van de verhouding tussen het verwachte economisch verlies op een vordering als gevolg van wanbetaling, met inachtneming van de tijdwaarde van geld, en het naar verwachting uitstaande bedrag bij wanbetaling.
2.
De gehanteerde interne modellen voor het beheer en de beoordeling van kredietrisico’s worden zorgvuldig toegepast. De Nederlandsche Bank kan regels stellen met betrekking tot deze interne modellen.
1.
Een kredietinstelling kan kredietrisicovermindering in aanmerking nemen, mits zij gebruik maakt van een door de Nederlandsche Bank toegestane techniek ter beperking van het kredietrisico dat verbonden is aan de activa en posten buiten de balanstelling, en zij voldoet aan de in voorkomend geval ingevolge het tweede lid gestelde regels.
2.
De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot de voorwaarden waaronder onder het eerste lid genoemde technieken van kredietrisicovermindering toelaatbaar zijn, en de beperking van de aan kredietrisicovermindering verbonden risico’s.
1.
De Nederlandsche Bank erkent op aanvraag, al dan niet voor bepaalde tijd, een kredietbeoordelingbureau, indien het voldoet aan door de Nederlandsche Bank gestelde criteria.
2.
De Nederlandsche Bank kan een procedure vaststellen voor de erkenning, bedoeld in het eerste lid, en maakt deze bekend.
3.
Indien een kredietbeoordelingbureau niet meer voldoet aan de criteria, bedoeld in het eerste lid, kan de Nederlandsche Bank de erkenning intrekken.
1.
Een kredietinstelling berekent het bedrag van de vereiste solvabiliteit voor het marktrisico, bedoeld in artikel 4:8, onderdeel b, conform de door de Nederlandsche Bank gestelde regels. De Nederlandsche Bank stelt regels met betrekking tot de berekening van de omvang van het marktrisico ten opzichte van het totale bedrijf en de grondslagen van die berekening.
2.
Het is een kredietinstelling toegestaan het bedrag van de vereiste solvabiliteit voor het marktrisico te berekenen overeenkomstig de in artikel 4:9 gestelde regels, indien het totale solvabiliteitsvereiste voor het marktrisico niet meer bedraagt dan vijf procent van het laatst berekende toetsingsvermogen.
3.
Een kredietinstelling die het tweede lid toepast, geeft hiervan kennis aan de Nederlandsche Bank met een door deze na overleg met de kredietinstelling te bepalen frequentie. Een overschrijding van de limiet, bedoeld in het tweede lid, meldt de kredietinstelling onverwijld aan de Nederlandsche Bank.
1.
Een kredietinstelling maakt gebruik van de basisindicatorbenadering voor de berekening van het bedrag van de met betrekking tot het totale bedrijf vereiste solvabiliteit ter dekking van het operationeel risico, bedoeld in artikel 4:8, onderdeel c.
2.
De Nederlandsche Bank stelt regels met betrekking tot de basisindicatorbenadering en de berekening van de vereiste solvabiliteit ter dekking van het operationeel risico volgens die benadering.
1.
In afwijking van artikel 4:15 kan een kredietinstelling gebruik maken van de standaardbenadering voor de berekening van het bedrag van de vereiste solvabiliteit ter dekking van het operationeel risico, bedoeld in artikel 4:8, onderdeel c.
2.
De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot de voorwaarden waaronder toepassing van de standaardbenadering is toegestaan en met betrekking tot de berekening van de vereiste solvabiliteit ter dekking van het operationeel risico volgens die benadering.
1.
De Nederlandsche Bank kan een kredietinstelling op verzoek toestemming verlenen om gebruik te maken van een alternatieve standaardbenadering voor de berekening van de vereiste solvabiliteit ter dekking van het operationeel risico.
2.
De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot de voorwaarden waaronder toepassing van de alternatieve standaardbenadering is toegestaan en met betrekking tot de berekening van de vereiste solvabiliteit ter dekking van het operationeel risico volgens die benadering.
1.
Het is een kredietinstelling die eenmaal de standaardbenadering, bedoeld in artikel 4:16 gebruikt, niet toegestaan daarna alsnog de basisindicatorbenadering te gebruiken.
2.
De Nederlandsche Bank kan een kredietinstelling op verzoek toestemming verlenen om de standaardbenadering in combinatie met de basisindicatorbenadering toe te passen, indien de kredietinstelling de standaardbenadering implementeert overeenkomstig een met de Nederlandsche Bank overeengekomen tijdschema.
1.
De waarde van de balansposten en posten buiten de balanstelling, bedoeld in artikel 3:17, vijfde lid, van de wet bedraagt voor een kredietinstelling ten aanzien van een wederpartij of groep van verbonden wederpartijen niet meer dan vijfentwintig procent van haar toetsingsvermogen.
2.
De totale waarde van de grote posities van een kredietinstelling bedraagt niet meer dan zeshonderd procent van haar toetsingsvermogen.
3.
De Nederlandsche Bank kan, op verzoek, besluiten dat het een kredietinstelling voor een beperkte duur is toegestaan het in het eerste of tweede lid bedoelde percentage te overschrijden. De Nederlandsche Bank stelt regels met betrekking tot de voorwaarden waaronder zij een overschrijding toestaat.
1.
Het minimumbedrag aan eigen vermogen, bedoeld in artikel 3:16, eerste lid, van de wet, bedraagt voor een beleggingsmaatschappij USD 279.000.
2.
Het minimumbedrag aan eigen vermogen van een beleggingsmaatschappij wordt gevormd door de waarde van de vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 4:5, tweede lid. Deze vermogensbestanddelen, alsmede de waarden die tegenover die vermogensbestanddelen staan, staan onmiddellijk en zonder beperkingen ter beschikking van de beleggingsmaatschappij. Artikel 4:5, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
1.
Het minimumbedrag aan eigen vermogen bedraagt voor een bemiddelaar in effecten of vermogensbeheerder USD 25.000.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op een bemiddelaar in effecten die uitsluitend orders van cliënten ontvangt en doorgeeft, mits die bemiddelaar beschikt over een beroepsaansprakelijkheidsverzekering die zijn aansprakelijkheid dekt wegens fouten, verzuimen of nalatigheden begaan in de uitoefening van zijn bedrijf. Artikel 4:47, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3.
Het minimumbedrag aan eigen vermogen van een bemiddelaar in effecten of een vermogensbeheerder wordt gevormd door de waarde van de volgende vermogensbestanddelen:
a. voor een naamloze of besloten vennootschap: het geplaatste en volgestorte aandelenkapitaal, met uitsluiting van cumulatief preferente aandelen en van preferente aandelen met een vaste looptijd;
b. voor een vennootschap onder firma: de afgezonderde gestorte vermogensbestanddelen van de beherende vennoten;
c. voor een commanditaire vennootschap: de afgezonderde gestorte vermogensbestanddelen van de beherende vennoten alsmede het gestorte commanditaire kapitaal;
d. voor een coöperatie: het door de leden gestorte of ingelegde kapitaal;
e. voor een onderneming die een andere rechtsvorm heeft dan de hierboven genoemde: het voordelige verschil tussen bezittingen en schulden;
f. andere door de Nederlandsche Bank toegestane vermogensbestanddelen.
4.
De in het derde lid genoemde vermogensbestanddelen, alsmede de waarden die tegenover die vermogensbestanddelen staan, staan onmiddellijk en zonder beperkingen ter beschikking van de bemiddelaar in effecten of vermogensbeheerder. Per afzonderlijke post wordt rekening gehouden met het voorzienbare bedrag van de daarover verschuldigde belastingen.
5.
De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot de berekening van de in het derde lid genoemde vermogensbestanddelen.
1.
Een bemiddelaar in effecten of vermogensbeheerder beschikt over een toetsingsvermogen dat ten minste gelijk is aan vijfentwintig procent van de door de Nederlandsche Bank vastgestelde vaste kosten in het afgelopen boekjaar. Indien de vermogensbeheerder of bemiddelaar in effecten haar werkzaamheden niet gedurende een volledig boekjaar heeft uitgeoefend, bedraagt de minimumomvang van het toetsingsvermogen vijfentwintig procent van de in haar programma van werkzaamheden begrote vaste kosten. De Nederlandsche Bank kan besluiten dat een hogere minimumomvang geldt, indien aannemelijk is dat de vaste kosten te laag zijn.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op bemiddelaars in effecten als bedoeld in artikel 4:21, tweede lid.
3.
Het in aanmerking te nemen toetsingsvermogen van een bemiddelaar in effecten of een vermogensbeheerder wordt gevormd door de waarde van de in artikel 4:21, derde lid, genoemde vermogensbestanddelen. Artikel 4:21, vierde lid is van overeenkomstige toepassing.
4.
Onverminderd het eerste lid, is het toetsingsvermogen ten minste gelijk aan het ingevolge artikel 4:21, eerste lid, voorgeschreven minimumbedrag.
1.
Het minimumbedrag aan eigen vermogen bedraagt voor een elektronischgeldinstelling USD 50.000.
2.
Het minimumbedrag aan eigen vermogen van een elektronischgeldinstelling wordt gevormd door de waarde van de vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 4:5, tweede lid. Deze vermogensbestanddelen alsmede de waarden die tegenover die vermogensbestanddelen staan, staan onmiddellijk en zonder beperkingen ter beschikking van de kredietinstelling. Per afzonderlijke post wordt rekening gehouden met het voorzienbare bedrag van de daarover verschuldigde belastingen.
1.
Een elektronischgeldinstelling beschikt over een toetsingsvermogen dat ten minste gelijk is aan twee procent van het lopende bedrag of het gemiddelde bedrag over de laatste zes maanden van haar totale financiële verplichtingen die met uitstaand elektronisch geld verband houden, naar gelang welk bedrag het hoogste is. Indien de elektronischgeldinstelling haar werkzaamheden niet gedurende zes maanden heeft uitgeoefend, bedraagt de minimumomvang van het toetsingsvermogen twee procent van het lopende bedrag of het blijkens haar programma van werkzaamheden op zes maanden nagestreefde bedrag van haar totale financiële verplichtingen die met uitstaand elektronisch geld verband houden, naar gelang welk bedrag het hoogste is. De Nederlandsche Bank kan, indien de vorige volzin van toepassing is en aannemelijk is dat het nagestreefde bedrag te laag is geschat, besluiten dat voor de elektronischgeldinstelling een hogere minimumomvang van het toetsingsvermogen geldt.
2.
Het in aanmerking te nemen toetsingsvermogen wordt gevormd door de waarde van de vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 4:5, tweede lid. Artikel 4:5, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3.
Onverminderd het eerste lid, is het toetsingsvermogen ten minste gelijk aan het in artikel 4:23, eerste lid, voorgeschreven minimumbedrag.
a. voor een levensverzekeraar: USD 223.000;
b. voor een natura-uitvaartverzekeraar: USD 25.000;
c. voor een schadeverzekeraar: USD 167.000.
1.
Een levensverzekeraar of een natura-uitvaartverzekeraar beschikt over een solvabiliteitsmarge die ten minste gelijk is aan vier procent van de technische voorzieningen, bedoeld in artikel 4:30, zonder rekening te houden met de herverzekering van deze verplichtingen.
2.
Een schadeverzekeraar beschikt over een solvabiliteitsmarge die ten minste gelijk is aan vijftien procent van de in het voorgaande boekjaar geboekte bruto premies.
3.
De berekening van het minimumbedrag van de solvabiliteitsmarge, bedoeld in het eerste en tweede lid, geschiedt aan de hand van een door de Nederlandsche Bank vastgesteld model.
1.
Het minimumbedrag van het garantiefonds en de solvabiliteitsmarge van een verzekeraar worden gevormd door de volgende vermogensbestanddelen:
a. het gestorte kapitaal of waarborgkapitaal vermeerderd met ledenrekeningen;
b. de wettelijke, statutaire en overige reserves;
c. de onverdeelde winst dan wel het verlies;
d. achtergestelde leningen en achtergestelde schuldinstrumenten;
e. andere door de Nederlandsche Bank toegestane vermogensbestanddelen.
2.
De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot de mate waarin en de voorwaarden waaronder de in het eerste lid genoemde vermogensbestanddelen worden meegerekend bij het bepalen van de solvabiliteitsmarge.
1.
Een beleggingsinstelling met zetel in een openbaar lichaam, waarvan in de openbare lichamen de rechten van deelneming op verzoek van de deelnemers ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald, beschikt over voldoende liquiditeit.
2.
De liquiditeit van een beleggingsinstelling is voldoende, indien de aanwezige liquiditeit, bedoeld in het vierde lid, ten minste gelijk is aan de vereiste liquiditeit, bedoeld in het derde lid.
3.
De vereiste liquiditeit van een beleggingsinstelling bedraagt tien procent van het beheerde vermogen. In afwijking van de eerste volzin kan, indien uit een overeengekomen ontbindings- of beëindigingsregeling vooraf bekend is voor welk bedrag op een bepaalde datum wordt ingekocht, worden volstaan met dat bedrag.
4.
De aanwezige liquiditeit van een beleggingsinstelling wordt berekend op basis van door de Nederlandsche Bank te stellen regels.
1.
De liquiditeit van een kredietinstelling is voldoende indien de aanwezige liquiditeit, bedoeld in het derde lid, ten minste gelijk is aan de vereiste liquiditeit, bedoeld in het tweede lid.
2.
De vereiste liquiditeit van een kredietinstelling bestaat uit de som van de gewogen uitstaande kasstromen op basis van de kalenderposten, vermeerderd met de niet in de vervalkalender opgenomen toevertrouwde middelen en overige posten die tot een betalingsverplichting kunnen leiden, gedurende de maandperiode. Onder kalenderposten wordt verstaan een actiefpost of passiefpost waarvan de kasinstromen respectievelijk kasuitstromen als gevolg van aflossing of rentebetalingen in de vervalkalender worden opgenomen.
3.
De aanwezige liquiditeit van een kredietinstelling wordt gevormd door de gewogen voorraadposten en de gewogen kasinstroom van de kalenderposten gedurende de maandperiode, alsmede de officiële standby-faciliteiten. Onder voorraadpost wordt verstaan de liquide activa die niet in de vervalkalender zijn opgenomen.
4.
De Nederlandsche Bank stelt nadere regels met betrekking tot het tweede en derde lid.
1.
De technische voorzieningen van een verzekeraar bestaan, telkens voor zover van toepassing, uit:
a. de voorziening voor niet-verdiende premies en de voorziening voor lopende risico’s, waaronder de catastrofevoorziening indien deze is getroffen;
b. de voorziening voor levensverzekering;
c. de voorziening voor te betalen schaden of voor te betalen uitkeringen;
d. de voorziening voor winstdeling en kortingen;
e. de voorziening voor latente winstdelingsverplichtingen;
f. de egalisatievoorziening, voor zover egalisatie van winsten en verliezen bij of krachtens de wet is toegestaan;
g. de overige technische voorzieningen.
2.
De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot de mate waarin technische voorzieningen moeten worden gevormd met betrekking tot verplichtingen en kosten en omtrent de indeling van de technische voorzieningen.
1.
De technische voorzieningen worden gewaardeerd op voor het verzekeringsbedrijf aanvaarde grondslagen. Bij de waardering van de technische voorzieningen wordt ervan uitgegaan dat de verzekeringsmaatschappij in staat moet zijn te voldoen aan haar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid voorzienbare verplichtingen uit verzekeringsovereenkomsten.
2.
De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot de voor de berekening van de technische voorzieningen te hanteren grondslagen.
Artikel 4:32. (afzonderlijke berekening technische voorzieningen)
De voorzieningen, bedoeld in artikel 4:30, onderdelen a tot en met c, worden zoveel mogelijk voor elke overeenkomst onderscheidenlijk elke schade afzonderlijk en op voorzichtige wijze bepaald. Het gebruik van statistische of wiskundige methoden is toegestaan, indien de aard van de overeenkomst dat toelaat, en deze methoden naar verwachting dezelfde resultaten opleveren als de afzonderlijke berekeningen.
Artikel 4:33. (voorziening voor niet-verdiende premies en lopende risico’s)
De voorziening voor niet-verdiende premies en lopende risico’s, bedoeld in artikel 4:30, onderdeel a, omvat onder meer:
a. de in het boekjaar ontvangen premies ter zake van risico’s die op het daarop volgende boekjaar of boekjaren betrekking hebben;
b. de schaden en kosten uit lopende overeenkomsten van verzekering die na afloop van het boekjaar kunnen ontstaan en die niet gedekt kunnen worden door de voorziening die betrekking heeft op de niet-verdiende premies tezamen met de in het daarop volgende boekjaar of boekjaren nog te ontvangen premies.
1.
De voorziening voor levensverzekering, bedoeld in artikel 4:30, onderdeel b, wordt berekend op basis van een voldoende voorzichtige prospectieve actuariële methode, rekening houdend met de in de toekomst te ontvangen premies en met alle toekomstige verplichtingen volgens de voor iedere lopende overeenkomst van verzekering gestelde voorwaarden, met inbegrip van:
a. alle gegarandeerde uitkeringen en gegarandeerde afkoopwaarden;
b. de winstdelingen waarop de verzekeringnemer, verzekerde of gerechtigde op uitkering collectief dan wel individueel recht heeft;
c. alle keuzemogelijkheden waarover de verzekeringnemer, verzekerde of gerechtigde op uitkering volgens de voorwaarden van de overeenkomst beschikt;
d. de bedrijfskosten, met inbegrip van provisies.
2.
In afwijking van het eerste lid kan een retrospectieve methode worden toegepast indien de op grond van die methode berekende voorzieningen niet lager zijn dan de voorzieningen bij toepassing van een prospectieve methode, of indien het gebruik van een prospectieve methode vanwege de aard van het betrokken type overeenkomst niet mogelijk is.
3.
De voorziening voor levensverzekering vermeldt afzonderlijk de technische voorzieningen voor verzekeringen waarbij de tot uitkering gerechtigde het beleggingsrisico draagt.
1.
De voorziening voor te betalen schaden of voor te betalen uitkeringen, bedoeld in artikel 4:30, onderdeel c, omvat het bedrag van de te verwachten schaden of uitkeringen, in aanmerking nemende:
a. de voor de balansdatum ontstane schaden of uitkeringen die zijn gemeld en nog niet zijn afgewikkeld, en de schaden of uitkeringen die nog niet zijn gemeld;
b. de kosten verband houdende met de afwikkeling van schaden of uitkeringen;
c. de in verband met schaden of uitkeringen te verwachten baten uit subrogatie en de verkrijging van de eigendom van verzekerde zaken.
2.
Discontering van de voorziening voor te betalen schaden of voor te betalen uitkeringen, anders dan periodiek te betalen schaden, is slechts toegestaan in door de Nederlandsche Bank te bepalen gevallen en onder door de Nederlandsche Bank te stellen voorwaarden.
3.
Indien de verplichtingen uit overeenkomsten van verzekering op het tijdstip van het opmaken van de jaarrekening redelijkerwijs niet te schatten zijn wegens het ontbreken van voldoende nauwkeurige gegevens met betrekking tot de over het tekenjaar te ontvangen premies of te betalen schaden en kosten van afwikkeling van de schade, kan de Nederlandsche Bank, onder door haar te stellen voorwaarden, een andere berekening van de voorziening voor te betalen schade of voor te betalen uitkeringen toestaan.
Artikel 4:36. (voorziening voor winstdeling en kortingen)
De voorziening voor winstdeling en kortingen, bedoeld in artikel 4:30, onderdeel d, omvat de bedragen die in de vorm van winstdeling bestemd zijn voor de verzekeringnemers, verzekerden of gerechtigden op uitkeringen, voor zover deze niet hebben geleid tot verhoging van de voorziening voor levensverzekering, alsmede de bedragen die een gedeeltelijke terugbetaling van premies op grond van het resultaat van de overeenkomsten vertegenwoordigen, voor zover deze niet tot verhoging van de ledenrekening hebben geleid.
1.
Een schadeverzekeraar die overeenkomsten van verzekering sluit ter dekking van schaden die het gevolg zijn van algemene insolventie, verleend exportkrediet, hypothecair krediet, landbouwkrediet en verkoop op afbetaling, houdt ter dekking van een tijdens het boekjaar ter zake geleden technisch verlies een egalisatievoorziening aan die wordt berekend overeenkomstig het tweede lid.
2.
Het minimumbedrag van de egalisatievoorziening bedraagt 134 procent van het gemiddelde van de tijdens de vijf voorgaande boekjaren jaarlijks geboekte premies na aftrek van de overdrachten uit hoofde van herverzekering. Aan deze voorziening wordt in elk boekjaar waarin ter zake een technisch overschot werd geboekt, vijfenzeventig procent van dit technisch overschot toegevoegd, totdat de voorziening ten minste gelijk is aan het in de vorige volzin genoemde minimum.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing als de ter zake jaarlijks geboekte premies minder dan vier procent van het totale bedrag aan jaarlijks geboekte premies belopen.
Artikel 4:38. (earmarking)
De waarden die dienen ter dekking van de technische voorzieningen, worden door de verzekeraar als zodanig geadministreerd. De Nederlandsche Bank kan tegen de aard en waardering van deze waarden bezwaar maken, aan welk bezwaar de verzekeraar dient tegemoet te komen.
1.
De waarden die dienen ter dekking van de technische voorzieningen, moeten in toereikende mate in dezelfde muntsoort kunnen worden geïnd of te gelde gemaakt als die waarin de verplichtingen luiden.
2.
De waarden die dienen ter dekking van de technische voorzieningen voor de vanuit de vestigingen in de openbare lichamen aangegane verplichtingen, zijn in de openbare lichamen, Curaçao of Sint Maarten aanwezig. Waarden die bestaan uit schuldvorderingen, zijn in de openbare lichamen, Curaçao of Sint Maarten aanwezig, indien zij aldaar kunnen worden geïnd.
Artikel 4:40. (prudent beleggingsbeleid)
De verzekeraar draagt er zorg voor dat de aard en waardering van de waarden die dienen ter dekking van de technische voorzieningen, in overeenstemming zijn met de aard onderscheidenlijk de waardering van de aangegane verplichtingen. Deze waarden worden adequaat gediversificeerd en gespreid. Waarden met een hoog risico worden tot een voorzichtig niveau beperkt en voorzichtig gewaardeerd.
Artikel 4:41. (beleggingsrisico voor verzekeringnemer)
De technische voorzieningen met betrekking tot uitkeringen die volgens de overeenkomst rechtstreeks gekoppeld zijn aan de waarde van een deelneming in een beleggingsinstelling, onderscheidenlijk aan een andere referentiewaarde, worden gedekt door deze rechten van deelneming, onderscheidenlijk door de eenheden die de referentiewaarde vertegenwoordigen, dan wel door activa die zo nauw mogelijk aansluiten bij die waarop de referentiewaarde is gebaseerd. Artikel 4:40 is niet van toepassing op de in de vorige volzin bedoelde technische voorzieningen.
1.
Een vordering op een herverzekeraar uit hoofde van een door een verzekeraar als verzekeringnemer gesloten overeenkomst van herverzekering komt in aanmerking als waarde ter dekking van de technische voorzieningen voor zover het naar het oordeel van de Nederlandsche Bank aannemelijk is dat de vordering in de openbare lichamen zal worden voldaan of dat de verzekeraar in het buitenland zijn uitkeringen aan verzekerden of gerechtigden op uitkeringen zal moeten voldoen.
2.
Het eerste lid is eveneens van toepassing op een toekomstige vordering op een herverzekeraar, mits de vordering betrekking heeft op een reeds bekende, maar nog niet afgewikkelde schade. Bij de berekening van de hoogte van de vordering worden de bedragen die de verzekeraar aan de herverzekeraar verschuldigd is, in mindering gebracht op het totale bedrag van de vordering.
3.
Ten aanzien van de in het eerste en tweede lid bedoelde waarden is artikel 4:39, tweede lid, niet van toepassing.
Artikel 4:43. (nadere regels)
De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen ter uitvoering van de artikelen 4:39 tot en met 4:42.
Artikel 4:44. (bemiddelaar in effecten en vermogensbeheerder)
De Autoriteit Financiële Markten kan nadere regels stellen met betrekking tot:
a. de maatregelen ter bescherming van de rechten van de cliënt en ter voorkoming van het gebruik van effecten of gelden van de cliënt, bedoeld in artikel 3:23, eerste lid van de wet;
b. de wijze waarop de instemming, bedoeld in artikel 3:23, vierde lid, van de wet, van de cliënt kan worden verkregen voor gebruik van diens effecten voor eigen rekening door de bemiddelaar in effecten of vermogensbeheerder.
Artikel 4:45. (elektronischgeldinstelling)
De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot de door elektronischgeldinstellingen te treffen maatregelen, bedoeld in artikel 3:23, derde lid, van de wet, teneinde de voor de uitgifte van elektronisch geld ontvangen middelen veilig te stellen.
Artikel 4:46. (trustkantoor)
Een trustkantoor draagt zorg voor een deugdelijke administratie, en heeft maatregelen getroffen om de rechten, met betrekking tot gelden of geldswaarden, van ondernemingen waaraan door het trustkantoor beheersdiensten zullen worden verleend, en van derden te beschermen. De maatregelen strekken in ieder geval tot een volledige scheiding tussen de vermogensbestanddelen van elk van die ondernemingen, iedere derde en van het trustkantoor.
1.
De beroepsaansprakelijkheidsverzekering, bedoeld in artikel 3:24 van de wet, dekt de aansprakelijkheid van de adviseur, bemiddelaar, niet zijnde een bemiddelaar in effecten, of gevolmachtigde agent wegens fouten, verzuimen of nalatigheden, begaan in de uitoefening van diens beroep.
2.
De beroepsaansprakelijkheidsverzekering wordt gesloten bij een verzekeraar die in de staat van zetel bevoegd is tot uitoefening van het desbetreffende verzekeringsbedrijf.
3.
De Autoriteit Financiële Markten kan nadere regels stellen met betrekking tot de hoogte van het verzekerd bedrag.
1.
Een kredietinstelling met zetel in de openbare lichamen die deel uitmaakt van een groep, dient de ingevolge artikel 3:45, vierde lid, van de wet vereiste rapportage eenmaal per jaar bij de Nederlandsche Bank in, tenzij de Nederlandsche Bank, indien de solvabiliteit door ontwikkelingen bij de kredietinstelling in gedrang is of zou kunnen komen, besluit dat er gerapporteerd wordt met een hogere frequentie.
2.
Onder significante intragroepsovereenkomsten en -posities worden verstaan overeenkomsten en posities die een door de Nederlandsche Bank vast te stellen drempel te boven gaan. De drempel is gerelateerd aan de vereiste solvabiliteit van de kredietinstelling.
3.
De Nederlandsche Bank stelt regels met betrekking tot de categorieën overeenkomsten en posities die in de rapportage worden betrokken en de rapportage.
1.
Een kredietinstelling als bedoeld in artikel 4:48, eerste lid, berekent onverminderd de artikelen 3:16 en 3:17 van de wet eenmaal per jaar haar solvabiliteit op basis van haar geconsolideerde financiële positie.
2.
De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot de berekening van de geconsolideerde financiële positie, bedoeld in het eerste lid.
1.
Een verzekeraar met zetel in de openbare lichamen die deel uitmaakt van een groep, dient de ingevolge artikel 3:46, vierde lid, van de wet vereiste rapportage eenmaal per jaar in, tenzij de Nederlandsche Bank, indien de solvabiliteit door ontwikkelingen bij de verzekeraar in gedrang is of zou kunnen komen, besluit dat er gerapporteerd wordt met een hogere frequentie.
2.
Onder significante intragroepovereenkomsten en -posities worden verstaan overeenkomsten en posities die een door de Nederlandsche Bank vast te stellen drempel te boven gaan. De drempel is gerelateerd aan de vereiste solvabiliteit van de verzekeraar.
3.
De Nederlandsche Bank stelt regels met betrekking tot de categorieën overeenkomsten en posities die in de rapportages worden betrokken en met betrekking tot de rapportage.
1.
Een verzekeraar die deelnemingen heeft in een of meer andere verzekeraars, berekent zijn aangepaste solvabiliteit op geconsolideerde basis. De aangepaste solvabiliteit is gelijk aan het verschil tussen de vermogensbestanddelen die in aanmerking komen voor de solvabiliteitsmarge, berekend op basis van de geconsolideerde gegevens, en het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge, berekend op basis van de geconsolideerde gegevens.
2.
Indien een verzekeraar een deelneming heeft in een elektronischgeldinstelling, kredietinstelling of vermogensbeheerder, wordt de waarde van die deelneming in mindering gebracht op de voor zijn solvabiliteitsmarge in aanmerking te nemen vermogensbestanddelen.
3.
De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot het eerste en tweede lid. Deze regels kunnen mede inhouden dat de verzekeraar zijn aangepaste solvabiliteit mag berekenen volgens een andere methode dan is voorgeschreven in het eerste of tweede lid.