Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | Vacatures | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
» Energiewijzer « advertorial
Bespaar geld en stap over!
Energiewijzer.nl, eerlijk over energie.

Juridische vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Powered by Jbmatch.nl

Inhoudsopgave
+ TITEL I. ALGEMENE BEPALINGEN
+ TITEL II. TOEPASSING VAN TITEL I VAN HET VERDRAG (ALGEMENE BEPALINGEN)
+ TITEL III. SAMENTELLING VAN TIJDVAKKEN VAN VERZEKERING
- TITEL IV. TOEPASSING VAN TITEL III VAN HET VERDRAG
+ TITEL V. FINANCIËLE BEPALINGEN
+ TITEL VI. DIVERSE BEPALINGEN
+ TITEL VII. SLOTBEPALINGEN
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht

Administratieve Schikking voor de toepassing van het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden (herzien), Straatsburg, 26-11-1987

Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Ook bekend als:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
(authentiek: nl)
1.
Om in aanmerking te komen voor de toepassing van artikel 15 van het Verdrag, legt de rijnvarende aan het bevoegde orgaan een bewijs over, waarin de tijdvakken van verzekering zijn vermeld welke zijn vervuld krachtens de wetgeving van de Verdragsluitende Partij waaraan hij tevoren en laatstelijk onderworpen is geweest en verstrekt hij alle verdere inlichtingen welke op grond van de door dit orgaan toegepaste wetgeving vereist zijn.
2.
Het in het vorige lid bedoelde bewijs wordt op verzoek van de rijnvarende verstrekt door het voor de ziekteverzekering bevoegde orgaan van de Verdragsluitende Partij aan de wetgeving waarvan hij tevoren en laatstelijk onderworpen is geweest. Wanneer de rijnvarende genoemd bewijs niet overlegt, verzoekt het bevoegde orgaan dit orgaan daarom.
3.
De voorgaande leden van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing indien het nodig is met de vroeger krachtens de wetgeving van enige andere Verdragsluitende Partij vervulde tijdvakken van verzekering rekening te houden om te kunnen voldoen aan de in de wetgeving van de bevoegde Staat gestelde voorwaarden.
1.
Om voor zichzelf of voor zijn gezinsleden, die zich met hem aan boord van een in artikel 1, sub m) van het Verdrag bedoeld vaartuig bevinden, verstrekkingen te verkrijgen krachtens artikel 16, eerste lid, sub a)i) van het Verdrag, legt de in loondienst zijnde rijnvarende, die zich voor het vervullen van zijn dienstbetrekking op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat bevindt, aan het orgaan van de verblijfplaats zo spoedig mogelijk een verklaring over welke door de werkgever of diens vertegenwoordiger is afgegeven in de loop van de kalendermaand van voorlegging of in de twee daaraan voorafgaande kalendermaanden. In deze verklaring wordt met name de datum vermeld sedert welke de belanghebbende voor rekening van bedoelde werkgever werkt, alsmede de naam en de plaats van vestiging van het bevoegde orgaan; indien de werkgever evenwel volgens de wetgeving van de bevoegde Staat niet wordt geacht het bevoegde orgaan te kennen, geeft bedoelde rijnvarende de naam en de plaats van vestiging van dit orgaan schriftelijk op wanneer de aanvraag bij het orgaan van de verblijfplaats wordt ingediend. Wanneer hij deze verklaring heeft overgelegd, wordt hij geacht te voldoen aan de voorwaarden voor het ingaan van het recht op verstrekkingen. Indien hij niet in staat is zich voor de medische behandeling tot het orgaan van de verblijfplaats te wenden, ontvangt hij niettemin deze behandeling op vertoon van bedoelde verklaring, alsof hij bij dat orgaan verzekerd was.
2.
Het orgaan van de verblijfplaats richt zich onverwijld tot het bevoegde orgaan, teneinde te vernemen of de belanghebbende of zijn gezinsleden, naar gelang van het geval, aan de voorwaarden voor het ingaan van het recht op verstrekkingen voldoen. Het is verplicht deze verstrekkingen te verlenen totdat antwoord van het bevoegde orgaan is ontvangen en ten hoogste gedurende dertig dagen.
3.
Het bevoegde orgaan zendt het orgaan van de verblijfplaats antwoord binnen tien dagen na ontvangst van het verzoek van dit orgaan. Indien dit antwoord bevestigend luidt, deelt het bevoegde orgaan in voorkomend geval de maximumduur mede waarover overeenkomstig de door dit orgaan toegepaste wetgeving verstrekkingen mogen worden toegekend en zet het orgaan van de verblijfplaats het verlenen van verstrekkingen voort.
4.
In plaats van de verklaring, bedoeld in het eerste lid van dit artikel kan de rijnvarende aan het orgaan van de verblijfplaats het in artikel 10, eerste lid van deze Schikking bedoelde bewijs overleggen. In dit geval zijn de voorgaande leden van dit artikel niet van toepassing.
5.
Bij opneming in een ziekenhuis bericht het orgaan van de verblijfplaats, zodra het zulks heeft vernomen, aan het bevoegde orgaan de datum van opneming in het ziekenhuis, de vermoedelijke verblijfsduur en de datum van ontslag. Deze mededeling behoeft evenwel niet te worden gedaan wanneer de kosten van de verstrekkingen met een vast bedrag worden vergoed aan het orgaan van de verblijfplaats of wanneer van vergoeding wordt afgezien.
6.
Het orgaan van de verblijfplaats stelt het bevoegde orgaan vooraf in kennis van iedere beslissing die betrekking heeft op het verlenen van belangrijke verstrekkingen. Het bevoegde orgaan kan in voorkomend geval hiertegen onder opgave van redenen binnen vijftien dagen, gerekend vanaf de verzending van deze mededeling, verzet aantekenen. Het orgaan van de verblijfplaats verleent de verstrekkingen als na het verstrijken van deze termijn geen verzet is aangetekend. In onmiskenbare spoedgevallen verleent het orgaan van de verblijfplaats de verstrekkingen onverwijld en stelt het het bevoegde orgaan hiervan onmiddellijk op de hoogte. Dit verzet onder opgave van redenen behoeft evenwel niet te worden aangetekend wanneer de kosten van de verstrekkingen met een vast bedrag worden vergoed aan het orgaan van de verblijfplaats of wanneer van vergoeding wordt afgezien.
7.
Het Administratief Centrum stelt de lijst op van de in het vorige lid bedoelde verstrekkingen.
1.
Om in aanmerking te komen voor verstrekkingen krachtens artikel 16, eerste lid, sub a)i) van het Verdrag, behalve in het geval waarin van de in artikel 9, eerste lid van deze Schikking bedoelde veronderstelling wordt uitgegaan, legt de rijnvarende aan het orgaan van de verblijfplaats een bewijs over waarin wordt verklaard dat hij recht op verstrekkingen heeft. In dit bewijs, dat op verzoek van de belanghebbende door het bevoegde orgaan wordt afgegeven, voordat hij het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waarop hij woont verlaat, wordt in voorkomend geval met name de maximumduur vermeld waarover overeenkomstig de wetgeving van de bevoegde Staat verstrekkingen mogen worden verleend. Indien de belanghebbende dit bewijs niet overlegt, verzoekt het orgaan van de verblijfplaats het bevoegde orgaan daarom.
2.
Artikel 9, vijfde en zesde lid van deze Schikking is van overeenkomstige toepassing.
1.
Om in aanmerking te komen voor verstrekkingen krachtens artikel 16, eerste lid, sub b)i) van het Verdrag, legt de rijnvarende aan het orgaan van de woonplaats een bewijs over waarin wordt verklaard dat hij het recht op deze verstrekkingen mag behouden. In dit bewijs, dat op verzoek van de belanghebbende door het bevoegde orgaan voor zijn vertrek wordt afgegeven, wordt in voorkomend geval met name de maximumduur vermeld waarover volgens de wetgeving van de bevoegde Staat verstrekkingen mogen worden verleend. Het bewijs kan op verzoek van de belanghebbende na diens vertrek worden afgegeven, wanneer het wegens overmacht niet voordien kon worden opgemaakt.
2.
Artikel 9, vijfde en zesde lid van deze Schikking is van overeenkomstige toepassing.
3.
Het eerste lid van dit artikel is van overeenkomstige toepassing in het geval bedoeld in artikel 16, eerste lid, sub c)i) van het Verdrag.
Artikel 12. Verstrekkingen aan gezinsleden
De artikelen 10 en 11 van deze Schikking zijn van overeenkomstige toepassing voor het verlenen van verstrekkingen aan de in artikel 16, derde lid van het Verdrag bedoelde gezinsleden.
1.
Om in aanmerking te komen voor uitkeringen krachtens artikel 16, eerste lid, sub a)ii) van het Verdrag, wendt de rijnvarende zich binnen drie dagen na riet begin van de arbeidsongeschiktheid tot het orgaan van de verblijfplaats en legt, indien de wetgeving die door het bevoegde orgaan of het orgaan van de verblijfplaats wordt toegepast hierin voorziet, een door de behandelende arts afgegeven bewijs van arbeidsongeschiktheid over. Bovendien deelt hij zijn adres in het land waar hij verblijft mede, alsmede de naam en het adres van het bevoegde orgaan.
2.
Wanneer de behandelende artsen van het land van de verblijfplaats geen bewijzen van arbeidsongeschiktheid afgeven wendt de rijnvarende zich rechtstreeks tot het orgaan van de verblijfplaats, binnen de termijn welke is gesteld in de door dit orgaan toegepaste wetgeving. Dit orgaan laat onmiddellijk de arbeidsongeschiktheid medisch vaststellen en het in het vorige lid bedoelde bewijs uitschrijven.
3.
Het orgaan van de verblijfplaats zendt de in de voorgaande leden van dit artikel bedoelde documenten onverwijld door aan het bevoegde orgaan, onder vermelding van de vermoedelijke duur van de arbeidsongeschiktheid.
4.
Zo spoedig mogelijk oefent het orgaan van de verblijfplaats de medische en administratieve controle op de rijnvarende uit en deelt het resultaat daarvan onverwijld mede aan het bevoegde orgaan, dat de bevoegdheid houdt de belanghebbende voor eigen rekening te doen onderzoeken door een arts van eigen keuze. Indien laatstbedoeld orgaan besluit de uitkeringen te weigeren, omdat de rijnvarende de controlevoorschriften niet heeft nageleefd, stelt dit orgaan hem in kennis van deze beslissing en zendt het gelijktijdig een afschrift daarvan aan het orgaan van de verblijfplaats.
5.
Onverwijld wordt de rijnvarende van het einde van de arbeidsongeschiktheid in kennis gesteld door het orgaan van de verblijfplaats, dat daaromtrent het bevoegde orgaan onmiddellijk inlicht. Wanneer laatstbedoeld orgaan zelf beslist dat de rijnvarende weer arbeidsgeschikt is geworden, stelt het hem in kennis van deze beslissing en zendt het gelijktijdig een afschrift daarvan aan het orgaan van de verblijfplaats.
6.
Indien, in hetzelfde geval, voor het einde van de arbeidsongeschiktheid twee verschillende data zijn vastgesteld onderscheidenlijk door het orgaan van de verblijfplaats en door het bevoegde orgaan, wordt de door het bevoegde orgaan vastgestelde datum aangehouden.
7.
Wanneer de rijnvarende het werk hervat, geeft hij hiervan bericht aan het bevoegde orgaan, indien de door dit orgaan toegepaste wetgeving hierin voorziet.
8.
Het bevoegde orgaan betaalt de uitkeringen met behulp van alle daartoe aangewezen middelen, met name per internationale postwissel, en stelt het orgaan van de verblijfplaats hiervan in kennis. Indien de uitkeringen door het orgaan van de verblijfplaats voor rekening van het bevoegde orgaan worden verleend, stelt het bevoegde orgaan de rijnvarende van zijn rechten in kennis op de wijze als voorzien in de door dit orgaan toegepaste wetgeving en geeft gelijktijdig het orgaan aan dat de uitkeringen zal uitbetalen. Tegelijkertijd doet het bevoegde orgaan het orgaan van de verblijfplaats mededeling van het bedrag van de uitkeringen, de data waarop zij moeten worden betaald en de maximumduur waarover zij ingevolge de wetgeving van de bevoegde Staat worden toegekend.
9.
Twee of meer Verdragsluitende Partijen of de bevoegde autoriteiten van deze Verdragsluitende Partijen kunnen, voor zover het hun aangaat, na advies van het Administratief Centrum, een andere wijze van toepassing overeenkomen dan die welke is voorzien in de voorgaande leden van dit artikel.
1.
Om in aanmerking te komen voor verstrekkingen krachtens artikel 17, eerste lid, sub a) van het Verdrag, laat de rijnvarende zich inschrijven bij het orgaan van de woonplaats, onder overlegging van een bewijs waarin wordt verklaard dat hij recht op verstrekkingen heeft. Dit bewijs wordt afgegeven door het bevoegde orgaan, eventueel na kennisneming van de door de werkgever verstrekte inlichtingen. Indien dit bewijs door de rijnvarende niet wordt overgelegd, verzoekt het orgaan van de woonplaats het bevoegde orgaan daarom.
2.
Het in het vorige lid bedoelde bewijs blijft geldig zolang het orgaan van de woonplaats terzake geen kennisgeving van intrekking heeft ontvangen. Wanneer genoemde verklaring evenwel door een Frans orgaan wordt afgegeven, is zij slechts geldig gedurende een jaar na de datum van afgifte en moet zij jaarlijks worden vernieuwd.
3.
Het orgaan van de woonplaats stelt het bevoegde orgaan in kennis van iedere inschrijving welke het overeenkomstig het eerste lid van dit artikel heeft verricht.
4.
Bij iedere aanvraag om verstrekkingen legt de aanvrager de bewijsstukken over welke krachtens de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan hij woont, gewoonlijk voor het verlenen van verstrekkingen vereist worden.
5.
Artikel 9, vijfde en zesde lid van deze Schikking is van overeenkomstige toepassing.
6.
De rijnvarende is verplicht het orgaan van de woonplaats in kennis te stellen van iedere verandering in zijn omstandigheden waardoor het recht op verstrekkingen kan worden gewijzigd, in het bijzonder van iedere beëindiging of verandering van dienstbetrekking of beroepswerkzaamheden of iedere overbrenging van de woon- of verblijfplaats. Het bevoegde orgaan en het orgaan van de woonplaats stellen elkaar in kennis van iedere verandering die het recht op verstrekkingen van de rijnvarende kan wijzigen.
Artikel 15. Verstrekkingen aan gezinsleden
Artikel 14 van deze Schikking is van overeenkomstige toepassing voor het verlenen van verstrekkingen aan de in artikel 17, tweede lid van het Verdrag bedoelde gezinsleden.
1.
Om in aanmerking te komen voor uitkeringen krachtens artikel 17, eerste lid, sub b) van het Verdrag, wendt de rijnvarende zich binnen drie dagen na het begin van de arbeidsongeschiktheid tot het orgaan van de woonplaats onder overlegging van een kennisgeving van arbeidsonderbreking of, indien de wetgeving die door het bevoegde orgaan of het orgaan van de woonplaats wordt toegepast, hierin voorziet, een door de behandelende arts afgegeven bewijs van arbeidsongeschiktheid. Bovendien is hij verplicht alle andere krachtens de wetgeving van de bevoegde Staat vereiste documenten over te leggen, naar gelang van de aard van de aangevraagde uitkeringen.
2.
Wanneer de behandelende artsen van het land van de woonplaats geen bewijzen van arbeidsongeschiktheid afgeven, is artikel 13, tweede lid van deze Schikking van overeenkomstige toepassing.
3.
Het orgaan van de woonplaats zendt de in de vorige leden bedoelde documenten onverwijld door aan het bevoegde orgaan, onder vermelding van de vermoedelijke duur van de arbeidsongeschiktheid.
4.
Artikel 13, vierde tot en met negende lid van deze Schikking is van overeenkomstige toepassing.
1.
De artikelen 10, 11, 12, 14 en 15 van deze Schikkikng zijn van overeenkomstige toepassing voor het verlenen van verstrekkingen aan de werkloos geworden rijnvarende en zijn gezinsleden die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat verblijven of wonen.
2.
De artikelen 13 en 16 van deze Schikking zijn van overeenkomstige toepassing voor het verlenen van uitkeringen aan de werkloos geworden rijnvarende die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat verblijft of woont.
1.
Om in aanmerking te komen voor toepassing van artikel 19, tweede lid van het Verdrag legt de belanghebbende aan het bevoegde orgaan een bewijs over met betrekking tot zijn gezinsleden die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat wonen. Dit bewijs wordt afgegeven door het voor de ziekteverzekering bevoegde orgaan van de woonplaats van deze gezinsleden of door een ander orgaan dat is aangewezen door de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan deze gezinsleden wonen.
2.
Het in het vorige lid bedoelde bewijs is geldig gedurende twaalf maanden na de datum van afgifte. Het kan worden verlengd; in dit geval loopt de geldigheidsduur te rekenen van de datum van vernieuwing. De belanghebbende is verplicht het bevoegde orgaan onmiddellijk in kennis te stellen van iedere wijziging welke in dit bewijs moet worden aangebracht. Een zodanige wijziging wordt van kracht op de dag waarop de omstandigheid welke oorzaak is van de wijziging, zich voordoet.
Artikel 19. Verstrekkingen aan de aanvrager van een pensioen of rente en aan zijn gezinsleden, die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat verblijven of wonen
De artikelen 10, 11, 12, 14 en 15 van de Schikking zijn van overeenkomstige toepassing voor het verlenen van verstrekkingen aan de aanvrager van een pensioen of een rente en zijn gezinsleden, die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat verblijven of wonen.
1.
Om op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waarop hij woont in aanmerking te komen voor verstrekkingen krachtens artikel 21, tweede lid van het Verdrag laat de rechthebbende op een pensioen of rente zich en zijn gezinsleden inschrijven bij het orgaan van de woonplaats, onder overlegging van een bewijs waarin wordt verklaard dat hij krachtens de wetgeving of krachtens een der wetgevingen op grond waarvan een pensioen of rente verschuldigd is, voor zichzelf en zijn gezinsleden recht op verstrekkingen heeft.
2.
Het in het eerste lid van dit artikel bedoelde bewijs wordt op verzoek van de rechthebbende op een pensioen of rente door het orgaan of een der organen welke pensioen of rente verschuldigd zijn of, in voorkomend geval, door het orgaan dat over het recht op verstrekkingen moet beslissen, afgegeven, zodra de rechthebbende op een pensioen of rente voldoet aan de voorwaarden voor het ingaan van het recht op verstrekkingen. Indien de rechthebbende dit bewijs niet overlegt, verzoekt het orgaan van de woonplaats het orgaan of de organen welke pensioen of rente verschuldigd zijn of, in voorkomend geval, ieder ander orgaan dat bevoegd is bedoeld bewijs af te geven, daarom. In afwachting van de ontvangst van dit bewijs, kan het orgaan van de woonplaats de rechthebbende en zijn gezinsleden voorlopig inschrijven op vertoon van de door dit orgaan toegelaten bewijsstukken. Deze inschrijving is voor het orgaan dat de kosten van de verstrekkingen moet dragen slechts bindend, indien laatstbedoeld orgaan genoemd bewijs heeft afgegeven.
3.
Het orgaan van de woonplaats stelt het orgaan dat het in het eerste lid van dit artikel bedoelde bewijs heeft afgegeven in kennis van iedere inschrijving welke het overeenkomstig dat lid heeft verricht.
4.
Bij elke aanvraag om verstrekkingen kan het orgaan van de woonplaats verlangen dat de rechthebbende op een pensioen of rente, aan de hand van het ontvangstbewijs of het strookje van de postwissel van de laatste betaling, aantoont dat hij nog altijd recht op pensioen of rente heeft.
5.
De rechthebbende op een pensioen of rente of zijn gezinsleden zijn verplicht het orgaan van de woonplaats in kennis te stellen van elke wijziging in hun omstandigheden, waardoor het recht op verstrekkingen kan worden gewijzigd, in het bijzonder van elke schorsing of beëindiging van het pensioen of de rente en elke overbrenging van hun woonplaats. De betrokken organen stellen het orgaan van de woonplaats van de rechthebbende op een pensioen of rente eveneens op de hoogte van elke wijziging waarvan zij kennis dragen.
1.
Om op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waarop zij wonen in aanmerking te komen voor verstrekkingen krachtens artikel 21, vierde lid van het Verdrag laten de gezinsleden van een rechthebbende op een pensioen of rente zich inschrijven bij het orgaan van hun woonplaats, onder overlegging van de bewijsstukken welke krachtens de door dit orgaan toegepaste wetgeving gewoonlijk vereist worden voor de toekenning van verstrekkingen aan de gezinsleden van een rechthebbende op een pensioen of rente, alsmede van een soortgelijk bewijs als bedoeld in artikel 20, eerste lid van deze Schikking. Bedoeld orgaan stelt het orgaan in de woonplaats van de rechthebbende op een pensioen of rente in kennis van iedere inschrijving welke het overeenkomstig het bepaalde in dit lid verricht.
2.
Bij iedere aanvraag om verstrekkingen leggen de gezinsleden aan het orgaan van hun woonplaats een bewijs over waarin wordt verklaard dat de rechthebbende op een pensioen of rente voor zichzelf en zijn gezinsleden recht op verstrekkingen heeft; dit bewijs, dat wordt afgegeven door het orgaan van de woonplaats van de rechthebbende, blijft geldig zolang het orgaan van de woonplaats van de gezinsleden terzake geen kennisgeving van intrekking heeft ontvangen.
3.
Het orgaan van de woonplaats van de rechthebbende op een pensioen of rente stelt het orgaan van de woonplaats van de gezinsleden in kennis van de schorsing of intrekking van het pensioen of de rente en van iedere overbrenging van de woonplaats van de rechthebbende. Het orgaan van de woonplaats van de gezinsleden kan te allen tijde aan het orgaan van de woonplaats van de rechthebbende op een pensioen of rente verzoeken alle inlichtingen te verschaffen omtrent diens recht op verstrekkingen.
4.
De gezinsleden zijn verplicht het orgaan van hun woonplaats in kennis te stellen van iedere verandering in hun omstandigheden waardoor het recht op verstrekkingen kan worden gewijzigd, in het bijzonder van iedere overbrenging van hun woonplaats.
1.
Om in aanmerking te komen voor verstrekkingen krachtens artikel 21, zesde lid van het Verdrag, legt de rechthebbende op een pensioen of rente aan het orgaan van de verblijfplaats een bewijs over waarin wordt verklaard dat hij recht op deze verstrekkingen heeft. In dit bewijs, dat het orgaan van de woonplaats van de rechthebbende uitreikt voordat hij het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waarop hij woont, verlaat, wordt in voorkomend geval met name de maximumduur vermeld waarover overeenkomstig de wetgeving van deze Partij verstrekkingen mogen worden verleend. Wanneer de rechthebbende genoemd bewijs niet overlegt, verzoekt het orgaan van de verblijfplaats het orgaan van de woonplaats daarom. Wanneer echter, gelet op artikel 78, derde lid van deze Schikking, deze verstrekkingen ten laste komen van het bevoegde orgaan, wordt de in artikel 21, zesde lid, sub b) van het Verdrag bedoelde toestemming door het bevoegde orgaan gegeven.
2.
In het in artikel 21, zesde lid, sub a) van het Verdrag bedoelde geval is artikel 9, vijfde en zesde lid van deze Schikking van overeenkomstige toepassing. Met inachtneming van artikel 78, derde lid van deze Schikking, wordt in dit geval het orgaan van de woonplaats van de rechthebbende als bevoegd orgaan beschouwd.
3.
De voorgaande leden van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing voor het verlenen van verstrekkingen aan gezinsleden in de in artikel 21, zesde lid, sub a) van het Verdrag bedoelde gevallen.
4.
Het eerste lid van dit artikel is van overeenkomstige toepassing voor het verlenen van verstrekkingen aan gezinsleden in de in artikel 21, zesde lid, sub b) van het Verdrag bedoelde gevallen.
Artikel 23. Vergoeding door het bevoegde orgaan van de gemaakte kosten tijdens een verblijf op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij
Indien de in artikel 9, eerste lid, artikel 10, eerste lid, artikel 11, eerste lid en artikel 22, eerste lid van deze Schikking voorgeschreven formaliteiten niet gedurende het verblijf van de belanghebbende op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat konden worden vervuld, worden de gemaakte kosten op verzoek van de belanghebbende door het bevoegde orgaan vergoed tegen de tarieven, welke door het orgaan van de verblijfplaats worden toegepast. Het orgaan van de verblijfplaats verstrekt het bevoegde orgaan op verzoek de nodige inlichtingen over deze tarieven.
1.
Om in aanmerking te komen voor uitkeringen krachtens de artikelen 25 en 27 van het Verdrag, daaronder begrepen in de gevallen bedoeld in artikel 28, tweede lid, artikel 29, eerste lid en artikel 30, tweede lid van het Verdrag, richt de aanvrager een verzoek hetzij tot het orgaan van de Verdragsluitende Partij aan de wetgeving waarvan hij onderworpen was op het tijdstip waarop de arbeidsongeschiktheid met daaropvolgende invaliditeit of de toeneming van deze invaliditeit is ontstaan, hetzij tot het orgaan van de woonplaats, dat de aanvraag dan aan eerstgenoemd orgaan doorzendt onder vermelding van de datum waarop deze werd ingediend. Deze datum wordt beschouwd als de datum waarop de aanvraag bij eerstbedoeld orgaan werd ingediend. Indien evenwel ziekengeld werd toegekend, moet de dag waarop het tijdvak van de toekenning van deze uitkering eindigt, in voorkomend geval worden beschouwd als de datum waarop de aanvraag om uitkeringen werd ingediend.
2.
In het in artikel 29, eerste lid, sub b) van het Verdrag bedoelde geval stelt het orgaan waarbij de aanvrager laatstelijk was aangesloten, het orgaan dat deze uitkeringen oorspronkelijk verschuldigd was, in kennis van het bedrag en de datum van ingang van de krachtens de door eerstbedoelde orgaan toegepaste wetgeving verschuldigde uitkeringen.
Artikel 25. Bewijs betreffende de gezinsleden die in aanmerking moeten worden genomen
Om in aanmerking te komen voor toepassing van artikel 27, vijfde lid van het Verdrag legt de aanvrager een bewijs over betreffende zijn gezinsleden, die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij wonen dan dat waar zich het orgaan bevindt dat de uitkeringen moet vaststellen. Dit bewijs wordt afgegeven door het voor de ziekteverzekering bevoegde orgaan van de woonplaats van deze gezinsleden of door een ander orgaan dat is aangewezen door de bevoegde autoriteit van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan deze gezinsleden wonen. Artikel 18, tweede lid van deze Schikking is van overeenkomstige toepassing.
1.
Indien het orgaan waarbij een aanvraag om invaliditeitsuitkering is ingediend vaststelt dat artikel 25, eerste lid van het Verdrag van toepassing is, wendt het zich, zo nodig, tot het orgaan waarbij de aanvrager laatstelijk aangesloten is geweest, ter verkrijging van een verklaring waarin de door hem krachtens de door dit laatste orgaan toegepaste wetgeving vervulde tijdvakken van verzekering zijn vermeld.
2.
Het vorige lid is van overeenkomstige toepassing, indien het nodig is met de vroeger onder de wetgeving van enige andere Verdragsluitende Partij vervulde tijdvakken van verzekering rekening te houden om aan de in de wetgeving van de bevoegde Staat gestelde voorwaarden te voldoen.
3.
In het in artikel 27, derde lid van het Verdrag bedoelde geval zendt het orgaan dat het dossier van de aanvrager behandelt dit toe aan het orgaan waarbij de aanvrager laatstelijk aangesloten is geweest.
4.
In het in artikel 27, vierde lid van het Verdrag bedoelde geval wordt de aanvraag eventueel doorgezonden aan het terzake van invaliditeit bevoegde orgaan, waarbij de aanvrager laatstelijk voor het risico van invaliditeit aangesloten is geweest. Het bepaalde in het vorige lid is van overeenkomstige toepassing.
5.
Er moet onder dezelfde voorwaarden, eventueel worden teruggegaan tot het voor invaliditeit bevoegde orgaan van de Verdragsluitende Partij aan de wetgeving waarvan de aanvrager het eerst onderworpen was.
Artikel 27. Bepaling van de mate van invaliditeit
Het orgaan van een Verdragsluitende Partij houdt voor het bepalen van de mate van invaliditeit rekening met alle inlichtingen van medische en administratieve aard welke door het orgaan van enige andere Verdragsluitende Partij zijn ingewonnen. Elk orgaan behoudt echter de bevoegdheid de aanvrager voor eigen rekening door een arts van eigen keuze te laten onderzoeken.
Artikel 28. Geval waarin de aanvrager achtereenvolgens of afwisselend onderworpen is geweest aan wettelijke regelingen waarvan ten minste een niet wordt vermeld in bijlage VI van het Verdrag
Voor de toepassing van artikel 28, eerste lid van het Verdrag zijn de artikelen 29 tot en met 38 van deze Schikking van overeenkomstige toepassing.
1.
Om in aanmerking te komen voor uitkeringen krachtens de artikelen 32 tot en met 39 van het Verdrag, richt de aanvrager zijn aanvraag tot het orgaan van de woonplaats, volgens de voorschriften van de door dat orgaan toegepaste wetgeving. Indien de aanvrager of de overledene niet aan deze wetgeving onderworpen is geweest, zendt het orgaan van de woonplaats de aanvraag door aan het orgaan van de Verdragsluitende Partij aan de wetgeving waarvan de aanvrager of de overledene laatstelijk onderworpen is geweest, zulks onder opgave van de datum waarop de aanvraag werd ingediend. Deze datum wordt beschouwd als de datum waarop de aanvraag bij laatstgenoemd orgaan werd ingediend.
2.
Wanneer de aanvrager niet woont op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij aan de wetgeving waarvan hij of de overledene onderworpen is geweest, kan hij zijn aanvraag richten tot het orgaan van de Verdragsluitende Partij aan de wetgeving waarvan hijzelf of de overledene laatstelijk onderworpen is geweest.
Artikel 30. Bij de aanvraag te voegen stukken en aanwijzingen
Voor de indiening van de in artikel 29 van deze Schikking bedoelde aanvragen gelden de volgende regels.
a) de aanvraag dient vergezeld te gaan van de vereiste bewijsstukken en te zijn opgesteld volgens de formaliteiten voorzien
i) hetzij in de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan de aanvrager woont, in het geval bedoeld in artikel 29, eerste lid van deze Schikking;
ii) hetzij in de wetgeving van de Verdragsluitende Partij waaraan de aanvrager of de overledene laatstelijk onderworpen is geweest, in het geval bedoeld in artikel 29, tweede lid van deze Schikking;
b) de juistheid van de door de aanvrager verstrekte gegevens moeten worden aangetoond door bij de aanvraag gevoegde officiële stukken of worden bevestigd door de bevoegde instanties van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan hij woont;
c) voor zover mogelijk moet de aanvrager vermelden, ofwel het orgaan of de organen van de invaliditeits- of ouderdomsverzekering of van de verzekering bij overlijden (pensioenen) van elke Verdragsluitende Partij aan de wetgeving waarvan hijzelf of de overledene onderworpen is geweest, ofwel de werkgever of werkgevers bij wie hijzelf of de overledene werkzaam is geweest, zulks onder overlegging van de bewijzen van verrichte arbeid waarover hij mocht beschikken.
Artikel 31. Bewijs betreffende de gezinsleden die in aanmerking moeten worden genomen
Voor de toepassing van artikel 34, derde lid van het Verdrag, is artikel 25 van deze Schikking van overeenkomstige toepassing.
1.
De aanvragen om uitkering worden behandeld door het orgaan waaraan zij, overeenkomstig artikel 29 van deze Schikking zijn gericht, dan wel doorgezonden. Dit orgaan wordt het „behandelende orgaan” genoemd.
2.
Het behandelende orgaan stelt alle betrokken organen onmiddellijk in kennis van de aanvragen om uitkeringen die bij haar zijn ingediend opdat deze aanvragen gelijktijdig en onverwijld door deze organen kunnen worden behandeld.
Artikel 33. Bij de behandeling van de aanvragen voor uitkeringen te gebruiken formulieren
Voor de behandeling van de aanvragen om uitkeringen maakt het behandelende orgaan gebruik van een formulier waarin met name een opsomming en een samenvatting voorkomen van de door de belanghebbende of de overledene krachtens de wetgevingen van alle betrokken Verdragsluitende Partijen vervulde tijdvakken van verzekering, onder vermelding van de tijdvakken die zijn vervuld in de hoedanigheid van rijnvarende.
1.
Het behandelende orgaan vermeldt op het in artikel 33 van deze Schikking bedoelde formulier de tijdvakken van verzekering die krachtens de door dit orgaan toegepaste wetgeving zijn vervuld, en zendt een exemplaar van dit formulier aan het orgaan van de invaliditeits- of ouderdomsverzekering of de verzekering bij overlijden (pensioenen) van iedere Verdragsluitende Partij waarbij de belanghebbende of de overledene aangesloten is geweest, in voorkomend geval onder bijvoeging van de bewijzen van verrichte arbeid die de aanvrager heeft overgelegd.
2.
Indien er slechts een ander orgaan bij betrokken is, vult dit orgaan het hem overeenkomstig het vorige lid toegezonden formulier aan met de vermelding van de tijdvakken van verzekering welke krachtens de door dit orgaan toegepaste wetgeving zijn vervuld. Vervolgens stelt dit orgaan, rekening houdende met artikel 32 van het Verdrag, vast welke rechten op grond van deze wetgeving bestaan en vermeldt op dit formulier het bedrag van de uitkering, berekend overeenkomstig artikel 33, tweede, derde, vierde of vijfde lid van het Verdrag, alsmede eventueel het bedrag van de uitkering waarop de aanvrager aanspraak zou kunnen maken uitsluitend op grond van de krachtens de door dit orgaan toegepaste wetgeving vervulde tijdvakken, zonder dat de artikelen 32 tot en met 36 van het Verdrag worden toegepast. Genoemd formulier wordt aan het behandelende orgaan teruggezonden.
3.
Indien er twee of meer andere organen bij betrokken zijn, vult elk van deze organen het hem overeenkomstig het eerste lid van dit artikel toegezonden formulier aan met de vermelding van de tijdvakken van verzekering welke krachtens de door dit orgaan toegepaste wetgeving zijn vervuld en zendt het aan het behandelende orgaan terug. Dit orgaan zendt het aldus aangevulde formulier aan alle betrokken organen; elke van deze organen stelt, rekening houdende met artikel 32 van het Verdrag, vast welke rechten op grond van de door dit orgaan toegepaste wetgeving bestaan en vermeldt op dit formulier het bedrag van de uitkering, berekend overeenkomstig artikel 33, tweede, derde, vierde of vijfde lid van het Verdrag, alsmede eventueel het bedrag van de uitkering waarop de aanvrager aanspraak zou kunnen maken uitsluitend op grond van de krachtens de door dit orgaan dan het behandelende orgaan deze uitkeringen rechtstreeks tikelen 32 tot en met 36 van het Verdrag worden toegepast. Bedoeld formulier wordt aan het behandelende orgaan teruggezonden.
4.
Wanneer het behandelende orgaan vaststelt dat aan de in artikel 24, tweede lid van het Verdrag vermelde voorwaarden niet wordt voldaan stelt zij de overige betrokken organen hiervan in kennis.
5.
Wanneer het behandelend orgaan in het bezit is van alle in het tweede of het derde lid van dit artikel bedoelde gegevens, stelt dit orgaan, rekening houdende met artikel 32 van het Verdrag, op zijn beurt vast welke rechten op grond van de door dit orgaan toegepaste wetgeving bestaan en berekent, overeenkomstig artikel 33, tweede, derde, vierde of vijfde lid van het Verdrag, het bedrag van de uitkering dat dit orgaan verschuldigd is, alsmede eventueel het bedrag van de uitkering waarop de aanvrager aanspraak zou kunnen maken uitsluitend op grond van de krachtens de door dit orgaan toegepaste wetgeving vervulde tijdvakken, zonder dat de artikelen 32 tot en met 36 van het Verdrag worden toegepast.
6.
Zodra het behandelende orgaan bij ontvangst van de in het tweede of derde lid van dit artikel bedoelde gegevens vaststelt dat artikel 35, tweede of derde lid of artikel 37, eerste lid van het Verdrag moet worden toegepast, stelt het de overige betrokken organen hiervan in kennis.
1.
Indien het behandelende orgaan vaststelt dat de aanvrager krachtens de door dit orgaan toegepaste wetgeving recht heeft op uitkering zonder dat een beroep behoeft te worden gedaan op de tijdvakken van verzekering welke zijn vervuld krachtens de wetgeving van de andere Verdragsluitende Partijen waaraan de belanghebbende of de overledene onderworpen is geweest, betaalt dit orgaan hem deze onmiddellijk als voorlopige uitkering, onverminderd het bepaalde in de volgende leden van dit artikel.
2.
Elk orgaan dat overeenkomstig artikel 33, vijfde lid van het Verdrag gerechtigd is de uitkeringen of bestanddelen van uitkeringen welke het de rechthebbende verschuldigd is, rechtstreeks te berekenen, betaalt hem deze uitkeringen onmiddellijk. Indien een ander orgaan dan het behandelende orgaan deze uitkeringen rechtstreeks aan de rechthebbende betaalt, stelt het het behandelende orgaan hiervan onmiddellijk in kennis en reserveert het, met het oog op de toepassing van het zevende lid van dit artikel, het bedrag van de eventuele achterstallige termijnen ten behoeve van elk orgaan dat teveel mocht hebben uitbetaald.
3.
Ingeval het behandelende orgaan uitkeringen betaalt krachtens het eerste lid van dit artikel, vermindert het het bedrag van deze uitkeringen in voorkomend geval met het bedrag van de uitkeringen welke krachtens het vorige lid door ieder ander orgaan werden betaald, zodra het hiervan op de hoogte is.
4.
Indien een van de betrokken organen, het behandelende orgaan uitgezonderd, tijdens de behandeling van de aanvraag vaststelt dat de aanvrager recht heeft op uitkeringen krachtens de door eerstbedoeld orgaan toegepaste wetgeving, zonder dat een beroep behoeft te worden gedaan op de tijdvakken van verzekering welke zijn vervuld krachtens de wetgeving van de andere Verdragsluitende Partijen waaraan de belanghebbende of de overledene onderworpen is geweest, doet dit orgaan hiervan onverwijld mededeling aan het behandelende orgaan, dat het bedrag van deze uitkeringen onmiddellijk voor rekening van eerstbedoeld orgaan als voorlopige uitkering aan de rechthebbende uitbetaalt, in voorkomend geval onverminderd het bepaalde in het tweede en derde lid van dit artikel.
5.
Ingeval het behandelende orgaan uitkeringen zou moeten betalen krachtens het eerste en het vierde lid van dit artikel, betaalt het alleen de hoogste uitkering, in voorkomend geval onverminderd het bepaalde in het tweede en derde lid van dit artikel.
6.
Ingeval het behandelende orgaan geen uitkeringen krachtens het eerste, tweede of vierde lid van dit artikel betaalt en in gevallen waarin vertraging kan optreden, betaalt dit orgaan de belanghebbende een terugvorderbaar voorschot, waarvan de hoogte wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 33, eerste tot en met vierde lid van het Verdrag.
7.
Bij de definitieve afhandeling van de aanvraag om uitkeringen vereffenen het behandelende orgaan en de andere betrokken organen hun rekeningen betreffende de voorlopige uitkeringen en voorschotten, verleend overeenkomstig het eerste, derde, vierde, vijfde en zesde lid van dit artikel. De door deze organen ter zake teveel betaalde bedragen kunnen worden ingehouden op de termijnbetalingen welke zij aan de belanghebbende moeten doen.
Artikel 36. Herberekening van uitkeringen hetzij ambtshalve hetzij op verzoek van de belanghebbenden
Voor de toepassing van artikel 36, tweede en derde lid, van het Verdrag is artikel 34 van deze Schikking van overeenkomstige toepassing.
1.
Elk der betrokken organen geeft de aanvrager kennis van de genomen beslissing op zijn aanvraag om uitkeringen, zodra deze beslissing, na overleg met het behandelende orgaan, als definitief kan worden beschouwd en licht hierover tegelijkertijd laatstbedoeld orgaan in. Elke beslissing moet er melding van maken dat het gaat om een gedeeltelijke vaststelling van de uitkering en de in de wetgeving van de betrokken Verdragsluitende Partij voorziene rechtsmiddelen en beroepstermijnen aangeven. De beroepstermijnen gaan eerst in op de datum waarop de belanghebbende de beslissing heeft ontvangen.
2.
Na de definitieve afhandeling van de aanvraag om uitkeringen zendt het behandelend orgaan de aanvrager alsook elk der andere betrokken organen, bij wijze van eindinformatie een samenvatting van alle naar aanleiding van deze aanvraag genomen beslissingen.
Artikel 38. Kennisgeving van beslissingen aan de belanghebbende en aan de organen die de uitkering verschuldigd zijn in geval van herberekening, schorsing of intrekking van de uitkering
Bij herberekening dan wel schorsing of intrekking van de uitkering geeft het betrokken orgaan van zijn beslissing onverwijld kennis aan de belanghebbende en aan elk der andere organen die uitkering verschuldigd zijn, eventueel door tussenkomst van het behandelende orgaan. De beslissing dient de rechtsmiddelen en beroepstermijnen, voorzien in de wetgeving van de betrokken Verdragsluitende Partij te vermelden. De beroepstermijnen gaan eerst in op de datum waarop de belanghebbende de beslissing heeft ontvangen.
Artikel 39. Maatregelen ter bespoediging van de vaststelling van de uitkeringen
Ter bespoediging van de vaststelling van de uitkeringen zijn de volgende voorschriften van toepassing:
a) wanneer een persoon die voordien aan de wetgeving van een of meer Verdragsluitende Partijen onderworpen was, onderworpen is aan de wetgeving van een andere Verdragsluitende Partij, verzoekt het bevoegde orgaan van laatstbedoelde Partij aan het verbindingsorgaan van de andere Verdragsluitende Partij of Partijen om alle gegevens, betreffende de organen waarbij de belanghebbende is aangesloten geweest en, eventueel, de inschrijvingsnummers welke hem zijn toegekend;
b) op verzoek van de belanghebbende of van het orgaan, waarbij hij is aangesloten, maken de betrokken organen, voor zover mogelijk, vanaf een jaar voorafgaande aan de datum waarop de belanghebbende de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, een overzicht van zijn verzekeringsloopbaan.
I.
Wanneer een rechthebbende op
a) invaliditeitsuitkeringen,
b) ouderdomsuitkeringen toegekend in geval van arbeidsongeschiktheid,
c) ouderdomsuitkeringen toegekend aan bejaarde werklozen,
d) ouderdomsuitkeringen toegekend in geval van beëindiging van de beroepswerkzaamheden,
e) uitkeringen aan nagelaten betrekkingen toegekend in geval van invaliditeit of van arbeidsongeschiktheid,
f) uitkeringen die worden toegekend op voorwaarde dat de inkomsten van rechthebbende een bepaalde grens niet overschrijden,
op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat woont of verblijft, wordt de administratieve en medische controle op verzoek van het bevoegde orgaan uitgeoefend door het orgaan van de woon- of verblijfplaats, op de wijze als bepaald in de wettelijke regeling die door laatstgenoemd orgaan wordt toegepast. Het bevoegde orgaan blijft evenwel bevoegd de rechthebbende voor eigen rekening te doen onderzoeken door een arts van eigen keuze.
2.
Indien uit de in het vorige lid bedoelde controle blijkt dat de rechthebbende werkzaamheden verricht of dat hij inkomsten geniet welke de voorgeschreven grens overschrijden, is het orgaan van de woon- of verblijfplaats verplicht het bevoegde orgaan dat om controle heeft verzocht een rapport toe te zenden. Dit rapport maakt melding van de door het bevoegde orgaan gevraagde inlichtingen.
Artikel 41. Uitwisseling van gegevens tussen organen in geval van herkrijging van het recht op uitkeringen
Wanneer de belanghebbende na schorsing van de uitkeringen welke hij genoot, opnieuw recht op uitkeringen verkrijgt, terwijl hij op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat woont, verstrekken de betrokken organen elkaar alle nodige inlichtingen met het oog op de hervatting van bedoelde uitkeringen.
1.
Indien het orgaan van een Verdragsluitende Partij dat uitkeringen verschuldigd is, de verschuldigde uitkeringen niet rechtstreeks betaalt aan de rechthebbenden die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij wonen, wordt de betaling van deze uitkeringen op verzoek van het orgaan dat deze verschuldigd is, verricht door het verbindingsorgaan van laatstbedoelde Partij of door het orgaan van de woonplaats, zulks op de tussen door de bevoegde autoriteiten van de betrokken Verdragsluitende Partijen overeengekomen wijze; indien het orgaan dat uitkeringen verschuldigd is, de uitkeringen rechtstreeks aan die rechthebbenden betaalt, stelt dit orgaan het orgaan van de woonplaats van de betaling van de uitkeringen in kennis.
2.
De bepalingen van vroegere overeenkomsten, welke betrekking hebben op de betaling van uitkeringen en welke van toepassing zijn op de dag voor de inwerkingtreding van het Verdrag, blijven van toepassing voor zover zij in bijlage 5 zijn vermeld.
Artikel 43. Kennisgeving van overbrenging van de woonplaats van de rechthebbende
De rechthebbende op uitkeringen welke krachtens de wetgevingen van een of meer Verdragsluitende Partijen verschuldigd zijn, is verplicht het orgaan of de organen welke deze uitkeringen verschuldigd zijn en, eventueel, het uitbetalende orgaan in kennis te stellen van iedere overbrenging van de woonplaats.
1.
Om in aanmerking te komen voor verstrekkingen krachtens artikel 40, eerste lid, sub a)i) van het Verdrag legt de in loondienst zijnde rijnvarende die zich voor het vervullen van zijn dienstbetrekking op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat bevindt, aan het orgaan van de verblijfplaats zo spoedig mogelijk een verklaring over welke door de werkgever of diens vertegenwoordiger is afgegeven in de loop van de kalendermaand van voorlegging of in de twee daaraan voorafgaande kalendermaanden. In deze verklaring wordt met name de datum vermeld sedert welke de betrokkene voor rekening van bedoelde werkgever werkt, alsmede de naam en de plaats van vestiging van het bevoegde orgaan. Wanneer bedoelde rijnvarende deze verklaring heeft overgelegd, wordt hij geacht te voldoen aan de voorwaarden voor het ingaan van het recht op verstrekkingen. Indien hij niet in staat is zich voor de medische behandeling tot het orgaan van de verblijfplaats te wenden, ontvangt hij niettemin deze behandeling op vertoon van bedoelde verklaring, alsof hij bij dat orgaan verzekerd was.
2.
Het orgaan van de verblijfplaats richt zich onverwijld tot het bevoegde orgaan, teneinde te vernemen of de belanghebbende aan de voorwaarden voor het ingaan van het recht op verstrekkingen voldoet. Het is verplicht deze verstrekkingen te verlenen totdat antwoord van het bevoegde orgaan is ontvangen en ten hoogste gedurende dertig dagen.
3.
Het bevoegde orgaan zendt het orgaan van de verblijfplaats antwoord binnen tien dagen na ontvangst van het verzoek van dit orgaan. Indien dit antwoord bevestigend luidt, zet het orgaan van de verblijfplaats het verlenen van bedoelde verstrekkingen voort.
4.
In plaats van de verklaring, bedoeld in het eerste lid van dit artikel, kan de rijnvarende aan het orgaan van de verblijfplaats het in artikel 45, eerste lid van deze Schikking bedoelde bewijs overleggen. In dit geval zijn de voorgaande leden van dit artikel niet van toepassing.
5.
Bij opneming in een ziekenhuis bericht het orgaan van de verblijfplaats, zodra het zulks heeft vernomen, aan het bevoegde orgaan de datum van opneming in het ziekenhuis, de vermoedelijke verblijfsduur en de datum van ontslag. Deze mededeling behoeft evenwel niet te worden gedaan wanneer de kosten van de verstrekkingen met een vast bedrag worden vergoed aan het orgaan van de verblijfplaats of wanneer een vergoeding wordt afgezien.
6.
Het orgaan van de verblijfplaats stelt het bevoegde orgaan vooraf in kennis van iedere beslissing die betrekking heeft op het verlenen van belangrijke verstrekkingen. Het bevoegde orgaan kan hiertegen onder opgave van redenen binnen vijftien dagen, gerekend vanaf de verzending van deze mededeling, verzet aantekenen. Het orgaan van de verblijfplaats verleent de verstrekkingen als na het verstrijken van deze termijn geen verzet is aangetekend. In onmiskenbare spoedgevallen verleent het orgaan van de verblijfplaats de verstrekkingen onverwijld en stelt het het bevoegde orgaan hiervan onmiddellijk op de hoogte. Dit verzet onder opgave van redenen behoeft evenwel niet te worden aangetekend wanneer de kosten van de verstrekkingen met een vast bedrag worden vergoed aan het orgaan van de verblijfplaats of wanneer van vergoeding wordt afgezien.
7.
Het Administratief Centrum stelt de lijst op van de in het vorige lid bedoelde verstrekkingen.
1.
Om in aanmerking te komen voor verstrekkingen krachtens artikel 40, eerste lid, sub a)i) van het Verdrag, behalve in het geval waarin van de in artikel 44, eerste lid van deze Schikking bedoelde veronderstelling wordt uitgegaan, legt de rijnvarende aan het orgaan van de verblijfplaats een bewijs over waarin wordt verklaard dat hij recht op verstrekkingen heeft. Dit bewijs wordt op verzoek van de belanghebbende door het bevoegde orgaan afgegeven voordat hij het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waarop hij woont, verlaat. Indien de belanghebbende dit bewijs niet overlegt, verzoekt het orgaan van de verblijfplaats het bevoegde orgaan daarom.
2.
Artikel 44, vijfde en zesde lid van deze Schikking is van overeenkomstige toepassing.
1.
Om in aanmerking te komen voor verstrekkingen krachtens artikel 40, eerste lid, sub b)i) van het Verdrag, legt de rijnvarende aan het orgaan van de woonplaats een bewijs over waarin wordt verklaard dat hij het recht op deze verstrekkingen mag behouden. In dit bewijs, dat op verzoek van de belanghebbende door het bevoegde orgaan voor zijn vertrek wordt afgegeven, wordt in voorkomend geval met name de maximumduur vermeld waarover volgens de wetgeving van de bevoegde staat verstrekkingen mogen worden verleend. Het bewijs kan op verzoek van de belanghebbende na diens vertrek worden afgegeven, wanneer het wegens overmacht niet voordien kon worden opgemaakt.
2.
Artikel 44, vijfde en zesde lid van deze Schikking is van overeenkomstige toepassing.
3.
Het eerste lid van dit artikel is van overeenkomstige toepassing in het geval bedoeld in artikel 40, eerste lid, sub c)i) van het Verdrag.
1.
Om krachtens artikel 40, eerste lid, sub a)ii) van het Verdrag in aanmerking te komen voor andere uitkeringen dan renten, wendt de rijnvarende zich binnen drie dagen na het begin van de arbeidsongeschiktheid tot het orgaan van de verblijfplaats en legt, indien de wetgeving die door het bevoegde orgaan of het orgaan van de verblijfplaats wordt toegepast hierin voorziet, een door de behandelende arts afgegeven bewijs van arbeidsongeschiktheid over. Bovendien deelt hij zijn adres in het land waar hij verblijft mede, alsmede de naam en het adres van het bevoegde orgaan.
2.
Wanneer de behandelende artsen van het land van de verblijfplaats geen bewijzen van arbeidsongeschiktheid afgeven, wendt de rijnvarende zich rechtstreeks tot het orgaan van de verblijfplaats binnen de termijn welke is gesteld in de door dit orgaan toegepaste wetgeving. Dit orgaan laat onmiddellijk de arbeidsongeschiktheid medisch vaststellen en het in het vorige lid bedoelde bewijs uitschrijven.
3.
Het orgaan van de verblijfplaats zendt de in de voorgaande leden van dit artikel bedoelde documenten onverwijld door aan het bevoegde orgaan, onder vermelding van de vermoedelijke duur van de arbeidsongeschiktheid.
4.
Zo spoedig mogelijk oefent het orgaan van de verblijfplaats de medische en administratieve controle op de rijnvarende uit en deelt het resultaat daarvan onverwijld mede aan het bevoegde orgaan, dat de bevoegdheid houdt belanghebbende voor eigen rekening te doen onderzoeken door een arts van eigen keuze. Indien laatstbedoeld orgaan besluit de uitkeringen te weigeren, omdat de rijnvarende de controlevoorschriften niet heeft nageleefd, stelt dit orgaan hem in kennis van deze beslissing en zendt het gelijktijdig een afschrift daarvan aan het orgaan van de verblijfplaats.
5.
Onverwijld wordt de rijnvarende van het einde van de arbeidsongeschiktheid in kennis gesteld door het orgaan van de verblijfplaats dat daaromtrent het bevoegde orgaan onmiddellijk inlicht. Wanneer laatstbedoeld orgaan zelf beslist dat de rijnvarende weer arbeidsgeschikt is geworden, stelt het hem in kennis van deze beslissing en zendt het gelijktijdig een afschrift daarvan aan het orgaan van de verblijfplaats.
6.
Indien, in hetzelfde geval, voor het einde van de arbeidsongeschiktheid twee verschillende data zijn vastgesteld onderscheidenlijk door het orgaan van de verblijfplaats en door het bevoegdeorgaan, wordt de door het bevoegde orgaan vastgestelde datum aangehouden.
7.
Wanneer de rijnvarende het werk hervat, geeft hij hiervan bericht aan het bevoegde orgaan, indien de door dit orgaan toegepaste wetgeving hierin voorziet.
8.
Het bevoegde orgaan betaalt de uitkeringen met behulp van alle daartoe aangewezen middelen, met name per internationale postwissel, en stelt het orgaan van de verblijfplaats hiervan in kennis. Indien de uitkeringen door het orgaan van de verblijfplaats voor rekening van het bevoegde orgaan worden verleend, stelt het bevoegde orgaan de rijnvarende van zijn rechten in kennis op de wijze als voorzien in de door dit orgaan toegepaste wetgeving en geeft gelijktijdig het orgaan aan dat de uitkeringen zal uitbetalen. Tegelijkertijd doet het bevoegde orgaan het orgaan van de verblijfplaats mededeling van het bedrag van de uitkeringen, de data waarop zij moeten worden betaald en de maximumduur waarover zij ingevolge de wetgeving van de bevoegde Staat worden toegekend.
9.
Twee of meer Verdragsluitende Partijen of de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen kunnen, voor zover het hun aangaat, na advies van het Administratief Centrum, een andere wijze van toepassing overeenkomen dan die welke is voorzien in de voorgaande leden van dit artikel.
1.
Om in aanmerking te komen voor verstrekkingen krachtens artikel 41, eerste lid, sub a) van het Verdrag, legt de rijnvarende aan het orgaan van de woonplaats een bewijs over waarin wordt verklaard dat hij recht op verstrekkingen heeft. Dit bewijs wordt afgegeven door het bevoegde orgaan, eventueel na kennisneming van door de werkgever verstrekte inlichtingen. Indien de wetgeving van de bevoegde Staat daarin voorziet, legt de rijnvarende bovendien aan het orgaan van de woonplaats een bericht van ontvangst van de aangifte van het arbeidsongeval of de beroepsziekte over. Indien hij deze stukken niet overlegt, verzoekt het orgaan van de woonplaats het bevoegde orgaan daarom en verleent hem in afwachting daarvan verstrekkingen van de ziekteverzekering, voor zover hij recht heeft op dergelijke verstrekkingen.
2.
Het in het vorige lid bedoelde bewijs blijft geldig zolang het orgaan van de woonplaats terzake geen kennisgeving van intrekking heeft ontvangen.
3.
Bij iedere aanvraag om verstrekkingen legt de aanvrager de bewijsstukken over welke krachtens de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan hij woont, gewoonlijk voor het verlenen van verstrekkingen vereist worden.
4.
Artikel 44, vijfde en zesde lid van deze Schikking is van overeenkomstige toepassing.
5.
De rijnvarende is verplicht het orgaan van de woonplaats in kennis te stellen van iedere verandering in zijn omstandigheden waardoor het recht op verstrekkingen kan worden gewijzigd, in het bijzonder van iedere beëindiging of verandering van dienstbetrekking of beroepswerkzaamheden of iedere overbrenging van de woon- of verblijfplaats. Het bevoegde orgaan en het orgaan van de woonplaats stellen elkaar in kennis van iedere verandering die het recht op verstrekkingen van de rijnvarende kan wijzigen.
1.
Om in aanmerking te komen voor andere uitkeringen dan renten krachtens artikel 41, eerste lid, sub b) van het Verdrag, wendt de rijnvarende zich binnen drie dagen na het begin van de arbeidsongeschiktheid tot het orgaan van de woonplaats onder overlegging van een kennisgeving van arbeidsonderbreking of, indien de wetgeving die door het bevoegde orgaan of het orgaan van de woonplaats wordt toegepast hierin voorziet, een door de behandelende arts afgegeven bewijs van arbeidsongeschiktheid. Bovendien is hij verplicht alle andere krachtens de wetgeving van de bevoegde Staat vereiste documenten over te leggen, naar gelang van de aard van de aangevraagde uitkeringen.
2.
Wanneer de behandelende artsen van het land van de woonplaats geen bewijzen van arbeidsongeschiktheid afgeven, is artikel 47, tweede lid van deze Schikking van overeenkomstige toepassing.
3.
Het orgaan van de woonplaats zendt de in de voorgaande leden van dit artikel bedoelde documenten onverwijld door aan het bevoegde orgaan, onder vermelding van de vermoedelijke duur van de arbeidsongeschiktheid.
4.
Artikel 47, vierde tot en met negende lid van deze Stichting is van overeenkomstige toepassing.
1.
De artikelen 45, 46 en 48 van deze Schikking zijn van overeenkomstige toepassing voor het verlenen van verstrekkingen aan de werkloos geworden rijnvarende die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat verblijft of woont.
2.
De artikelen 47 en 49 van deze Schikking zijn van overeenkomstige toepassing voor het verlenen van uitkeringen aan de werkloos geworden rijnvarende die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat verblijft of woont.
1.
Wanneer het arbeidsongeval of de beroepsziekte zich heeft voorgedaan op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat, moet de desbetreffende aangifte worden gedaan overeenkomstig de wetgeving van de bevoegde Staat, in voorkomend geval onverminderd alle wettelijke bepalingen welke gelden op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waarop het ongeval of de ziekte zich heeft voorgedaan en die in een dergelijk geval van toepassing moeten blijven. Deze aangifte wordt aan het bevoegde orgaan gericht en aan het orgaan van de woonplaats wordt eventueel een afschrift gezonden.
2.
Het orgaan van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan zich het arbeidsongeval of de beroepsziekte heeft voorgedaan zendt het bevoegde orgaan de op dit grondgebied opgestelde medische verklaringen in tweevoud toe en verstrekt op verzoek van laatstbedoeld orgaan alle terzake dienende inlichtingen.
3.
De verklaring welke aangeeft dat de getroffene genezen is of dat een blijvende toestand is ingetreden moet eventueel de toestand van de betrokkene nauwkeurig beschrijven en aanwijzingen bevatten omtrent de blijvende gevolgen van het arbeidsongeval of de beroepsziekte. De honoraria hiervoor worden naar gelang van het geval betaald door het orgaan van de woonplaats, dan wel het orgaan van de verblijfplaats, overeenkomstig het door dit orgaan toegepaste tarief en voor rekening van het bevoegde orgaan.
4.
Het bevoegde orgaan stelt naar gelang van het geval het orgaan van de woonplaats, dan wel het orgaan van de verblijfplaats in kennis van de beslissing waarin de datum van genezing of consolidatie wordt vastgesteld, alsook eventueel van de beslissing betreffende de toekenning van een rente.
1.
Wanneer het betrokken orgaan betwist dat in het in artikel 40, eerste lid of artikel 41, eerste lid van het Verdrag bedoelde geval, de wetgeving inzake arbeidsongevallen of beroepsziekten van toepassing is, stelt dit orgaan het orgaan van de verblijfplaats of het orgaan van de woonplaats dat de verstrekkingen heeft verleend, hiervan onmiddellijk in kennis; de verstrekkingen worden dan als verstrekkingen van de ziekteverzekering beschouwd en worden verder uit dien hoofde verleend, voorzover de belanghebbende recht heeft op dergelijke verstrekkingen.
2.
Wanneer naar aanleiding van dit geschil een definitieve beslissing is genomen, stelt het bevoegde orgaan het orgaan van de verblijfplaats of het orgaan van de woonplaats dat de verstrekkingen heeft verleend, hiervan onmiddellijk in kennis. Indien het geen arbeidsongeval of beroepsziekte betreft, gaat dit orgaan voort met het verlenen van de verstrekkingen van de ziekteverzekering, voorzover de belanghebbende recht heeft op deze verstrekkingen. In het tegenovergestelde geval, indien het wel een arbeidsongeval of beroepsziekte betreft, worden de door de rijnvarende genoten verstrekkingen van de ziekteverzekering beschouwd als verstrekkingen wegens arbeidsongeval of beroepsziekte.
1.
In het in artikel 44, eerste lid van het Verdrag bedoelde geval wordt de aangifte van de beroepsziekte gezonden hetzij aan het voor beroepsziekten bevoegde orgaan van de Verdragsluitende Partij onder de wetgeving waarvan de getroffene laatstelijk werkzaamheden heeft verricht waardoor de betreffende beroepsziekte kon ontstaan, hetzij aan het orgaan van de woonplaats, dat de aangifte aan eerstbedoeid orgaan doorzendt.
2.
Wanneer het orgaan waarbij de aangifte is ingediend vaststelt dat werkzaamheden waardoor de betreffende beroepsziekte kon ontstaan, het laatst onder de wetgeving van een andere Verdragsluitende Partij zijn uitgeoefend, zendt het de aangifte en de daarbij gevoegde stukken door aan het overeenkomstige orgaan van deze Partij en licht het hierover tegelijkertijd de belanghebbende in.
3.
Wanneer het orgaan van de Verdragsluitende Partij onder de wetgeving waarvan de getroffene laatstelijk werkzaamheden heeft verricht, waardoor de betreffende beroepsziekte kon ontstaan, vaststelt dat de getroffene of zijn nagelaten betrekkingen niet voldoen aan de voorwaarden van deze wetgeving, rekening houdende met artikel 44, tweede, derde en vierde lid van het Verdrag
a) zendt bedoeld orgaan de aangifte en alle daarbij gevoegde stukken met inbegrip van de bevindingen en verslagen van het geneeskundig onderzoek dat door het eerste orgaan is verricht, alsmede een afschrift van de in de volgende alinea bedoelde beslissing, onverwijld door aan het orgaan van de Verdragsluitende Partij onder de wetgeving waarvan de getroffene voordien werkzaamheden heeft verricht waardoor de betreffende beroepsziekte kon ontstaan;
b) stelt bedoeld orgaan de belanghebbende gelijktijdig in kennis van zijn beslissing, onder vermelding van de redenen tot weigering van de uitkeringen, de rechtsmiddelen en beroepstermijnen, alsmede de datum waarop het dossier aan het in de vorige alinea bedoelde orgaan werd doorgezonden.
4.
Eventueel kan volgens dezelfde procedure verder worden teruggegaan tot aan het overeenkomstige orgaan van de Verdragsluitende Partij onder de wetgeving waarvan de getroffene het eerst werkzaamheden heeft verricht waardoor de betreffende beroepsziekte kon ontstaan.
1.
Indien beroep wordt ingesteld tegen een afwijzende beslissing van het orgaan van een Verdragsluitende Partij onder de wetgeving waarvan de getroffene werkzaamheden heeft verricht waardoor de betreffende beroepsziekte kon ontstaan, is dit orgaan verplicht het orgaan waaraan de aangifte volgens de procedure van artikel 53, derde lid van deze Schikking werd doorgezonden hierop in kennis te stellen en het later op de hoogte te stellen van de definitieve beslissing.
2.
Indien krachtens de wetgeving, toegepast door het orgaan waaraan de aangifte volgens de procedure van artikel 53, derde lid van deze Schikking werd doorgezonden, met inachtneming van artikel 44, tweede, derde en vierde lid van het Verdrag, recht op uitkeringen is ingegaan, betaalt dit orgaan de belanghebbende voorschotten waarvan de hoogte wordt vastgesteld in overleg met het orgaan tegen de beslissing waarvan beroep werd ingesteld. Indien het ingestelde beroep tot gevolg heeft dat laatstbedoeld orgaan de uitkeringen moet verlenen, stort dit het bedrag der betaalde voorschotten terug aan eerstbedoeld orgaan en houdt een gelijk bedrag in op de aan de belanghebbende verschuldigde uitkeringen.
Artikel 55. Verergering van een beroepsziekte
In het in artikel 45 van het Verdrag bedoelde geval is de rijnvarende verplicht aan het orgaan van de Verdragsluitende Partij, waarbij hij aanspraak op uitkeringen maakt, alle inlichtingen te verstrekken omtrent vroeger voor de betreffende beroepsziekte toegekende uitkeringen en door hem sedert het genot van deze uitkeringen verrichte beroepswerkzaamheden. Dit orgaan kan zich, ter verkrijging van de inlichtingen welke het nodig acht, wenden tot elk ander orgaan dat vroeger bevoegd is geweest.
Artikel 56. Bewijs betreffende de gezinsleden die in aanmerking moeten worden genomen
Om in aanmerking te komen voor toepassing van artikel 46, tweede lid van het Verdrag legt de belanghebbende aan het bevoegde orgaan een bewijs over met betrekking tot zijn gezinsleden die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat wonen. Dit bewijs wordt afgegeven door het voor de ziekteverzekering bevoegde orgaan van de woonplaats van deze gezinsleden of door een ander orgaan dat is aangewezen door de bevoegde autoriteit van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan deze gezinsleden wonen. Artikel 18, tweede lid van deze Schikking is van overeenkomstige toepassing.
1.
Voor de beoordeling van de mate van ongeschiktheid in het in artikel 48, vijfde lid van het Verdrag bedoelde geval, verstrekt de rijnvarende aan het bevoegde orgaan van de Verdragsluitende Partij, aan de wetgeving waarvan hij was onderworpen toen het arbeidsongeval of de beroepsziekte zich heeft voorgedaan, alle inlichtingen omtrent de arbeidsongevallen of beroepsziekten waardoor hij reeds eerder werd getroffen, terwijl hij aan de wetgeving van enige andere Verdragsluitende partij was onderworpen, ongeacht welke mate van ongeschiktheid door deze vroegere arbeidsongevallen of beroepsziekten is ontstaan.
2.
Het bevoegde orgaan kan zich, ter verkrijging van de inlichtingen welke het nodig acht, wenden tot elk ander orgaan dat vroeger bevoegd is geweest.
1.
Wanneer een rijnvarende of diens nagelaten betrekkingen, die op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij wonen, in het genot wensen te komen van een krachtens de wetgeving van een andere Verdragsluitende Partij toe te kennen rente of uitkering ter aanvulling van een rente, richten zij hun aanvraag voorzover een dergelijke aanvraag vereist is, hetzij tot het bevoegde orgaan, hetzij tot het orgaan van de woonplaats, dat deze aan het bevoegde orgaan doorzendt. Voor het indienen van de aanvraag gelden de volgende regels:
a) de aanvraag dient vergezeld te gaan van de vereiste bewijsstukken en te zijn opgesteld volgens de formaliteiten voorzien in de wetgeving van de bevoegde Staat;
b) de juistheid van de door de aanvrager verstrekte gegevens moet worden aangetoond door bij de aanvraag gevoegde officiële stukken of worden bevestigd door de bevoegde instanties van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan hij woont.
2.
Het bevoegde orgaan geeft de aanvrager rechtstreeks of door bemiddeling van het verbindingsorgaan van de bevoegde Staat kennis van zijn beslissing; het zendt een afschrift van deze kennisgeving aan het verbindingsorgaan van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan de aanvrager woont.
Artikel 59. Administratieve en medische controle
Wanneer een rechthebbende op een rente op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat verblijft of woont, worden de administratieve en medische controle, alsmede de medische onderzoeken welke nodig zijn bij herziening van renten, op verzoek van het bevoegde orgaan verricht door het orgaan van de of verblijf- of woonplaats, op de wijze als bepaald in de door laatstbedoeld orgaan toegepaste wetgeving. Het bevoegde orgaan blijft evenwel bevoegd de rechthebbende voor eigen rekening te laten onderzoeken door een arts naar eigen keuze.
Artikel 60. Betaling van renten
Met betrekking tot de betaling van de renten welke door het orgaan van een Verdragsluitende Partij verschuldigd zijn aan rechthebbenden die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij wonen, zijn de artikelen 42 en 43 van deze Schikking van overeenkomstige toepassing.
Artikel 61. Indiening van de aanvraag
Wanneer een persoon die op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij woont, in aanmerking wenst te komen voor een uitkering bij overlijden krachtens de wetgeving van een andere Verdragsluitende Partij, richt hij zijn aanvraag ofwel tot het bevoegde orgaan, ofwel tot het orgaan van de woonplaats, vergezeld van de bewijsstukken welke in de door het bevoegde orgaan toegepaste wetgeving vereist worden. De juistheid van de door de aanvrager verstrekte gegevens moet worden aangetoond door bij de aanvraag gevoegde officiële stukken of worden bevestigd door de bevoegde instanties van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan hij woont.
1.
Om in aanmerking te komen voor de toepassing van artikel 50 van het Verdrag, legt de aanvrager aan het bevoegde orgaan een bewijs over waarin de tijdvakken van verzekering zijn vermeld welke zijn vervuld krachtens de wetgeving van de Verdragsluitende Partij waaraan de overleden rijnvarende tevoren en laatstelijk onderworpen is geweest en verstrekt hij alle verdere inlichtingen welke op grond van de door dit orgaan toegepaste wetgeving vereist zijn.
2.
Het in het vorige lid bedoelde bewijs wordt op verzoek van de aanvrager verstrekt, naar gelang het geval, door het ter zake van ziekte, arbeidsongevallen, beroepsziekten of ouderdom bevoegde orgaan van de Verdragsluitende Partij aan de wetgeving waarvan de overleden rijnvarende tevoren en laatstelijk onderworpen is geweest. Indien de aanvrager dit bewijs niet overlegt, verzoekt het bevoegde orgaan laatstbedoeld orgaan daarom.
3.
Indien het nodig is met de vroeger krachtens de wetgeving van enige andere Verdragsluitende Partij vervulde tijdvakken van verzekering rekening te houden om aan de in de wetgeving van de bevoege Staat gestelde voorwaarden te voldoen, zijn de voorgaande leden van dit artikel van overeenkomstige toepassing.
1.
Om in aanmerking te komen voor toepassing van artikel 55, eerste of tweede lid van het Verdrag, legt de werkloos geworden rijnvarende aan het bevoegde orgaan een bewijs over, waarin de tijdvakken van verzekering of dienstbetrekking zijn vermeld, welke zijn vervuld krachtens de wetgeving van de Verdragsluitende Partij waaraan hij tevoren en laatstelijk onderworpen is geweest en verstrekt hij alle verdere inlichtingen welke op grond van de door dit orgaan toegepaste wetgeving vereist zijn.
2.
Het in het vorige lid bedoelde bewijs wordt op verzoek van de belanghebbende verstrekt, hetzij door het voor werkloosheid bevoegde orgaan van de Verdragsluitende Partij aan de wetgeving waarvan hij tevoren en laatstelijk onderworpen is geweest, hetzij door een ander door de bevoegde autoriteit van deze Partij aangewezen orgaan. Indien de belanghebbende genoemd bewijs niet overlegt, verzoekt het bevoegde orgaan hierom aan het orgaan dat bevoegd is het bewijs af te geven. Het bevoegde orgaan kan eveneens een bewijs accepteren dat is afgegeven door de laatste werkgever van de belanghebbende.
3.
Indien het nodig is met vroeger krachtens de wetgeving van enige andere Verdragsluitende Partij vervulde tijdvakken van verzekering of dienstbetrekking rekening te houden om aan de in de wetgeving van de bevoegde Staat gestelde voorwaarden te voldoen, zijn de voorgaande leden van dit artikel van overeenkomstige toepassing.
Artikel 64. Bevoegd orgaan voor de toepassing van artikel 63 van deze schikking
In de gevallen bedoeld in artikel 57 van het Verdrag wordt het orgaan van de woonplaats beschouwd als het voor de toepassing van artikel 63 van deze Schikking bevoegde orgaan.
Artikel 65. Bewijs betreffende tijdvakken van verzekering of van dienstbetrekking - vermelding van de duur van reeds verleende uitkeringen -
Voor de toepassing van artikel 58 van het Verdrag, vermeldt het in artikel 63, tweede lid van deze Schikking bedoelde orgaan, in voorkomend geval, de duur waarover reeds uitkeringen zijn verleend, nadat het recht op uitkeringen voor de laatste maal werd vastgesteld.
Artikel 66. Verklaring voor de berekening van de uitkeringen
Voor de berekening van de uitkeringen welke ten laste komen van een in artikel 59, eerste lid van het Verdrag bedoeld orgaan in de gevallen waarin de belanghebbende zijn laatste werkzaamheden niet gedurende ten minste vier weken heeft uitgeoefend onder de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan dit orgaan is gevestigd, legt hij aan dit orgaan een verklaring over welke de aard vermeldt van de laatstelijk door hem onder de wetgeving van een andere Verdragsluitende Partij gedurende ten minste vier weken verrichte werkzaamheden, alsmede de bedrijfstak waarin deze werkzaamheden werden uitgeoefend. Indien de belanghebbende deze verklaring niet overlegt, verzoekt bedoeld orgaan daarom hetzij aan het voor werkloosheid bevoegde orgaan van laatstbedoelde Partij, hetzij aan een ander door de bevoegde autoriteit van deze Partij aangewezen orgaan. Het bevoegde orgaan kan eveneens een bewijs accepteren dat is afgegeven door de laatste werkgever van de belanghebbende.
Artikel 67. Bewijs betreffende de gezinsleden die in aanmerking moeten worden genomen
Om in aanmerking te komen voor de toepassing van artikel 59, tweede lid van het Verdrag legt de belanghebbende aan het bevoegde orgaan een bewijs over met betrekking tot zijn gezinsleden die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat wonen. Dit bewijs wordt afgegeven door het orgaan dat is aangewezen door de bevoegde autoriteit van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waar deze gezinsleden wonen. Hierin moet worden bevestigd dat de gezinsleden niet reeds in aanmerking zijn genomen voor de berekening van de werkloosheidsuitkeringen die aan een rechthebbende van dezelfde familie krachtens de wetgeving van de genoemde Verdragsluitende Partij verschuldigd zijn. Bovendien is artikel 18, tweede lid van deze Schikking van overeenkomstige toepassing.
1.
Om in aanmerking te komen voor toepassing van artikel 60 van het Verdrag legt de belanghebbende aan het bevoegde orgaan een bewijs over waarin de tijdvakken van dienstbetrekking of beroepsarbeid zijn vermeld, welke zijn vervuld krachtens de wetgeving van de Verdragsluitende Partij waaraan de rijnvarende laatstelijk onderworpen is geweest en verstrekt hij alle verdere inlichtingen welke op grond van de door dit orgaan toegepaste wetgeving vereist zijn.
2.
Het in het vorige lid bedoelde bewijs wordt op verzoek van de belanghebbende verstrekt, hetzij door het voor gezinsuitkeringen bevoegde orgaan van de Verdragsluitende Partij aan de wetgeving waaraan de rijnvarende laatstelijk onderworpen is geweest, hetzij door een ander door de bevoegde autoriteit van deze Partij aangewezen orgaan. Indien de belanghebbende genoemd bewijs niet overlegt, verzoekt het bevoegde orgaan hierom aan het orgaan dat bevoegd is het bewijs af te geven.
3.
Indien het nodig is met vroeger krachtens de wetgeving van enige andere Verdragsluitende Partij vervulde tijdvakken van dienstbetrekking of beroepsarbeid rekening te houden om aan de in de wetgeving van de bevoegde Staat gestelde voorwaarden te voldoen, zijn de voorgaande leden van dit artikel van overeenkomstige toepassing.
1.
Om in aanmerking te komen voor gezinsbijslagen krachtens artikel 62, eerste lid, sub b) van het Verdrag, richt de belanghebbende een aanvraag tot het bevoegde orgaan, dat hem een verklaring afgeeft waarin het recht op deze bijslagen wordt bevestigd en waarin wordt aangegeven vanaf welke datum ze zijn verschuldigd. Bovendien, laten de gezinsleden zich inschrijven bij het orgaan van hun woonplaats, onder overlegging van de bewijsstukken welke krachtens de door dit orgaan toegepaste wetgeving gewoonlijk vereist worden voor de toekenning van gezinsbijslagen, alsmede van genoemd bewijs. Indien de gezinsleden dit bewijs niet overleggen verzoekt het orgaan van de woonplaats het bevoegde orgaan daarom.
2.
Het in het vorige lid genoemde bewijs blijft geldig zolang het orgaan van de woonplaats geen kennisgeving van intrekking heeft ontvangen.
3.
Het bevoegde orgaan stelt het orgaan van de woonplaats van de gezinsleden onmiddellijk in kennis van de datum met ingang waarvan de rijnvarende niet langer recht op bijslagen heeft of zijn woonplaats van het grondgebied van een Verdragsluitende Partij naar dat van een andere Verdragsluitende Partij overbrengt. Het orgaan van de woonplaats van de gezinsleden kan te allen tijde aan het bevoegde orgaan verzoeken alle inlichtingen te verstrekken omtrent het recht van de rijnvarende op bijslagen.
4.
De gezinsleden zijn verplicht het orgaan van hun woonplaats in kennis te stellen van elke verandering in hun omstandigheden waardoor het recht op bijslagen kan worden gewijzigd, met name van elke overbrenging van hun woonplaats. Het orgaan van de woonplaats deelt deze inlichtingen mede aan het bevoegde orgaan.
1.
Artikel 69 van deze Schikking is van overeenkomstige toepassing op de in artikel 63, eerste lid van het Verdrag bedoelde werkloos geworden rijnvarende.
2.
In geval dat het bevoegde orgaan een wetgeving toepast krachtens welke het recht op gezinsbijslagen afhankelijk gesteld wordt van het recht op werkloosheidsuitkeringen, richt de werkloos geworden rijnvarende, om in aanmerking te komen voor gezinsbijslagen krachtens artikel 63, eerste lid van het Verdrag, een aanvraag tot het bevoegde orgaan, dat hem een bewijs afgeeft waarin wordt bevestigd dat hij werkloosheidsuitkeringen geniet krachtens de wetgeving die zij toepast en dat hij recht zou hebben op gezinsbijslagen indien hij met zijn gezinsleden op het grondgebied van de bevoegde Staat woonde. Dit bewijs wordt afgegeven hetzij door het voor werkloosheid bevoegde orgaan van laatstbedoelde Staat, hetzij door een ander door de bevoegde autoriteit van deze Staat aangewezen orgaan. Als de gezinsleden dit bewijs niet overleggen, verzoekt het orgaan van de woonplaats het bevoegde orgaan daarom.
3.
In het in het vorige lid genoemde geval zijn artikel 69, tweede, derde en vierde lid en artikel 72, eerste en derde lid van deze Schikking, van overeenkomstige toepassing.
1.
Om in aanmerking te komen voor kinderbijslag krachtens artikel 64 van het Verdrag, richt de rijnvarende eventueel door bemiddeling van zijn werkgever een aanvraag tot het bevoegde orgaan.
2.
Ter ondersteuning van zijn aanvraag overlegt de rijnvarende een bewijsstuk betreffende de gezinsleden die hun woonplaats hebben op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan die waar het bevoegde orgaan gevestigd is. Dit bewijsstuk wordt afgegeven hetzij door de inzake de burgerlijke stand bevoegde autoriteiten van deze Partij, hetzij door het orgaan dat is aangewezen door de bevoegde autoriteit van deze Partij. Het bewijsstuk moet jaarlijks worden vernieuwd.
3.
Bovendien verstrekt de rijnvarende, eventueel op verzoek van het bevoegde orgaan, de gegevens aan de hand waarvan kan worden vastgesteld aan wie de kinderbijslag kan worden uitbetaald op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waar de gezinsleden wonen.
4.
De rijnvarende dient, eventueel door bemiddeling van zijn werkgever, het bevoegde orgaan in kennis te stellen van elke verandering in de omstandigheden van zijn gezinsleden waardoor het recht op kinderbijslag kan worden beïnvloed.
5.
De voorgaande leden van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op de werkloos geworden rijnvarende bedoeld in artikel 65, eerste lid van het Verdrag.
1.
Indien de gezinsleden in de loop van een kalendermaand of kalenderkwartaal hun woonplaats overbrengen van het grondgebied van een Verdragsluitende Partij naar dat van een andere Verdragsluitende Partij, worden de gezinsbijslagen verleend volgens de volgende regels:
a) indien beide wetgevingen of indien alleen de wetgeving van de eerste Verdragsluitende Partij voorziet in toekenning van maandelijkse of driemaandelijkse bijslagen, gaat het orgaan, belast met het verlenen van bijslagen aan het begin van de maand of van het kwartaal, door met het verlenen hiervan tot het einde van de periode waarom het gaat. Het orgaan van de nieuwe woonplaats begint de gezinsbijslagen te verlenen vanaf het begin van de kalendermaand of het kalenderkwartaal daaropvolgend, naar gelang het geval;
b) indien de wetgeving van de eerste Verdragsluitende Partij voorziet in toekenning van gezinsbijslagen per dag, worden de bijslagen achtereenvolgens verleend krachtens de wetgeving van elk van deze Verdragsluitende Partijen, naar verhouding van de duur van het wonen van deze gezinsleden op het grondgebied van de betrokken Verdragsluitende Partij gedurende de betreffende maand of het betreffende kwartaal.
2.
Het vorige lid is van overeenkomstige toepassing op het verlenen van gezinsbijslagen aan de in artikel 62, eerste lid, sub a) van het Verdrag bedoelde gezinsleden, indien zij het vaartuig aan boord waarvan zij zich met de rijnvarende bevonden, verlaten om hun woonplaats te vestigen op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat.
3.
Indien het orgaan van een Verdragsluitende Partij de gezinsbijslagen heeft verleend voor een periode, terwijl deze bijslagen voor rekening van het orgaan van een andere Verdragsluitende Partij kwamen, zullen de door het eerste orgaan ten onrechte verleende bijslagen worden vergoed.
1.
Indien de rijnvarende in de loop van een kalendermaand of kalenderkwartaal achtereenvolgens onderworpen is geweest aan de wetgeving van twee Verdragsluitende Partijen, wordt de toekenning van gezinsbijslagen waarop hij aanspraak kan maken krachtens de wetgeving van elk van deze Partijen volgens de volgende regels vastgesteld:
a) indien een van deze Verdragsluitende Partijen wordt vermeld in Bijlage VII, afdeling 2, van het Verdrag of indien zij, hoewel zij vermeld wordt in afdeling 1 van genoemde bijlage, de gezinsbijslagen per dag toekent worden de gezinsbijslagen die ten laste komen van het bevoegde orgaan van de andere Verdragsluitende Partij vastgesteld naar verhouding van de duur gedurende welke de rijnvarende aan de wetgeving van die Verdragsluitende Partij onderworpen is geweest ten opzichte van de door bedoelde wetgeving voorziene duur van de maandelijkse of drie-maandelijkse periode;
b) in alle andere gevallen blijven de gezinsbijslagen voor de duur van de maand of het kwartaal voor rekening van het bevoegde orgaan ten laste waarvan de gezinsbijslagen aan het begin van de betreffende maand of het betreffende kwartaal kwamen, naar gelang de wetgeving die door genoemd orgaan wordt toegepast voor de toekenning van gezinsbijslagen in een maandelijkse dan wel in een drie-maandelijkse periode voorziet.
2.
Indien het orgaan van een Verdragsluitende Partij de gezinsbijslagen heeft verleend voor een periode, terwijl deze bijslagen voor rekening van het orgaan van een andere Verdragsluitende Partij kwamen, zullen de door het eerste orgaan ten onrechte verleende bijslagen worden vergoed.
1.
Om in aanmerking te komen voor bijslagen krachtens artikel 66, artikel 67 of artikel 68 van het Verdrag richt de belanghebbende een aanvraag tot het bevoegde orgaan. Indien de aanvrager op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij woont dan die waar het bevoegde orgaan gevestigd is, kan hij zijn aanvraag ook richten tot het orgaan van zijn woonplaats, dat de aanvraag aan het bevoegde orgaan doorzendt onder opgave van de datum waarop de aanvraag werd ingediend. Deze datum wordt beschouwd als de datum waarop de aanvraag bij het bevoegde orgaan werd ingediend.
2.
Ter ondersteuning van zijn aanvraag overlegt de belanghebbende een bewijsstuk betreffende de gezinsleden die hun woonplaats hebben op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan die waar het bevoegde orgaan zich bevindt. Dit bewijsstuk wordt afgegeven hetzij door de inzake burgerlijke stand bevoegde autoriteiten van deze Partij, hetzij door een orgaan dat is aangewezen door de bevoegde autoriteit van genoemde Partij. Het bewijsstuk moet jaarlijks worden vernieuwd.
3.
Het vorige lid is van overeenkomstige toepassing op wezen die hun woonplaats hebben op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan die waar het bevoegde orgaan zich bevindt.
4.
In de gevallen genoemd in artikel 66, derde lid, sub b) of artikel 67, derde lid, sub b) van het Verdrag, zendt het orgaan van de woonplaats de aanvraag vergezeld van alle noodzakelijke stukken en gegevens onverwijld door aan het orgaan van de Verdragsluitende Partij, aan de wetgeving waarvan de rechthebbende op een pensioen of rente of de overleden rijnvarende het langst onderworpen is geweest. Er moet, onder dezelfde voorwaarden, eventueel worden teruggegaan tot het orgaan van de Verdragsluitende Partij aan de wetgeving waarvan de rechthebbende op een pensioen of rente of overleden rijnvarende het kortst onderworpen is geweest.
Artikel 75. Het op verzoek van het bevoegde orgaan verstrekken van gegevens
De belanghebbende verstrekt, eventueel op verzoek van het bevoegde orgaan, gegevens aan de hand waarvan kan worden vastgesteld aan wie de kinderbijslagen kunnen worden uitbetaald op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waarop de kinderen of de wezen wonen.
1.
Voor de betaling van de krachtens de artikelen 66, 67 of 68 van het Verdrag verschuldigde bijslagen is artikel 42 van deze Schikking van overeenkomstige toepassing.
2.
Zonodig wijzen de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen het voor het betalen van de krachtens de artikelen 66, 67 of 68 van het Verdrag verschuldigde bijslagen bevoegde orgaan aan.
Artikel 77. Inlichtingen over wijzigingen die zich in de omstandigheden voordoen
Een ieder aan wie krachtens de artikelen 66, 67 of 68 van het Verdrag bijslagen worden betaald voor de gezinsleden van een rechthebbende op een pensioen of rente of voor wezen, is verplicht het orgaan dat deze bijslagen verschuldigd is in kennis te stellen van iedere verandering in de omstandigheden van de gezinsleden of de wezen waardoor het recht op bijslagen kan worden gewijzigd.