Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | Vacatures | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
» Energiewijzer « advertorial
Bespaar geld en stap over!
Energiewijzer.nl, eerlijk over energie.

Juridische vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Powered by Jbmatch.nl

Inhoudsopgave
- Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Bepalingen die op de in het douanegebied van de Unie binnengebrachte goederen van toepassing zijn tot deze een douanebestemming hebben gekregen
+ Hoofdstuk 3. Verboden en beperkingen
+ Hoofdstuk 4. Vrije zones en vrije entrepots
+ Hoofdstuk 5. Goederen die het douanegebied van de Unie verlaten
+ Hoofdstuk 6. De begunstigde verrichtingen
+ Hoofdstuk 7. Douaneschuld
+ Hoofdstuk 8. Beroep in een eerste fase (bezwaar) en beroep in een tweede fase (beroep)
+ Hoofdstuk 9. Bestuurlijke boeten
+ Hoofdstuk 10. Strafrechtelijke bepalingen
+ Hoofdstuk 11. Algemene bepalingen van strafvordering
+ Hoofdstuk 12. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht

Algemene douanewet

Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Ook bekend als:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
1.
De bepalingen bij of krachtens deze wet vormen de nationale bepalingen ter uitvoering van:
a. het Communautair douanewetboek, de ter uitvoering daarvan vastgestelde EU-rechtshandelingen, en
b. andersluidende bepalingen, die uit autonome maatregelen van de Europese Unie als bedoeld in het Communautair douanewetboek, voortvloeien.
2.
De bepalingen bij of krachtens deze wet strekken mede ten behoeve van de nakoming van verplichtingen die voortvloeien uit:
a. interregionaal recht,
b. het Koninkrijk verbindende verdragen en
c. in al hun onderdelen verbindende besluiten van bij zodanige verdragen opgerichte volkenrechtelijke organisaties, voorzover deze verplichtingen betrekking hebben op het douanetoezicht op, dan wel op de douanecontrole van, goederen en het goederenverkeer en voorts onderwerpen betreffen die vallen onder de reikwijdte van een of meer regelingen als bedoeld in de bijlage bij deze wet.
3.
De bepalingen bij of krachtens deze wet strekken mede ten behoeve van de nakoming van verplichtingen die voortvloeien uit regelingen van internationaal recht tot het verlenen van wederzijdse administratieve bijstand inzake goederen en goederenverkeer.
4.
De bepalingen bij of krachtens deze wet strekken mede tot uitvoering van bindende EU-rechtshandelingen, voorzover deze betrekking hebben op goederen en goederenverkeer en voorts onderwerpen betreffen die vallen onder de reikwijdte van een of meer regelingen als bedoeld in de bijlage bij deze wet.
5.
De bepalingen bij of krachtens deze wet strekken mede ter handhaving van verboden of beperkingen die op goederen bij het binnenbrengen in, onderscheidenlijk verlaten van, het douanegebied van de Unie dan wel de gebieden, bedoeld in artikel 1:2, of bij het kiezen van een douanebestemming van toepassing zijn of zouden zijn bij of krachtens een bindende EU-rechtshandeling of een ander wettelijk voorschrift dat is opgenomen in de bijlage bij deze wet.
6.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen wijzigingen worden aangebracht in de bijlage bij deze wet.
Artikel 1:2
Deze wet is van toepassing op het grondgebied van Nederland met inbegrip van zijn luchtruim, zijn maritieme binnenwateren en territoriale zee, en elk gebied buiten deze territoriale zee waarin Nederland, in overeenstemming met het internationale recht, jurisdictie of soevereine rechten uitoefent met betrekking tot de zeebodem, de ondergrond daarvan, het bovenliggende water en luchtruim.
1.
In aanvulling op de begripsbepalingen van het Communautair douanewetboek, de toepassingsverordening Communautair douanewetboek en andere EU-regelgeving wordt verstaan onder:
a. Communautair douanewetboek: Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek PbEG 1992, L 302);
b. toepassingsverordening Communautair douanewetboek: Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PbEG 1993, L 253);
c. inspecteur of ontvanger: functionaris die met de toepassing van deze wet is belast en als zodanig bij regeling van Onze Minister van Financiën, in voorkomend geval, in overeenstemming met Onze Minister wie het mede aangaat, is aangewezen;
d. douaneautoriteiten, bevoegde autoriteiten of douanediensten van de lidstaten: de inspecteur of ontvanger;
e. goederen: alle zaken die kunnen worden ingedeeld in het douanetarief;
f. rechten bij invoer: zowel rechten bij invoer als invoerrechten;
g. verzoeker: aanvrager, bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht ;
h. Koninkrijk: Koninkrijk der Nederlanden;
i. Rijk: het land Nederland, zijnde Nederland en de BES-eilanden;
j. Nederland: het in Europa gelegen deel van het Koninkrijk;
k. BES-eilanden: de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, met daaronder begrepen, met inachtneming van de Rijkswet van 7 juli 2010 tot vaststelling van een zeegrens tussen Curaçao en Bonaire en tussen Sint Maarten en Saba (Stb. 2010, 342), het buiten de territoriale zee van de BES-eilanden gelegen deel van de zeebodem en de ondergrond daarvan, voor zover het Koninkrijk daar op grond van het internationale recht ten behoeve van de exploratie en de exploitatie van natuurlijke rijkdommen soevereine rechten mag uitoefenen, alsmede de in, op, of boven dat gebied aanwezige installaties en andere inrichtingen ten behoeve van de exploratie en exploitatie van natuurlijke rijkdommen in dat gebied.
2.
Bij de regeling, bedoeld in het eerste lid, onder c, kan de aanwijzing tot inspecteur dan wel ontvanger worden beperkt tot een bepaalde locatie dan wel taak en kunnen bevoegdheden worden uitgezonderd.
3.
Wanneer de regeling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, een aanwijzing betreft van een functionaris die niet ressorteert onder de rijksbelastingdienst, is in elk geval uitgezonderd:
a. indien het een aanwijzing betreft ter zake van taken in het kader van de Erfgoedwet of de Wet vervoer over zee , de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 1:30, 1:36 en 1:37;
b. indien het een aanwijzing betreft ter zake van andere taken dan bedoeld in onderdeel a, de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 1:26, 1:28, 1:30, 1:36 en 1:37;
c. de bevoegdheid, bedoeld in artikel 1:23, indien de plaats een woning betreft.
4.
Het derde lid, aanhef en onderdeel c, is niet van toepassing indien het betreft een controle ter zake van de Kernenergiewet , de Prijzennoodwet , de Uitvoeringswet verdrag chemische wapens , de Waarborgwet 1986 , de Destructiewet , de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren , de Wet dieren , de Erfgoedwet , de Waterwet , de Wet vervoer over zee , de Wet zeevarenden , de Wet voorkoming verontreiniging door schepen , de Warenwet , de Wet geluidhinder en de Wet milieubeheer .
5.
Onze Minister van Financiën sluit met Onze Ministers wie het mede aangaat convenanten aangaande de kwantitatieve en kwalitatieve inzet van de functionarissen die ressorteren onder de rijksbelastingdienst met betrekking tot de douanecontrole van het bepaalde bij of krachtens een bindende EU-rechtshandeling of ander wettelijk voorschrift dat is opgenomen in de bijlage bij deze wet. Onze Minister van Financiën plaatst deze convenanten in de Staatscourant.
6.
Hetgeen in deze wet en de daarop rustende bepalingen is bepaald ten aanzien van de rechten bij invoer, is van overeenkomstige toepassing op de rechten bij uitvoer, tenzij anders is bepaald.
7.
Indien in het Communautair douanewetboek dan wel de toepassingsverordening Communautair douanewetboek bevoegdheden zijn opgedragen aan de lidstaten worden die bevoegdheden uitgeoefend door de inspecteur onderscheidenlijk de ontvanger. Hiervan kan worden afgeweken bij of krachtens deze wet.
1.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen, ter uitwerking van interregionaal recht, het Koninkrijk verbindende verdragen en in al hun onderdelen verbindende besluiten van bij zodanige verdragen opgerichte volkenrechtelijke organisaties, regels van uitvoerende aard worden gesteld, die op goederen bij het binnenbrengen in, onderscheidenlijk verlaten van de gebieden, bedoeld in artikel 1:2, van toepassing zijn.
2.
Bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur kunnen, met betrekking tot de uitvoering van bindende EU-rechtshandelingen, regels van uitvoerende aard worden gesteld, die op goederen bij het binnenbrengen in, onderscheidenlijk verlaten van de gebieden, bedoeld in artikel 1:2, van toepassing zijn.
3.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ter uitwerking van regelingen van internationaal recht tot het verlenen van wederzijdse administratieve bijstand.
4.
Onze Minister wie het aangaat, kan bevoegdheden, welke hem ingevolge het gestelde bij de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur toekomen, in een bij of krachtens die maatregel te bepalen omvang, aan het bestuur van een zelfstandig bestuursorgaan overdragen en ten aanzien van de uitvoering ervan regels stellen.
Artikel 1:5
Bij de toepassing van de bepalingen bij of krachtens deze wet ingevolge artikel 1:1, tweede tot en met vijfde lid, zijn de bepalingen van Titel I, Titel II, hoofdstukken 1 en 2, afdeling 1, Titel VIII en Titel IX, hoofdstuk 2, van het Communautair douanewetboek en Deel I, Titels I tot en met IV, hoofdstuk 1, van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek van overeenkomstige toepassing.
2.
Voor de toepassing van de bepalingen gesteld bij of krachtens deze wet blijft de titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht buiten toepassing.
Artikel 1:7
Waar een persoon woont dan wel is gevestigd, wordt naar de omstandigheden beoordeeld.
Artikel 1:8
De artikelen 2:1 en 2:2 van de Algemene wet bestuursrecht zijn alleen van toepassing in geval van het instellen van bezwaar en de daarbij behorende procedure.
1.
De inspecteur kan een persoon als douane-expediteur toelaten.
2.
De inspecteur kan een toelating als douane-expediteur weigeren aan een persoon die in de laatstverlopen vijf jaren wegens een strafbaar feit onherroepelijk is veroordeeld, wanneer dat strafbaar feit naar Nederlands recht wordt aangemerkt als een misdrijf.
3.
Douane-expediteurs die niet in Nederland wonen of zijn gevestigd, zijn gehouden in Nederland woonplaats te kiezen of een vaste inrichting op te richten alvorens zij werkzaamheden als toegelaten douane-expediteur gaan verrichten.
Artikel 1:10
Van de mogelijkheid om bij het doen van een douaneaangifte als indirecte vertegenwoordiger op te treden als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van het Communautair douanewetboek kan slechts gebruik worden gemaakt door een douane-expediteur als bedoeld in artikel 1:9. Hij dient daartoe schriftelijk door zijn opdrachtgever te zijn gemachtigd.
Artikel 1:11
De douane-expediteur is gehouden aan zijn opdrachtgever een factuur te verstrekken waarin ten behoeve van deze laatste aan het Rijk betaalde rechten bij invoer, andere belastingen, heffingen, retributies, dan wel rente, interest, kosten en bestuurlijke boeten voorzover aan zijn opdrachtgever te wijten, afzonderlijk zijn omschreven.
1.
Douane-expediteurs hebben een voorrecht op alle vermogensbestanddelen van de opdrachtgever voor de door hen ten behoeve van hun opdrachtgever betaalde rechten bij invoer, andere belastingen, heffingen, retributies dan wel rente, interest, kosten en bestuurlijke boeten voor zover aan zijn opdrachtgever te wijten gedurende een jaar na de aan het Rijk gedane betaling.
2.
Het in het eerste lid toegekende voorrecht heeft gelijke rangorde als het in artikel 21 van de Invorderingswet 1990 toegekende voorrecht van ’s Rijks schatkist, met dien verstande dat dit laatste voorrecht voorgaat.
1.
De inspecteur kan op grond van laakbare handelingen van de douane-expediteur, gepleegd in de uitoefening van zijn bedrijf als douane-expediteur, diens toelating als douane-expediteur intrekken, indien tevoren aan de douane-expediteur wegens vroeger gepleegde laakbare handelingen in de laatstverlopen drie jaren een waarschuwing, houdende de feiten waarop zij is gegrond, is uitgereikt.
2.
In afwijking van het eerste lid kan de inspecteur de toelating als douane-expediteur onmiddellijk intrekken indien de douane-expediteur onherroepelijk is veroordeeld wegens een strafbaar feit, wanneer dat strafbaar feit naar Nederlands recht wordt aangemerkt als een misdrijf.
3.
Aan de douane-expediteur wiens toelating is ingetrokken, wordt, behoudens in bijzondere gevallen, een nieuwe toelating niet verleend voordat vijf jaren sedert de intrekking zijn verlopen.
Artikel 1:14
De bevoegdheden van een persoon, anders dan een natuurlijk persoon, kunnen worden uitgeoefend en zijn verplichtingen kunnen worden nagekomen door iedere bestuurder.
1.
De bevoegdheden en de verplichtingen van een minderjarige, een onder curatele gestelde, iemand die in staat van faillissement is verklaard of ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is, of iemand wiens vermogen onder bewind is gesteld, kunnen worden uitgeoefend en nagekomen door een wettelijke vertegenwoordiger, curator of bewindvoerder. Op vordering van de inspecteur zijn laatstgenoemden tot nakoming van de verplichtingen gehouden.
2.
Om geldige redenen kan de inspecteur de vertegenwoordiging, bedoeld in het eerste lid, uitsluiten in de nakoming van een verplichting van hem die zelf tot die nakoming in staat is.
1.
Na iemands overlijden kunnen zijn rechtverkrijgenden onder algemene titel in het uitoefenen van de bevoegdheden en in het nakomen van de verplichtingen, welke de overledene zou hebben gehad, ware hij in leven gebleven, worden vertegenwoordigd door een hunner, de executeur, de door de rechter benoemde vereffenaar van de nalatenschap of de bewindvoerder over de nalatenschap. Op vordering van de inspecteur is ieder der in dit lid genoemde personen tot nakoming van die verplichtingen gehouden.
2.
Stukken betreffende de aangelegenheden van de overledene kunnen worden gericht aan een van de in het eerste lid genoemde personen.
Artikel 1:17
Deze paragraaf is niet van toepassing op strafvordering.
1.
Een beschikking als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder 5, van het Communautair douanewetboek wordt gelijkgesteld met een beschikking als bedoeld in artikel 1:3, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
2.
De toestemming gegeven door de ambtenaar, bedoeld in artikel 1:28, zesde lid, wordt aangemerkt als een beschikking genomen door de inspecteur.
3.
Het doen van aangifte is geen aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
5.
In afwijking van artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de bekendmaking dan wel kennisgeving van beschikkingen op mondelinge verzoeken mondeling aan de verzoeker geschieden.
6.
Artikel 3:45 van de Algemene wet bestuursrecht is alleen van toepassing op schriftelijk genomen beschikkingen, niet zijnde een bindende inlichting.
7.
Afdeling 3.7 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op schriftelijk genomen beschikkingen waarbij verzoeken niet worden ingewilligd of die ongunstige gevolgen hebben voor de personen tot wie zij zijn gericht.
9.
Onverminderd artikel 2 van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek is artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing indien een verzoek om een bindende tariefinlichting of een bindende oorsprongsinlichting dan wel een verzoek om terugbetaling of kwijtschelding van de rechten bij invoer is ingediend.
10.
Artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is slechts van toepassing indien de inspecteur in redelijkheid niet kan voldoen aan de hem ingevolge artikel 2 van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek opgelegde verplichting.
11.
Afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op beschikkingen die niet-schriftelijk worden genomen of die het gevolg zijn van het doen van een aangifte.
13.
Artikel 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing indien een verzoek om een bindende tariefinlichting of een bindende oorsprongsinlichting is ingediend.
1.
Bij algemene maatregel van bestuur worden de gevallen vastgesteld waarin de belanghebbende ter zake van het verrichten van werkzaamheden kosten aan het Rijk is verschuldigd.
2.
Bij regeling van Onze Minister van Financiën wordt het tarief van kosten die verschuldigd zijn krachtens het eerste lid, vastgesteld.
3.
Het tarief wordt zodanig vastgesteld dat de verschuldigde kosten de werkelijke kosten zoveel mogelijk benaderen.
4.
De inspecteur stelt het bedrag van de door belanghebbende verschuldigde kosten vast.
Artikel 1:20
Deze paragraaf is van toepassing op douanetoezicht of douanecontrole op de voet van het bij of krachtens deze wet bepaalde.
Artikel 1:21
De inspecteur maakt van zijn bevoegdheden slechts gebruik voorzover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is.
1.
Bij de uitoefening van zijn taak namens de inspecteur draagt de ambtenaar een legitimatiebewijs bij zich, afgegeven door Onze Minister wie het aangaat of een door hem aangewezen ambtenaar.
2.
Onverminderd artikel 1, eerste en tweede lid, van de Algemene wet op het binnentreden toont hij zijn legitimatiebewijs desgevraagd onverwijld.
3.
Het model van het legitimatiebewijs is het krachtens artikel 5:12, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht vastgestelde model.
1.
De inspecteur is bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur of dieren elke plaats te betreden.
2.
Hij is bevoegd zich te doen vergezellen door personen die daartoe door hem zijn aangewezen.
3.
Het betreden van een woning zonder toestemming van de bewoner mag slechts door ambtenaren die deze bevoegdheid door de inspecteur toegekend hebben gekregen.
4.
De inspecteur is bevoegd tot het geven van een machtiging als bedoeld in artikel 2 van de Algemene wet op het binnentreden.
5.
Ten aanzien van woningen op of in vervoermiddelen zijn de artikelen 5, eerste lid, en 7 van de Algemene wet op het binnentreden niet van toepassing.
1.
De inspecteur is bevoegd over te gaan tot een onderzoek van goederen en het eventueel nemen van monsters voor analyse of grondige controle ingeval geen aanvaarding van een douaneaangifte heeft plaatsgevonden.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid is artikel 69 van het Communautair douanewetboek en Deel I, Titel VIII, van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek van overeenkomstige toepassing, tenzij het doel of de aard van het onderzoek zich daartegen verzet.
3.
Ten behoeve van het onderzoek is, op vordering van de inspecteur, de persoon die goederen vervoert die zich niet in of op een vervoermiddel bevinden, gehouden terstond stil te staan.
4.
Bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie wordt bepaald op welke wijze de vordering tot stilhouden wordt gedaan.
5.
De belanghebbende bij de goederen wordt voor de werking van dit artikel aangemerkt als aangever.
1.
Het onderzoek van een groep of partij goederen of de controle achteraf van de aangiften kan geschieden door middel van een gedeeltelijk onderzoek.
2.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels gegeven worden omtrent de wijze van het uitvoeren van een gedeeltelijk onderzoek.
3.
Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede lid, kunnen de maatstaven worden vastgesteld aan de hand waarvan de resultaten van het onderzoek van goederen dan wel de controle achteraf van aangiften, deel uitmakend van het deelonderzoek, als beslissend wordt aangemerkt voor de gehele groep of partij goederen waartoe de onderzochte goederen onderscheidenlijk de gehele groep van aangiften waartoe de gecontroleerde aangiften behoren.
4.
Voor de toepassing van dit artikel is, voor zover het een gedeeltelijk onderzoek van goederen betreft, artikel 70, eerste lid, tweede alinea, van het Communautair douanewetboek van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de belanghebbende bij de goederen wordt aangemerkt als aangever.
1.
De inspecteur is bevoegd aan controle te onderwerpen:
a. gebouwen, niet zijnde woningen, en terreinen:
ten aanzien waarvan ingevolge het bepaalde bij of krachtens de in artikel 1:1, eerste lid, bedoelde regelingen een beschikking is genomen;
die erkend zijn als grensinspectiepost als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel g, van Richtlijn 97/78/EG van de Raad van 18 december 1997 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor producten die uit derde landen in de Gemeenschap worden binnengebracht (PbEG 1998, L 24);
die een goedgekeurde plaats van inspectie zijn als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel b, van Richtlijn 2004/103/EG van de Commissie van 7 oktober 2004 betreffende de controles van de identiteit en de fytosanitaire controles van in deel B van bijlage V bij Richtlijn 2000/29/EG van de Raad opgenomen planten, plantaardige producten en andere materialen, die kunnen worden uitgevoerd op een andere plaats dan de plaats van binnenkomst in de Gemeenschap of op een dichtbijgelegen plaats en tot vaststelling van de eisen met betrekking tot deze controles (PbEU 2004, L 313);
b. gebouwen, niet zijnde woningen, en terreinen alwaar zich goederen bevinden:
ten aanzien waarvan ingevolge het bepaalde bij of krachtens de in artikel 1:1, eerste lid, bedoelde regelingen een beschikking is genomen;
waarvoor een invoer- of uitvoervergunning is afgegeven, dan wel waarvoor een dergelijke vergunning is aangevraagd;
c. spoorwegemplacementen, plaatsen voor distributie en overslag voor goederen die over de weg worden vervoerd, havens, haventerreinen, luchthavens en luchtvaartterreinen;
d. vervoermiddelen en de op of in die vervoermiddelen aanwezige woningen.
2.
Onder controle in de zin van het eerste lid wordt mede verstaan doorzoeking.
1.
De inspecteur is bevoegd met het oog op de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 1:23, 1:24 dan wel 1:26, aanhef en onder d, van de bestuurder dan wel de gezagvoerder van het vervoermiddel te vorderen dat deze zijn vervoermiddel vaart laat minderen, bijdraait, landt, stilhoudt, naar een door hem aangewezen plaats overbrengt, aanlegt en de motor buiten werking stelt. De in dit lid bedoelde personen zijn gehouden aan de vordering te voldoen.
2.
Bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie wordt bepaald op welke wijze de vordering tot stilhouden wordt gedaan.
1.
De inspecteur is bevoegd personen die aanwezig zijn in of op de in artikel 1:26 bedoelde locaties of vervoermiddelen of deze juist gaan betreden of hebben verlaten aan lijfsvisitatie te onderwerpen.
2.
De in het eerste lid bedoelde personen zijn op vordering van de inspecteur gehouden stil te staan en deze te volgen naar een door hem aangewezen plaats.
3.
Op vordering van de inspecteur zijn reizigers, die zich bevinden in een vervoermiddel dat juist het douanegebied van de Unie is binnengekomen of dat bestemd is om aanstonds te vertrekken om dat douanegebied te verlaten, gehouden hun plaats- of vervoerbewijs te vertonen. Deze verplichting geldt eveneens voor reizigers die een dergelijk vervoermiddel juist hebben verlaten dan wel die op het punt staan daarin aan boord te gaan.
4.
Lijfsvisitatie geschiedt op een besloten plaats door personen die, indien zij geen arts of verpleegkundige zijn, van hetzelfde geslacht zijn als de persoon die aan lijfsvisitatie wordt onderworpen.
5.
Onder lijfsvisitatie wordt verstaan:
a. het onderzoek aan de kleding; het onderzoek aan de kleding omvat het betasten van de kleding, het nauwkeurig onderzoek van de hoofdbedekking en het schoeisel;
b. het verwijderen van de bovenkleding, teneinde deze aan een nauwkeurig onderzoek te onderwerpen;
c. het uitwendig en inwendig schouwen van de openingen en holten van het bovenlichaam, zonodig met de daartoe benodigde ontkleding;
d. het geheel ontkleden en het uitwendig schouwen van het lichaam;
e. het onderzoek van het onderlichaam; onder onderzoek van het onderlichaam wordt verstaan het uitwendig schouwen van de openingen en holten van het onderlichaam; het uitwendig schouwen van de openingen en holten van het onderlichaam wordt verricht door een arts of, in diens opdracht, door een verpleegkundige.
6.
Tot gehele ontkleding dan wel het onderzoek van het onderlichaam van degene die aan lijfsvisitatie wordt onderworpen, wordt pas overgegaan na toestemming van een ambtenaar die daartoe bij regeling van Onze Minister van Financiën, in overeenstemming met Onze Minister wie het mede aangaat, is aangewezen.
7.
Onder lijfsvisitatie wordt mede verstaan het onderzoek met behulp van apparatuur waarmee door kleding van de betrokken persoon kan worden gekeken.
8.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden vastgesteld met betrekking tot het geheel ontkleden of het onderzoek van het onderlichaam en met betrekking tot de apparatuur waarmee door kleding van personen kan worden gekeken en het gebruik daarvan. Hierbij kan worden bepaald dat het vierde lid niet van toepassing is bij het gebruik van deze apparatuur.
Artikel 1:29
Onze Minister van Financiën is bevoegd, na overleg met Onze Minister wie het mede aangaat, te bepalen, dat in het belang van controle en onderzoek op openbare land- en waterwegen versperringen worden aangebracht.
1.
De inspecteur en de ambtenaren die namens hem een taak uitoefenen zijn bevoegd bij een controle geweld te gebruiken wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik van geweld verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt.
2.
Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf.
3.
De ambtenaren die namens de inspecteur een taak uitoefenen zijn bevoegd tot het onderzoek aan de kleding van personen indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat een onmiddellijk gevaar dreigt voor leven of veiligheid van de ambtenaren zelf of van derden en dit onderzoek noodzakelijk is ter afwending van dit gevaar.
4.
De inspecteur en de ambtenaren die namens hem een taak uitoefenen zijn bevoegd bij toepassing van het eerste lid de hulp in te roepen van de politie en de Koninklijke marechaussee of andere delen van de krijgsmacht. Deze zijn verplicht aan de vordering onmiddellijk te voldoen.
5.
De uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste en derde lid, dient in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd te zijn.
6.
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de toepassing van dit artikel.
1.
Het nemen van de nodige maatregelen, bedoeld in de artikelen 53, eerste lid, 57, 75, 78, derde lid, en 89, tweede lid, van het Communautair douanewetboek, wordt aangemerkt als het opleggen van een last onder bestuursdwang.
2.
Onverminderd het eerste lid is de inspecteur bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens de in artikel 1:1 bedoelde regelingen of bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen.
1.
Onverminderd artikel 1:5 van deze wet en de EU-regelgeving ter zake, zijn artikel 15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen 10 en 24 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing:
a. op de rechten en verplichtingen voortvloeiend uit het bepaalde bij of krachtens:
1°. de in artikel 1:1 bedoelde regelingen;
2°. deze wet;
b. op overige van belang zijnde gegevens voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens:
1°. de in artikel 1:1 bedoelde regelingen;
2°. deze wet.
2.
Toegelaten moet worden, dat kopieën, leesbare afdrukken of uittreksels worden gemaakt van de voor raadpleging beschikbaar gestelde gegevensdragers of de inhoud daarvan.
3.
De inspecteur stelt de belanghebbende, op wie de verplichting tot het voeren van een administratie als bedoeld in het eerste lid rust, wiens gegevensdragers hij bij een derde voor raadpleging vordert hiervan gelijktijdig in kennis.
1.
Onze Ministers, openbare lichamen en rechtspersonen die bij of krachtens een bijzondere wet rechtspersoonlijkheid hebben verkregen, de onder hen ressorterende instellingen en diensten, alsmede personen die hoofdzakelijk uitvoering geven aan het beleid van het Rijk, verschaffen kosteloos, mondeling, schriftelijk of op andere wijze – zulks ter keuze van de inspecteur –, de gegevens en inlichtingen, die hun door de inspecteur worden gevraagd voor de uitvoering van het bepaalde bij of krachtens de in artikel 1:1 bedoelde regelingen dan wel voor de uitvoering van het bepaalde bij of krachtens deze wet.
2.
Onze Minister van Financiën kan, op verzoek, ontheffing verlenen van de in het eerste lid omschreven verplichting.
3.
De inspecteur verstrekt kosteloos mondeling, schriftelijk of op andere wijze – zulks ter keuze van de inspecteur – de gegevens en inlichtingen aan Onze Ministers, openbare lichamen en rechtspersonen die bij of krachtens een bijzondere wet rechtspersoonlijkheid hebben verkregen, de onder hen ressorterende instellingen en diensten, alsmede personen die hoofdzakelijk uitvoering geven aan het beleid van het Rijk voorzover deze noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het bepaalde bij of krachtens de in artikel 1:1 bedoelde regelingen dan wel voor de uitvoering van het bepaalde bij of krachtens deze wet.
4.
De inspecteur verstrekt kosteloos mondeling, schriftelijk of op andere wijze – zulks ter keuze van de inspecteur – de gegevens en inlichtingen aan de douaneautoriteiten van de lidstaten of de Europese Commissie, bedoeld in artikel 13, vierde lid, van het Communautair douanewetboek.
5.
In afwijking in zoverre van artikel 1:2 verstrekt de inspecteur kosteloos mondeling, schriftelijk of op andere wijze – zulks ter keuze van de inspecteur – de gegevens en inlichtingen aan de ambtenaar onder wiens leiding de belastingdienst op de BES-eilanden valt, voor zover deze noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het bepaalde bij de wetgeving die geldt op de BES-eilanden en die betrekking heeft op verboden of beperkingen die op goederen bij het binnenbrengen in, onderscheidenlijk verlaten van de BES-eilanden, of die bij het kiezen van een douanebestemming op de BES-eilanden van toepassing zijn.
Artikel 1:34
Een ieder die de leeftijd van veertien jaar heeft bereikt, is, indien dit voor de toepassing van de bij of krachtens de in artikel 1:1 bedoelde regelingen of de bij of krachtens deze wet vastgestelde bepalingen te zijnen aanzien van belang kan zijn, verplicht op vordering van de inspecteur terstond een identificatiebewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden.
Artikel 1:35
Bij verificatie van een aangifte worden de resultaten van het onderzoek van de goederen geacht overeen te komen met de aangifte indien de bevonden verschillen blijven binnen de spelingen die daartoe bij regeling van Onze Minister van Financiën zijn vastgesteld.
1.
Aan enige instelling van vervoer toevertrouwde brieven worden zonder goedvinden van de afzender of van de geadresseerde slechts geopend indien de rechter-commissaris in de rechtbank van het arrondissement waarbinnen de brief is aangetroffen, daartoe, op verzoek van de inspecteur, bevel heeft gegeven.
2.
Het bevel wordt slechts gegeven indien het vermoeden bestaat dat zich in de brief goederen bevinden.
1.
Vervoermiddelen, kennelijk ingericht of toegerust om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken of om tot het nakomen van de op grond van artikel 1:27, eerste lid, genomen dwangmaatregelen te verijdelen, zomede alle andere voorwerpen, kennelijk bestemd om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken of om een vervoermiddel tot een van de hiervoor omschreven doeleinden in te richten of toe te rusten, worden in beslag genomen.
2.
Tot inbeslagneming krachtens het eerste lid zijn, behalve de inspecteur, bevoegd de bij of ingevolge artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen personen.
3.
Van de inbeslagneming en van de gronden daartoe doet de inspecteur zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan degene op wie de inbeslagneming heeft plaatsgehad. In geval van inbeslagneming op onbekende personen geschiedt die mededeling in het openbaar volgens bij regeling van Onze Minister van Financiën te stellen regels.
4.
Krachtens het eerste lid in beslag genomen vervoermiddelen en voorwerpen vervallen zonder rechtsvervolging aan de staat, tenzij bij een rechterlijke beslissing als bedoeld in het zesde lid de inbeslagneming niet wordt gehandhaafd.
5.
De belanghebbende bij het in beslag genomen vervoermiddel of voorwerp kan binnen een maand na de mededeling omtrent de inbeslagneming bij de rechtbank van het arrondissement binnen hetwelk de inbeslagneming heeft plaatsgehad, daartegen hetzij in persoon, hetzij door een gemachtigde een met redenen omkleed klaagschrift indienen.
6.
De rechtbank behandelt het klaagschrift op de voet van het bepaalde in artikel 552b van het Wetboek van Strafvordering, met dien verstande, dat ook de inspecteur in de gelegenheid wordt gesteld tijdens de behandeling te worden gehoord en hem, zo hij voor de behandeling is verschenen, tijdig tevoren door de griffier schriftelijk mededeling van de dag der uitspraak wordt gedaan.
7.
Artikel 552d van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.
8.
Onze Minister van Financiën is bevoegd in bijzondere gevallen de aan de staat vervallen vervoermiddelen en voorwerpen onder door hem te stellen voorwaarden aan de eigenaar terug te geven.