Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | Vacatures | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
» Energiewijzer « advertorial
Bespaar geld en stap over!
Energiewijzer.nl, eerlijk over energie.

Juridische vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Powered by Jbmatch.nl

Inhoudsopgave
- Hoofdstuk I. Algemeene bepalingen
+ Hoofdstuk Ia. Elektronische berichtgeving
+ Hoofdstuk II. Aanstelling en loopbaanvorming
+ Hoofdstuk III. Bezoldiging
+ Hoofdstuk IV. Dienst- en werktijden
+ Hoofdstuk V. Vakantie en verlof
+ Hoofdstuk VI. Bedrijfsgeneeskundige begeleiding, rechten en verplichtingen bij ziekte en arbeidsongeschiktheid
+ Hoofdstuk VII. Rechten en verplichtingen bij reorganisaties
+ Hoofdstuk VIIbis
+ Hoofdstuk VIIa. Overige rechten en verplichtingen van den ambtenaar
+ Hoofdstuk VIIb
+ Hoofdstuk VIII. Disciplinaire straffen
+ Hoofdstuk IX. De instelling en werkwijze van commissies waaraan de beslissing met uitsluiting van administratieve organen is opgedragen
+ Hoofdstuk X. Schorsing en ontslag
- Hoofdstuk XI. Het overleg met de centrales van verenigingen van ambtenaren
+ Hoofdstuk XIA
+ Hoofdstuk XII. Slot- en overgangsbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht

Algemeen Rijksambtenarenreglement

Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Ook bekend als:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
1.
Over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de ambtenaren in de zin van dit besluit met inbegrip van de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd, wordt niet beslist dan nadat daarover door of namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties overleg is gepleegd met de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel.
2.
De Sectorcommissie bestaat uit vertegenwoordigers van:
a. de Algemene Centrale van Overheidspersoneel;
b. de Christelijke Centrale van Overheids- en Onderwijspersoneel;
c. het Ambtenarencentrum;
d. de Centrale van Middelbare en Hogere Functionarissen bij Overheid en Onderwijs, Bedrijven en Instellingen;
e. andere door Ons tot het overleg toegelaten centrales van verenigingen van ambtenaren, welke onder meer gelet op het aantal ambtenaren, dat zij vertegenwoordigen, eveneens als representatief kunnen worden aangemerkt en tegen wier toelating het algemeen belang zich niet verzet.
3.
Indien een voorstel, waarover overleg dient plaats te vinden, strekt tot invoering of wijziging van een regeling met rechten of verplichtingen van individuele ambtenaren wordt dit voorstel slechts ten uitvoer gebracht, indien daarover overeenstemming bestaat met de Sectorcommissie. Het standpunt van de Sectorcommissie wordt bepaald bij meerderheid van stemmen. Elke centrale brengt één stem uit. Indien de stemmen binnen de Sectorcommissie staken, beslist Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties of het voorstel ten uitvoer wordt gebracht.
4.
In de Sectorcommissie wordt geen overleg gevoerd over voorstellen die betrekking hebben op het gehele overheidspersoneel.
5.
Indien een voorstel als bedoeld in het vierde lid, ziet op het van toepassing verklaren op overheidspersoneel van een wettelijke regeling die betrekking heeft op werknemers, die krachtens arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 610, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek werkzaam zijn, vindt in de Sectorcommissie overleg plaats over de gevolgen van een desbetreffend voorstel voor ambtenaren en de eventueel daarmee samenhangende wijzigingen in de voor hen geldende regelingen. Het overeenstemmingsvereiste, bedoeld in het derde lid, is daarbij niet van toepassing, mits het totaal van rechten en verplichtingen van ambtenaren over het geheel beoordeeld niet ongunstiger wordt.
6.
Indien bij het overleg, bedoeld in het vijfde lid, een geschil ontstaat over de vraag of wordt voldaan aan de voorwaarde dat het totaal van rechten en verplichtingen van de ambtenaren over het geheel beoordeeld niet ongunstiger wordt, wordt dat geschil onderworpen aan arbitrage door de Advies- en Arbitragecommissie, genoemd in artikel 110g.
1.
Elke centrale is bevoegd tot aanwijzing van twee leden en twee plaatsvervangende leden van de Sectorcommissie.
2.
Wij behouden Ons voor een toelating tot het overleg krachtens artikel 105 te schorsen en een toelating tot het overleg krachtens het tweede lid van dat artikel, onder e, in te trekken, indien de centrale van verenigingen van ambtenaren naar Ons oordeel niet meer representatief is dan wel het algemeen belang zich tegen haar verdere toelating verzet.
3.
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is bevoegd een lid of plaatsvervangend lid van de Sectorcommissie van deelneming aan het overleg uit te sluiten indien naar het oordeel van Onze genoemde Minister het dienstbelang dit in verband met zijn werkzaamheden als Rijksambtenaar vordert. De uitsluiting geschiedt niet dan nadat het bestuur van de daarbij betrokken zijnde centrale van verenigingen van ambtenaren over het voornemen daartoe is gehoord, en het advies van de overige leden van de Sectorcommissie daarover is ingewonnen.
In afwachting van de beslissing van Onze Minister neemt het betrokken lid of plaatsvervangend lid niet of niet meer deel aan het overleg.
Na de uitsluiting wijst de desbetreffende centrale een andere vertegenwoordiger aan als lid of plaatsvervangend lid van de Sectorcommissie in de plaats van de uitgeslotene.
1.
Het overleg staat onder leiding van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Hij is bevoegd de leiding van het overleg op te dragen aan een door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan te wijzen ambtenaar die is aangesteld als lid van de topmanagementgroep, indien de aard van de te bespreken aangelegenheden dit toelaat.
2.
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wijst functionarissen aan die hem, dan wel de functionaris die namens hem het overleg voert, bij het overleg terzijde staan.
3.
Het secretariaat van het overleg wordt gevoerd door een door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties benoemde of aangewezen secretaris, die ten dienste staat van zowel de voorzitter en de in het tweede lid bedoeld ambtenaren als van de Sectorcommissie. De benoeming of aanwijzing van de secretaris geschiedt in overeenstemming met de Sectorcommissie.
4.
Bij de behandeling van bepaalde aangelegenheden kan op uitnodiging of met toestemming van de voorzitter ook door anderen dan degenen, die daartoe ingevolge de vorige bepalingen van dit hoofdstuk bevoegd zijn, aan het overleg worden deelgenomen.
5.
De leden van de Sectorcommissie kunnen zich na overleg met de voorzitter ter vergadering voor de behandeling van een bepaald onderwerp door een deskundige doen bijstaan.
Artikel 107a
De centrales van verenigingen van ambtenaren, die van de in artikel 106, eerste lid, vermelde bevoegdheid hebben gebruik gemaakt, doen aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties mededeling van haar statuten en huishoudelijke reglementen en van de daarin aangebrachte wijzigingen, zomede van de statuten en van de daarin aangebrachte wijzigingen van de bij haar aangesloten verenigingen van ambtenaren.
Zij stellen Onze genoemde Minister voorts jaarlijks in kennis van het totale ledental van de bij elk der centrales aangesloten verenigingen.
1.
De in artikel 105 bedoelde aangelegenheden worden door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de Sectorcommissie voorgelegd.
2.
Ieder der tot het overleg toegelaten centrales van verenigingen van ambtenaren is bevoegd aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bepaalde onderwerpen, behorende tot de in artikel 105 bedoelde, ter plaatsing op de agenda op te geven.
Artikel 108a
Een wijziging van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 , betrekking hebbende op een ambt dat is vermeld in bijlage A van dat besluit, behoort niet tot de in artikel 105 bedoelde aangelegenheden.
1.
Het overleg wordt gevoerd op plaats, dag en uur door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties te bepalen.
2.
De vergaderingen worden in de regel te 's-Gravenhage gehouden.
3.
Indien de vertegenwoordigers van tenminste twee tot het overleg toegelaten centrales van verenigingen van ambtenaren Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, onder vermelding van hetgeen zij behandeld wensen te zien, verzoeken daartoe een vergadering uit te schrijven, vindt deze binnen 14 dagen plaats.
Artikel 109
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verleent zijn bemiddeling om aan de Sectorcommissie een lokaliteit in een Rijksgebouw ter beschikking te stellen, indien deze Sectorcommissie daartoe een verzoek doet ten behoeve van een door haar te houden vergadering.
1.
Indien het wenselijk blijkt over de in artikel 105 bedoelde aangelegenheden voorbereidende besprekingen te voeren of in het overleg genomen besluiten uit te werken, geschiedt deze voorbereiding of uitwerking door werkgroepen bestaande uit vertegenwoordigers van de Sectorcommissie en door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties daartoe aangewezen functionarissen.
2.
Het bepaalde in het vierde en vijfde lid van artikel 107 is daarbij van overeenkomstige toepassing.
1.
Het standpunt van de Sectorcommissie wordt bepaald bij eenvoudige meerderheid van stemmen.
2.
Elke centrale brengt één stem uit.
Artikel 110b
Voor de toepassing van het bepaalde in de artikelen 110d en volgende wordt verstaan onder:
a. "deelnemers aan het overleg": de voorzitter en de tot het overleg toegelaten centrales van verenigingen van ambtenaren;
b. "Advies- en Arbitragecommissie": de Advies- en Arbitragecommissie genoemd in artikel 110g.
Artikel 110c
De artikelen 110d tot en met 110h zijn slechts van toepassing op geschillen inzake aangelegenheden als bedoeld in artikel 105 voorzover die aangelegenheden uitsluitend de rechtstoestand van ambtenaren met inbegrip van de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd, betreffen.
Artikel 110d
Indien de voorzitter dan wel een of meer van de centrales, in het overleg tot het oordeel komen dat dit overleg niet tot een uitkomst zal leiden die de instemming van alle deelnemers aan dat overleg zal hebben, brengen zij dat oordeel binnen 3 dagen nadat zij daarvan in het overleg blijk hebben gegeven, schriftelijk ter kennis van de overige deelnemers aan het overleg.
1.
Binnen vijf dagen na de kennisgeving bedoeld in het vorige artikel, schrijft de voorzitter een overlegvergadering uit. De vergadering moet worden gehouden binnen zeven dagen nadat deze is uitgeschreven.
2.
Tenzij door de voorzitter en de Sectorcommissie wordt besloten het overleg voort te zetten dan wel te beëindigen wordt in de vergadering nagegaan of overeenstemming bestaat over de vraag wat het onderwerp en de inhoud van het geschil is en of een oplossing van dat geschil zal worden gezocht door middel van voortzetting van het overleg nadat het advies is ingewonnen van de Advies- en Arbitragecommissie, dan wel door middel van onderwerping van het geschil aan een arbitrale uitspraak van de Advies- en Arbitragecommissie.
3.
Tot het inwinnen van advies is zowel de voorzitter als de Sectorcommissie bevoegd.
4.
Voor onderwerping van het geschil aan arbitrage is overeenstemming vereist tussen alle deelnemers aan het overleg.
1.
Binnen drie dagen na de vergadering bedoeld in het vorige artikel, wordt het verzoek om advies ter kennis gebracht van de voorzitter van de Advies- en Arbitragecommissie. Het verzoek wordt ondertekend door de deelnemers aan het overleg die zich voor inwinning van advies hebben uitgesproken en bevat tenminste het onderwerp en de inhoud van het geschil. Indien in de vergadering bedoeld in het vorige artikel geen overeenstemming is bereikt tussen alle deelnemers aan het overleg over de vraag wat het onderwerp en de inhoud van het geschil is, brengen de overige deelnemers aan het overleg hun visie op het onderwerp en de inhoud van het geschil eveneens binnen drie dagen na eerdergenoemde vergadering ter kennis van de voorzitter van de Advies- en Arbitragecommissie.
2.
Het bepaalde in de eerste volzin van het vorige lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het onderwerpen van het geschil aan een arbitrale uitspraak. Het verzoek daartoe wordt ondertekend door alle deelnemers aan het overleg en dient tenminste te bevatten:
a. het onderwerp en de inhoud van het geschil;
b. de standpunten van alle deelnemers aan het overleg omtrent onderwerp en inhoud van het geschil.
1.
Er is een Advies- en Arbitragecommissie, die tot taak heeft te adviseren dan wel een bindende uitspraak te doen in de geschillen die haar ingevolge de voorgaande artikelen worden voorgelegd.
2.
De Advies- en Arbitragecommissie is gevestigd te ’s-Gravenhage. Zij bestaat uit vijf leden, onder wie de voorzitter, en vijf plaatsvervangende leden. Zij worden door Ons benoemd voor een tijdvak van ten hoogste vier jaar. Herbenoeming kan twee maal en telkens voor ten hoogste vier jaar plaatsvinden.
3.
Wij benoemen de voorzitter en diens plaatsvervanger op gezamenlijke voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Sectorcommissie. Van de andere vier leden en hun plaatsvervangers benoemen wij:
a. twee leden en hun plaatsvervangers op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; alsmede
b. twee leden en hun plaatsvervangers op voordracht van de Sectorcommissie.
4.
Uitgesloten van het lidmaatschap en plaatsvervangend lidmaatschap zijn:
a. personen die lid dan wel plaatsvervangend lid zijn van de Sectorcommissie;
b. personen die bestuurslid zijn van, dan wel werkzaam zijn bij een centrale van verenigingen van ambtenaren als bedoeld in artikel 105 of een daarbij aangesloten vereniging;
c. personen die werkzaam zijn bij de departementen van algemeen bestuur en de daaronder ressorterende instellingen, diensten en bedrijven, wier onafhankelijkheid en onpartijdigheid op grond van hun dienstverband door de deelnemers aan het overleg onvoldoende wordt geacht.
Deze personen zijn eveneens uitgesloten van het lidmaatschap of plaatsvervangend lidmaatschap gedurende de periode van twee jaar na beëindiging van het lidmaatschap, plaatsvervangend lidmaatschap of bestuurslidmaatschap onder a en b bedoeld, alsmede na beëindiging van de werkzaamheden bedoeld onder b en c.
5.
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wijst in overeenstemming met de Sectorcommissie en met de voorzitter van de Advies- en Arbitragecommissie een secretaris aan, die de Advies- en Arbitragecommissie bijstaat.
6.
Aan de leden en plaatsvervangende leden worden uit ’s Rijks kas vergoedingen voor reis- en verblijfkosten verleend volgens de regels welke voor de vergoeding voor reis- en verblijfkosten wegens reizen voor ’s Rijks dienst gelden.
1.
De Advies- en Arbitragecommissie treedt in geval van advies op in een samenstelling van drie leden, onder wie de voorzitter, een van de twee leden bedoeld in het derde lid onder a van het vorige artikel en een van de twee leden bedoeld in het derde lid onder b van dat artikel. De overige twee leden treden te zamen met de voorzitter op in geval van arbitrage. Bij verhindering van een der leden treedt diens plaatsvervanger op.
2.
Indien het verzoek om arbitrage naar het oordeel van de voorzitter een zelfde geschil betreft als waarover door de Advies- en Arbitragecommissie reeds advies is uitgebracht, treedt voor een lid die bij het uitbrengen van dat advies betrokken was, diens plaatsvervanger op.
3.
De voorzitter draagt er zorg voor dat het advies of de uitspraak binnen vier weken, nadat de kennisgeving bedoeld in artikel 110f, is ontvangen, aan de deelnemers aan het overleg ter kennis wordt gebracht.
4.
De Advies- en Arbitragecommissie stelt nadere regels vast met betrekking tot haar werkwijze.
1.
De Advies- en Arbitragecommissie besluit bij meerderheid van stemmen.
2.
Het advies of de uitspraak moet inhouden:
a. de namen van de deelnemers die het advies of de arbitrale uitspraak hebben aangevraagd;
b. een overzicht van de standpunten van alle deelnemers over het onderwerp en over de inhoud van het geschil;
c. het advies dan wel de beslissing en de redenen die daaraan ten grondslag liggen.
3.
Het advies of de uitspraak wordt gedagtekend en door ieder der optredende leden van de Advies- en Arbitragecommissie ondertekend.
Artikel 110j
Binnen twee weken na ontvangst van het advies wordt het overleg over het geschil voortgezet.
Artikel 110k
De uitspraak van de Advies- en Arbitragecommissie heeft bindende kracht.
1.
Het standpunt van de Sectorcommissie over de haar voorgelegde dan wel op verzoek van haar zijde in het overleg besproken aangelegenheden wordt schriftelijk aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bevestigd, waarbij desverlangd een samenvatting van de aan dit standpunt ten grondslag liggende argumenten wordt gegeven.
2.
Indien in de Sectorcommissie een minderheidsstandpunt blijkt te bestaan, wordt daarvan desverlangd in het geschrift bedoeld in het vorige lid, melding gemaakt.
Artikel 111
Indien over een aangelegenheid in afwijking van het standpunt van de Sectorcommissie wordt beslist, brengt Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de redenen dier afwijking zo spoedig mogelijk ter kennis van de Sectorcommissie.
Artikel 112
Van het in de vergaderingen van het overleg en de werkgroepen behandelde maakt de secretaris notulen. Bovendien wordt een verslag opgemaakt, bevattende een beknopte samenvatting van het verhandelde, voor zover dat voor openbaarmaking geschikt kan worden geacht.
Na overleg met de Sectorcommissie onderscheidenlijk de door deze in de betrokken werkgroep aangewezen leden, kan de voorzitter ten aanzien van het in vorenbedoelde vergaderingen verhandelde, geheimhouding opleggen. De plicht tot geheimhouding geldt niet, indien en voor zover de leden van de Sectorcommissie dan wel de door haar in de betrokken werkgroep aangewezen leden in bespreking treden met de door hen vertegenwoordigde centrales of de daarbij aangesloten verenigingen.
1.
Voor zover Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in overeenstemming met de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel niet anders heeft bepaald, wordt over voorgenomen besluiten tot invoering of wijziging van regels met rechten of verplichtingen van individuele ambtenaren en over voorgenomen besluiten tot een belangrijke reorganisatie, niet door Onze Minister beslist dan nadat door hem overleg is gevoerd met de centrales van verenigingen van ambtenaren.
2.
Het overleg heeft geen betrekking op aangelegenheden waarover overleg dient te worden gevoerd met de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel.
3.
Een voorgenomen besluit tot invoering of wijziging van regels met rechten of verplichtingen van individuele ambtenaren waarover overleg met de centrales moet worden gevoerd, wordt slechts ten uitvoer gebracht indien daarover overeenstemming bestaat met ten minste de helft van de tot het overleg toegelaten centrales.
4.
Het overleg over voorgenomen besluiten tot een belangrijke reorganisatie heeft slechts betrekking op de bijzondere rechtspositionele en sociale gevolgen van het voorgenomen besluit voor de betrokken ambtenaren.
1.
Onze Minister laat tot het overleg toe de tot de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel toegelaten centrales.
2.
Schorsing dan wel intrekking van een toelating van een centrale tot de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel, heeft tot gevolg schorsing respectievelijk intrekking van de toelating tot het overleg.
3.
Onze Minister kan een vertegenwoordiger van een centrale uitsluiten van deelneming aan het overleg indien naar het oordeel van Onze Minister het dienstbelang dit in verband met de werkzaamheden van betrokkene als Rijksambtenaar vordert. Voordat tot uitsluiting wordt besloten wordt het bestuur van de desbetreffende centrale in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. In afwachting van de beslissing van Onze Minister neemt betrokkene niet of niet meer deel aan het overleg.
Artikel 115
In geval van een geschil omtrent een voorgenomen besluit tot invoering of wijziging van regels met rechten of verplichtingen van individuele ambtenaren waarover overleg met de centrales moet worden gevoerd, zijn de artikelen 110b en 110d tot en met 110k van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de Advies- en Arbitragecommissie, genoemd in artikel 110g, voor de behandeling van het geschil wordt uitgebreid met twee bijzondere leden die worden benoemd door Onze Minister. Van deze leden wordt één lid benoemd op voordracht van de tot het overleg toegelaten centrales. Niet benoembaar tot bijzonder lid zijn:
a. personen die ingevolge artikel 110g, vierde lid, zijn uitgesloten van het lidmaatschap en het plaatsvervangend lidmaatschap;
b. personen die namens de centrales aan het overleg deelnemen, dan wel wier deelname aan het overleg nog niet langer dan twee jaar is beëindigd.
Artikel 116
Onze Minister kan geheimhouding opleggen ten aanzien van hetgeen in het overleg is behandeld. De plicht tot geheimhouding geldt niet voor zover degenen die namens de centrales aan het overleg deelnemen in bespreking treden met de door hen vertegenwoordigde centrales of de daarbij aangesloten verenigingen.
Artikel 117
Onze Minister draagt er zorg voor dat de ambtenaar, die in het overleg optreedt of heeft opgetreden namens een centrale, en de ambtenaar, die lid is geweest van een bijzondere commissie, niet uit dien hoofde worden benadeeld in hun positie als ambtenaar.
Artikel 118
De artikelen 113 tot en met 117 zijn van overeenkomstige toepassing op de Raad van State, de Algemene Rekenkamer, de Nationale ombudsman en het secretariaat van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, met dien verstande dat voor Onze Minister telkens wordt gelezen respectievelijk de vice-president van de Raad van State, het college van de Algemene Rekenkamer, de Nationale ombudsman en de voorzitter van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.