Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | Vacatures | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
» Energiewijzer « advertorial
Bespaar geld en stap over!
Energiewijzer.nl, eerlijk over energie.

Juridische vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Powered by Jbmatch.nl

Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Algemeene bepalingen
+ Hoofdstuk Ia. Elektronische berichtgeving
+ Hoofdstuk II. Aanstelling en loopbaanvorming
+ Hoofdstuk III. Bezoldiging
+ Hoofdstuk IV. Dienst- en werktijden
+ Hoofdstuk V. Vakantie en verlof
+ Hoofdstuk VI. Bedrijfsgeneeskundige begeleiding, rechten en verplichtingen bij ziekte en arbeidsongeschiktheid
+ Hoofdstuk VII. Rechten en verplichtingen bij reorganisaties
+ Hoofdstuk VIIbis
- Hoofdstuk VIIa. Overige rechten en verplichtingen van den ambtenaar
+ Hoofdstuk VIIb
+ Hoofdstuk VIII. Disciplinaire straffen
+ Hoofdstuk IX. De instelling en werkwijze van commissies waaraan de beslissing met uitsluiting van administratieve organen is opgedragen
+ Hoofdstuk X. Schorsing en ontslag
+ Hoofdstuk XI. Het overleg met de centrales van verenigingen van ambtenaren
+ Hoofdstuk XIA
+ Hoofdstuk XII. Slot- en overgangsbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht

Algemeen Rijksambtenarenreglement

Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Ook bekend als:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
1.
De ambtenaar is gehouden de plichten uit zijn functie voortvloeiende nauwgezet en ijverig te vervullen en zich te gedragen, zoals een goed ambtenaar betaamt.
2.
Het is de ambtenaar verboden in dienst uniformkledingstukken te dragen, tenzij deze van regeringswege zijn verstrekt of voorgeschreven.
3.
Het is de ambtenaar verboden bij gekleed gaan in uniform insignes of andere onderscheidingstekens te dragen, tenzij deze van regeringswege zijn verstrekt of voorgeschreven of tot het dragen daarvan door Onze Minister-President vergunning is verleend.
1.
De ambtenaar is verplicht een eed of een belofte af te leggen.
2.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld inzake het afleggen door de ambtenaar van de eed of de belofte.
3.
Bij regeling van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt het formulier vastgesteld dat wordt gebruikt voor het afleggen door de ambtenaar van de eed of de belofte.
Artikel 52
Ter zake van niet-naleving van bepalingen, welke redelijkerwijs niet kunnen worden geacht den ambtenaar bekend te zijn, worden hem geen voordeelen onthouden of nadeelen toegebracht.
Artikel 54
Indien de ambtenaar verhinderd is zijn dienst te verrichten, is hij verplicht daarvan, onder opgave van redenen, zoo tijdig mogelijk mededeeling te doen, ten einde vertraging of hinder in den dienst zooveel doenlijk te voorkomen.
1.
De ambtenaar kan worden verplicht te gaan wonen of te blijven wonen in of nabij de gemeente die hem als standplaats is aangewezen of waartoe zijn standplaats behoort, indien dit naar het oordeel van het bevoegd gezag noodzakelijk is in verband met de goede vervulling van zijn functie.
2.
De ambtenaar aan wie de verplichting is opgelegd in of nabij de in het eerste lid bedoelde gemeente te gaan wonen, is gehouden zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk twee jaar nadat die verplichting is opgelegd, daaraan gevolg te geven.
1.
De ambtenaar is verplicht, indien hem eene ambts- of dienstwoning ter bewoning is aangewezen, deze te betrekken en zich ter zake van de bewoning en het gebruik te gedragen naar de voorschriften, die daaromtrent zijn gesteld.
2.
Hij draagt de onderhoudskosten, welke volgens de wet en het plaatselijk gebruik gemeenlijk voor rekening van den huurder zijn, tenzij door het bevoegd gezag ter zake eene afwijkende regeling is vastgesteld.
1.
De ambtenaar kan op zijn aanvraag een andere functie worden opgedragen.
2.
Wanneer het belang van de dienst zulks vordert, is de ambtenaar verplicht, een andere passende functie te aanvaarden:
a. overeenkomstig het bepaalde in artikel 49h indien het gaat om een verplaatsing in het kader van een reorganisatie, en;
b. overeenkomstig het bepaalde in artikel 49h, eerste lid in de overige gevallen.
3.
Het opdragen van een andere functie aan de ambtenaar, bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onder a, vindt plaats door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in overeenstemming met Onze Minister.
4.
Het opdragen van een andere functie aan de ambtenaar, bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onder b of c, vindt plaats door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
1.
Indien de ambtenaar van 57 jaar of ouder op diens aanvraag een functie wordt opgedragen waaraan een salarisschaal is verbonden met een lager maximumsalaris dan dat van de reeds voor hem geldende salarisschaal, wordt op zijn salaris een inhouding toegepast.
2.
De inhouding is gelijk aan het verschil tussen het salaris dat de ambtenaar geniet en het salaris dat de ambtenaar zou genieten bij inpassing in de bij de nieuwe functie behorende salarisschaal op hetzelfde salarisnummer. Indien dit salarisnummer in laatstbedoelde salarisschaal niet voorkomt, geschiedt de inpassing op het naastlagere salarisnummer.
3.
Indien na 52 weken ziekte de doorbetaling van de bezoldiging op grond van artikel 37, eerste lid, wordt teruggebracht tot 70%, wordt de inhouding over die uren opgeschort voor de duur van de ziekte.
4.
In bijzondere gevallen kan Onze Minister geheel of gedeeltelijk van de inhouding afzien.
1.
De ambtenaar kan worden verplicht tijdelijk andere ambtelijke werkzaamheden te verrichten dan die, welke hij gewoonlijk verricht, mits die werkzaamheden hem redelijkerwijs kunnen worden opgedragen. Hij kan echter niet worden verplicht werkzaamheden te verrichten in de plaats van stakers of uitgeslotenen in particuliere dienst, tenzij de opgedragen werkzaamheden worden verricht in dienst van het lichaam, waarbij hij werkzaam is, en voor de openbare dienst tijdens de staking of uitsluiting, dan wel als onmiddellijk gevolg daarvan redelijkerwijze dadelijk noodzakelijk zijn te achten.
2.
Voorts kan aan de ambtenaar door Onze Minister de verplichting worden opgelegd in tijden van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden andere werkzaamheden te verrichten dan die, welke hij gewoonlijk verricht, mits die werkzaamheden strekken ter uitvoering van de taak, welke het ministerie waarbij hij werkzaam is of waaronder de dienst of instelling, waarbij hij werkzaam is, ressorteert, in die tijden heeft of zal krijgen, dan wel ertoe strekken een zo goed en ongestoord mogelijke uitvoering van die taak te verzekeren.
3.
De ambtenaar aan wie de in het vorige lid bedoelde verplichting is opgelegd, is tevens te allen tijde verplicht lessen te volgen en deel te nemen aan oefeningen, die verband houden met de in dat lid bedoelde werkzaamheden.
4.
Bij de toepassing van het bepaalde in de vorige leden wordt voor zoveel mogelijk rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de ambtenaar.
1.
De ambtenaar die door het bevoegd gezag is aangewezen om tevens werkzaam te zijn als bedrijfshulpverlener als bedoeld in artikel 15 van de Arbeidsomstandighedenwet ontvangt een vergoeding indien hij de taken in verband met bedrijfshulpverlening in voldoende omvang verricht.
2.
De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, bedraagt per jaar:
a. voor de basisbedrijfshulpverlener: € 231,27;
b. voor de allroundbedrijfshulpverlener: € 462,53;
c. voor de bedrijfshulpverlener die door het bevoegd gezag is aangewezen om leidinggevende taken met betrekking tot bedrijfshulpverlening uit te oefenen: € 693,81.
3.
De aanspraak op de vergoeding wordt berekend naar het bedrag van de vergoeding, bedoeld in het tweede lid, op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van het jaar waarin betrokkene bedrijfshulpverlener was. De vergoeding voor een gedeelte van een jaar wordt berekend naar evenredigheid van het aantal hele maanden dat de aanwijzing tot bedrijfshulpverlener heeft geduurd.
4.
De ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, ontvangt vijf jaar na diens aanwijzing tot bedrijfshulpverlener en vervolgens elke vijf jaar daarna zolang de aanwijzing duurt, een jubileumtoeslag ten bedrage van:
a. € 378,44 na vijf jaar;
b. € 462,53 na tien jaar;
c. € 551,89 na vijftien jaar en na elke vijf jaar daaropvolgend.
5.
In afwijking van artikel 23 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 worden taken in het kader van de bedrijfshulpverlening die in opdracht van het bevoegd gezag als overwerk worden verricht, vergoed voor alle aangewezen ambtenaren en uitsluitend met een bedrag in geld, met dien verstande dat voor elk uur overwerk een vergoeding wordt toegekend ten bedrage van 125% van het salaris per uur, behorende bij het maximumsalaris van salarisschaal 7.
6.
Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst past de bedragen, bedoeld in het tweede en vierde lid, aan overeenkomstig de algemene salarisontwikkeling van het rijkspersoneel.
1.
Het bevoegd gezag breidt de formatie van de organisatorische eenheid waar de ambtenaar die lid is van de ondernemingsraad werkzaam is, uit met de tijd die met toepassing van de artikelen 17 en 18 van de Wet op de ondernemingsraden voor die ambtenaar is vastgesteld, voor zover dit noodzakelijk is om gedurende de periode van het lidmaatschap de door de organisatorische eenheid te verrichten werkzaamheden te realiseren.
2.
De ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, heeft op zijn aanvraag voor de resterende duur van zijn lidmaatschap van de ondernemingsraad recht op uitbreiding van zijn arbeidsduur met het aantal uren waarmee het bevoegd gezag vanwege dat lidmaatschap op grond van het eerste lid de formatie heeft uitgebreid. Artikel 21, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing. Een aanvraag als bedoeld in de eerste volzin wordt niet toegewezen zolang de ambtenaar geheel of gedeeltelijk ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte.
1.
De ambtenaar kan in het belang van de rijksdienst worden verplicht om scholing te volgen, voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden verlangd. Bij het opleggen van de verplichting tot het volgen van scholing worden studiefaciliteiten toegekend.
2.
De ambtenaar die is aangewezen als herplaatsingskandidaat als bedoeld in de artikelen 49d en 49e, en die een studie volgt of gaat volgen die aantoonbaar bijdraagt aan het realiseren van vastgelegde loopbaanafspraken dan wel het kunnen plaatsen in een andere functie worden studiefaciliteiten toegekend.
3.
De in het eerste en tweede lid bedoelde faciliteiten zijn:
a. een volledige vergoeding van de met de studie gemoeide scholingskosten;
b. 100% verlof met behoud van bezoldiging voor de tijd die is gemoeid met:
het volgen van lessen en stages die een onlosmakelijk onderdeel uitmaken van de opleiding;
contacturen die een onlosmakelijk onderdeel uitmaken van de opleiding;
zelfstudie van maximaal een dag per week, en
het afleggen van examens.
4.
Aan de ambtenaar, niet zijnde de ambtenaar, bedoeld in het eerste of tweede lid, die een studie volgt of gaat volgen die naar het oordeel van het bevoegd gezag aantoonbaar bijdraagt aan het realiseren van vastgelegde loopbaanafspraken worden de volgende studiefaciliteiten toegekend:
a. een volledige vergoeding van de met de studie gemoeide scholingskosten;
b. 50% verlof met behoud van bezoldiging voor de tijd die is gemoeid met:
het volgen van lessen en stages die een onlosmakelijk onderdeel uitmaken van de opleiding;
contacturen die een onlosmakelijk onderdeel uitmaken van de opleiding;
zelfstudie van maximaal een dag per week, en
het afleggen van examens.
5.
Aan de niet in het eerste tot en met vierde lid bedoelde ambtenaar die een studie volgt of gaat volgen, kan het bevoegd gezag de volgende studiefaciliteiten toekennen:
a. een vergoeding van de met de studie gemoeide scholingskosten tot ten hoogste 50% van deze scholingskosten;
b. ten hoogste 25% verlof met behoud van bezoldiging voor de tijd die is gemoeid met het volgen van lessen en stages die een onlosmakelijk onderdeel uitmaken van de opleiding, en het afleggen van examens.
6.
De ambtenaar kan worden verplicht tot terugbetaling van de aan hem toegekende vergoeding van de scholingskosten:
a. bij onvoldoende resultaat in de scholing en bij tussentijds afbreken van de scholing, indien dit aan eigen schuld of toedoen van de ambtenaar is te wijten;
b. bij ontslag tijdens het volgen van de scholing en in bijzondere gevallen bij ontslag binnen een termijn van ten hoogste drie jaren na het met voldoende resultaat afronden van de scholing, tenzij de ambtenaar binnen een maand na zijn ontslag elders in dienst treedt binnen de rijksdienst of aansluitend aan zijn ontslag recht heeft op een uitkering op grond van werkloosheid, arbeidsongeschiktheid of ouderdomspensioen.
7.
De verplichting tot terugbetaling wordt niet opgelegd aan de ambtenaar die binnen de in artikel 49g bedoelde termijn nadat hij is aangewezen als herplaatsingskandidaat als bedoeld in de artikelen 49d en 49e, op zijn aanvraag eervol ontslag wordt verleend wegens de aanvaarding van een functie buiten de rijksdienst.
8.
Het bevoegd gezag kan toestaan dat het verlof voor zelfstudie, bedoeld in het derde lid, onderdeel b, onder 3°, en vierde lid, onderdeel b, onder 3°, geldt voor meer dan maximaal een dag per week.
9.
De reis- en verblijfkosten, die de ambtenaar in het kader van scholing als bedoeld in het eerste, tweede of vierde lid maakt, worden vergoed overeenkomstig het bepaalde in het Reisbesluit binnenland of het Reisbesluit buitenland . In afwijking van artikel 6, tweede lid, van het Reisbesluit binnenland en artikel 6, tweede lid, van het Reisbesluit buitenland, geldt dat de vergoeding van reiskosten, voor zover met de trein wordt gereisd, gelijk is aan de gemaakte kosten op basis van het tarief van de tweede klasse.
10.
In deze bepaling wordt onder scholingskosten verstaan de kosten voor de door de onderwijsinstelling verplicht gestelde onderwijsmiddelen, les- en examengelden en verplicht gestelde excursies of studiereizen.
Artikel 60
Bij regeling van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kunnen nadere regels worden gesteld om ambtenaren die werkzaam zijn in een substantieel bezwarende functie als bedoeld in artikel 94b, eerste lid, te stimuleren na verloop van tijd de overstap te maken naar een niet substantieel bezwarende functie.
1.
De ambtenaar is verplicht aan Onze Minister, op een door Onze Minister te bepalen wijze, opgave te doen van de nevenwerkzaamheden die hij verricht of voornemens is te gaan verrichten, die de belangen van de dienst voor zover deze in verband staan met zijn functievervulling, kunnen raken.
2.
Onze Minister voert een registratie op basis van de op grond van het eerste lid gedane opgaven.
3.
De door de leden van de topmanagementgroep, bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onder a, juncto artikel 7, vierde lid, en door de directeur-generaal Algemene Bestuursdienst gemelde nevenwerkzaamheden worden openbaar gemaakt met vermelding van eventueel door Onze Minister aan het verrichten van de nevenwerkzaamheden gestelde beperkingen.
4.
Het is de ambtenaar verboden nevenwerkzaamheden te verrichten waardoor de goede vervulling van zijn functie of de goede functionering van de openbare dienst, voor zover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels omtrent dit verbod worden gesteld.
1.
Onze Minister wijst de ambtenaren aan die werkzaamheden verrichten waaraan in het bijzonder het risico van financiële belangenverstrengeling of het risico van oneigenlijk gebruik van koersgevoelige informatie verbonden is. De aangewezen ambtenaar meldt financiële belangen, alsmede het bezit van en transacties met effecten die de belangen van de dienst voor zover deze in verband staan met zijn functievervulling kunnen raken, aan een daartoe aangewezen functionaris.
2.
Onze Minister voert een registratie van de op grond van het eerste lid gedane meldingen.
3.
De ambtenaar verstrekt nadere informatie of bescheiden met betrekking tot de financiële belangen of het bezit van of de transacties met effecten, indien daarvoor naar het oordeel van Onze Minister of de aangewezen functionaris, bedoeld in het eerste lid, aanleiding bestaat op grond van de melding of na de melding gebleken feiten of omstandigheden.
4.
Het is de ambtenaar verboden financiële belangen te hebben, effecten te bezitten of effectentransacties te verrichten waardoor de goede vervulling van zijn functie of het goed functioneren van de openbare dienst, voorzover dit in verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd.
5.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de melding, bedoeld in het eerste lid, de registratie, bedoeld in het tweede lid, en het verbod, bedoeld in het vierde lid.
1.
Het is den ambtenaar verboden, middellijk of onmiddellijk deel te nemen aan aannemingen en leveringen ten behoeve van openbare diensten, tenzij daarvoor toestemming is verleend.
2.
Hij is verplicht zich te gedragen naar hetgeen voor hem is bepaald ten aanzien van het deelnemen, middellijk of onmiddellijk, aan aannemingen en leveringen ten behoeve van anderen.
1.
De ambtenaar, die een besturende, beherende dan wel toezichthoudende functie vervult in een naamloze vennootschap of ander rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam, en voor de in die functie verrichte of te verrichten werkzaamheden, anders dan uit ’s Rijks kas, een vergoeding ontvangt, is verplicht die vergoeding in genoemde kas te storten, indien de benoeming in die functie
a. heeft plaats gehad door dan wel in overeenstemming met Onze Minister;
b. is voortgevloeid uit een wettelijk voorschrift dan wel uit een overeenkomst, welke met instemming van Onze Minister of de Raad van Ministers is tot stand gekomen.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de ambtenaar die werkzaamheden vervult die verband houden met het door hem beklede ambt en hem zijn opgedragen door Onze Minister, en die voor die werkzaamheden, anders dan uit ’s Rijks kas, een vergoeding ontvangt.
3.
De vorige leden vinden geen toepassing in de gevallen, waarin dit door Onze Minister-President is bepaald.
1.
Het is den ambtenaar in zijn ambt verboden, anders dan met goedvinden van het bevoegd gezag, vergoedingen, belooningen, giften of beloften van derden te vorderen, te verzoeken of aan te nemen.
2.
Het aannemen van steekpenningen is onvoorwaardelijk en ten strengste verboden.
Artikel 65
De ambtenaar is verplicht de dienstkleding en de onderscheidingstekenen te dragen, voor zover dit door Onze Minister voorgeschreven is.
1.
De ambtenaar kan worden verplicht tot geheele of gedeeltelijke vergoeding van de door den dienst geleden schade, voor zoover deze aan hem is te wijten.
2.
Het bedrag van de schadevergoeding wordt niet vastgesteld, dan nadat de ambtenaar in de gelegenheid is gesteld zich schriftelijk of mondeling te verantwoorden.
Artikel 67
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan regels stellen ten aanzien van telewerken. Deze regels hebben in ieder geval betrekking op:
a. de inrichting van de telewerkplek;
b. de beschikbaarstelling door het bevoegd gezag van apparatuur;
c. de wijze waarop de werkcontacten tussen de ambtenaar en zijn dienstonderdeel zullen plaatsvinden;
d. de wijze waarop wordt voorzien in een vergoeding van de door de ambtenaar gemaakte kosten;
e. de wijze waarop het overleg met de vertegenwoordigers van het personeel wordt gevoerd.
1.
De ambtenaar heeft recht op vergoeding wegens reis- en verblijfkosten ter zake van dienstreizen.
2.
Deze vergoeding wordt vastgesteld overeenkomstig de daarvoor gestelde regels.
1.
De ambtenaar die een functie als bedoeld in het derde lid uitoefent of ten minste drie maanden waarneemt, ontvangt een maandelijkse tegemoetkoming in verband met representatiekosten.
2.
In deze bepaling wordt onder representatiekosten verstaan de door de ambtenaar gemaakte of te maken kosten in verband met de eisen die de uitoefening van de functie stelt ten aanzien van het onderhouden van externe contacten en het verrichten van representatieve activiteiten, waaronder worden begrepen de kosten in verband met:
a. huur of aanschaf van kleding en schoeisel of andere persoonlijke attributen;
b. aanpassing en inrichting van de eigen woning;
c. persoonlijke verzorging;
d. contributies en lidmaatschappen;
e. ontvangsten van bescheiden omvang in de eigen woning;
f. het aanbieden van lunches, diners en overige consumpties, persoonlijke attenties en geschenken, en
g. fooien.
3.
De tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, bedraagt:
a. voor een functie, genoemd in artikel 7, vierde lid: € 533,33 [Red: per 1 januari 2016: € 541,36] ;
b. voor het structurele plaatsvervangerschap van een functie als bedoeld onder a: 75% van het onder a genoemde bedrag;
c. voor de functie van directeur of daarmee door het bevoegd gezag voor de toepassing van dit artikel gelijk te stellen functie: 50% van het onder a genoemde bedrag;
d. voor een andere functie waaraan representatiekosten zijn verbonden, voor zover deze functie is vermeld op een daartoe door het bevoegd gezag vastgestelde lijst: het bij die functie vermelde bedrag dat maximaal 25% van het onder a genoemde bedrag kan zijn.
4.
Indien de ambtenaar op grond van het derde lid in aanmerking zou komen voor meer dan één tegemoetkoming ontvangt hij uitsluitend de tegemoetkoming met het hoogste bedrag.
5.
In afwijking van het derde lid, aanhef en onder d, kan in bijzondere gevallen een hogere tegemoetkoming aan de betrokken ambtenaar worden toegekend, die maximaal gelijk is aan het bedrag, bedoeld in het derde lid, onder c.
6.
De tegemoetkoming wordt niet uitbetaald vanaf de eerste dag van de kalendermaand volgend op die waarin de ambtenaar in het geheel geen dienst heeft verricht, tenzij het niet verrichten van de dienst het gevolg is van vakantieverlof of ziekte voor zover het de eerste vier weken van de ziekte betreft. De uitbetaling wordt hervat in de kalendermaand volgend op die waarin de ambtenaar zijn dienst heeft hervat.
7.
De ambtenaar die een tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid ontvangt, kan geen representatiekosten declareren.
8.
Aan de ambtenaar die geen tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid ontvangt, of de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, die kosten voor representatieve activiteiten heeft gemaakt, die niet zijn genoemd in het tweede lid, kunnen daadwerkelijk gemaakte representatiekosten geheel of gedeeltelijk worden vergoed, indien:
a. het onderhouden van externe contacten en het verrichten van representatieve activiteiten plaatsvindt met voorafgaande toestemming van of in opdracht van het bevoegd gezag;
b. de declaratie van representatiekosten is ingediend binnen zes maanden na de kalendermaand waarin de kosten zijn gemaakt, en
c. daarbij door de ambtenaar bewijsstukken worden overgelegd waaruit blijkt dat de kosten daadwerkelijk zijn gemaakt.
9.
Het bedrag, bedoeld in het derde lid, onder a, wordt per 1 januari van elk jaar bij regeling van Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst aangepast voor zover de consumentenprijsindex van het Centraal bureau voor de statistiek, geldend voor de maand september van het voorafgaande jaar, daartoe aanleiding geeft.
1.
Onze Minister kan naar billijkheid de ambtenaar schadeloos stellen, kosten vergoeden of overigens een geldelijke tegemoetkoming verlenen.
2.
De ambtenaar en de gewezen ambtenaar die een beroepsincident als bedoeld in artikel 35, hebben gehad, hebben recht op volledige vergoeding van de schade die zij ten gevolge van dat beroepsincident lijden. In overeenstemming met de ambtenaar kan deze vergoeding mede strekken ter vervanging van de uitkering, bedoeld in artikel 38, zevende lid.
3.
Onze Minister is bevoegd omtrent schadeloosstelling, kostenvergoedingen en overige geldelijke tegemoetkomingen aan groepen van ambtenaren in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties regels te geven.
4.
Bij ministeriële regeling kan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties regels stellen omtrent de schadeloosstelling, kostenvergoedingen en overige geldelijke tegemoetkomingen aan groepen van ambtenaren.
1.
De ambtenaar, die in contact staat of kort geleden gestaan heeft met een persoon, die een ziekte heeft, waarvoor ingevolge het krachtens de Wet publieke gezondheid bepaalde een nominatieve aangifteplicht geldt, mag zijn dienst niet verrichten en heeft geen toegang tot dienstgebouwen, -lokalen en -terreinen dan met toestemming van het bevoegd gezag, dat deze toestemming slechts kan verlenen na positief medisch advies van de deskundige persoon of de arbodienst, bedoeld in hoofdstuk VI.
2.
De ambtenaar, die verkeert in de in het vorige lid omschreven situatie, is verplicht daarvan ten spoedigste kennis te geven aan de deskundige persoon of de arbodienst, bedoeld in hoofdstuk VI. Hij is gehouden zich te gedragen naar de vanwege de deskundige persoon of de arbodienst, bedoeld in hoofdstuk VI gegeven aanwijzingen, waaronder die met betrekking tot het ondergaan van een arbeidsgezondheidskundig onderzoek.
3.
Gedurende de periode dat de ambtenaar ingevolge het bepaalde in dit artikel zijn dienst niet verricht, geniet hij zijn volle bezoldiging.
1.
Met de ambtenaar wordt minimaal een keer per jaar door een functionaris, aangewezen door het bevoegd gezag, gesproken over:
a. de wijze waarop de ambtenaar de opgedragen werkzaamheden heeft uitgevoerd en de resultaten die daarbij zijn gehaald;
b. de omstandigheden waaronder de opgedragen werkzaamheden zijn uitgevoerd;
c. welke werkzaamheden de ambtenaar zullen worden opgedragen en welke resultaten daarbij behaald moeten worden;
d. de omstandigheden waaronder die op te dragen werkzaamheden zullen worden uitgevoerd;
e. de wijze waarop de persoonlijke ontwikkeling van de ambtenaar bevorderd kan worden.
2.
Indien de ambtenaar gedurende vijf aaneengesloten jaren dezelfde functie heeft vervuld, wordt in het gesprek als bedoeld in het eerste lid specifieke aandacht besteed aan de continuering van de loopbaan.
3.
Van het met de ambtenaar besprokene wordt een schriftelijk verslag gemaakt.
4.
Over de in het eerste lid, onder c, d en e, genoemde onderwerpen worden met de ambtenaar afspraken gemaakt.
5.
Onze Minister stelt vast aan welke eisen een gesprek als bedoeld in het eerste lid alsmede een verslag daarvan moet voldoen.
1.
Indien het bevoegd gezag dit wenselijk vindt of de ambtenaar dit aanvraagt, wordt een beoordeling opgemaakt.
2.
Een beoordeling wordt eerst vastgesteld nadat deze met de ambtenaar is besproken en hij zijn zienswijze kenbaar heeft kunnen maken.
3.
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt nadere regels omtrent het opmaken en vaststellen van beoordelingen.
1.
De ambtenaar die ten minste drie jaar een functie dan wel vergelijkbare of uitwisselbare functies vervult, heeft de mogelijkheid om, op kosten van het bevoegd gezag, eenmaal per vijf jaar een vertrouwelijke loopbaanscan te doen, met behulp van een professionele loopbaandeskundige.
2.
De ambtenaar kan de uitkomsten van de loopbaanscan inbrengen in het gesprek, bedoeld in artikel 71, ter ondersteuning van het maken van afspraken over de verdere loopbaan.
Artikel 72
Verplichting tot zekerheidsstelling wordt den ambtenaar niet opgelegd.
1.
De ambtenaar die namens een minister is belast met de in artikel 24, tweede en derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 vermelde taken, is verplicht een tekort geheel of gedeeltelijk aan te zuiveren, wanneer hem ter zake van dat tekort een ernstig verwijt kan worden gemaakt.
2.
De ambtenaar die namens een minister is belast met het in artikel 25, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2001 bedoelde beheer, is verplicht schade te vergoeden, wanneer hem ter zake van die schade een ernstig verwijt kan worden gemaakt.
Artikel 76
Aan de vrouwelijke ambtenaar, die een borstkind heeft en hiervan aan het hoofd van dienst heeft kennis gegeven, behoort gelegenheid te worden gegeven haar kind te zoogen.
1.
Aan den ambtenaar kan door het bevoegd gezag de toegang tot de dienstlokalen, dienstgebouwen of het werk, dan wel het verblijf aldaar, worden ontzegd.
2.
Hij is verplicht zich te gedragen naar de maatregelen van orde, die ten aanzien van het verblijf aldaar zijn vastgesteld.
Artikel 78
Het is den ambtenaar verboden gedurende den werktijd alcoholhoudende dranken te gebruiken, bij zich te hebben of in de dienstlokalen te bewaren.
1.
De ambtenaar heeft aanspraak op een gratificatie bij ambtsjubileum volgens door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties te stellen regels.
2.
De ambtenaar die een diensttijd heeft van tien jaar of meer en aan wie ontslag is verleend op grond van artikel 96 of 98, eerste lid, onder f, wordt een diensttijdgratificatie toegekend, indien binnen een termijn van vijf jaar na de datum van ingang van het ontslag aanspraak op een gratificatie bij ambtsjubileum zou hebben bestaan. De diensttijdgratificatie bedraagt een in verhouding tot de doorgebrachte diensttijd evenredig gedeelte van een gratificatie bij ambtsjubileum als bedoeld in het eerste lid.