Besluit van de Bestuurskamer van de Sociaal-Economische Raad van 2 oktober 2003 houdende vaststelling van een aantal beleidsregels (Besluit beleidsregels Bestuurskamer)
Gelet op de artikelen 77, 83, 94, 119, 124, vierde lid, en 126, zevende lid, in samenhang met artikel 128, eerste lid, van de Wet op de bedrijfsorganisatie;
Gelet op de Delegatieverordening Bestuurskamer (RE 6/2000);
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a.
wet:
Wet op de bedrijfsorganisatie ;
b.
Bestuurskamer: commissie, ingesteld bij besluit RE 6/1994 van de Sociaal- Economische Raad op grond van
artikel 19 van de wet;
c.
bedrijfslichaam: een hoofdproduct-, product-, hoofdbedrijf- of bedrijfschap als bedoeld in
artikel 66 van de wet;
1e.
het verstrekken van subsidie;
e.
Verordening representativiteit organisaties: verordening RE 3/2001 van de Sociaal- Economische Raad van 15 september 2000;
g.
notificatierichtlijn:
Richtlijn nr. 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij;
h.
steunmaatregelen: steunmaatregelen als bedoeld in de artikelen 87 en 88 (ex artikelen 92 en 93) van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap;
i.
melding: het op de hoogte brengen van de Europese Commissie van een verordening tot invoering of wijziging van een steunmaatregel, als bedoeld in artikel 88 (ex artikel 93), derde lid, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap;
j.
dagdeel: de delen van een dag waarvan het eerste aanvangt op het tijdstip van aanvang van de eerste bijgewoonde vergadering en het tweede en derde aanvangen nadat sedert dat tijdstip vijf respectievelijk tien uren zijn verstreken.
1.
Onderdeel van de toetsing door de Bestuurskamer van verordeningen van bedrijfslichamen, op grond van de in de wet neergelegde goedkeuringstaak van de Sociaal-Economische Raad en binnen het kader van
artikel 128, eerste lid, van de wet, vormen:
a.
de beleidsregels die in de hoofdstukken van dit besluit zijn opgenomen;
b.
de Modellen voor verordeningen en besluiten bedrijfslichamen, behorend bij dit besluit als
bijlage 1 ;
c.
het Draaiboek EG-/WTO-notificatie voor de publiekrechtelijke; bedrijfsorganisatie, behorend bij dit besluit als
bijlage 2 .
2.
Een bedrijfslichaam maakt bij een verzoek tot goedkeuring van een verordeninggebruik van de 'Geleidebrief aanvraag goedkeuring verordening', volgens het model behorend bij dit besluit als
bijlage 3 .
1.
De Bestuurskamer kan een besluit omtrent goedkeuring verdagen, onder meer indien zij dit in verband met de naleving of juiste naleving van de in het vorige artikel bedoelde beleidsregels nodig oordeelt.
2.
Indien de Bestuurskamer een besluit tot verdaging heeft genomen krijgt het betrokken bedrijfslichaam daarvan onverwijld mededeling.
3.
Indien de Bestuurskamer een besluit tot verdaging heeft genomen in verband met de noodzaak tot notificatie op grond van de notificatierichtlijn of melding van steunmaatregelen door het bedrijfslichaam, wordt het besluit tot verdaging tegelijkertijd in afschrift gezonden aan de Minister van Economische Zaken of de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. De Bestuurskamer neemt het besluit omtrent goedkeuring na ontvangst van een schriftelijke mededeling van de minister dat de desbetreffende verordening geen wijziging behoeft.
4.
Indien een verordening waarvan de Bestuurskamer de beslissing tot goedkeuring heeft verdaagd, door het bedrijfslichaam wordt gewijzigd, biedt het bedrijfslichaam een aangepaste verordening aan de Bestuurskamer ter goedkeuring aan.
1.
Tot het tot stand brengen van nieuwe regelingen wordt alleen besloten, indien de noodzaak daarvan is komen vast te staan.
2.
Met het doen van uitspraken en toezeggingen over nieuwe regelingen wordt grote terughoudendheid betracht.
Artikel 3.2
Alvorens tot het treffen van een regeling wordt besloten, worden de volgende stappen gezet:
a.
kennis wordt vergaard van de relevante feiten en omstandigheden met betrekking tot het bewuste onderwerp;
b.
de doelstellingen die worden nagestreefd, worden zo concreet en nauwkeurig mogelijk vastgesteld;
c.
onderzocht wordt of de gekozen doelstellingen kunnen worden bereikt door middel van het zelfregulerend vermogen in de betrokken sector of sectoren dan wel daarvoor publiekrechtelijke interventie noodzakelijk is;
d.
indien publiekrechtelijke interventie noodzakelijk is, wordt onderzocht of de gekozen doelstellingen kunnen worden bereikt door aanpassing of beter gebruik van bestaande instrumenten dan wel, indien dit niet mogelijk blijkt, welke andere mogelijkheden daartoe bestaan;
e.
de diverse mogelijkheden worden zorgvuldig tegen elkaar afgewogen.
Artikel 3.3
Bij het bepalen van de keuze voor een mogelijkheid tot publiekrechtelijke interventie om een doelstelling te bereiken wordt zoveel mogelijk aangesloten bij het zelfregulerend vermogen in de betrokken sector of sectoren.
Artikel 3.4
Bij de afweging van verschillende mogelijkheden tot publiekrechtelijke interventie om een doelstelling te bereiken wordt in ieder geval gelet op de volgende aspecten:
a.
de mate waarin verwacht mag worden dat een regeling het beoogde doel zal helpen te verwezenlijken;
b.
de neveneffecten van een regeling;
c.
de lasten van een regeling voor de overheid en de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie enerzijds en burgers, bedrijven en instellingen anderzijds.
1.
Gestreefd wordt naar duidelijkheid en eenvoud van regelingen en naar een bestendig karakter daarvan.
2.
Indien een regeling bij wijze van experiment dient te worden ingevoerd, wordt het tijdelijk karakter in de regeling tot uitdrukking gebracht.
1.
Tot het treffen van een regeling wordt niet besloten dan nadat is nagegaan of in voldoende mate handhaving te realiseren valt.
2.
Hierbij wordt onderzocht of handhaving het beste langs tuchtrechtelijke of strafrechtelijke weg dan wel op andere wijze kan plaatsvinden.
Artikel 104 van de wet is daarbij van toepassing.
Artikel 3.7
Een regeling wordt op zodanige wijze ingericht dat zij zo weinig mogelijk conflicten oproept. Daartoe wordt onder meer aan het volgende voldaan:
a.
het aantal beslismomenten waartoe toepassing van de regeling aanleiding geeft, wordt tot een minimum beperkt;
b.
de aard en omvang van uitkeringen, voorzieningen en andere voordelen worden zo duidelijk mogelijk in algemeen verbindende voorschriften of goed kenbaar gemaakte beleidsregels omschreven.
Artikel 3.8
Bij de keuze voor een bepaalde regeling wordt gestreefd naar zo beperkt mogelijke lasten voor burgers, bedrijven en instellingen, voor zover niet uitdrukkelijk het opleggen van lasten wordt beoogd.
Artikel 3.9
Bij de keuze voor een bepaalde regeling wordt eveneens gestreefd naar zo beperkt mogelijke lasten voor de overheid en de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie.
Artikel 3.10
De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een regeling mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met de regeling te dienen doelen.
1.
Bij de toekenning van bestuursbevoegdheden wordt de uitoefening daarvan zoveel mogelijk genormeerd.
2.
Met het oog hierop worden discretionaire bevoegdheden en bevoegdheden met vage toepassingscriteria niet toegekend, tenzij daarvoor goede gronden zijn.
Artikel 3.12
Bij het ontwerpen van regelingen wordt onderzocht welke hogere regels de vrijheid van regeling ten aanzien van het betrokken onderwerp hebben ingeperkt.
1.
Een bedrijfslichaam kan een financiële relatie slechts aangaan of voortzetten indien aan de volgende uitgangspunten is voldaan:
a.
het doel van de financiële relatie is herleidbaar tot de taken en bevoegdheden van het bedrijfslichaam, bedoeld in
artikel 71 van de wet en in zijn instellingsbesluit;
b.
het doel van de financiële relatie is niet of niet goed te bereiken door middel van financiering door privaatrechtelijke organisaties;
c.
het bedrijfslichaam kan de desbetreffende activiteiten niet of niet goed zelf uitvoeren;
d.
de activiteiten komen in beginsel ten goede aan alle ondernemingen waarvoor het bedrijfslichaam is ingesteld, of die behoren tot een bepaalde branche of sector binnen zijn werkingssfeer, en de daarbij betrokken personen; en
e.
er is voorzien in een tijdige evaluatie van de doelmatigheid en de doeltreffendheid van de financiële relatie.
2.
Het bedrijfslichaam licht schriftelijk toe op welke wijze de financiële relatie aan de in het eerste lid genoemde uitgangspunten voldoet.
1.
Indien een bedrijfslichaam voornemens is subsidie per boekjaar aan een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid te verstrekken, bepaalt het bij verordening of bij besluit dat
afdeling 4.2.8 van de Algemene wet bestuursrecht daarop van toepassing is.
2.
Bij verordening of bij besluit kan tevens de wijze waarop de in het eerste lid bedoelde afdeling wordt toegepast, alsmede het gedeeltelijk of geheel achterwege laten van de toepassing worden bepaald.
a.
de ondernemers die, al dan niet rechtstreeks, lid zijn van een organisatie van ondernemers die een of meer leden in zijn bestuur heeft benoemd;
b.
de ondernemers die, al dan niet rechtstreeks, lid zijn van een organisatie van ondernemers die een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid is en die:
1e
krachtens haar statutaire doelstelling haar werkzaamheid kan uitstrekken tot ten minste een belangrijk gedeelte van het terrein waarop het bedrijfslichaam een taak heeft te vervullen,
3e
tot de werkingssfeer van het bedrijfslichaam behorende leden heeft, waarvan het gewogen aantal niet-onbetekenend is,
4e
met betrekking tot de behartiging van sociaal-economische belangen van ondernemers een positie van enige betekenis inneemt binnen de groep van ondernemers die zij beoogt te organiseren, hetgeen onder meer kan blijken uit de mate van representativiteit binnen die groep, de deelname aan het arbeidsvoorwaardenoverleg, het verrichten van studies of diensten die ook buiten die groep van belang worden geacht en de deelname aan regelmatig overleg met de overheid, en
5e
haar activiteiten, al dan niet door middel van een federatie van gelijksoortige organisaties, landelijk ontplooit.
Artikel 5.2
Aan de leden van een in
artikel 5.1, onder b, bedoelde organisatie wordt de aftrek slechts toegestaan op grond van een daartoe strekkend verzoek van het bestuur van die organisatie aan het bestuur van het bedrijfslichaam.
Artikel 6.2
De vacatievergoeding wordt door het bestuur vastgesteld hetzij op een bedrag per vergadering, hetzij op een bedrag per dagdeel waarin wordt vergaderd. De vacatievergoeding bedraagt per vergadering of dagdeel ten hoogste het bedrag dat de Sociaal-Economische Raad in de Verordening vergoedingen aan leden van de raad, het dagelijks bestuur en de commissies voor enig jaar vaststelt.
Indien de vergoeding op een bedrag per vergadering wordt vastgesteld, geldt als voorwaarde dat voor twee of meer vergaderingen die binnen één dagdeel aanvangen en eindigen, slechts eenmaal een vacatievergoeding wordt toegekend.
Artikel 6.3
De vergoeding van reis- en verblijfkosten wordt door het bestuur vastgesteld hetzij in de vorm van een regeling waarbij de werkelijk gemaakte kosten op declaratie worden vergoed, hetzij in de vorm van een passend te achten forfaitaire vergoeding waarin met de afstand tussen woonplaats en vergaderplaats rekening is gehouden.
Artikel 6.4
In de vergoedingenregelingen dienen de presentielijsten van de vergaderingen als het uitsluitende bewijs dat de betrokken personen de vergaderingen bijwoonden of voorzaten.
Artikel 6.5
De vergoedingen, bedoeld in
artikel 83 van de Wet op de bedrijfsorganisatie, worden door het bestuur vastgesteld op een bedrag voor elk dagdeel dat de voorzitter per week als regel voor het bedrijfslichaam werkzaam is. Het aantal dagdelen wordt in overleg tussen voorzitter en bestuur per kalenderjaar bepaald. Het bedrag per dagdeel en het aantal in aanmerking genomen dagdelen worden in de verordening vermeld. Het totaal van de vaste vergoedingen, onverschillig onder welke benaming en voor welk doel zij worden toegekend, bedraagt op jaarbasis per dagdeel ten hoogste dertig keer het bedrag dat de Sociaal-Economische Raad in de Verordening vergoedingen aan leden van de raad, het dagelijks bestuur en de commissies voor enig jaar vaststelt.
Artikel 6.6
Aan de voorzitter kan naast de vaste vergoedingen een vergoeding van de werkelijk gemaakte reis- en verblijfkosten worden toegekend.
Artikel 6.7
In afwijking van het bovenstaande kunnen de vaste vergoedingen voor voorzitters van (hoofd)productschappen door het bestuur bij verordening worden vastgesteld op ten hoogste het bedrag van schaal 16, genoemd in de cao voor de PBO, verhoogd met 16,5 procent, afgerond op hele euro’s en uitgaande van een voltijdse functievervulling. Daarnaast kan het bestuur arbeidsvoorwaarden van het personeel van het bedrijfslichaam van toepassing verklaren op bedoelde voorzitters. In de verordening wordt verwezen naar de toepasselijke arbeidsvoorwaarden, zo nodig onder vermelding van bedragen of percentages.
Artikel 7.1
Het Besluit beleidsregel subsidieverstrekking wordt ingetrokken.
Artikel 7.2
Het Besluit beleidsregel Schilthuisaftrek wordt ingetrokken.
Artikel 7.3
Het Besluit beleidsregels toetsingsprocedure verordeningen en uitvoeringsbesluiten wordt ingetrokken.
Artikel 7.4
Dit besluit wordt gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie.
Artikel 7.5
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2004.
Artikel 7.6
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit beleidsregels Bestuurskamer.