Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | Vacatures | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
» Energiewijzer « advertorial
Bespaar geld en stap over!
Energiewijzer.nl, eerlijk over energie.

Juridische vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Powered by Jbmatch.nl

Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Definities en reikwijdte
+ Hoofdstuk 2. Het register
+ Hoofdstuk 3. Betrouwbaarheid
+ Hoofdstuk 4. Bedrijfsvoering
+ Hoofdstuk 5. Deskundigheid
+ Hoofdstuk 6. Beroepsaansprakelijkheidsverzekering
+ Hoofdstuk 7. Informatieverstrekking
+ Hoofdstuk 8. Gedragsregels
+ Hoofdstuk 9. De verhouding tussen financiële dienstverleners (aanbieder en bemiddelaar)
+ Hoofdstuk 10. Boetebijlage
+ Hoofdstuk 11. Overgangsrecht, slotbepalingen en inwerkingtreding
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken

Besluit financiële dienstverlening

Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Ook bekend als:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2007. U leest nu de tekst die gold op -.
Besluit van 15 december 2005, houdende regels voor de financiële dienstverlening (Besluit financiële dienstverlening)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 22 juni 2005 (FM 2005-01516 M);
Gelet op de richtlijnen nr. 2002/92/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 9 december 2002 betreffende verzekeringsbemiddeling (PbEG L9) en nr. 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 september 2002 betreffende de verkoop op afstand van financiële diensten aan consumenten en tot wijziging van de Richtlijnen 90/619/EEG, 97/7/EG en 98/27/EG van de Raad (PbEG L271) en de artikelen 1, onderdeel m, onder 8°, 1, onderdeel r, onder 2°, 23, tweede lid, 26, tweede lid, 28, tweede lid, 31, tweede lid, derde lid, onder b, en vierde lid, 35, 37, derde lid, 38, eerste lid, 50, 53, tweede lid, 74, vijfde lid, en 100 van de Wet financiële dienstverlening en artikel 12, eerste lid, van de Wet toezicht belegginginstellingen;
De Raad van State gehoord (advies van 19 augustus 2005, no. W06.05.0266/IV);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 13 december 2005, FM 2005-02085 M;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. accountant : accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek die niet in dienstbetrekking staat tot de financiële dienstverlener of de groep waartoe de financiële dienstverlener behoort;
b. beleggingsobjectprospectus : document waarin de in artikel 35, derde lid, genoemde onderwerpen met betrekking tot een beleggingsobject zijn weergegeven op de bij of krachtens dat artikel voorgeschreven wijze;
c. betalingstermijn : tijdvak dat ligt tussen:
1°. het tijdstip waarop een aanbieder ter uitvoering van een overeenkomst inzake krediet een geldsom ter beschikking stelt of aanvangt met het verschaffen van het genot van een zaak of effect of met het verlenen van een dienst als bedoeld in artikel 4 en het tijdstip waarop de consument gehouden is de eerste betaling ter zake daarvan te hebben gedaan, of
2°. twee opeenvolgende tijdstippen waarop een consument gehouden is ter zake van een overeenkomst inzake krediet een betaling te hebben gedaan;
d. complex product :
1°. financieel product als bedoeld in artikel 1, onderdeel m, onder 9°, van de wet dat ten minste een gecombineerd financieel product omvat dat afhankelijk is van de ontwikkelingen op financiële markten of andere markten;
2°. recht van deelneming in een beleggingsinstellingals bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen, dat op verzoek van de houder daarvan ten laste van de activa van die instelling direct of indirect door die instelling wordt ingekocht of terugbetaald, niet zijnde een recht van deelneming in een beleggingstelling als bedoeld in artikel 17a, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen, of dat niet op verzoek van de houder ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald en, in het laatstgenoemde geval, geen effect is als bedoeld in artikel 1a, onderdeel d, van het Besluit toezicht effectenverkeer 1995;
3°. levensverzekering, anders dan de verzekering waarbij de verplichting van de aanbieder tot het doen van een uitkering of een reeks van uitkeringen alleen dan ontstaat, indien het overlijden van degene op wiens leven de verzekering betrekking heeft plaatsvindt voor de in de polis genoemde datum;
4°. combinatie van een hypothecair krediet met een levensverzekering als bedoeld onder 3°, of met een spaarrekening als bedoeld in artikel 1, onderdeel m, onder 5°, van de wet;
5°. beleggingsobject; of
6°. een combinatie van een of meer onder 1° tot en met 5° bedoelde producten met een of meer van de in artikel 1, onderdeel m, van de wet bedoelde producten;
e. consumptief krediet : krediet, niet zijnde hypothecair krediet;
f. doorlopend krediet : een overeenkomst inzake:
1°. geldkrediet waarbij de consument op verschillende tijdstippen geldsommen kan opnemen, voorzover het uitstaande saldo de kredietlimiet niet overschrijdt; of
2°. goederenkrediet waarbij de aanbieder, of een derde gehouden is aan een consument op verschillende tijdstippen het genot van een roerende zaak of een effect te verschaffen of een dienst te verlenen als bedoeld in artikel 4, voorzover het uitstaande saldo de kredietlimiet niet overschrijdt;
g. eindtermen : normen waarin is vastgelegd over welke kennis of vaardigheden een persoon dient te beschikken om een bepaalde financiële dienst met betrekking tot een bepaald financieel product te mogen verlenen;
h. financiële bijsluiter : document waarin de in artikel 39, eerste of tweede lid, genoemde onderwerpen met betrekking tot een complex product zijn weergegeven op de bij of krachtens dat artikel voorgeschreven wijze;
i. gelieerde partij :
1°. rechtspersoon of natuurlijke persoon die met een aanbieder van beleggingsobjecten in een groep is verbonden;
2°. rechtspersoon of natuurlijke persoon die direct of indirect stemrecht kan uitoefenen of anderszins bepaalde rechten kan uitoefenen in een aanbieder van beleggingsobjecten waardoor invloed van betekenis kan worden uitgeoefend op diens zakelijk of financieel beleid;
3°. natuurlijke persoon die een familierechtelijke betrekking of een persoonlijke relatie heeft met een bestuurder van een aanbieder van beleggingsobjecten of met een natuurlijke persoon als bedoeld onder 1° en 2°, op grond van welke betrekking of relatie hij het handelen van de bestuurder of de natuurlijke persoon met betrekking tot aanbieder van beleggingsobjecten kan beïnvloeden; of
4°. een rechtspersoon waarin een bestuurder van een aanbieder van beleggingsobjecten of een natuurlijke persoon als bedoeld onder 3° direct of indirect stemrecht kan uitoefenen of anderszins bepaalde rechten kan uitoefenen waardoor sprake is van invloed van betekenis op het zakelijk of financieel beleid van die rechtspersoon;
j. hypothecair krediet : overeenkomst inzake krediet, bij het aangaan waarvan een recht van hypotheek wordt gevestigd, strekkende tot verhaal bij voorrang van de vordering tot voldoening van de door de consument verschuldigde betaling, dan wel een overeenkomst inzake krediet met betrekking waartoe reeds een zodanig recht is gevestigd en waarbij het krediet wordt verleend tegen een voor hypothecaire financieringen van de aanbieder gebruikelijk effectief kredietvergoedingspercentage;
k. kosten : bedragen die een financiële dienstverlener in rekening brengt of ten laste laat komen van een consument;
l. kredietlimiet : maximum bedrag aan:
1°. door de consument bij de aanbieder van krediet op te nemen geldsommen, ter uitvoering van een overeenkomst inzake doorlopend krediet als bedoeld in onderdeel f, aanhef en onder 1°, of
2°. door de aanbieder van krediet aan de consument te verschaffen genot van een zaak of een effect, of te verlenen dienst als bedoeld in artikel 4, ter uitvoering van een overeenkomst inzake doorlopend krediet als bedoeld in onderdeel f, aanhef en onder 2°;
m. kredietsom :
1°. geldsom die de consument in het kader van een overeenkomst inzake geldkrediet ter beschikking wordt gesteld, met dien verstande, dat indien het doorlopend krediet betreft de kredietlimiet als die geldsom wordt aangemerkt, of
2°. verschil tussen het totaal van de contante waarde van de roerende zaken, effecten of diensten als bedoeld in artikel 4, waarvan de consument het genot wordt verschaft, onderscheidenlijk welke aan de consument worden verleend, in het kader van een overeenkomst inzake goederenkrediet, en de door deze in dat kader gedane contante betalingen, met dien verstande, dat indien het doorlopend krediet betreft de kredietlimiet als dat verschil wordt aangemerkt;
n. kredietvergoeding : kosten ter zake van een overeenkomst inzake krediet;
o. maandlast : bedrag dat een consument verschuldigd is aan betalingen ter zake van krediet, berekend voor één kalendermaand;
p. natura-uitvaartverzekering : verzekering in verband met de verzorging van de uitvaart van de mens die uitsluitend strekt tot het verrichten van andere dan geldelijke prestaties;
q. kredietprospectus : document waarin de in artikel 36, derde en vijfde of zesde lid, genoemde onderwerpen met betrekking tot een krediet zijn weergegeven op de bij of krachtens dat artikel voorgeschreven wijze;
r. provisie : beloning of vergoeding, in welke vorm dan ook, voor het bemiddelen of adviseren ter zake van een financieel product;
s. risico-indicator: weergave van het risiconiveau van een complex product;
u. serie van beleggingsobjecten : verzameling van beleggingsobjecten waarvoor op grond van artikel 35 hetzelfde beleggingsobjectprospectus dient te worden opgesteld;
v. termijnbedrag : het bedrag van de betaling die een consument aan het einde van een betalingstermijn moet hebben gedaan;
w. theoretische looptijd : de geschatte lengte van de periode gedurende welke een consument ter zake van een doorlopend krediet gehouden is betalingen te doen;
x. toetstermen : normen waarin is vastgelegd waarop een persoon wordt getoetst om te kunnen vaststellen of deze voldoet aan de eindtermen;
y. totale prijs van het krediet : maandlast vermenigvuldigd met de looptijd van de overeenkomst in kalendermaanden, of, indien het doorlopend krediet betreft, de maandlast vermenigvuldigd met de theoretische looptijd van de overeenkomst uitgedrukt in kalendermaanden;
z. uitstaand saldo :
1°. indien het geldkrediet betreft: het op enig tijdstip bestaande totaal van de tot en met dat tijdstip door de consument opgenomen geldsommen, vermeerderd met de tot en met dat tijdstip aan de consument in rekening gebrachte kredietvergoeding en verminderd met de tot en met dat tijdstip door de consument gedane betalingen;
2°. indien het goederenkrediet betreft: het op enig tijdstip bestaande totaal van de contante waarde van de roerende zaken, effecten of diensten als bedoeld in artikel 4, waarvan tot en met dat tijdstip aan de consument het genot is verschaft, of welke tot en met dat tijdstip aan de consument zijn verleend, vermeerderd met het totaalbedrag van de tot en met dat tijdstip aan de consument in rekening gebrachte kredietvergoeding en verminderd met de tot en met dat tijdstip door de consument gedane betalingen;
aa. de wet : de Wet financiële dienstverlening .
Artikel 2
Dit besluit is, met uitzondering van de artikelen 26 en 27, vierde lid, en van paragraaf 4 van hoofdstuk 7, niet van toepassing op financiële diensten die worden verleend door beheerders of beleggingsinstellingen als bedoeld in artikel 12, eerste lid, of door beleggingsinstellingen als bedoeld in artikel 17c, eerste lid, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen.
Artikel 3
Als financieel product in de zin van artikel 1, onderdeel m, onder 8°, van de wet, wordt aangewezen een recht op het al dan niet volledige rendement in geld of op een gedeelte van de opbrengst van een zaak, niet zijnde een financieel product als bedoeld in artikel 1, onderdeel m, onder 1° tot en met 7° of 9° van de wet, welke tegen betaling wordt verkregen, bij welke verkrijging aan de consument een rendement in geld in het vooruitzicht wordt gesteld en waarbij het beheer van de zaak hoofdzakelijk door de financiële dienstverlener wordt uitgevoerd of door een derde in opdracht van de financiële dienstverlener of de consument. Het in dit besluit met betrekking tot beleggingsobjecten bepaalde is van overeenkomstige toepassing op financiële producten als bedoeld in dit artikel.
Artikel 4
Als dienst in de zin van artikel 1, onderdeel r, onder 2°, van de wet, wordt aangewezen iedere dienst die niet wordt verleend op grond van een overeenkomst die strekt tot het geregeld verlenen van diensten, waarbij de consument gehouden is om gedurende de periode van dienstverlening in betalingstermijnen te betalen.
1.
Het register, bedoeld in artikel 23 van de wet, bevat ten aanzien van vergunninghouders, verbonden bemiddelaars, financiële dienstverleners als bedoeld in artikel 13, eerste lid, en 22, eerste lid, van de wet, en ontheffinghouders de volgende gegevens:
a. de naam en het adres van de financiële dienstverlener;
b. de rechtsvorm van de financiële dienstverlener;
c. indien de financiële dienstverlener een rechtspersoon is: de statutaire zetel, de statutaire naam en de handelsnaam of handelsnamen;
d. indien de financiële dienstverlener is ingeschreven in het handelsregister: het nummer van inschrijving bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken;
e. indien toepassing is gegeven aan artikel 16 van de wet: ten aanzien van iedere bij de rechtspersoon aangesloten instelling waarvoor de vergunning mede geldt de gegevens, bedoeld onder a tot en met d;
f. de datum waarop en het nummer waaronder de vergunning of ontheffing is verleend, dan wel de datum waarop de verbonden bemiddelaar als zodanig is aangemeld bij de toezichthouder, dan wel de datum met ingang waarvan het de financiële dienstverlener als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet is toegestaan in Nederland de in dat artikel bedoelde werkzaamheden te verrichten, dan wel de datum met ingang waarvan artikel 22, eerste lid, van de wet van toepassing is op de financiële dienstverlener;
g. de financiële producten ten aanzien waarvan de financiële dienstverlener ingevolge de wet bepaalde financiële diensten mag verlenen, alsmede de aard van desbetreffende financiële diensten;
h. de aan de vergunning of de ontheffing gestelde voorschriften en beperkingen;
2.
Het register bevat voorts de volgende gegevens:
a. indien het een bemiddelaar in verzekeringen betreft: de lidstaten waarin de bemiddelaar bevoegd is bemiddelingswerkzaamheden te verrichten en de namen van de natuurlijke personen die het beleid van de bemiddelaar bepalen;
b. indien het een gevolmachtigde agent of een ondergevolmachtigde agent betreft: de naam van de verzekeraar voor wie zijn volmacht geldt en de namen van de natuurlijke personen die het beleid van de gevolmachtigde agent bepalen;
c. indien het een verbonden bemiddelaar betreft: de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met d, met betrekking tot de aanbieders die verantwoordelijk zijn voor de verbonden bemiddelaar en hem als zodanig bij de toezichthouder hebben aangemeld.
3.
Indien zich een wijziging voordoet in de gegevens, bedoeld in het eerste of tweede lid, stelt de financiële dienstverlener de toezichthouder daarvan onverwijld schriftelijk in kennis.
1.
Een financiële dienstverlener draagt er voor zorg dat de betrouwbaarheid van de werknemers en andere personen die zich onder zijn verantwoordelijkheid rechtstreeks bezighouden met financiële dienstverlening, buiten twijfel staat.
2.
Een persoon als bedoeld in het eerste lid is betrouwbaar, indien hij een verklaring omtrent het gedrag kan overleggen als bedoeld in de Wet justitiële gegevens en hij voorheen niet failliet is verklaard, tenzij rehabilitatie als bedoeld in artikel 212 van de Faillissementswet heeft plaatsgevonden.
Artikel 7
Een financiële dienstverlener die voornemens is een persoon te benoemen in een functie waardoor deze persoon het beleid van de financiële dienstverlener bepaalt of medebepaalt, gaat daartoe niet over dan nadat de toezichthouder diens betrouwbaarheid heeft beoordeeld en heeft meegedeeld dat deze buiten twijfel staat.
Artikel 8
De betrouwbaarheid van een persoon die het beleid van de financiële dienstverlener bepaalt of medebepaalt staat buiten twijfel wanneer dat eenmaal door de toezichthouder is vastgesteld voor de toepassing van de wet, de Wet toezicht effectenverkeer 1995 of de Wet toezicht beleggingsinstellingen of door De Nederlandsche Bank N.V. voor de toepassing van de Wet toezicht kredietwezen 1992 , de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 of de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf , zolang niet een wijziging in de relevante feiten of omstandigheden een redelijke aanleiding geeft tot een nieuwe beoordeling.
Artikel 9
Indien een financiële dienstverlener in het kader van zijn normale bedrijfsvoering constateert dat zich een wijziging heeft voorgedaan in de voor de beoordeling van de betrouwbaarheid relevante gegevens met betrekking tot een persoon die het beleid van de financiële dienstverlener bepaalt of medebepaalt, stelt hij de toezichthouder daarvan onverwijld schriftelijk in kennis.
Artikel 10
De in artikel 28, derde lid, onder a, van de wet bedoelde maatregelen betreffen in ieder geval de behandeling en de administratieve vastlegging van incidenten die een ernstig gevaar vormen voor een integere bedrijfsvoering, voorzover het gedragingen betreft van personen die:
a. het dagelijks beleid bepalen dan wel medebepalen van de financiële dienstverlener;
b. een leidinggevende functie bekleden anders dan de personen bedoeld onder a;
c. zich onder de verantwoordelijkheid van de financiële dienstverlener rechtstreeks bezighouden met financiële dienstverlening; of
d. een functie bekleden waaraan een wezenlijk risico is verbonden voor de integere bedrijfsvoering van de financiële dienstverlener.
Artikel 11
De administratieve vastlegging van incidenten als bedoeld in artikel 10 omvat ten minste de feiten en omstandigheden van het incident, informatie over de functie van degene of degenen die het incident heeft of hebben bewerkstelligd en de maatregelen die naar aanleiding van het incident zijn genomen. De financiële dienstverlener bewaart de aldus vastgelegde gegevens gedurende ten minste vijf jaar.
1.
Een financiële dienstverlener informeert de toezichthouder omtrent een incident als bedoeld in artikel 10 indien:
a. aangifte van het incident bij justitiële autoriteiten is of zal worden gedaan;
b. het voortbestaan van de financiële dienstverlener door het incident zou kunnen worden bedreigd of wordt bedreigd; of
c. de ernst, de omvang of de overige omstandigheden van het incident in aanmerking genomen, de toezichthouder in verband met haar toezichthoudende taak redelijkerwijs behoort te worden geïnformeerd.
2.
De in het eerste lid bedoelde informatie betreft ten minste:
a. de feiten en omstandigheden van het incident; en
b. informatie over de functie van degene of degenen die het incident heeft of hebben bewerkstelligd.
Artikel 13
Een financiële dienstverlener is niet met natuurlijke personen of rechtspersonen verbonden in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur:
a. indien deze zeggenschapsstructuur in zodanige mate ondoorzichtig is dat deze een belemmering vormt of kan vormen voor het adequaat uitoefenen van toezicht op de financiële dienstverlener;
b. indien het recht van een staat die geen lidstaat is dat op de personen, bedoeld in de aanhef, van toepassing is een belemmering vormt of kan vormen voor het adequaat uitoefenen van toezicht op de financiële dienstverlener.
1.
Een aanbieder die een consument adviseert, bewaart, voorzover de advisering leidt tot het aangaan van een overeenkomst met de consument inzake het aanbevolen product, de informatie die hij overeenkomstig artikel 32, eerste lid, onder a, van de wet heeft ingewonnen, alsmede de gegevens betreffende het verkochte financiële product, gedurende ten minste één jaar vanaf het moment van advisering.
2.
Een adviseur die een consument adviseert, bewaart de informatie die hij overeenkomstig artikel 32, eerste lid, onder a, van de wet heeft ingewonnen, alsmede de gegevens betreffende het aanbevolen financiële product, gedurende ten minste één jaar vanaf het moment van advisering.
3.
Een bemiddelaar die een consument adviseert, bewaart, voorzover de advisering leidt tot het aangaan van een overeenkomst met de consument inzake het aanbevolen product, de informatie die hij overeenkomstig artikel 32, eerste lid, onder a, van de wet heeft ingewonnen, alsmede de gegevens betreffende het aanbevolen financiële product, gedurende ten minste één jaar vanaf het moment van advisering.
4.
Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing op financiële dienstverleners die in geval van advies uitsluitend te werk gaan volgens een gestandaardiseerde en gesystematiseerde procedure die voor de toezichthouder verifieerbaar is en die aan de hand van deze procedure aan de toezichthouder kunnen aantonen welke informatie zij overeenkomstig artikel 32, eerste lid, onder a, van de wet over consumenten inwinnen en welke adviezen consumenten op basis van de aldus ingewonnen informatie worden gegeven.
5.
Een aanbieder of een bemiddelaar die in het kader van een door hem verstrekt advies met een consument een overeenkomst aangaat onderscheidenlijk bemiddelt bij de totstandkoming van een overeenkomst, inzake een ander financieel product dan waarover hij de consument heeft geadviseerd, dient gedurende ten minste één jaar na de totstandkoming van de overeenkomst aan de toezichthouder aan te kunnen tonen dat de consumentde keuze heeft gemaakt voor het aangaan van die overeenkomst.
Artikel 15
Een aanbieder van krediet bewaart de informatie die hij ingevolge artikel 51, eerste lid, van de wet en de artikelen 59en 60 heeft ingewonnen, alsmede de door hem aangeboden overeenkomst inzake krediet, indien die overeenkomst tot stand is gekomen, ten minste tot vijf jaren na de dag waarop die overeenkomst is afgewikkeld.
1.
De personen, bedoeld in artikel 27, tweede lid, van de wet, worden als deskundig beschouwd indien zij voldoen aan de in bijlage 1 opgenomen eindtermen alsmede, voorzover betrokkenen zich rechtstreeks bezighouden met financiële dienstverlening ten aanzien van de hierna genoemde financiële producten, aan de eindtermen opgenomen in de volgende bijlagen:
a. hypothecair krediet, al dan niet gecombineerd met opstal-, inboedel-, arbeidsongeschiktheids- of overlijdensrisicoverzekeringen, waarbij de verplichting van de aanbieder tot het doen van een uitkering of een reeks van uitkeringen alleen dan ontstaat, indien het overlijden van degene op wiens leven de verzekering betrekking heeft plaatsvindt voor de in de polis genoemde datum: bijlagen 2 en 6 ;
b. consumptief krediet, al dan niet gecombineerd met arbeidsongeschiktheidsverzekeringen: bijlage 3 ;
c. schadeverzekeringen: bijlage 4 ;
d. levensverzekeringen, al dan niet gecombineerd met arbeidsongeschiktheidsverzekeringen: bijlagen 5 en 6 ;
e. beleggen a: bijlage 6 ;
f. beleggen b: bijlage 7 ;
2.
De personen, bedoeld in artikel 27, tweede lid, van de wet, die optreden als gevolmachtigde agent of als ondergevolmachtigde agent, worden als deskundig beschouwd indien zij voldoen aan de in bijlagen 1 en 8 opgenomen eindtermen.
1.
Een financiële dienstverlener voldoet aan het in artikel 27, tweede lid, eerste volzin, van de wet bepaalde, indien:
a. zijn werknemers en andere personen die zich onder zijn verantwoordelijkheid rechtstreeks bezighouden met financiële dienstverlening, niet zijnde feitelijke leidinggevenden, allen beschikken over een geldig diploma voor de in hun geval relevante eindtermen, bedoeld in artikel 16, afgegeven door een door Onze Minister erkend exameninstituut; of
b. hij zijn bedrijfsvoering zodanig heeft ingericht dat deze een deskundige financiële dienstverlening aan consumenten anderszins voldoende waarborgt.
2.
Een financiële dienstverlener voldoet aan het in artikel 27, tweede lid, tweede volzin, van de wet bepaalde, indien:
a. de in die volzin bedoelde feitelijk leidinggevenden beschikken over een geldig diploma voor de in hun geval relevante eindtermen, bedoeld in artikel 16, afgegeven door een door Onze Minister erkend exameninstituut; of
b. hij een financiële dienstverlener is met een gemiddeld aantal werknemers van meer dan 50 en hij zijn bedrijfsvoering zodanig heeft ingericht dat deze een deskundige financiële dienstverlening aan consumenten voldoende waarborgt.
3.
Onverminderd het eerste en tweede lid, voldoet een verbonden bemiddelaar ook aan het bepaalde in artikel 27, tweede lid, van de wet, indien zijn bedrijfsvoering zodanig is ingericht dat de aanbieder voor wie hij als verbonden bemiddelaar optreedt een deskundige financiële dienstverlening aan consumenten voldoende waarborgt.
4.
Onverminderd het eerste en tweede lid, voldoet een aangesloten instelling als bedoeld in artikel 16 van de wet ook aan het bepaalde in artikel 27, tweede lid, van de wet, indien hij zijn bedrijfsvoering zodanig heeft ingericht dat de rechtspersoon bij wie hij is aangesloten een deskundige financiële dienstverlening aan consumenten voldoende waarborgt.
1.
Een diploma is geldig zolang de houder ervan:
a. binnen achttien maanden na de in artikel 19, vierde lid, bedoelde openbaarmaking op de door Onze Minister vastgestelde wijze voldoet aan de in zijn geval relevante toetstermen voor permanente educatie, bedoeld in artikel 19, tweede lid; of
b. binnen achttien maanden na de in artikel 19, vierde lid, bedoelde openbaarmaking van toetstermen voor permanente educatie, met goed gevolg een examen heeft afgelegd van een door Onze Minister erkend exameninstituut dat voldoet aan de in zijn geval relevante toetstermen die tegelijkertijd met eerder genoemde toetstermen voor permanente educatie openbaar zijn gemaakt.
2.
Indien een houder van een diploma niet tijdig voldoet aan de in zijn geval relevante toetstermen voor permanente educatie, is het diploma ongeldig tot het moment dat hij alsnog voldoet aan de in zijn geval relevante toetstermen voor permanente educatie, bedoeld in artikel 19, tweede lid.
1.
Bij ministeriële regeling worden toetstermen vastgesteld voor de examens die leiden tot afgifte van een diploma als bedoeld in artikel 21, eerste lid.
2.
Indien ontwikkelingen op de financiële markten of daarop betrekking hebbende regelgeving daartoe aanleiding geven worden bij ministeriële regeling toetstermen vastgesteld met betrekking tot permanente educatie, alsmede de wijze waarop aan deze toetstermen kan worden voldaan.
3.
Onze Minister stelt belanghebbenden in de gelegenheid te reageren op een voorgenomen ministeriële regeling als bedoeld in het eerste of tweede lid, alvorens tot vaststelling daarvan over te gaan.
4.
Onze Minister draagt er zorg voor dat de openbaarmaking van de toetstermen voor examens voor een bepaald jaar en de toetstermen voor permanente educatie voor dat jaar gelijktijdig plaatsvindt.
1.
Onze Minister erkent een exameninstituut op aanvraag, indien de aanvrager heeft aangetoond te kunnen voldoen aan artikel 21, tweede, derde, vijfde, zesde en zevende lid.
2.
Onze Minister beslist op een aanvraag om erkenning binnen vier maanden nadat de aanvraag is ingediend. De beslissingstermijn kan ten hoogste tweemaal met twee maanden worden verlengd.
3.
Onze Minister kan aan een erkenning voorschriften verbinden.
4.
Onze Minister kan een erkenning intrekken:
a. op verzoek van het erkende exameninstituut;
b. indien de gegevens en bescheiden die zijn verstrekt ter verkrijging van de erkenning na de erkenning zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat de erkenning zou zijn geweigerd, dan wel niet zonder het verbinden van voorschriften zou zijn verleend, indien bij de behandeling van de aanvraag de juiste gegevens volledig bekend waren geweest;
c. indien het exameninstituut niet langer voldoet aan artikel 21 of 22 of een voorschrift, verbonden aan de erkenning.
5.
Van een besluit tot erkenning of tot intrekking van een erkenning van een exameninstituut doet Onze Minister mededeling in de Staatscourant.
1.
Een erkend exameninstituut geeft een diploma af aan een kandidaat die een door het erkende exameninstituut afgenomen examen met goed gevolg heeft afgelegd.
2.
Een erkend exameninstituut dat tevens opleidingen aanbiedt, brengt een zodanige scheiding aan in de bedrijfsvoering tussen het ontwikkelen en verzorgen van opleidingen en het afnemen van examens dat belangenverstrengeling tussen deze activiteiten wordt voorkomen. Daartoe treft een erkend exameninstituut in ieder geval adequate maatregelen, gericht op:
a. het voeren van gescheiden administraties voor het ontwikkelen en verzorgen van opleidingen en voor het afnemen van examens;
b. het voorkomen van toegang tot examenmateriaal van werknemers die op enige wijze betrokken zijn bij de ontwikkeling of de verzorging van een opleiding, gericht op het desbetreffende examen.
3.
Een erkend exameninstituut stelt de door hem aangeboden examens open voor een ieder, ongeacht of de betrokkene een opleiding aan het exameninstituut heeft gevolgd.
4.
Een door een erkend exameninstituut af te nemen examen voldoet binnen zes maanden na de in artikel 19, vierde lid, bedoelde openbaarmaking aan de door Onze Minister vastgestelde toetstermen, bedoeld in artikel 19, eerste lid.
5.
Een erkend exameninstituut neemt ten aanzien van de wijze van examinering de maatregelen die redelijkerwijs nodig zijn om te bevorderen dat examens op een correcte en eerlijke wijze worden afgelegd.
6.
Een erkend exameninstituut draagt zorg voor een vakinhoudelijk juiste en objectieve beoordeling van afgenomen examens.
7.
Een erkend exameninstituut beschikt over en handelt in overeenstemming met een examenreglement waarin ten minste de volgende onderwerpen adequaat zijn geregeld:
a. de wijze van aanmelding van de kandidaat;
b. het aantal malen dat per jaar gelegenheid wordt gegeven tot het afleggen van de afzonderlijke examens;
c. de wijze van kennisgeving van plaats, datum en tijdstip van aanvang der examens;
d. de legitimatie van de kandidaat;
e. de duur en wijze van examineren;
f. de maatregelen in geval onregelmatigheden worden geconstateerd;
g. de aanwijzing van de examinatoren bij de mondelinge examens;
h. de beoordeling van het examen;
i. de termijn waarbinnen de examenuitslag wordt bekendgemaakt, alsmede de termijn waarbinnen het diploma wordt uitgereikt;
j. de aanwijzing van degene of degenen die de uitslag van het schriftelijk examen vaststelt dan wel vaststellen;
k. de beoordelingsnormen en normen voor slagen en afwijzen;
l. de wijze van verkrijgbaarstelling van de richtlijnantwoorden na afloop van een examen;
m. de inzage in het afgelegde examen;
n. de bewaartermijnen voor de afgelegde examens;
o. de interne klachtenprocedure.
8.
Een erkend exameninstituut verstrekt jaarlijks voor 1 juli aan Onze Minister een opgave van het aantal in het vorige kalenderjaar afgenomen en beoordeelde examens, alsmede een analyse van de resultaten van deze examens, de klachten die hierover zijn geuit en de beslissingen hierop van het exameninstituut.
9.
Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op bekostigde instellingen voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.8, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
Artikel 22
Een erkend exameninstituut verstrekt aan Onze Minister op diens verzoek de gegevens die Onze Minister nodig heeft voor de uitoefening van zijn in dit hoofdstuk omschreven taken.
1.
De beroepsaansprakelijkheidsverzekering, bedoeld in artikel 29 van de wet, dekt de aansprakelijkheid van de bemiddelaar in verzekeringen of de herverzekeringsbemiddelaar wegens fouten, verzuimen of nalatigheden begaan in de uitoefening van diens beroep en voorgevallen op het grondgebied waarop de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van toepassing is, voor een bedrag van ten minste € 1.000.000,– per schadegeval, en in totaal ten minste € 1.500.000,– per jaar voor alle schadegevallen gezamenlijk.
2.
De beroepsaansprakelijkheidsverzekering wordt gesloten bij een verzekeraar die in het bezit is van een in artikel 24, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 bedoelde vergunning voor de branche Algemene aansprakelijkheid of die heeft voldaan aan de ingevolge de artikelen 37 en 38 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 vereiste procedure met betrekking tot een bijkantoor in Nederland dan wel, indien het de in die wet bedoelde dienstverrichting naar Nederland betreft, heeft voldaan aan het bepaalde in de artikelen 111, eerste of tweede lid, 113, eerste of vierde lid, 116, eerste of derde lid, of 118, tweede of vijfde lid, van die wet.
1.
Onder een vergelijkbare voorziening als bedoeld in artikel 29 van de wet wordt verstaan een onvoorwaardelijke garantstelling voor alle verplichtingen voortvloeiend uit aansprakelijkheid van de bemiddelaar in verzekeringen of de herverzekeringsbemiddelaar wegens fouten, verzuimen of nalatigheden, begaan in de uitoefening van diens beroep en voorgevallen op het grondgebied waarop de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van toepassing is, voor een bedrag van ten minste € 1.000.000,– per schadegeval, en in totaal ten minste € 1.500.000,– per jaar voor alle schadegevallen gezamenlijk.
2.
De onvoorwaardelijke garantstelling wordt verstrekt door een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, die ingevolge artikel 52, tweede lid, onder a, b, c of d, van die wet is ingeschreven in het in dat artikel bedoelde register of door een overeenkomstige onderneming of instelling die haar zetel heeft in een andere lidstaat, de Verenigde Staten van Amerika, Japan, Australië, Canada of Zwitserland en in de staat van haar zetel onder toezicht staat.
Artikel 25
De in artikel 23, eerste lid, en artikel 24, eerste lid, genoemde bedragen worden bij ministeriële regeling aangepast aan de veranderingen in het door Eurostat bekend gemaakte Europees indexcijfer van de consumentenprijzen, voor de eerste maal met ingang van 1 januari 2008 en vervolgens om de vijf jaar.
1.
Een financiële dienstverlener verstrekt de krachtens de artikelen 33 en 34 van de wet en dit hoofdstuk, aan de consument te verstrekken informatie schriftelijk, tenzij hiervan in dit hoofdstuk wordt afgeweken. Een financiële dienstverlener kan de informatie via een andere duurzame drager verstrekken, indien hij zich ervan heeft vergewist dat de consument over de benodigde middelen beschikt om kennis te nemen van de aldus te verstrekken informatie.
2.
Een financiële dienstverlener verstrekt de informatie, bedoeld in het eerste lid, alsmede de informatie, bedoeld in artikel 43, in de Nederlandse taal. De informatie kan in een andere taal worden verstrekt:
a. indien de consument daarom verzoekt en de financiële dienstverlener hiermee heeft ingestemd;
b. indien partijen een keuze hebben gemaakt voor de toepasselijkheid op de overeenkomst inzake een financieel product van het recht van een andere staat; of
c. op verzoek van een beheerder of beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 12, eerste lid, of artikel 17c, eerste lid, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen, indien het informatie, bedoeld in artikel 39, tweede lid, betreft en de toezichthouder hiermee instemt.
1.
Indien een financiële dienstverlener in een reclame-uiting, anders dan via de televisie of de radio, informatie verstrekt over een complex product, verstrekt hij daarbij tevens informatie over de belangrijkste financiële risico’s van dat product, die onder meer inzichtelijk worden gemaakt door een risico-indicator, en, indien het een beleggingsobject betreft, de belangrijkste overige risico’s die samenhangen met dat product.
2.
Indien een financiële dienstverlener in een reclame-uiting via de televisie informatie verstrekt over een complex product, verstrekt hij daarbij tevens informatie over de belangrijkste financiële risico’s van dat product door het weergeven van een risico-indicator, en, indien het een beleggingsobject betreft, de belangrijkste overige risico’s die samenhangen met dat product.
3.
Indien een financiële dienstverlener in een reclame-uiting via de radio informatie verstrekt over een complex product, verstrekt hij daarbij tevens informatie over de belangrijkste financiële risico’s van dat product, en, indien het een beleggingsobject betreft, de belangrijkste overige risico’s die samenhangen met dat product.
4.
Indien een financiële dienstverlener voorafgaande aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een complex product informatie verstrekt over dat product, verwijst hij daarbij tevens naar de financiële bijsluiter.
5.
Indien een financiële dienstverlener voorafgaande aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een complex product, anders dan in een reclame-uiting via de televisie of de radio, informatie verstrekt over een historisch of toekomstig rendement, verstrekt hij daarbij tevens informatie over de belangrijkste kosten en de belangrijkste financiële risico’s van dat product en, indien het een beleggingsobject betreft, over de belangrijkste overige risico’s die samenhangen met dat product.
6.
Indien een financiële dienstverlener in een reclame-uiting via de televisie of de radio informatie verstrekt over een historisch of toekomstig rendement van een complex product, verstrekt hij daarbij of op enig ander moment voorafgaande aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake dat product tevens informatie over de belangrijkste kosten van dat product.
7.
Indien een financiële dienstverlener voorafgaande aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een complex product informatie verstrekt over een gegarandeerd rendement, verstrekt hij daarbij of, indien de informatie wordt verstrekt in een reclame-uiting, op enig ander moment voorafgaande aan de totstandkoming van de overeenkomst inzake dat product, tevens informatie over de belangrijkste voorwaarden van die garantie.
8.
Artikel 26, eerste lid, eerste volzin, is niet van toepassing op het verstrekken van informatie in een reclame-uiting als bedoeld in dit artikel.
1.
Indien een financiële dienstverlener in een reclame-uiting inzake krediet, anders dan via de televisie of de radio, informatie verstrekt over een effectief kredietvergoedingspercentage of een maandlast van een krediet, verstrekt hij daarbij, naast het effectief kredietvergoedingspercentage en de maandlast, tevens informatie over:
a. de voor de berekening van dat percentage en die maandlast gehanteerde kredietsom of kredietlimiet;
b. de voor de berekening van dat percentage en die maandlast gehanteerde looptijd of theoretische looptijd;
c. de voor de berekening van dat percentage en die maandlast gehanteerde totale prijs van het krediet;
d. het feit dat het een krediet, niet zijnde een doorlopend krediet of een doorlopend krediet betreft; en
e. indien van toepassing, de om in aanmerking te komen voor het aangeboden krediet af te sluiten verzekeringen en ten behoeve van de aanbieder te vestigen zekerheidsrechten.
2.
Indien een financiële dienstverlener in een reclame-uiting inzake krediet via de televisie of radio informatie verstrekt over een effectief kredietvergoedingspercentage, of een maandlast van een krediet en een kredietsom of kredietlimiet, verstrekt hij:
a. in die reclame-uiting tevens informatie over de voor de berekening van dat percentage of die maandlast gehanteerde totale prijs van het krediet en de voor de berekening van dat percentage of die maandlast gehanteerde kredietsom of kredietlimiet;
b. op enig ander moment voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake krediet, naast het effectief kredietvergoedingspercentage, de maandlast, de voor de berekening van dat percentage en die maandlast gehanteerde kredietsom of kredietlimiet en de voor de berekening van dat percentage en die maandlast gehanteerde totale prijs van het krediet, informatie over:
1°. de voor de berekening van dat percentage en die maandlast gehanteerde looptijd of de theoretische looptijd;
2°. het feit dat het een krediet, niet zijnde een doorlopend krediet of een doorlopend krediet betreft; en
3°. indien van toepassing, de om in aanmerking te komen voor het aangeboden krediet af te sluiten verzekeringen en ten behoeve van de aanbieder te vestigen zekerheidsrechten.
3.
In een reclame-uiting inzake consumptief krediet wordt de in het eerste en tweede lid bedoelde maandlast niet lager weergegeven dan 2% van de betrokken kredietlimiet, bij een reclame-uiting inzake doorlopend krediet, dan wel niet lager dan 2% van de betrokken kredietsom, bij een reclame-uiting inzake niet-doorlopend krediet.
4.
Een financiële dienstverlener geeft de in de aanhef en in de onderdelen a tot en met c van het eerste lid bedoelde informatie, de in onderdeel b, aanhef en onder 1°, van het tweede lid bedoelde informatie en, indien van toepassing, de informatie bedoeld in het zesde lid, gecombineerd weer in een tabel waarin geen andere informatie wordt opgenomen.
5.
Indien een financiële dienstverlener in een reclame-uiting inzake krediet reclame maakt voor met krediet aan te schaffen goederen of diensten, verstrekt hij daarbij tevens informatie over het effectief kredietvergoedingspercentage.
6.
Indien eenfinanciële dienstverlener in een reclame-uiting inzake krediet informatie verstrekt over een effectief kredietvergoedingspercentage of over een kredietvergoeding welke voor een beperkte duur geldt, dan wel in een reclame-uiting inzake krediet informatie verstrekt over een variabele kredietvergoeding welke voor een beperkte duur afwijkt van de variabele kredietvergoeding die op het moment van het doen van de reclame-uiting geldt voor overeenkomsten inzake krediet van gelijke soort, omvang en duur:
a. verstrekt hij daarbij tevens informatie over de periode gedurende welke het aangeboden effectief kredietvergoedingspercentage of de kredietvergoeding geldt;
b. verstrekt hij daarbij tevens informatie over de hoogte van het effectief kredietvergoedingspercentage of de kredietvergoeding na afloop van deze periode, waarbij indien de hoogte van het effectief kredietvergoedingspercentage of de kredietvergoeding variabel is, hij informatie verstrekt over de op het moment van het doen van de reclame-uiting geldende variabele kredietvergoeding voor overeenkomsten inzake krediet van gelijke soort, omvang en duur; en
c. baseert hij de overige op grond van het eerste of het tweede lid te verstrekken informatie over de kenmerken van het krediet op het effectief kredietvergoedingspercentage of op de kredietvergoeding na afloop van deze periode.
7.
Indien een financiële dienstverlener in een reclame-uiting inzake krediet informatie verstrekt over de hoogte van de kredietvergoeding, verstrekt hij daarbij tevens informatie over het effectief kredietvergoedingspercentage.
8.
Indien een financiële dienstverlener in een reclame-uiting inzake krediet informatie verstrekt over de hoogte van een korting op een effectief kredietvergoedingspercentage of op een kredietvergoeding, verstrekt hij daarbij tevens informatie over het effectief kredietvergoedingspercentage, dan wel de kredietvergoeding waar de korting op van toepassing is.
9.
Indien een financiële dienstverlener in een reclame-uiting inzake krediet informatie verstrekt over het effectief kredietvergoedingspercentage, duidt hij deze aan als «effectieve rente op jaarbasis».
10.
Een financiële dienstverlener:
a. neemt in een reclame-uiting inzake krediet geen vermeldingen op aangaande de termijn waarbinnen of het tijdstip waarop over een kredietaanvraag wordt beslist, de overeenkomst inzake krediet tot stand kan komen, of de consument over het krediet kan beschikken;
b. brengt in een reclame-uiting inzake krediet niet tot uiting dat lopende overeenkomsten inzake krediet bij de beoordeling van een kredietaanvraag geen of een ondergeschikte rol spelen;
c. geeft in een reclame-uiting inzake krediet geen kenmerken van het krediet weer waarin fiscale voordelen zijn verwerkt.
11.
Indien een financiële dienstverlener in een reclame-uiting informatie verstrekt over een krediet, verstrekt hij daarbij tevens informatie over de verkrijgbaarheid van het prospectus, bedoeld in artikel 36.
12.
Indien een financiële dienstverlener informatie verstrekt over de kenmerken van het krediet, bedoeld in het eerste lid en onderdeel b, aanhef en onder 1°, van het tweede lid, zijn het derde en vierde lid van overeenkomstige toepassing.
13.
Artikel 26, eerste lid, eerste volzin, is niet van toepassing op het verstrekken van informatie in een reclame-uiting als bedoeld in dit artikel.
Artikel 29
De toezichthouder kan regels stellen met betrekking tot de wijze van verstrekking van de informatie, bedoeld in de artikelen 27 en 28, alsmede met betrekking tot de berekening van historische of toekomstige rendementen, kosten en risico’s als bedoeld in artikel 27, eerste, tweede, derde, vijfde en zesde lid.
1.
Een financiële dienstverlener verstrekt een consument voorafgaande aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een financieel product ten minste de volgende informatie:
a. zijn naam en adres en, indien de financiële dienstverlener een rechtspersoon is, de statutaire naam en handelsnaam of handelsnamen;
b. de aard van zijn financiële dienstverlening;
c. zijn interne klachtenprocedure, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder a, van de wet en de erkende geschilleninstantie waarbij hij is aangesloten;
d. zijn registratie bij de toezichthouder.
2.
In afwijking van artikel 26, eerste lid, mag de in het eerste lid en de in de artikelen 33 en 34 van de wet bedoelde informatie op verzoek van de consument mondeling worden verstrekt, indien het financiële product een verzekering is en onmiddellijke dekking noodzakelijk is. In dat geval verstrekt de financiële dienstverlener de informatie tevens onmiddellijk na de totstandkoming van de overeenkomst overeenkomstig artikel 26, eerste lid, aan de consument.
1.
Onverminderd artikel 30 verstrekt een aanbieder van schadeverzekeringen een consument voorafgaande aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een schadeverzekering, voorzover van toepassing, ten minste de volgende informatie:
a. zijn rechtsvorm;
b. het recht dat op de overeenkomst van toepassing is, of de door de aanbieder voorgestelde rechtskeuze;
c. de naam en het adres van de schade-afhandelaar, bedoeld in artikel 109, eerste lid, onderdeel e, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993.
2.
In afwijking van het eerste lid kan de in dat lid bedoelde informatie onmiddellijk na de totstandkoming van de overeenkomst worden verstrekt, of uiterlijk tegelijk met het afgeven van de polis, indien de consument het recht heeft zonder een boete verschuldigd te zijn en zonder opgave van redenen de overeenkomst binnen veertien kalenderdagen na de dag waarop hij de informatie heeft ontvangen te ontbinden en de consument is geïnformeerd over de wijze waarop hij gebruik kan maken van dat recht;
3.
Indien een schadeverzekering wordt aangeboden door tussenkomst van een bemiddelaar, een gevolmachtigde agent of een ondergevolmachtigde agent, wordt de in het eerste lid bedoelde informatie door deze bemiddelaar, gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent verstrekt, tenzij de aanbieder en de bemiddelaar, gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent zijn overeengekomen dat de aanbieder zelf aan deze verplichting voldoet.
1.
Onverminderd artikel 30 verstrekt een aanbieder van levensverzekeringen een consument voorafgaande aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een levensverzekering, voorzover van toepassing, ten minste de volgende informatie:
a. zijn rechtsvorm;
b. het bedrag van de uitkering of uitkeringen waartoe hij zich verplicht of, voorzover dit bedrag niet op voorhand nauwkeurig kan worden bepaald, een nauwkeurige omschrijving van die uitkering of uitkeringen, alsmede van de factoren waarvan de hoogte van de uitkering of uitkeringen afhankelijk is;
c. een omschrijving van de keuzemogelijkheden die de consument of de gerechtigde op een uitkering heeft ingevolge de overeenkomst;
d. een nauwkeurige omschrijving van de valuta waarin een premie of een uitkering is uitgedrukt, indien dit een andere valuta is dan de euro, of van de units, eenheden of van datgene waar een premie of een uitkering anderszins in is uitgedrukt, of, indien een uitkering strekt tot het verrichten van andere dan geldelijke prestaties, van die prestatie;
e. een nauwkeurige omschrijving van de omzettingsmethode indien bij een uitkering omzetting plaatsvindt in euro’s of een andere valuta;
f. de aard van de waarden, waaronder aandelen of andersoortige rechten van deelneming in een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen, indien een uitkering daarin wordt uitgedrukt;
g. de wijze van berekening en toewijzing van de winstdeling, indien de overeenkomst een recht op winstdeling omvat;
h. de looptijd van de overeenkomst;
i. de premie verschuldigd voor de hoofddekking en, indien de overeenkomst voorziet in een of meer nevenuitkeringen, de premies die voor elk van de nevenuitkeringen zijn verschuldigd dan wel, indien de exacte premie niet kan worden gegeven, de wijze waarop deze premie wordt berekend;
j. een opgave of de premie eenmalig is verschuldigd dan wel periodiek;
k. de periode gedurende welke premie verschuldigd is;
l. een opgave van de afkoop- of premievrije waarde indien de overeenkomst in een dergelijke waarde voorziet of een opgave van de wijze waarop deze waarde wordt berekend;
m. de wijze waarop de consument gebruik kan maken van zijn recht, bedoeld in artikel 53 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, om de overeenkomst op te zeggen;
n. de wijze waarop de overeenkomst kan worden beëindigd en de termijn die daarbij in acht wordt genomen;
o. een globale indicatie van de fiscale behandeling van overeenkomsten van het desbetreffende type, waaronder begrepen de fiscale behandeling van premies, uitkeringen en de fiscale consequenties van afkoop;
p. het op de overeenkomst toe te passen recht, of de door de aanbieder voorgestelde rechtskeuze;
q. de invloed van kosten ten laste van de consument op het rendement en de uitkering verbonden aan de overeenkomst;
r. de kosten die naast de brutopremie in rekening worden gebracht;
s. het aan de overeenkomst verbonden financiële risico en de mate waarin dit risico voor rekening is van de consument;
t. de overige algemene en bijzondere polisvoorwaarden.
2.
In afwijking van het eerste lid kan de in dat lid bedoelde informatie onmiddellijk na de totstandkoming van de overeenkomst worden verstrekt of uiterlijk tegelijk met het afgeven van de polis, indien de consument het recht heeft zonder een boete verschuldigd te zijn en zonder opgave van redenen de overeenkomst binnen 30kalenderdagen na de dag waarop hij de informatie heeft ontvangen, terugwerkend tot de datum van de totstandkoming van de overeenkomst, te ontbinden en de consument is geïnformeerd over de wijze waarop hij gebruik kan maken van dat recht.
3.
Voorzover het financiële risico ingevolge een overeenkomst inzake een levensverzekering voor rekening van de consument is, kan de aanbieder van levensverzekeringen met de consument overeenkomen dat de eventueel na de totstandkoming van de overeenkomst opgetreden waardevermeerdering of -vermindering van de beleggingen voor rekening van de consument blijft indien deze ingevolge het tweede lid de overeenkomst, terugwerkend tot de datum van de totstandkoming van de overeenkomst, ontbindt.
4.
Indien een levensverzekering wordt aangeboden door tussenkomst van een bemiddelaar, een gevolmachtigde agent of een ondergevolmachtigde agent, wordt de in het eerste lid bedoelde informatie door deze bemiddelaar, gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent verstrekt, tenzij de aanbieder en de bemiddelaar, gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent zijn overeengekomen dat de aanbieder zelf aan deze verplichting voldoet.
5.
Indien een uitkering op grond van een overeenkomst inzake een levensverzekering wordt uitgedrukt in rechten van deelneming in een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen stelt de aanbieder aan de consument op diens verzoek informatie ter hand over het beleggingsbeleid van de beleggingsinstelling, waarin aandacht wordt besteed aan de volgende aspecten:
a. de doelstelling van het beleggingsbeleid, alsmede de voor het beheer gehanteerde referentieportefeuille;
b. aan het beleggingsbeleid gestelde restricties;
c. de beleggingstitels die zijn toegestaan alsmede de afgeleide instrumenten die kunnen worden gebruikt.
Artikel 33
Indien in geval van een overeenkomst inzake een schadeverzekering een risico is gelegen in een andere lidstaat dan Nederland, onderscheidenlijk indien in geval van een overeenkomst inzake een levensverzekering de consument in een andere lidstaat dan Nederland woonachtig of gevestigd is, wordt de aan de consument te verstrekken informatie gegeven volgens de in die andere lidstaat vastgestelde regels ter uitvoering van de artikelen 31 en 43 van richtlijn nr. 92/49/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 juni 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en houdende wijziging van de richtlijnen 73/239/EEG en 88/357/EEG (derde richtlijn schadeverzekering) (PbEG L 228) en van artikel 31 en bijlage II van richtlijn nr. 2002/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 november 2002 betreffende levensverzekering (PbEG L 345).
1.
Onverminderd artikel 30 verstrekt een aanbieder van natura-uitvaartverzekeringen voorafgaande aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een natura-uitvaartverzekering, voorzover van toepassing, ten minste de volgendeinformatie:
a. zijn rechtsvorm;
b. een omschrijving van de prestatie waartoe de aanbieder zich verplicht;
c. een omschrijving van de keuzemogelijkheden die de consument of de verzekerde ingevolge de overeenkomst heeft;
d. een opgave of de premie eenmalig is verschuldigd dan wel periodiek;
e. de periode gedurende welke premie verschuldigd is;
f. een opgave van de indexering die wordt toegepast op de verzekerde prestatie of op de premie;
g. de overige mogelijkheden die de aanbieder heeft om de verzekerde prestatie of de premie aan te passen;
h. een opgave of indicatie van de afkoop- of premievrije waarde of een opgave van de wijze waarop deze waarden worden berekend;
i. de wijze waarop de consument gebruik kan maken van zijn recht, bedoeld in artikel 26 van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf, om de overeenkomst op te zeggen;
j. de wijze waarop de overeenkomst kan worden beëindigd en de termijn die daarbij in acht wordt genomen;
k. het op de overeenkomst toe te passen recht, of de door de aanbieder voorgestelde rechtskeuze;
l. een opgave van de uitvaartonderneming die de uitvaart zal verzorgen, dan wel van de wijze waarop wordt bepaald welke uitvaartonderneming de uitvaart zal verzorgen;
m. de overige algemene en bijzondere polisvoorwaarden.
2.
Indien de termijn van beëindiging, bedoeld in het eerste lid, onder j, langer is dan een jaar, maakt de aanbieder dit op een opvallende wijze expliciet kenbaar aan de consument, bij gebreke waarvan een opzegtermijn van een jaar geldt ongeacht het in de overeenkomst bepaalde.
3.
In afwijking van het eerste lid kan de in dat lid bedoelde informatie onmiddellijk na de totstandkoming van de overeenkomst worden verstrekt, of uiterlijk tegelijk met het afgeven van de polis, indien de consument het recht heeft zonder een boete verschuldigd te zijn en zonder opgave van redenen de overeenkomst binnen 30 kalenderdagen na de dag waarop hij de informatie heeft ontvangen, terugwerkend tot de datum van de totstandkoming van de overeenkomst, te ontbinden en de consument is geïnformeerd over de wijze waarop hij gebruik kan maken van dat recht.
4.
Indien een natura-uitvaartverzekering wordt aangeboden door tussenkomst van een bemiddelaar, een gevolmachtigde agent of een ondergevolmachtigde agent, wordt de in het eerste lid bedoelde informatie door deze bemiddelaar, gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent verstrekt, tenzij de aanbieder en de bemiddelaar, gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent zijn overeengekomen dat de aanbieder zelf aan deze verplichting voldoet.
5.
Het eerste tot en met het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op verzekeraars, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onder e, van de wet, die overeenkomsten aangaan die strekken tot fondsvorming ter voldoening van de verzorging van de uitvaart van de mens als bedoeld in artikel 5 van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf.
6.
De in het vijfde lid bedoelde verzekeraars verstrekken een consument voorafgaande aan de totstandkoming van een overeenkomst die strekt tot fondsvorming ter voldoening van de verzorging van de uitvaart van de mens informatie over de wijze waarop de ingelegde gelden worden belegd.
7.
Indien de in het vijfde lid bedoelde verzekeraars, in afwijking van het eerste lid, de in dat lid bedoelde informatie onmiddellijk na de totstandkoming van een overeenkomst die strekt tot fondsvorming ter voldoening van de verzorging van de uitvaart van de mens, of uiterlijk tegelijk met het afgeven van de polis, verstrekken in overeenstemming met het derde lid, komen deze verzekeraars met de consument overeen dat de eventueel na de totstandkoming van de overeenkomst opgetreden waardevermeerdering of -vermindering van de beleggingen voor rekening van de consument blijft, indien deze ingevolge het derde lid de overeenkomst, terugwerkend tot de datum van de totstandkoming van de overeenkomst, ontbindt.
1.
Onverminderd artikel 30 houdt een aanbieder van een beleggingsobject een beleggingsobjectprospectus beschikbaar op zijn website en verstrekt hij onverwijld een beleggingsobjectprospectus op verzoek van een consument. Indien de aanbieder niet beschikt over een website verstrekt hij eveneens onverminderd artikel 30, een beleggingsobjectprospectus aan een consument voorafgaande aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een beleggingsobject. Aan de verstrekking van een beleggingsobjectprospectus zijn voor de consument geen kosten verbonden.
2.
Indien een beleggingsobject wordt aangeboden door tussenkomst van een bemiddelaar, wordt het beleggingsobjectprospectus door deze bemiddelaar verstrekt, tenzij de aanbieder en de bemiddelaar zijn overeengekomen dat de aanbieder zelf aan deze verplichting voldoet. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.
3.
In het beleggingsobjectprospectus wordt, voorzover van toepassing, de volgende informatie behandeld:
a. de naam, rechtsvorm, datum van oprichting, statutaire zetel en de plaats van vestiging van het hoofdkantoor van de aanbieder;
b. een beschrijving van de groep waartoe de financiële dienstverlener behoort en de daaraan gelieerde partijen;
c. de algemene en bijzondere voorwaarden, alsmede de wijze waarop deze voorwaarden kunnen worden gewijzigd en de bekendmaking van een wijziging aan de consument;
d. een beschrijving van de belangrijkste kenmerken van de serie van beleggingsobjecten waarvan het beleggingsobject deel uitmaakt, waaronder in ieder geval de aard, de bestaansduur en de aan de serie van beleggingsobjecten verbonden financiële en overige risico’s, die onder meer inzichtelijk worden gemaakt door een risico-indicator, alsmede de effecten van die risico’s op het rendement van de consument;
e. een beschrijving van de activiteiten van de aanbieder met betrekking tot de serie van beleggingsobjecten waarvan het beleggingsobject deel uitmaakt, voorzover mogelijk te onderscheiden in:
1°. operationele activiteiten, alsmede waar deze plaatsvinden;
2°. financieringsactiviteiten, voorzover mogelijk te onderscheiden in het als kredietnemer aangaan van overeenkomsten inzake krediet en het als crediteur uitzetten van gelden;
3°. uitbestedingsactiviteiten en het beleid inzake het uitbesteden van activiteiten aan derden, waaronder ten minste een beschrijving van de werkzaamheden die zijn uitbesteed, de naam en de statutaire zetel van de derde waaraan werkzaamheden zijn uitbesteed, alsmede de vermelding, indien van toepassing, dat de derde een gelieerde partij is;
f. een beschrijving van de wijze waarop wordt bepaald of de opbrengsten van de aanbieder aan de consument worden uitgekeerd;
g. een beschrijving van de door de aanbieder te verstrekken garanties die aan de consument in het vooruitzicht worden gesteld;
h. een beschrijving van de transacties die worden verricht met gelieerde partijen, waaronder:
1°. de vermelding of een transactie onder marktconforme voorwaarden plaatsvindt, dan wel, indien dat niet het geval is, wat de reden daarvoor is; en
2°. indien een transactie plaatsvindt buiten een gereglementeerde of een andere geregelde, of een regelmatig functionerende open markt, de vermelding of aan de transactie een onafhankelijke waardebepaling ten grondslag ligt of dat de waarde kan worden bepaald door een of meer bij de transactie betrokken partijen;
i. de kosten op jaarbasis per serie van beleggingsobjecten waarvan het beleggingsobject deel uitmaakt, en de relevante aannames die daaraan ten grondslag liggen; en
j. de gegevens op jaarbasis per serie van beleggingsobjecten waarvan het beleggingsobject deel uitmaakt, betreffende:
1°. de bruto waarde;
2°. de financieringen;
3°. de prestatievergoedingen; en
4°. de rentebaten,
inclusief de daarbij gehanteerde waarderingsgrondslagen, waarbij als uitgangspunt geldt dat de bruto waarde wordt gebaseerd op de vrije verkoopwaarde per serie van beleggingsobjecten.
4.
Het beleggingsobjectprospectus bevat geen informatie over andere onderwerpen dan bedoeld in het derde lid.
5.
De toezichthouder kan regels stellen met betrekking tot de wijze van verstrekking van de informatie, bedoeld in het derde lid, alsmede met betrekking tot de berekening van de kosten, risico’s en opbrengsten, bedoeld in het derde lid.
1.
Onverminderd artikel 30 houdt een aanbieder van krediet, niet zijnde hypothecair krediet, een prospectus beschikbaar op zijn website en verstrekt hij onverwijld een prospectus op verzoek van een consument, of, indien de aanbieder van krediet, niet zijnde hypothecair krediet, niet beschikt over een website, verstrekt hij een prospectus aan een consument voorafgaande aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een krediet. Aan de verstrekking van een prospectus zijn voor de consument geen kosten verbonden.
2.
Indien een krediet, niet zijnde een hypothecair krediet, wordt aangeboden door tussenkomst van een bemiddelaar, wordt een prospectus door deze bemiddelaar verstrekt, tenzij de aanbieder en de bemiddelaar zijn overeengekomen dat de aanbieder zelf aan deze verplichting voldoet. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.
3.
In het prospectus wordt de volgende informatie behandeld:
a. een beschrijving van de bij een kredietaanvraag te volgen procedure;
b. een globale beschrijving van de criteria die ten grondslag liggen aan de beoordeling van de kredietwaardigheid van de consument, waarin ten minste twee representatieve voorbeelden van toepassing van die criteria zijn opgenomen;
c. tenzij het prospectus betrekking heeft op een overeenkomst inzake krediet als bedoeld in artikel 60, tweede lid, de vermelding van:
1°. het feit dat de aanbieder van krediet aan een stelsel van kredietregistratie als bedoeld in artikel 53 van de wet, deelneemt,
2°. de naam en de plaats van vestiging van de instelling die dat stelsel in stand houdt,
3°. het doel en de werkwijze van dat stelsel, waaruit in ieder geval blijkt in welke gevallen gegevens betreffende de kredietwaardigheid van de consument door de aanbieder van krediet kunnen worden opgevraagd, en dat gegevens met betrekking tot een verleend krediet door de aanbieder van krediet worden verstrekt aan en worden geregistreerd door de instelling die dat stelsel in stand houdt;
d. zodanige aanduidingen of omschrijvingen van het aangeboden krediet, dat daaruit blijkt of het een doorlopend krediet, dan wel een ander krediet, betreft;
e. een beschrijving van de algemene voorwaarden, waaronder de betrokken aanbieder van krediet bereid is overeenkomsten inzake krediet aan te gaan, waaronder in ieder geval, indien van toepassing, de voorwaarden inzake:
1°. ten behoeve van de aanbieder van krediet te vestigen zekerheidsrechten,
2°. vervroegde opeisbaarheid van het door de consument verschuldigde, en
3°. de bevoegdheid van de consument tot volledige of gedeeltelijke vervroegde aflossing;
f. indien de consument zich bij de totstandkoming van een overeenkomst inzake krediet verplicht tot het aangaan van een andere overeenkomst:
1°. een beschrijving van het daartoe strekkende beding, en
2°. de vermelding dat de consument het recht heeft te bepalen met welke wederpartij die andere overeenkomst zal worden aangegaan, tenzij artikel 33, onderdeel b, onder 1°, van de Wet op het consumentenkrediet niet op het krediet van toepassing is;
g. de vermelding dat de consument eerst na ingebrekestelling een vergoeding verschuldigd wordt, indien hij nalatig blijft in zijn verplichting tot betaling, tenzij artikel 34, onderdeel b, van de Wet op het consumentenkrediet niet op het krediet van toepassing is;
h. een toelichting met betrekking tot de op grond van artikel 28, zevende lid, te bezigen aanduiding in de volgende bewoordingen: «De effectieve rente op jaarbasis is een prijsaanduiding voor het krediet. Hierin komen alle kosten van het krediet tot uitdrukking.».
4.
Het derde lid, onderdeel f, aanhef en onder 2°, is niet van toepassing op een beding als bedoeld in artikel 33, onderdeel b, onder 2°, van de Wet op het consumentenkrediet.
5.
Een aanbieder van doorlopend krediet behandelt in het prospectus tevens de volgende onderwerpen:
a. ten minste en uitsluitend vier representatieve kredietlimieten met daarbij de overige kenmerken van het krediet, bedoeld in artikel 28, eerste en tweede lid;
b. de uitgangspunten bij de berekening van de theoretische looptijd;
c. indien van toepassing, de hoogte van de vergoeding die verschuldigd wordt, indien de consument, na ingebrekestelling, nalatig blijft in zijn verplichting tot betaling;
d. indien van toepassing, de hoogte van de vergoeding die verschuldigd wordt, indien de consument vervroegd aflost.
6.
Een aanbieder van krediet, niet zijnde doorlopend krediet, behandelt in het prospectus tevens de volgende onderwerpen:
a. ten minste en uitsluitend vier representatieve kredietsommen met daarbij de overige kenmerken van het krediet, bedoeld in artikel 28, eerste en tweede lid;
b. ten minste één voorbeeld van een berekening waaruit blijkt op welke wijze met behulp van de kredietsom, de maandlast en de looptijd het bedrag kan worden bepaald van het totaal aan kredietvergoeding dat de consument verschuldigd is bij een regelmatige afwikkeling van de overeenkomst;
c. indien van toepassing, de hoogte van de vergoeding die verschuldigd wordt, indien de consument, na ingebrekestelling, nalatig blijft in zijn verplichting tot betaling;
d. indien van toepassing, de hoogte van de vergoeding die verschuldigd wordt, indien de consument vervroegd aflost, alsmede ten minste één voorbeeld van een berekening waaruit blijkt op welke wijze het bedrag van deze vergoeding wordt bepaald.
7.
Het prospectus bevat geen informatie over andere onderwerpen dan bedoeld in het derde, vijfde en zesde lid.
8.
De toezichthouder kan regels stellen met betrekking tot de wijze van verstrekking van de informatie, bedoeld in het derde, vijfde en zesde lid.
9.
Het eerste tot en het met achtste lid zijn niet van toepassing op aanbieders van of bemiddelaars in krediet voor zover de overeenkomst inzake een krediet dient ter financiering van effecten en het krediet bestaat uit de belening van:
a. effecten die zijn toegelaten tot de handel op een op grond van artikel 22, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 erkende effectenbeurs of een gereglementeerde markt als bedoeld in artikel 1, onder 13, van richtlijn nr. 93/22/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten (PbEG L 141), waarvan de houder in een andere lidstaat is gevestigd; of
b. niet tot de handel op een in onderdeel a bedoelde effectenbeurs toegelaten effecten, voorzover de waarde daarvan door middel van een openbare prijsaanduiding voor een ieder kenbaar is.
Artikel 37
De theoretische looptijd wordt berekend op de in bijlage 9 bij dit besluit aangegeven wijze.
1.
Onverminderd artikel 30 houdt een aanbieder van een complex product een financiële bijsluiter beschikbaar op zijn website en verstrekt hij de financiële bijsluiter onverwijld op verzoek van een consument. Indien het complexe product een recht van deelneming in een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 12, derde lid, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen betreft, verstrekt de aanbieder, in afwijking van de eerste volzin, een financiële bijsluiter aan een consument voorafgaande aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een recht van deelneming in een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 12, derde lid, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen. Aan de verstrekking van een financiële bijsluiter zijn voor de consument geen kosten verbonden.
2.
Indien een complex product wordt aangeboden door tussenkomst van een bemiddelaar, een gevolmachtigde agent of een ondergevolmachtigde agent, wordt een financiële bijsluiter door deze bemiddelaar, gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent onverwijld en kosteloos verstrekt, tenzij de aanbieder en de bemiddelaar, gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent zijn overeengekomen dat de aanbieder zelf aan deze verplichting voldoet. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing indien het een complex product betreft, niet zijnde een recht van deelneming in een beleggingsinstellingals bedoeld in artikel 12, eerste lid, of artikel 17c, eerste lid, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen, ten aanzien waarvan uitsluitend financiële diensten worden verleend aan:
a. consumenten die woonachtig zijn buiten Nederland en in de aan die consumenten verstrekte informatie over het complexe product wordt vermeld dat het aanbod niet is of zal zijn gericht tot consumenten die woonachtig zijn in Nederland;
b. natuurlijke personen of rechtspersonen die handelen in de uitoefening van hun bedrijf of beroep.
4.
Bij ministeriële regeling kan een ander financieel product dan bedoeld in artikel 1, onderdeel d, worden aangewezen als een complex product, indien dit ten behoeve van de vergelijkbaarheid van complexe producten met dit financiële product in verband met het adequaat functioneren van de financiële markten of de positie van de consument op die markten wenselijk is.
5.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een financiële dienstverlener die een complex product samenstelt als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, onder 1°, 4° of 6°, en dat product algemeen in de markt verkrijgbaar stelt.
1.
In een financiële bijsluiter worden de volgende onderwerpen behandeld:
a. het doel van de financiële bijsluiter;
b. de aard en het doel van het complexe product;
c. de financiële risico’s van het complexe product die onder meer inzichtelijk worden gemaakt door een risico-indicator en, indien het een beleggingsobject betreft, de overige risico’s die samenhangen met dat product;
d. de verplichtingen voor de consument;
e. het al dan niet bestaan van een contractueel recht om de overeenkomst inzake het complexe product tussentijds op te zeggen, de daaraan verbonden kosten en de overige gevolgen;
f. de gevolgen bij overlijden van de consument;
g. voorbeeldrendementen en de kosten van het complexe product;
h. in het belang van een goede informatieverstrekking aan consumenten bij ministeriële regeling aan te wijzen andere onderwerpen.
2.
In afwijking van het eerste lid worden in een financiële bijsluiter die betrekking heeft op een recht van deelneming in een beleggingsinstellingals bedoeld in artikel 12, eerste lid, of artikel 17c, eerste lid, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen, niet zijnde een recht van deelneming dat voldoet aan artikel 3, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer, de volgende onderwerpen behandeld:
a. de vermelding dat het een financiële bijsluiter betreft, welke beleggingsinstelling het betreft en een korte omschrijving van de beleggingsinstelling;
b. het doel van de financiële bijsluiter en de registratie van de beleggingsinstelling bij de toezichthouder;
c. de aard en het doel van de beleggingsinstelling;
d. de financiële risico’s van het recht van deelneming in een beleggingsinstelling die onder meer inzichtelijk worden gemaakt door een risico-indicator;
e. de verplichtingen voor de consument;
f. de kosten en, indien beschikbaar, het historisch rendement van het recht van deelneming;
g. het al dan niet bestaan van een contractueel recht om de overeenkomst inzake het complexe product tussentijds op te zeggen, de daaraan verbonden kosten en de overige gevolgen;
h. fiscale aspecten van de rechten van deelneming in een beleggingsinstelling;
i. in het belang van een goede informatieverstrekking aan consumenten bij ministeriële regeling aan te wijzen andere onderwerpen.
3.
Een financiële bijsluiter bevat geen informatie over andere onderwerpen dan bedoeld in het eerste of tweede lid.
4.
De toezichthouder stelt regels met betrekking tot de wijze waarop de informatie, bedoeld in het eerste en tweede lid, in de financiële bijsluiter dient te worden verstrekt, alsmede met betrekking tot de berekening van de rendementen, kosten en risico’s als bedoeld in het eerste lid, onder c en g, en het tweede lid, onder d en f.
5.
Indien het een financiële bijsluiter betreft die betrekking heeft op rechten van deelneming in een beleggingsinstellingals bedoeld in artikel 12, derde lid, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen, stelt de toezichthouder regels voorzover deze strekken tot het uitvoeren van richtlijn nr. 85/611/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) met het oog op reglementering van beheermaatschappijen en vereenvoudigde prospectussen (PbEG L 41/20).
Artikel 40
Deze paragraaf is niet van toepassing op het verstrekken van informatie inzake overeenkomsten op afstand ten aanzien waarvan uitsluitend financiële diensten worden verleend aan natuurlijke personen of rechtspersonen die handelen in de uitoefening van hun bedrijf of beroep.
1.
In afwijking van artikel 30 en onverminderd de artikelen 31 tot en met 39, verstrekt een financiële dienstverlener een consument voorafgaande aan de totstandkoming van een overeenkomst op afstand, voorzover van toepassing, ten minste de volgende informatie:
a. zijn naam en adres en, indien de financiële dienstverlener een rechtspersoon is, de statutaire naam en handelsnaam of handelsnamen;
b. de aard van zijn financiële dienstverlening;
c. zijn interne klachtenprocedure, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder a, van de wet en de erkende geschilleninstantie waarbij hij is aangesloten;
d. zijn registratie bij de toezichthouder;
e. de naam van de Kamer van Koophandel en Fabrieken in het handelsregister waarvan hij is ingeschreven en het nummer van de inschrijving;
f. de belangrijkste kenmerken van het financiële product;
g. de financiële en overige risico’s die met het financiële product samenhangen;
h. de totale kosten, of, wanneer de exacte kosten niet kunnen worden aangegeven, de grondslag voor de berekening van de kosten, zodat de consument de kosten kan verifiëren;
i. de omstandigheid dat de consument andere bedragen verschuldigd kan zijn die niet via de financiële dienstverlener worden betaald of door hem worden opgelegd;
j. de extra kosten voor het gebruik van een techniek voor communicatie op afstand;
k. de wijze van betaling door de consument en de wijze van uitvoering van de overeenkomst op afstand;
l. beperkingen in de geldigheidsduur van de verstrekte informatie;
m. de minimale looptijd van de overeenkomst op afstand;
n. het contractuele recht op tussentijdse beëindiging van de overeenkomst op afstand en de eventuele boete verbonden aan de uitoefening van dat recht;
o. het feit dat het in artikel 40, eerste en tweede lid, van de wet bedoelde recht, wel of niet van toepassing is, de duur van en de voorwaarden voor de uitoefening van dat recht, met inbegrip van informatie over het bedrag dat de consument gehouden kan zijn te betalen, de gevolgen van niet-uitoefening van dat recht en de praktische instructies voor de uitoefening van dat recht;
p. het bestaan van op de overeenkomst op afstand toepasselijke garantiefondsen of andere compensatieregelingen die niet vallen onder richtlijn nr. 1994/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 mei 1994 inzake de depositogarantiestelsels (PbEG L 135) en richtlijn nr. 1997/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 3 maart 1997 inzake de beleggerscompensatiestelsels (PbEG L 084);
q. de taal of de talen waarin de algemene en bijzondere voorwaarden van de overeenkomst op afstand en de in dit artikel bedoelde informatie worden verstrekt, alsmede de taal of talen waarin de financiële dienstverlener toezegt te zullen communiceren gedurende de looptijd van de overeenkomst op afstand;
r. het op de totstandbrenging van betrekkingen met de consument voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst op afstand toe te passen recht, het op die overeenkomst toe te passen recht en de bevoegde rechter;
s. de overige algemene en bijzondere voorwaarden van de overeenkomst op afstand.
2.
Een financiële dienstverlener die financiële diensten verleent ten aanzien van levensverzekeringen voldoet aan het eerste lid, onderdelen f, g, h, m, n en s, door het verstrekken van de informatie, bedoeld in artikel 32, eerste lid, onderdelen h, i, l, m, n, o, r, s en t.
3.
Een financiële dienstverlener die financiële diensten verleent ten aanzien van natura-uitvaartverzekeringen voldoet aan het eerste lid, onderdeel n, door het verstrekken van de informatie, bedoeld in artikel 34, eerste lid, onderdelen h, i, en j.
1.
Indien een overeenkomst op afstand op verzoek van de consument tot stand is gekomen met gebruikmaking van een techniek voor communicatie op afstand waarmee de in artikel 41 bedoelde informatie niet schriftelijk of via een andere duurzame drager als bedoeld in artikel 26, eerste lid, voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst kan worden verstrekt, is het een financiële dienstverlener toegestaan de informatie onmiddellijk na de totstandkoming van de overeenkomst op afstand aan de consument te verstrekken.
2.
In afwijking van artikel 41, eerste lid, aanhef, verstrekt een financiële dienstverlener een consument de in dat artikel bedoelde informatie:
a. indien het een overeenkomst op afstand inzake een schadeverzekering betreft, uiterlijk tegelijk met het afgeven van de polis;
b. indien het een overeenkomst op afstand inzake een levensverzekering, een natura-uitvaartverzekering of een overeenkomst op afstand die strekt tot fondsvorming ter voldoening van de verzorging van de uitvaart van de mens als bedoeld in artikel 5 van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf betreft, uiterlijk tegelijk met het afgeven van de polis. Indien het een overeenkomst op afstand inzake een levensverzekering of een overeenkomst op afstand die strekt tot fondsvorming ter voldoening van de verzorging van de uitvaart van de mens betreft waarvan de waarde afhankelijk is van de ontwikkeling op financiële markten of andere markten, heeft de consument in dat geval het recht zonder een boete verschuldigd te zijn en zonder opgave van redenen de overeenkomst binnen 30 kalenderdagen na de dag waarop hij de informatie heeft ontvangen, terugwerkend tot de datum van het tot stand komen van de overeenkomst, te ontbinden en wordt de consument door de financiële dienstverlener geïnformeerd over de wijze waarop hij gebruik kan maken van dat recht.
3.
Voorzover het financiële risico ingevolge een overeenkomst op afstand inzake een levensverzekering voor rekening van de consument is, kan de financiële dienstverlener met de consument overeenkomen dat de eventueel na de totstandkoming van de overeenkomst opgetreden waardevermeerdering of -vermindering van de beleggingen voor rekening van de consument blijft indien deze de overeenkomst terugwerkend tot de datum van de totstandkoming van de overeenkomst ontbindt.
4.
Verzekeraars als bedoeld in artikel 34, vijfde lid, die overeenkomsten op afstand aangaan die strekken tot fondsvorming ter voldoening van de verzorging van de uitvaart van de mens en die overeenkomstig het tweede lid, onderdeel b, de in dat lid bedoelde informatie uiterlijk tegelijk met het afgeven van de polis verstrekken, komen met de consument overeen dat de eventueel na de totstandkoming van de overeenkomst opgetreden waardevermeerdering of -vermindering van de beleggingen voor rekening van de consument blijft, indien deze ingevolge het tweede lid, onderdeel b, de overeenkomst, terugwerkend tot de datum van de totstandkoming van de overeenkomst, ontbindt.
1.
Aan een consument worden bij het gebruik van de telefoon voor het doen van ongevraagde oproepen ter bevordering van de totstandkoming van een overeenkomst op afstand, aan het begin van elk gesprek duidelijk de identiteit van de financiële dienstverlener, alsmede het commerciële oogmerk van de oproep meegedeeld. In afwijking van artikel 41, kan de financiële dienstverlener in dergelijke oproepen, indien de consument daarmee uitdrukkelijk instemt, volstaan met het informeren van de consument over:
a. de identiteit van de persoon die in contact staat met de consument en de relatie van deze persoon met de financiële dienstverlener;
b. de belangrijkste kenmerken van het financiële product;
c. de totale kosten, of, wanneer de exacte kosten niet kunnen worden aangegeven, de grondslag voor de berekening van de kosten, zodat de consument de kosten kan verifiëren;
d. de omstandigheid dat de consument andere bedragen verschuldigd kan zijn die niet via de financiële dienstverlener worden betaald of door hem worden opgelegd;
e. de toepasselijkheid van het in artikel 40, eerste en tweede lid, van de wet bedoelde recht, de duur van en de voorwaarden voor de uitoefening van dat recht, met inbegrip van informatie over het bedrag dat de consument gehouden kan zijn te betalen, de gevolgen van niet-uitoefening van dat recht;
f. de omstandigheid dat op verzoek van de consument andere informatie beschikbaar is, waarbij de aard van die informatie aan de consument wordt medegedeeld.
2.
Indien een overeenkomst op afstand tot stand komt via spraaktelefonie, verstrekt een financiële dienstverlener de in artikel 41, eerste lid, bedoelde informatie onmiddellijk na de totstandkoming van de overeenkomst op afstand aan de consument. Voorzover het een overeenkomst inzake een schadeverzekering, een natura-uitvaartverzekering of een levensverzekering betreft, is artikel 42, tweede lid, aanhef en onder a, onderscheidenlijk het tweede lid, aanhef en onder b, of het derde lid van overeenkomstige toepassing.
3.
Artikel 26, eerste lid, eerste volzin, is niet van toepassing op het verstrekken van informatie als bedoeld in het eerste lid.
1.
Het gebruik van automatische oproepsystemen zonder menselijke tussenkomst, faxen of elektronische berichten voor het overbrengen van ongevraagde informatie aan een consument, ter bevordering van de totstandkoming van een overeenkomst op afstand, is uitsluitend toegestaan indien de consument daarvoor voorafgaand toestemming heeft verleend, onverminderd het derde lid. Er zijn geen kosten verbonden aan het verlenen van deze toestemming.
2.
Het gebruik van andere dan de in het eerste lid genoemde technieken voor communicatie op afstand voor het overbrengen van ongevraagde informatie of het doen van ongevraagde mededelingen aan een consument, ter bevordering van de totstandkoming van een overeenkomst op afstand, is toegestaan, tenzij de desbetreffende consument te kennen heeft gegeven dat hij informatie of mededelingen waarbij van deze technieken gebruik wordt gemaakt, niet wenst te ontvangen. Er zijn geen kosten verbonden aan voorzieningen waarmee wordt voorkomen dat een consument ongevraagde informatie wordt overgebracht.
3.
Een financiële dienstverlener die elektronische contactgegevens voor elektronische berichten heeft verkregen in het kader van de verkoop van een financieel product mag deze gegevens gebruiken voor het overbrengen van informatie ter bevordering van de totstandkoming van een overeenkomst op afstand met betrekking tot eigen gelijksoortige financiële producten, indien bij de verkrijging van de contactgegevens aan de consument duidelijk en uitdrukkelijk de gelegenheid is geboden om kosteloos en op gemakkelijke wijze verzet aan te tekenen tegen het gebruik van die elektronische contactgegevens, en, indien de consument hiervan geen gebruik heeft gemaakt, hem bij elke tot stand gebrachte communicatie de mogelijkheid wordt geboden om onder dezelfde voorwaarden verzet aan te tekenen tegen het verdere gebruik van zijn elektronische contactgegevens. Artikel 41, tweede lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens is van overeenkomstige toepassing. Er zijn geen kosten verbonden aan het aantekenen van verzet tegen het gebruik van elektronische contactgegevens.
4.
Bij het gebruik van elektronische berichten ter bevordering van de totstandkoming van een overeenkomst op afstand dienen te allen tijde de volgende gegevens te worden vermeld:
a. de werkelijke identiteit van degene namens wie de communicatie wordt overgebracht, en
b. een geldig postadres of nummer waaraan de ontvanger een verzoek tot beëindiging van dergelijke communicatie kan richten.
1.
Gedurende de looptijd van een overeenkomst inzake een levensverzekering verstrekt de aanbieder de consument, voorzover van toepassing, ten minste de volgende informatie:
a. iedere wijziging van zijn handelsnaam of handelsnamen, statutaire naam, rechtsvorm of adres;
b. iedere wijziging van de algemene of bijzondere polisvoorwaarden;
c. voorzover zulks niet blijkt uit een wijziging van de algemene of bijzondere polisvoorwaarden: iedere wijziging van de overeenkomst ten aanzien van de in de artikelen 30, eerste lid, onderdeel c, en 32, eerste lid, onderdelen b tot en met l en n tot en met s, bedoelde onderwerpen of van de op die onderdelen van toepassing zijnde regelgeving;
d. de jaarlijkse winstdeling;
e. de actuele afkoop- of premievrije waarde, bedoeld in de artikelen 32, eerste lid, onderdeel l, indien de consument daarom verzoekt; en
f. indien een uitkering wordt uitgedrukt in rechten van deelneming in een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen, het gevoerde beheer van de beleggingsinstelling.
2.
Artikel 33 is van overeenkomstige toepassing.
1.
Gedurende de looptijd van een overeenkomst inzake een natura-uitvaartverzekering verstrekt de aanbieder de consument, voorzover van toepassing, ten minste de volgende informatie:
a. iedere wijziging van zijn handelsnaam of handelsnamen, statutaire naam, rechtsvorm of adres;
b. iedere wijziging van de algemene of bijzondere polisvoorwaarden; en
c. voorzover zulks niet blijkt uit een wijziging van de algemene of bijzondere polisvoorwaarden: iedere wijziging van de overeenkomst ten aanzien van de in de artikelen 30, eerste lid, onderdeel c, en 34, eerste lid, onderdelen b tot en met h, j en l bedoelde onderwerpen of van de op die onderdelen van toepassing zijnde regelgeving;
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op verzekeraars als bedoeld in artikel 14, eerste lid, onder e, van de wet die overeenkomsten aangaan die strekken tot fondsvorming ter voldoening van de verzorging van de uitvaart van de mens als bedoeld in artikel 5 van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf.
Artikel 47
Gedurende de looptijd van een overeenkomst op afstand verstrekt een financiële dienstverlener aan de consument op diens verzoek de algemene en bijzondere voorwaarden van de overeenkomst. Voorts kan de consument het gebruik van een ander middel van communicatie op afstand verlangen, tenzij dat niet met de tot stand gekomen overeenkomst op afstand te verenigen is.
1.
Gedurende de looptijd van een overeenkomst inzake een beleggingsobject verstrekt de aanbieder de consument ten minste de volgende informatie:
a. een door een accountant gecontroleerde jaarrekening, waarvan de toelichting ten minste een opsplitsing bevat van de totale verkoopkosten, de productiekosten, de beheerkosten en de administratieve kosten van de aanbieder, een opsplitsing van deze kosten per serie van beleggingsobjecten waartoe het beleggingsobject behoort, alsmede het totaal van de door consumenten ingelegde gelden in de serie van beleggingsobjecten. De opstelling van de jaarrekening geschiedt door een aanbieder met een zetel in Nederland zoveel mogelijk overeenkomstig boek 2 van het Burgerlijk Wetboek . De opstelling van de jaarrekening van een aanbieder met een zetel in andere lidstaat geschiedt overeenkomstig de voorschriften van de vierde richtlijn nr. 78/660/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 juli 1978 op de grondslag van artikel 54, lid 3 sub g van het Verdrag betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen (PbEG L 222) en van de zevende richtlijn nr. 83/349/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 13 juni 1983 op de grondslag van artikel 54, lid 3 sub g van het Verdrag betreffende de geconsolideerde jaarrekening (Pb EG L 193).Voor de overige aanbieders geschiedt de opstelling op gelijkwaardige wijze. In de jaarrekening wordt meegedeeld overeenkomstig welke voorschriften de opstelling geschiedt;
b. een door een onafhankelijke deskundige opgestelde waardering van de serie van beleggingsobjecten waartoe het beleggingsobject behoort, welke waardering ten minste een maal per jaar dient te worden uitgevoerd;
c. in het belang van een goede informatieverstrekking aan consumenten bij ministeriële regeling aan te wijzen andere onderwerpen.
2.
De aanbieder houdt de informatie, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, gedurende ten minste drie jaar beschikbaar op zijn eigen website.
3.
De toezichthouder kan regels stellen met betrekking tot de wijze van verstrekking van de informatie, bedoeld in het eerste lid, alsmede met betrekking tot de berekening van de kosten, bedoeld in het eerste lid, onder a.
1.
Gedurende de looptijd van een overeenkomst inzake krediet met een variabele kredietvergoeding informeert de aanbieder de consument over elke wijziging van de kredietvergoeding, waarbij hij de consument tevens informeert over het gewijzigde effectieve kredietvergoedingspercentage op jaarbasis.
2.
Gedurende de looptijd van een overeenkomst inzake krediet verstrekt de aanbieder de consument op diens verzoek een gespecificeerd overzicht van het uitstaand saldo. Hij kan daarbij een vergoeding in rekening brengen van ten hoogste het bedrag van de werkelijke kosten.
3.
Binnen korte tijd na de afwikkeling van een overeenkomst inzake krediet verstrekt de aanbieder van krediet aan de consument op diens verzoek kosteloos een gespecificeerde afrekening.
Artikel 50
Een financiële dienstverlener stelt aan alle personen die binnen zijn onderneming betrokken zijn bij de afhandeling van klachten van consumenten over door hem verleende financiële diensten, een beschrijving beschikbaar van de te volgen procedure voor de afhandeling van die klachten.
Artikel 51
Met het oog op een adequate behandeling van klachten van consumenten over door een financiële dienstverlener verleende financiële diensten beschikt de financiële dienstverlener over een behoorlijke administratie van die klachten, waarin ten minste worden vastgelegd:
a. de naam en het adres van de consument die een klacht heeft ingediend;
b. de van de consument ontvangen klacht, met de daarbij behorende dagtekening van ontvangst;
c. een omschrijving van de klacht;
d. een beschrijving van de wijze waarop de financiële dienstverlener de klacht heeft behandeld.
Artikel 52
Een financiële dienstverlener bewaart de gegevens, bedoeld in artikel 51, gedurende een periode van ten minste één jaar nadat de klacht door de financiële dienstverlener is afgehandeld.
1.
Onze Minister erkent een geschilleninstantie op aanvraag, indien de aanvrager heeft aangetoond te kunnen voldoen aan de artikelen 54 tot en met 58.
2.
Onze Minister beslist op een aanvraag om erkenning binnen vier maanden nadat de aanvraag is ingediend. De beslissingstermijn kan ten hoogste tweemaal met twee maanden worden verlengd.
3.
Onze Minister kan aan een erkenning voorschriften verbinden.
4.
Een erkende geschilleninstantie verstrekt aan Onze Minister binnen een half jaar na afloop van elk kalenderjaar een opgave van:
a. de in het afgelopen kalenderjaar bij de geschilleninstantie aangesloten financiële dienstverleners;
b. een opgave van het aantal in het afgelopen kalenderjaar ingediende en behandelde geschillen, alsmede een algemene weergave van de aard van de geschillen en de uitkomst van de geschilbeslechting;
5.
Onze Minister kan een erkenning intrekken:
a. op verzoek van de geschilleninstantie;
b. indien de gegevens en bescheiden die zijn verstrekt ter verkrijging van de erkenning zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat de erkenning zou zijn geweigerd, dan wel niet zonder het verbinden van voorschriften zou zijn verleend, indien bij de behandeling van de aanvraag de juiste gegevens volledig bekend waren geweest.
c. indien de geschilleninstantie niet langer voldoet aan het derde of vierde lid, artikel 54, 55, 56, 57 of 58 of een voorschrift, verbonden aan de erkenning.
6.
Van een beslissing tot erkenning of tot intrekking van een erkenning van een geschilleninstantie wordt door Onze Minister mededeling gedaan in de Staatscourant.
1.
Een erkende geschilleninstantie draagt zorg voor de onafhankelijkheid en deskundigheid van het orgaan dat binnen de organisatie van de geschilleninstantie verantwoordelijk is voor de behandeling van het geschil.
2.
De onafhankelijkheid van het orgaan wordt voldoende gewaarborgd indien de leden:
a. gedurende een jaar voorafgaande aan de aanvaarding van hun functie, niet gewerkt hebben voor of enige functie bekleed hebben bij een beroepsorganisatie voor financiële dienstverleners, of voor, onderscheidenlijk bij een financiële dienstverlener, ten aanzien van wiens financiële producten en financiële diensten geschillen ter behandeling aan de geschilleninstantie kunnen worden voorgelegd; en
b. vanaf de aanvaarding van hun functie, niet werkzaam zijn voor of enige functie bekleden bij een beroepsorganisatie voor financiële dienstverleners, of voor, onderscheidenlijk bij een financiële dienstverlener, ten aanzien van wiens financiële producten en financiële diensten geschillen ter behandeling aan de geschilleninstantie kunnen worden voorgelegd.
3.
Ter waarborging van de deskundigheid van het orgaan bezit in ieder geval de voorzitter van het orgaan de hoedanigheid van meester in de rechten.
4.
De bij de benoeming van een lid van het orgaan, bedoeld in het eerste lid, te volgen procedure is schriftelijk vastgelegd.
1.
Een erkende geschilleninstantie beschikt over en handelt in overeenstemming met een reglement voor de behandeling van geschillen dat ten minste omvat:
a. een duidelijke omschrijving van de geschillen die ter behandeling aan de geschilleninstantie kunnen worden voorgelegd;
b. regels met betrekking tot het aanhangig maken van een geschil en een duidelijke omschrijving van de partijen die een geschil aanhangig kunnen maken;
c. regels met betrekking tot de mogelijkheid van wraking van een lid van het orgaan, bedoeld in artikel 54, eerste lid, door partijen, op grond van feiten of omstandigheden die een onpartijdig of onafhankelijk oordeel van dat lid zouden bemoeilijken;
d. regels met betrekking tot de behandeling van een geschil door de geschilleninstantie;
e. regels met betrekking tot het op voet van gelijkheid bieden van gelegenheid aan partijen om mondeling en schriftelijk, desgewenst met bijstand van derden, hun mening aan de geschilleninstantie kenbaar te maken.
f. regels met betrekking tot de voorwaarden waaronder een deskundige kan worden verzocht een advies uit te brengen;
g. regels met betrekking tot de voorwaarden waaronder getuigen en deskundigen kunnen worden gehoord, dan wel inlichtingen van hen kunnen worden ingewonnen;
h. regels met betrekking tot de mogelijkheid voor partijen om van alle door hen naar voren gebrachte feiten en stellingen, alsmede van verklaringen van getuigen en deskundigen, over en weer kennis te nemen en daarop te reageren;
i. regels met betrekking tot de voorwaarden waaronder een geschil door middel van een verkorte schriftelijke procedure of een voorlopig oordeel kan worden afgedaan;
j. regels met betrekking tot het soort regels waarop de geschilleninstantie haar beslissingen baseert;
k. regels met betrekking tot de mogelijkheid dat de beslechting van een geschil resulteert in een niet-bindend advies;
l. de bepaling dat de beslechting van een geschil slechts resulteert in een bindend advies indien betrokken partijen daarmee uitdrukkelijk vooraf hebben ingestemd;
m. regels met betrekking tot de vaststelling van de hoogte van het bedrag, dat, zo dit verschuldigd is, bij het aanhangig maken van het geschil dient te worden voldaan;
n. regels met betrekking tot de mogelijkheid om partijen in de kosten van de behandeling van een geschil te veroordelen en vaststelling van een hierbij geldend maximumbedrag;
o. regels met betrekking tot de vorm, inhoud en bekendmaking van de uitkomst van het advies, bedoeld in de onderdelen k en l, waarbij in ieder geval is bepaald dat deze uitkomst,met redenen omkleed, ondertekend en schriftelijk aan partijen wordt medegedeeld;
p. indien beroep tegen een uitspraak mogelijk is, de regels met betrekking tot het mededelen van de mogelijkheid van beroep, de wijze en termijn van het instellen, alsmede de behandeling van dit beroep.
2.
Een erkende geschilleninstantie houdt het reglement, bedoeld in het eerste lid, beschikbaar en verstrekt het kosteloos op verzoek aan iedere belanghebbende.
Artikel 56
Een erkende geschilleninstantie draagt er zorg voor dat de kosten voor het aanhangig maken van het geschil zodanig beperkt blijven dat de toegang tot de geschilleninstantie niet onredelijk wordt belemmerd.
Artikel 57
Een erkende geschilleninstantie draagt er zorg voor dat de behandeling van een geschil binnen een redelijke termijn wordt beëindigd.
Artikel 58
Een erkende geschilleninstantie stelt aan een financiële dienstverlener die zich bij haar wil aansluiten niet als voorwaarde voor aansluiting dat de financiële dienstverlener andere regels naleeft dan die welke betrekking hebben op het aanhangig maken van een geschil bij de geschilleninstantie of de verdere behandeling van een geschil door de geschilleninstantie.
1.
Een aanbieder van krediet gaat met een consument geen overeenkomst inzake krediet aan waarvan de kredietsom of de kredietlimiet meer dan € 1000,– bedraagt, indien hij niet beschikt over voldoende schriftelijke of op een andere duurzame drager vastgelegde informatie aangaande de financiële positie van de consument om, ter voorkoming van overkreditering, te kunnen beoordelen of het aangaan van de overeenkomst verantwoord is.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op aanbieders van krediet waarvan de kredietsom, dan wel de kredietlimiet, gedurende de looptijd van de overeenkomst inzake het krediet niet hoger is dan 70% van de waarde van de betrokken effecten en de overeenkomst inzake het krediet dient ter financiering van effecten, voor zover het krediet bestaat uit de belening van:
a. effecten die zijn toegelaten tot de handel op een op grond van artikel 22, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 erkende effectenbeurs of een gereglementeerde markt als bedoeld in artikel 1, onder 13, van richtlijn nr. 93/22/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten (PbEG L 141), waarvan de houder in een andere lidstaat is gevestigd; of
b. niet tot de handel op een in onderdeel a bedoelde effectenbeurs toegelaten effecten, voorzover de waarde daarvan door middel van een openbare prijsaanduiding voor een ieder kenbaar is.
1.
Alvorens met een consument een overeenkomst inzake krediet aan te gaan waarvan de kredietsom, dan wel kredietlimiet, meer dan € 250,– bedraagt, raadpleegt een aanbieder van krediet de bij het stelsel van kredietregistratie waaraan hij deelneemt geregistreerde gegevens over reeds aan de consument verleende kredieten.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op aanbieders van krediet als bedoeld in artikel 59, tweede lid.
1.
Ter voorkoming van overkreditering legt een aanbieder van krediet de criteria vast die hij ten grondslag legt aan de beoordeling van een kredietaanvraag van een consument en past hij deze criteria toe bij de boordeling van een kredietaanvraag.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op aanbieders van krediet als bedoeld in artikel 59, tweede lid.
Artikel 62
De artikelen 63 tot en met 67 zijn uitsluitend van toepassing op financiële dienstverlening inzake consumptief krediet.
Artikel 63
Een bemiddelaar heeft slechts aanspraak op provisie ter zake van tot stand gekomen overeenkomsten.
1.
Een bemiddelaar heeft alleen per maand gedurende de looptijd van een overeenkomst inzake krediet welke door zijn bemiddeling tot stand is gekomen, aanspraak op provisie, ten bedrage van een percentage van het uitstaand saldo ter zake van die overeenkomst, zoals dat saldo luidt op de laatste dag van de desbetreffende maand.
2.
De aanbieder en bemiddelaar kunnen het ter zake van de bemiddeling overeengekomen provisiepercentage wijzigen, met dien verstande dat:
a. een overeengekomen percentage telkens gedurende een aaneengesloten tijdvak van ten minste een maand dient te gelden;
b. ten aanzien van reeds tot stand gekomen overeenkomsten inzake krediet, niet zijnde doorlopend krediet, het percentage blijft gelden dat gold op het tijdstip waarop de overeenkomst inzake krediet werd afgesloten;
c. ten aanzien van reeds tot stand gekomen overeenkomsten inzake doorlopend krediet het percentage telkens eerst na 24 maanden kan worden gewijzigd uitsluitend in het percentage dat tussen de aanbieder en de bemiddelaar voor nieuw af te sluiten overeenkomsten inzake krediet geldt op het tijdstip waarop de wijziging plaatsvindt.
Artikel 65
Een bemiddelaar heeft over de periode waarin een consument ten minste twee maanden achterstallig is in de betaling van een vervallen termijnbedrag, geen aanspraak op provisie ter zake van de desbetreffende overeenkomst.
1.
Met ingang van het tijdstip waarop een aanbieder het door een consument verschuldigde vervroegd opeist in een geval als bedoeld in artikel 33, onder c, van de Wet op het consumentenkrediet, heeft de bemiddelaar geen aanspraak meer op provisie ter zake van de desbetreffende overeenkomst.
2.
Met ingang van het tijdstip waarop de overeenkomst inzake krediet van rechtswege wordt ontbonden op grond van artikel 41, derde lid, van de Wet op het consumentenkrediet, heeft de bemiddelaar geen aanspraak meer op provisie ter zake van de desbetreffende overeenkomst, met dien verstande dat indien de ontbinding ongedaan wordt gemaakt op grond van artikel 42, tweede lid, van de Wet op het consumentenkrediet, hij weer aanspraak heeft opprovisie over de periode gerekend vanaf het tijdstip waarop de ontbinding ongedaan is gemaakt.
1.
Een bemiddelaar krijgt geen provisie uitbetaald indien hij uit hoofde van dit besluit geen aanspraak heeft op provisie.
2.
Provisie wordt uitsluitend betaald in giraal geld.
1.
De aan een gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent te verlenen volmacht of ondervolmacht wordt opgemaakt overeenkomstig een bij ministeriële regeling vast te stellen model.
2.
Een volmacht kan door de aanbieder worden beperkt.
3.
Een ondervolmacht kan zowel door de aanbieder als door diens gevolmachtigde, zolang de volmacht van de gevolmachtigde van kracht is, worden beperkt. De ondergevolmachtigde geldt jegens de aanbieder niet als derde.
4.
Beperkingen van de volmacht of ondervolmacht kunnen niet aan derden worden tegengeworpen.
1.
Een bemiddelaar of een gevolmachtigde agent gaat na of de aanbieder voor wie hij bemiddelt of optreedt als gevolmachtigde agent, als aanbieder van financiële producten waarop de bemiddelingsactiviteiten of de activiteiten van de gevolmachtigde agent betrekking hebben, is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 23 van de wet, indien de bemiddelaar of de gevolmachtigde agent in het kader van zijn normale bedrijfsvoering signalen ontvangt die bij hem twijfel oproepen over deze inschrijving.
2.
Het bepaalde in eerste lid met betrekking tot de verhouding tussen de bemiddelaar en de aanbieder is van overeenkomstige toepassing op:
a. de verhouding tussen de bemiddelaar en de gevolmachtigde agent;
b. de verhouding tussen de bemiddelaar en de ondergevolmachtigde agent; en
c. de verhouding tussen de onderbemiddelaar en de bemiddelaar.
3.
Het bepaalde in eerste lid met betrekking tot de verhouding tussen de gevolmachtigde agent en de aanbieder is van overeenkomstige toepassing op:
a. de verhouding tussen de ondergevolmachtigde agent en de gevolmachtigde agent; en
b. de verhouding tussen de ondergevolmachtigde agent en een andere ondergevolmachtigde agent van wie hij een ondervolmacht heeft verkregen.
Artikel 70
Het bedrag van de boete, bedoeld in artikel 74, vijfde lid, van de wet, wordt bepaald op de wijze voorzien in bijlage 10 .
Artikel 71
De artikelen 62 tot en met 66 zijn niet van toepassing op overeenkomsten inzake krediet, niet zijnde doorlopend krediet, welke zijn afgesloten voor 1 januari 1992.
1.
Een diploma is voor de toepassing van artikel 17, eerste lid, onderdeel a, of tweede lid, onderdeel a, geldig, indien het een tussen 1 januari 2000 en 1 oktober 2007 behaald diploma betreft als genoemd in de eerste kolom van de bij dit artikel behorende bijlage 11 , dat is afgegeven door een in de tweede kolom genoemde instelling, voor de eindtermen, bedoeld in de derde kolom van de tabel, en, indien het een diploma betreft voor hypothecair krediet of een levensverzekering, de houder van het diploma vanaf 1 oktober 2007 tevens op de door Onze Minister vast te stellen wijze voldoet aan de eindtermen, opgenomen in bijlage 6 .
2.
Een diploma is voor de toepassing van artikel 17, eerste lid, onderdeel a, of tweede lid, onderdeel a, geldig, indien het een voor 1 januari 2000 behaald diploma betreft als genoemd in de eerste kolom van de bij dit artikel behorende bijlage 11 , dat is afgegeven door een in de tweede kolom genoemde instelling, voor de eindtermen, bedoeld in de derde kolom van de tabel, en, indien de houder van het diploma in de periode van 1 januari 2000 tot de datum van inwerkingtreding van dit besluit ten minste drie jaar relevante werkervaring heeft opgedaan, en, indien het een diploma betreft voor hypothecair krediet of een levensverzekering, de houder van het diploma vanaf 1 oktober 2007 tevens op de door Onze Minister vast te stellen wijzevoldoet aan de eindtermen, opgenomen in bijlage 6 .
3.
Onze Minister kan in aanvulling op het eerste en tweede lid een ander diploma aanwijzen als geldig diploma, bedoeld in artikel 17, eerste lid, onderdeel a, of tweede lid, onderdeel a. Indien een op grond van de vorige volzin aangewezen diploma is behaald voor 1 januari 2000 is het slechts geldig indien de houder van het diploma in de periode van 1 januari 2000 tot de datum van inwerkingtreding van dit besluit ten minste drie jaar relevante werkervaring heeft opgedaan.
4.
De instellingen genoemd in de tweede kolom van de bij dit artikel behorende bijlage 11 beschikken van rechtswege over een erkenning als bedoeld in artikel 20 voor het afgeven van diploma’s genoemd in de eerste kolom. Onverminderd het eerste en tweede lid, is een diploma als genoemd in de eerste kolom van bijlage 11 dat wordt afgegeven na inwerkingtreding van dit artikel, slechts geldig voor de toepassing van artikel 17, eerste lid, onderdeel a, of tweede lid, onderdeel a, indien de in de tweede kolom genoemde instelling op het moment van het afgeven van het diploma over een erkenning beschikt.
Artikel 73
Het besluit van de minister van Financiën van 9 mei 2001 tot uitvoering van artikel 9, onder c, van de Bankwet 1998 (Stb. 233) wordt ingetrokken.
Artikel 74
[Wijzigt het Besluit melding transacties financiering terrorisme.]
Artikel 75
[Wijzigt het Besluit politieregisters.]
Artikel 76
[Wijzigt het Besluit bestuursorganen WNo en Wob.]
Artikel 77
[Wijzigt het Besluit kredietvergoeding.]
Artikel 78
[Wijzigt het Besluit reikwijdte Wet op de erkende onderwijsinstellingen.]
Artikel 79
[Wijzigt het Besluit toezicht beleggingsinstellingen 2005.]
Artikel 80
[Wijzigt de Wet financiële dienstverlening.]
Artikel 81
Artikel 6, tweede lid, geldt niet ten aanzien van personen die zich op het tijdstip van inwerkingtreding van de wet reeds onder de verantwoordelijkheid van de financiële dienstverlener, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, rechtstreeks bezighouden met financiële dienstverlening.
Artikel 82
Het Besluit financiële bijsluiter wordt op het tijdstip van de inwerkingtreding van artikel 38 van dit besluit ingetrokken.
Artikel 83
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 84
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit financiële dienstverlening.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 15 december 2005
De Minister van Financiën ,
Uitgegeven de negenentwintigste december 2005
De Minister van Justitie ,