Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | Vacatures | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
» Energiewijzer « advertorial
Bespaar geld en stap over!
Energiewijzer.nl, eerlijk over energie.

Juridische vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Powered by Jbmatch.nl

Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
- Hoofdstuk 2. Universiteiten
+ Hoofdstuk 3. Hogescholen
+ Hoofdstuk 4. Open universiteit
+ Hoofdstuk 5. Overgangsbepalingen; afwijking bekostiging hogescholen en universiteiten
+ Hoofdstuk 6. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken

Bekostigingsbesluit WHW

Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Let op. Deze wet is vervallen op 9 mei 2008. U leest nu de tekst die gold op 8 mei 2008.
Artikel 2.7a. Reikwijdte
In deze paragraaf wordt onder universiteit verstaan een universiteit als bedoeld in de onderdelen a, b en h van de bijlage van de wet .
Artikel 2.8. Samenstelling onderzoekdeel per universiteit
Het onderzoekdeel van een universiteit bestaat uit:
a. een component basisvoorziening onderzoek,
b. een component proefschriften en ontwerperscertificaten,
c. een component afbouw dynamisering Smart Mix,
d. een component onderzoekscholen,
e. in voorkomende gevallen een component toponderzoekscholen, en
f. een component strategische overwegingen.
1.
De landelijke component basisvoorziening onderzoek, voor een begrotingsjaar op grond van artikel 2.4 vastgesteld, wordt over de universiteiten verdeeld op basis van het aantal door een universiteit uitgereikte getuigschriften in het studiejaar dat eindigt in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar, met inachtneming van het tweede tot en met vijfde lid.
2.
Ten behoeve van de verdeling van de landelijke component basisvoorziening onderzoek over de universiteiten wordt het aantal getuigschriften per universiteit onderscheiden naar:
a. getuigschriften van bacheloropleidingen met een laag bekostigingsniveau,
b. getuigschriften van bacheloropleidingen met een hoog bekostigingsniveau,
c. getuigschriften van de bacheloropleidingen diergeneeskunde, farmacie, geneeskunde en tandheelkunde,
d. getuigschriften van masteropleidingen met een laag bekostigingsniveau,
e. getuigschriften van masteropleidingen met een hoog bekostigingsniveau,
f. getuigschriften van de masteropleidingen diergeneeskunde, farmacie, geneeskunde en tandheelkunde,
g. getuigschriften van ongedeelde opleidingen met een laag bekostigingsniveau,
h. getuigschriften van ongedeelde opleidingen met een hoog bekostigingsniveau, en
i. getuigschriften van de ongedeelde opleidingen diergeneeskunde, farmacie, geneeskunde en tandheelkunde.
Voor de toepassing van dit artikel wordt het kandidaatsgetuigschrift aangemerkt als het getuigschrift van een bacheloropleiding.
3.
Artikel 2.6a, derde en vierde lid, is van toepassing, met dien verstande dat de tweede volzin van deze leden voor de Open Universiteit niet van toepassing is.
4.
Het aantal te bekostigen getuigschriften per universiteit bedraagt de som van de in het tweede en derde lid berekende aantallen, nadat deze zijn vermenigvuldigd met onderscheidenlijk 1/3, 1/2, 1, 2/3, 1, 2, 1, 3/2 en 3 zijn.
5.
Voor de bepaling van het aantal getuigschriften, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgegaan van de in het Centraal register inschrijving opgenomen gegevens die de desbetreffende universiteit uiterlijk op 1 maart van het voorafgaande begrotingsjaar aan Onze minister verstrekt, vergezeld van een verklaring van een accountant. Artikel 2.6e is van overeenkomstige toepassing.
6.
In afwijking van het vijfde lid wordt voor de bepaling van het aantal getuigschriften, bedoeld in het eerste lid, van de Open Universiteit, uitgegaan van de opgave die de Open Universiteit uiterlijk op 1 maart van het kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar aan Onze minister verstrekt, vergezeld van een verklaring van een accountant.
1.
De landelijke component proefschriften en ontwerperscertificaten, voor een begrotingsjaar vastgesteld op grond van artikel 2.4, wordt over de universiteiten verdeeld op basis van het aantal proefschriften en ontwerperscertificaten aan een universiteit in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar, met inachtneming van het tweede tot en met zesde lid.
2.
Ten behoeve van de verdeling van de landelijke component proefschriften en ontwerperscertificaten over de universiteiten wordt het aantal proefschriften per universiteit onderscheiden naar:
a. het aantal proefschriften betreffende een wetenschapsgebied met een laag bekostigingsniveau, en
b. het aantal proefschriften betreffende een wetenschapsgebied met een hoog bekostigingsniveau.
3.
Het aantal per universiteit te bekostigen proefschriften bedraagt de som van het aantal proefschriften betreffende een wetenschapsgebied met een laag bekostigingsniveau en het aantal proefschriften betreffende een wetenschapsgebied met een hoog bekostigingsniveau, nadat deze zijn vermenigvuldigd met 1 onderscheidenlijk 2.
4.
Het aantal per universiteit te bekostigen ontwerperscertificaten bedraagt het aantal ontwerperscertificaten aan een universiteit, nadat dat aantal is vermenigvuldigd met 5/3.
5.
Voor de bepaling van de in het eerste lid genoemde aantallen wordt uitgegaan van de gegevens die door de desbetreffende universiteit vergezeld van een verklaring van een accountant aan Onze minister worden verstrekt uiterlijk op 1 maart van het voorafgaande begrotingsjaar. De universiteit geeft bij het leveren van de gegevens aan op welk wetenschapsgebied een proefschrift betrekking heeft.
6.
De landelijke component proefschriften en ontwerperscertificaten wordt over de universiteiten verdeeld naar rato van het aantal proefschriften, berekend op grond van het derde lid, en het aantal ontwerperscertificaten, berekend op grond van het vierde lid.
Artikel 2.11. Verdeling landelijke component afbouw dynamisering Smart Mix
De verdeling van de landelijke component afbouw dynamisering Smart Mix over de universiteiten wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.
Artikel 2.12. Verdeling component onderzoekscholen
De landelijke component onderzoekscholen, vastgesteld op grond van artikel 2.4, wordt verdeeld op basis van de volgende percentages per universiteit:
a. de openbare universiteit te Leiden: 9,153%,
b. de openbare universiteit te Utrecht: 12,809%,
c. de openbare universiteit te Groningen: 9,662%,
d. de openbare universiteit te Rotterdam: 5,279%,
e. de openbare universiteit te Maastricht: 3,814%,
f. de openbare universiteit te Amsterdam: 11,851%,
g. de openbare universiteit te Delft: 14,802%,
h. de openbare universiteit te Enschede: 6,228%,
i. de openbare universiteit te Eindhoven: 8,000%,
j. de bijzondere universiteit te Amsterdam: 8,036%,
k. de bijzondere universiteit te Tilburg: 2,291%,
l. de bijzondere universiteit te Nijmegen: 8,075%.
1.
Uit de landelijke component toponderzoekscholen, vastgesteld op grond van artikel 2.4, verdeelt Onze minister na advies van de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek bedragen over universiteiten ten behoeve van toponderzoekscholen. Bij haar advies betrekt de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek in ieder geval de kwaliteit van het onderzoek.
2.
Van de bedragen, bedoeld in het eerste lid, wordt een bedrag verdeeld op basis van de volgende percentages per universiteit:
3.
Indien in een begrotingsjaar het totaal van de bedragen, bedoeld in het eerste lid, kleiner is dan de landelijke component toponderzoekscholen, wordt het resterende bedrag over de universiteiten verdeeld volgens de in artikel 2.12 genoemde percentages.
1.
Het bedrag strategische overwegingen van de Open Universiteit bedraagt 4,1 miljoen euro.
2.
De landelijke component strategische overwegingen voor een begrotingsjaar is gelijk aan het na toepassing van de artikelen 2.9 tot en met 2.13 en het eerste lid voor dat begrotingsjaar resterende landelijk beschikbare onderzoekdeel.
1.
Onverminderd artikel 2.16 wordt de landelijke component strategische overwegingen, voor een begrotingsjaar vastgesteld op grond van artikel 2.4, over de universiteiten verdeeld op basis van de omvang van de component strategische overwegingen per universiteit in het voorafgaande begrotingsjaar, met inachtneming van het tweede tot en met zevende lid.
2.
Ten behoeve van de verdeling van de landelijke component strategische overwegingen over de universiteiten worden het bedrag strategische overwegingen plus en het bedrag compensatie onderzoek onderscheiden.
3.
Het bedrag strategische overwegingen plus omvat de op grond van artikel 2.4 vastgestelde component strategische overwegingen, verhoogd met de op grond van artikel 2.4 vastgestelde component basisvoorziening onderzoek en verminderd met 15% van het op grond van artikel 2.4 vastgestelde onderzoekdeel.
4.
Het bedrag compensatie onderzoek omvat de op grond van artikel 2.4 vastgestelde component basisvoorziening onderzoek verminderd met een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage van het op grond van artikel 2.4 vastgestelde onderzoekdeel.
5.
Het bedrag strategische overwegingen plus wordt over de universiteiten verdeeld naar rato van de omvang van het bedrag strategische overwegingen plus per universiteit in het voorafgaande begrotingsjaar.
6.
Het bedrag compensatie onderzoek wordt over de universiteiten verdeeld naar rato van de omvang van het bedrag compensatie onderzoek per universiteit in het voorafgaande begrotingsjaar.
7.
De component strategische overwegingen per universiteit is het bedrag per universiteit, bedoeld in het vijfde lid, verminderd met het bedrag per universiteit, bedoeld in het zesde lid.
1.
In het hoger onderwijs- en onderzoekplan wordt door Onze minister een aanduiding gegeven van de wetenschapsgebieden waaraan prioriteit en posterioriteit moet worden gegeven.
2.
Indien uit de instellingsplannen, bedoeld in artikel 2.2 van de wet, of anderszins blijkt, dat de universiteiten naar het oordeel van Onze minister onvoldoende rekening houden met de prioriteit- en posterioriteitstelling, bedoeld in het eerste lid, wordt daarover en over de mogelijke gevolgen voor de bekostiging van de universiteiten overleg gevoerd als bedoeld in artikel 3.1 van de wet.
1.
Indien het overleg, bedoeld in artikel 2.15, tweede lid, daartoe aanleiding geeft, kan Onze minister, met inachtneming van artikel 2.6a, derde lid, van de wet besluiten tot herverdeling van middelen, behorend tot de component strategische overwegingen.
2.
Een besluit tot herverdeling als bedoeld in het eerste lid, wordt niet genomen dan nadat Onze minister daarover overleg heeft gepleegd als bedoeld in artikel 3.1 van de wet.
3.
Een besluit tot herverdeling kan ten hoogste drie procent van de component strategische overwegingen per universiteit voor een begrotingsjaar betreffen.
Artikel 2.16a. Bekostigingsniveau wetenschapsgebieden
Onze minister besluit op welk niveau een wetenschapsgebied als bedoeld in artikel 2.10 zal worden bekostigd.
Artikel 2.16b. Innovatie hoger onderwijs Open Universiteit
De Open Universiteit ontvangt jaarlijks vanwege de bijdrage aan de innovatie van het hoger onderwijs, bedoeld in artikel 1.3, derde lid, van de wet, een bedrag van 6,9 miljoen euro.