Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | Vacatures | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
» Energiewijzer « advertorial
Bespaar geld en stap over!
Energiewijzer.nl, eerlijk over energie.

Juridische vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Powered by Jbmatch.nl

Inhoudsopgave
+ TITEL I. ALGEMENE BEPALINGEN
+ TITEL II. TOEPASSING VAN TITEL I VAN HET VERDRAG (ALGEMENE BEPALINGEN)
+ TITEL III. SAMENTELLING VAN TIJDVAKKEN VAN VERZEKERING
- TITEL IV. TOEPASSING VAN TITEL III VAN HET VERDRAG
+ TITEL V. FINANCIËLE BEPALINGEN
+ TITEL VI. DIVERSE BEPALINGEN
+ TITEL VII. SLOTBEPALINGEN
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht

Administratieve Schikking voor de toepassing van het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden (herzien), Straatsburg, 26-11-1987

Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Ook bekend als:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
(authentiek: nl)
1.
Om in aanmerking te komen voor de toepassing van artikel 15 van het Verdrag, legt de rijnvarende aan het bevoegde orgaan een bewijs over, waarin de tijdvakken van verzekering zijn vermeld welke zijn vervuld krachtens de wetgeving van de Verdragsluitende Partij waaraan hij tevoren en laatstelijk onderworpen is geweest en verstrekt hij alle verdere inlichtingen welke op grond van de door dit orgaan toegepaste wetgeving vereist zijn.
2.
Het in het vorige lid bedoelde bewijs wordt op verzoek van de rijnvarende verstrekt door het voor de ziekteverzekering bevoegde orgaan van de Verdragsluitende Partij aan de wetgeving waarvan hij tevoren en laatstelijk onderworpen is geweest. Wanneer de rijnvarende genoemd bewijs niet overlegt, verzoekt het bevoegde orgaan dit orgaan daarom.
3.
De voorgaande leden van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing indien het nodig is met de vroeger krachtens de wetgeving van enige andere Verdragsluitende Partij vervulde tijdvakken van verzekering rekening te houden om te kunnen voldoen aan de in de wetgeving van de bevoegde Staat gestelde voorwaarden.
1.
Om voor zichzelf of voor zijn gezinsleden, die zich met hem aan boord van een in artikel 1, sub m) van het Verdrag bedoeld vaartuig bevinden, verstrekkingen te verkrijgen krachtens artikel 16, eerste lid, sub a)i) van het Verdrag, legt de in loondienst zijnde rijnvarende, die zich voor het vervullen van zijn dienstbetrekking op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat bevindt, aan het orgaan van de verblijfplaats zo spoedig mogelijk een verklaring over welke door de werkgever of diens vertegenwoordiger is afgegeven in de loop van de kalendermaand van voorlegging of in de twee daaraan voorafgaande kalendermaanden. In deze verklaring wordt met name de datum vermeld sedert welke de belanghebbende voor rekening van bedoelde werkgever werkt, alsmede de naam en de plaats van vestiging van het bevoegde orgaan; indien de werkgever evenwel volgens de wetgeving van de bevoegde Staat niet wordt geacht het bevoegde orgaan te kennen, geeft bedoelde rijnvarende de naam en de plaats van vestiging van dit orgaan schriftelijk op wanneer de aanvraag bij het orgaan van de verblijfplaats wordt ingediend. Wanneer hij deze verklaring heeft overgelegd, wordt hij geacht te voldoen aan de voorwaarden voor het ingaan van het recht op verstrekkingen. Indien hij niet in staat is zich voor de medische behandeling tot het orgaan van de verblijfplaats te wenden, ontvangt hij niettemin deze behandeling op vertoon van bedoelde verklaring, alsof hij bij dat orgaan verzekerd was.
2.
Het orgaan van de verblijfplaats richt zich onverwijld tot het bevoegde orgaan, teneinde te vernemen of de belanghebbende of zijn gezinsleden, naar gelang van het geval, aan de voorwaarden voor het ingaan van het recht op verstrekkingen voldoen. Het is verplicht deze verstrekkingen te verlenen totdat antwoord van het bevoegde orgaan is ontvangen en ten hoogste gedurende dertig dagen.
3.
Het bevoegde orgaan zendt het orgaan van de verblijfplaats antwoord binnen tien dagen na ontvangst van het verzoek van dit orgaan. Indien dit antwoord bevestigend luidt, deelt het bevoegde orgaan in voorkomend geval de maximumduur mede waarover overeenkomstig de door dit orgaan toegepaste wetgeving verstrekkingen mogen worden toegekend en zet het orgaan van de verblijfplaats het verlenen van verstrekkingen voort.
4.
In plaats van de verklaring, bedoeld in het eerste lid van dit artikel kan de rijnvarende aan het orgaan van de verblijfplaats het in artikel 10, eerste lid van deze Schikking bedoelde bewijs overleggen. In dit geval zijn de voorgaande leden van dit artikel niet van toepassing.
5.
Bij opneming in een ziekenhuis bericht het orgaan van de verblijfplaats, zodra het zulks heeft vernomen, aan het bevoegde orgaan de datum van opneming in het ziekenhuis, de vermoedelijke verblijfsduur en de datum van ontslag. Deze mededeling behoeft evenwel niet te worden gedaan wanneer de kosten van de verstrekkingen met een vast bedrag worden vergoed aan het orgaan van de verblijfplaats of wanneer van vergoeding wordt afgezien.
6.
Het orgaan van de verblijfplaats stelt het bevoegde orgaan vooraf in kennis van iedere beslissing die betrekking heeft op het verlenen van belangrijke verstrekkingen. Het bevoegde orgaan kan in voorkomend geval hiertegen onder opgave van redenen binnen vijftien dagen, gerekend vanaf de verzending van deze mededeling, verzet aantekenen. Het orgaan van de verblijfplaats verleent de verstrekkingen als na het verstrijken van deze termijn geen verzet is aangetekend. In onmiskenbare spoedgevallen verleent het orgaan van de verblijfplaats de verstrekkingen onverwijld en stelt het het bevoegde orgaan hiervan onmiddellijk op de hoogte. Dit verzet onder opgave van redenen behoeft evenwel niet te worden aangetekend wanneer de kosten van de verstrekkingen met een vast bedrag worden vergoed aan het orgaan van de verblijfplaats of wanneer van vergoeding wordt afgezien.
7.
Het Administratief Centrum stelt de lijst op van de in het vorige lid bedoelde verstrekkingen.
1.
Om in aanmerking te komen voor verstrekkingen krachtens artikel 16, eerste lid, sub a)i) van het Verdrag, behalve in het geval waarin van de in artikel 9, eerste lid van deze Schikking bedoelde veronderstelling wordt uitgegaan, legt de rijnvarende aan het orgaan van de verblijfplaats een bewijs over waarin wordt verklaard dat hij recht op verstrekkingen heeft. In dit bewijs, dat op verzoek van de belanghebbende door het bevoegde orgaan wordt afgegeven, voordat hij het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waarop hij woont verlaat, wordt in voorkomend geval met name de maximumduur vermeld waarover overeenkomstig de wetgeving van de bevoegde Staat verstrekkingen mogen worden verleend. Indien de belanghebbende dit bewijs niet overlegt, verzoekt het orgaan van de verblijfplaats het bevoegde orgaan daarom.
2.
Artikel 9, vijfde en zesde lid van deze Schikking is van overeenkomstige toepassing.
1.
Om in aanmerking te komen voor verstrekkingen krachtens artikel 16, eerste lid, sub b)i) van het Verdrag, legt de rijnvarende aan het orgaan van de woonplaats een bewijs over waarin wordt verklaard dat hij het recht op deze verstrekkingen mag behouden. In dit bewijs, dat op verzoek van de belanghebbende door het bevoegde orgaan voor zijn vertrek wordt afgegeven, wordt in voorkomend geval met name de maximumduur vermeld waarover volgens de wetgeving van de bevoegde Staat verstrekkingen mogen worden verleend. Het bewijs kan op verzoek van de belanghebbende na diens vertrek worden afgegeven, wanneer het wegens overmacht niet voordien kon worden opgemaakt.
2.
Artikel 9, vijfde en zesde lid van deze Schikking is van overeenkomstige toepassing.
3.
Het eerste lid van dit artikel is van overeenkomstige toepassing in het geval bedoeld in artikel 16, eerste lid, sub c)i) van het Verdrag.
Artikel 12. Verstrekkingen aan gezinsleden
De artikelen 10 en 11 van deze Schikking zijn van overeenkomstige toepassing voor het verlenen van verstrekkingen aan de in artikel 16, derde lid van het Verdrag bedoelde gezinsleden.
1.
Om in aanmerking te komen voor uitkeringen krachtens artikel 16, eerste lid, sub a)ii) van het Verdrag, wendt de rijnvarende zich binnen drie dagen na riet begin van de arbeidsongeschiktheid tot het orgaan van de verblijfplaats en legt, indien de wetgeving die door het bevoegde orgaan of het orgaan van de verblijfplaats wordt toegepast hierin voorziet, een door de behandelende arts afgegeven bewijs van arbeidsongeschiktheid over. Bovendien deelt hij zijn adres in het land waar hij verblijft mede, alsmede de naam en het adres van het bevoegde orgaan.
2.
Wanneer de behandelende artsen van het land van de verblijfplaats geen bewijzen van arbeidsongeschiktheid afgeven wendt de rijnvarende zich rechtstreeks tot het orgaan van de verblijfplaats, binnen de termijn welke is gesteld in de door dit orgaan toegepaste wetgeving. Dit orgaan laat onmiddellijk de arbeidsongeschiktheid medisch vaststellen en het in het vorige lid bedoelde bewijs uitschrijven.
3.
Het orgaan van de verblijfplaats zendt de in de voorgaande leden van dit artikel bedoelde documenten onverwijld door aan het bevoegde orgaan, onder vermelding van de vermoedelijke duur van de arbeidsongeschiktheid.
4.
Zo spoedig mogelijk oefent het orgaan van de verblijfplaats de medische en administratieve controle op de rijnvarende uit en deelt het resultaat daarvan onverwijld mede aan het bevoegde orgaan, dat de bevoegdheid houdt de belanghebbende voor eigen rekening te doen onderzoeken door een arts van eigen keuze. Indien laatstbedoeld orgaan besluit de uitkeringen te weigeren, omdat de rijnvarende de controlevoorschriften niet heeft nageleefd, stelt dit orgaan hem in kennis van deze beslissing en zendt het gelijktijdig een afschrift daarvan aan het orgaan van de verblijfplaats.
5.
Onverwijld wordt de rijnvarende van het einde van de arbeidsongeschiktheid in kennis gesteld door het orgaan van de verblijfplaats, dat daaromtrent het bevoegde orgaan onmiddellijk inlicht. Wanneer laatstbedoeld orgaan zelf beslist dat de rijnvarende weer arbeidsgeschikt is geworden, stelt het hem in kennis van deze beslissing en zendt het gelijktijdig een afschrift daarvan aan het orgaan van de verblijfplaats.
6.
Indien, in hetzelfde geval, voor het einde van de arbeidsongeschiktheid twee verschillende data zijn vastgesteld onderscheidenlijk door het orgaan van de verblijfplaats en door het bevoegde orgaan, wordt de door het bevoegde orgaan vastgestelde datum aangehouden.
7.
Wanneer de rijnvarende het werk hervat, geeft hij hiervan bericht aan het bevoegde orgaan, indien de door dit orgaan toegepaste wetgeving hierin voorziet.
8.
Het bevoegde orgaan betaalt de uitkeringen met behulp van alle daartoe aangewezen middelen, met name per internationale postwissel, en stelt het orgaan van de verblijfplaats hiervan in kennis. Indien de uitkeringen door het orgaan van de verblijfplaats voor rekening van het bevoegde orgaan worden verleend, stelt het bevoegde orgaan de rijnvarende van zijn rechten in kennis op de wijze als voorzien in de door dit orgaan toegepaste wetgeving en geeft gelijktijdig het orgaan aan dat de uitkeringen zal uitbetalen. Tegelijkertijd doet het bevoegde orgaan het orgaan van de verblijfplaats mededeling van het bedrag van de uitkeringen, de data waarop zij moeten worden betaald en de maximumduur waarover zij ingevolge de wetgeving van de bevoegde Staat worden toegekend.
9.
Twee of meer Verdragsluitende Partijen of de bevoegde autoriteiten van deze Verdragsluitende Partijen kunnen, voor zover het hun aangaat, na advies van het Administratief Centrum, een andere wijze van toepassing overeenkomen dan die welke is voorzien in de voorgaande leden van dit artikel.
1.
Om in aanmerking te komen voor verstrekkingen krachtens artikel 17, eerste lid, sub a) van het Verdrag, laat de rijnvarende zich inschrijven bij het orgaan van de woonplaats, onder overlegging van een bewijs waarin wordt verklaard dat hij recht op verstrekkingen heeft. Dit bewijs wordt afgegeven door het bevoegde orgaan, eventueel na kennisneming van de door de werkgever verstrekte inlichtingen. Indien dit bewijs door de rijnvarende niet wordt overgelegd, verzoekt het orgaan van de woonplaats het bevoegde orgaan daarom.
2.
Het in het vorige lid bedoelde bewijs blijft geldig zolang het orgaan van de woonplaats terzake geen kennisgeving van intrekking heeft ontvangen. Wanneer genoemde verklaring evenwel door een Frans orgaan wordt afgegeven, is zij slechts geldig gedurende een jaar na de datum van afgifte en moet zij jaarlijks worden vernieuwd.
3.
Het orgaan van de woonplaats stelt het bevoegde orgaan in kennis van iedere inschrijving welke het overeenkomstig het eerste lid van dit artikel heeft verricht.
4.
Bij iedere aanvraag om verstrekkingen legt de aanvrager de bewijsstukken over welke krachtens de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan hij woont, gewoonlijk voor het verlenen van verstrekkingen vereist worden.
5.
Artikel 9, vijfde en zesde lid van deze Schikking is van overeenkomstige toepassing.
6.
De rijnvarende is verplicht het orgaan van de woonplaats in kennis te stellen van iedere verandering in zijn omstandigheden waardoor het recht op verstrekkingen kan worden gewijzigd, in het bijzonder van iedere beëindiging of verandering van dienstbetrekking of beroepswerkzaamheden of iedere overbrenging van de woon- of verblijfplaats. Het bevoegde orgaan en het orgaan van de woonplaats stellen elkaar in kennis van iedere verandering die het recht op verstrekkingen van de rijnvarende kan wijzigen.
Artikel 15. Verstrekkingen aan gezinsleden
Artikel 14 van deze Schikking is van overeenkomstige toepassing voor het verlenen van verstrekkingen aan de in artikel 17, tweede lid van het Verdrag bedoelde gezinsleden.
1.
Om in aanmerking te komen voor uitkeringen krachtens artikel 17, eerste lid, sub b) van het Verdrag, wendt de rijnvarende zich binnen drie dagen na het begin van de arbeidsongeschiktheid tot het orgaan van de woonplaats onder overlegging van een kennisgeving van arbeidsonderbreking of, indien de wetgeving die door het bevoegde orgaan of het orgaan van de woonplaats wordt toegepast, hierin voorziet, een door de behandelende arts afgegeven bewijs van arbeidsongeschiktheid. Bovendien is hij verplicht alle andere krachtens de wetgeving van de bevoegde Staat vereiste documenten over te leggen, naar gelang van de aard van de aangevraagde uitkeringen.
2.
Wanneer de behandelende artsen van het land van de woonplaats geen bewijzen van arbeidsongeschiktheid afgeven, is artikel 13, tweede lid van deze Schikking van overeenkomstige toepassing.
3.
Het orgaan van de woonplaats zendt de in de vorige leden bedoelde documenten onverwijld door aan het bevoegde orgaan, onder vermelding van de vermoedelijke duur van de arbeidsongeschiktheid.
4.
Artikel 13, vierde tot en met negende lid van deze Schikking is van overeenkomstige toepassing.
1.
De artikelen 10, 11, 12, 14 en 15 van deze Schikkikng zijn van overeenkomstige toepassing voor het verlenen van verstrekkingen aan de werkloos geworden rijnvarende en zijn gezinsleden die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat verblijven of wonen.
2.
De artikelen 13 en 16 van deze Schikking zijn van overeenkomstige toepassing voor het verlenen van uitkeringen aan de werkloos geworden rijnvarende die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat verblijft of woont.
1.
Om in aanmerking te komen voor toepassing van artikel 19, tweede lid van het Verdrag legt de belanghebbende aan het bevoegde orgaan een bewijs over met betrekking tot zijn gezinsleden die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat wonen. Dit bewijs wordt afgegeven door het voor de ziekteverzekering bevoegde orgaan van de woonplaats van deze gezinsleden of door een ander orgaan dat is aangewezen door de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan deze gezinsleden wonen.
2.
Het in het vorige lid bedoelde bewijs is geldig gedurende twaalf maanden na de datum van afgifte. Het kan worden verlengd; in dit geval loopt de geldigheidsduur te rekenen van de datum van vernieuwing. De belanghebbende is verplicht het bevoegde orgaan onmiddellijk in kennis te stellen van iedere wijziging welke in dit bewijs moet worden aangebracht. Een zodanige wijziging wordt van kracht op de dag waarop de omstandigheid welke oorzaak is van de wijziging, zich voordoet.
Artikel 19. Verstrekkingen aan de aanvrager van een pensioen of rente en aan zijn gezinsleden, die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat verblijven of wonen
De artikelen 10, 11, 12, 14 en 15 van de Schikking zijn van overeenkomstige toepassing voor het verlenen van verstrekkingen aan de aanvrager van een pensioen of een rente en zijn gezinsleden, die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat verblijven of wonen.
1.
Om op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waarop hij woont in aanmerking te komen voor verstrekkingen krachtens artikel 21, tweede lid van het Verdrag laat de rechthebbende op een pensioen of rente zich en zijn gezinsleden inschrijven bij het orgaan van de woonplaats, onder overlegging van een bewijs waarin wordt verklaard dat hij krachtens de wetgeving of krachtens een der wetgevingen op grond waarvan een pensioen of rente verschuldigd is, voor zichzelf en zijn gezinsleden recht op verstrekkingen heeft.
2.
Het in het eerste lid van dit artikel bedoelde bewijs wordt op verzoek van de rechthebbende op een pensioen of rente door het orgaan of een der organen welke pensioen of rente verschuldigd zijn of, in voorkomend geval, door het orgaan dat over het recht op verstrekkingen moet beslissen, afgegeven, zodra de rechthebbende op een pensioen of rente voldoet aan de voorwaarden voor het ingaan van het recht op verstrekkingen. Indien de rechthebbende dit bewijs niet overlegt, verzoekt het orgaan van de woonplaats het orgaan of de organen welke pensioen of rente verschuldigd zijn of, in voorkomend geval, ieder ander orgaan dat bevoegd is bedoeld bewijs af te geven, daarom. In afwachting van de ontvangst van dit bewijs, kan het orgaan van de woonplaats de rechthebbende en zijn gezinsleden voorlopig inschrijven op vertoon van de door dit orgaan toegelaten bewijsstukken. Deze inschrijving is voor het orgaan dat de kosten van de verstrekkingen moet dragen slechts bindend, indien laatstbedoeld orgaan genoemd bewijs heeft afgegeven.
3.
Het orgaan van de woonplaats stelt het orgaan dat het in het eerste lid van dit artikel bedoelde bewijs heeft afgegeven in kennis van iedere inschrijving welke het overeenkomstig dat lid heeft verricht.
4.
Bij elke aanvraag om verstrekkingen kan het orgaan van de woonplaats verlangen dat de rechthebbende op een pensioen of rente, aan de hand van het ontvangstbewijs of het strookje van de postwissel van de laatste betaling, aantoont dat hij nog altijd recht op pensioen of rente heeft.
5.
De rechthebbende op een pensioen of rente of zijn gezinsleden zijn verplicht het orgaan van de woonplaats in kennis te stellen van elke wijziging in hun omstandigheden, waardoor het recht op verstrekkingen kan worden gewijzigd, in het bijzonder van elke schorsing of beëindiging van het pensioen of de rente en elke overbrenging van hun woonplaats. De betrokken organen stellen het orgaan van de woonplaats van de rechthebbende op een pensioen of rente eveneens op de hoogte van elke wijziging waarvan zij kennis dragen.
1.
Om op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waarop zij wonen in aanmerking te komen voor verstrekkingen krachtens artikel 21, vierde lid van het Verdrag laten de gezinsleden van een rechthebbende op een pensioen of rente zich inschrijven bij het orgaan van hun woonplaats, onder overlegging van de bewijsstukken welke krachtens de door dit orgaan toegepaste wetgeving gewoonlijk vereist worden voor de toekenning van verstrekkingen aan de gezinsleden van een rechthebbende op een pensioen of rente, alsmede van een soortgelijk bewijs als bedoeld in artikel 20, eerste lid van deze Schikking. Bedoeld orgaan stelt het orgaan in de woonplaats van de rechthebbende op een pensioen of rente in kennis van iedere inschrijving welke het overeenkomstig het bepaalde in dit lid verricht.
2.
Bij iedere aanvraag om verstrekkingen leggen de gezinsleden aan het orgaan van hun woonplaats een bewijs over waarin wordt verklaard dat de rechthebbende op een pensioen of rente voor zichzelf en zijn gezinsleden recht op verstrekkingen heeft; dit bewijs, dat wordt afgegeven door het orgaan van de woonplaats van de rechthebbende, blijft geldig zolang het orgaan van de woonplaats van de gezinsleden terzake geen kennisgeving van intrekking heeft ontvangen.
3.
Het orgaan van de woonplaats van de rechthebbende op een pensioen of rente stelt het orgaan van de woonplaats van de gezinsleden in kennis van de schorsing of intrekking van het pensioen of de rente en van iedere overbrenging van de woonplaats van de rechthebbende. Het orgaan van de woonplaats van de gezinsleden kan te allen tijde aan het orgaan van de woonplaats van de rechthebbende op een pensioen of rente verzoeken alle inlichtingen te verschaffen omtrent diens recht op verstrekkingen.
4.
De gezinsleden zijn verplicht het orgaan van hun woonplaats in kennis te stellen van iedere verandering in hun omstandigheden waardoor het recht op verstrekkingen kan worden gewijzigd, in het bijzonder van iedere overbrenging van hun woonplaats.
1.
Om in aanmerking te komen voor verstrekkingen krachtens artikel 21, zesde lid van het Verdrag, legt de rechthebbende op een pensioen of rente aan het orgaan van de verblijfplaats een bewijs over waarin wordt verklaard dat hij recht op deze verstrekkingen heeft. In dit bewijs, dat het orgaan van de woonplaats van de rechthebbende uitreikt voordat hij het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waarop hij woont, verlaat, wordt in voorkomend geval met name de maximumduur vermeld waarover overeenkomstig de wetgeving van deze Partij verstrekkingen mogen worden verleend. Wanneer de rechthebbende genoemd bewijs niet overlegt, verzoekt het orgaan van de verblijfplaats het orgaan van de woonplaats daarom. Wanneer echter, gelet op artikel 78, derde lid van deze Schikking, deze verstrekkingen ten laste komen van het bevoegde orgaan, wordt de in artikel 21, zesde lid, sub b) van het Verdrag bedoelde toestemming door het bevoegde orgaan gegeven.
2.
In het in artikel 21, zesde lid, sub a) van het Verdrag bedoelde geval is artikel 9, vijfde en zesde lid van deze Schikking van overeenkomstige toepassing. Met inachtneming van artikel 78, derde lid van deze Schikking, wordt in dit geval het orgaan van de woonplaats van de rechthebbende als bevoegd orgaan beschouwd.
3.
De voorgaande leden van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing voor het verlenen van verstrekkingen aan gezinsleden in de in artikel 21, zesde lid, sub a) van het Verdrag bedoelde gevallen.
4.
Het eerste lid van dit artikel is van overeenkomstige toepassing voor het verlenen van verstrekkingen aan gezinsleden in de in artikel 21, zesde lid, sub b) van het Verdrag bedoelde gevallen.
Artikel 23. Vergoeding door het bevoegde orgaan van de gemaakte kosten tijdens een verblijf op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij
Indien de in artikel 9, eerste lid, artikel 10, eerste lid, artikel 11, eerste lid en artikel 22, eerste lid van deze Schikking voorgeschreven formaliteiten niet gedurende het verblijf van de belanghebbende op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat konden worden vervuld, worden de gemaakte kosten op verzoek van de belanghebbende door het bevoegde orgaan vergoed tegen de tarieven, welke door het orgaan van de verblijfplaats worden toegepast. Het orgaan van de verblijfplaats verstrekt het bevoegde orgaan op verzoek de nodige inlichtingen over deze tarieven.