Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | Vacatures | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
» Energiewijzer « advertorial
Bespaar geld en stap over!
Energiewijzer.nl, eerlijk over energie.

Juridische vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Powered by Jbmatch.nl

Inhoudsopgave
Samenvatting
I. Algemeen
1. Inleiding wet- en regelgeving binnenwateren
2. Wijzigingen
3. Reikwijdte aanwijzing
II. Binnenvaartwet
1. Inleiding
2. Opsporing
2.1. Gebruik van een schip terwijl het gebruik is onderbroken ( art. 17, vijfde lid, BVW )
2.2. Vaarbewijzen ( artt. 25 , 28 , 31 en 33 BVW )
2.3. Gevaar voor de openbare veiligheid ( art. 49, eerste lid, BVW )
2.3.1. Algemeen
2.3.2. Specifiek
2.3.3. Rijnvaart
3. Vervolging
3.1. Relatieve bevoegdheid
3.2. Afdoeningswijzen
4. Strafvordering
III. Varen onder invloed
1. Inleiding
2. Opsporing
2.1. Algemeen
2.1.1. Bevel tot medewerking
2.1.2. Wel of niet aanhouden
2.1.3. Verhoor en recht op consultatie
2.1.4. Weigering ademanalyse/bloedproef
2.2. Tegenonderzoek
2.2.1. Tegenonderzoek bij ademanalyse
2.2.2. Tegenonderzoek na tegenonderzoek bij ademanalyse
2.2.3. Tegenonderzoek bij bloed- en urineonderzoek
2.3. Interventies: vaarverbod
3. Vervolging
3.1. Artikel 27, tweede lid, van de Scheepvaartverkeerswet
3.2. Artikel 27, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet
3.3. Artikel 28a, tweede en zevende lid, van de Scheepvaartverkeerswet
3.4. Artikel 28a, tiende lid, van de Scheepvaartverkeerswet
4. Strafvordering
IV. Interventies
1. Stilleggen van schepen
1.1. Bevoegdheden van bestuursorganen en toezichthouders
1.1.1. Algemene wet bestuursrecht (AWB)
1.1.2. Verkeersaanwijzing ( art. 9 SVW )
1.1.3. Onderbreking gebruik wegens staat schip
1.1.4. Stillegging van het werk en bevel de arbeid te staken
1.1.5. Last onder bestuursdwang ( art. 25 SVW )
1.1.6. Bestuursdwang (o.a. art. 44 BVW )
1.2. Bevoegdheden van opsporingsambtenaren
1.2.1. Algemene wet bestuursrecht (AWB)
1.2.2. Scheepvaartverkeerswet (o.a. art. 9 , 29 en 35 SVW)
1.2.3. Wet op de economische delicten (WED)
1.2.4. Politiewet
2. Vaarverbod bij ‘varen onder invloed’
V. Conventionele wateren; rijnvaart
1. Herziene Rijnvaartakte (HRA)
1.1. Kader
1.2. Strafrechtelijke handhaving
1.3. Bestuursrechtelijke handhaving
1.4. Rijnkruisend scheepvaartverkeer
2. Overige conventionele wateren
VI. Overgangsrecht
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht

Artikel vi Aanwijzing binnenvaart

Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2013. U leest nu de tekst die gold op -.
VI. Overgangsrecht
Deze aanwijzing is geldig vanaf de datum van inwerkingtreding.Binnenvaartwet
Ten aanzien van feiten uit de Binnenschepenwet (BISW), de Wet vervoer binnenvaart (WVB), de Wet vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart (WVBB), alsmede ten aanzien van feiten uit de op die wetten berustende regelgeving ( Binnenschepenbesluit , Besluit vaartijden en bemanningssterkte ), die zijn begaan vóór inwerkingtreding van de Binnenvaartwet (1 juli 2009), geldt de ‘ Aanwijzing rusttijden, vaartijden, bemanningssterkte en stilleggen van schepen ’ (2008A009). Raadpleeg in dit verband de overgangsbepalingen in de Invoeringswet Binnenvaartwet (Stb. 2008, 157 en Stb. 2009, 164).
Ten aanzien van strafbare feiten uit de Binnenvaartwet , die zijn begaan na inwerkingtreding van de Binnenvaartwet (1 juli 2009), maar vóór inwerkingtreding van de paragraaf over de bestuurlijke boete (1 januari 2010), geldt de ‘ Aanwijzing rusttijden, vaartijden, bemanningssterkte en stilleggen van schepen ’ (2009A014). 1
Waar in deze aanwijzing wordt uitgegaan van een overtreding van een voorschrift in het BPR, respectievelijk het RPR (1995) dient op de Eems/Dollard, Westerschelde, Het Kanaal van Gent naar Terneuzen en de Gemeenschappelijke Maas conform deze aanwijzing te worden gehandeld voor zover de gedraging is te herleiden tot een overeenkomstige overtreding in het desbetreffende scheepvaartreglement. 2
Onder meer om de administratieve lasten voor handhavers te reduceren. Zie de brief van de minister van veiligheid en justitie over de vermindering van administratieve lasten bij de politie (Tweede Kamer 2010–2011, 29 628, nr. 238, p. 3). 3
Accord Européen relatif au Transport International des Marchandises Dangereuses par voie de Navigation. 4
Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 27 november 2008 in de zaak ‘Salduz tegen Turkije’ (application no. 36391/02) en latere uitspraken van het EHRM, resp. de Hoge Raad over het recht op consultatiebijstand. Zie de actuele ‘Aanwijzing rechtsbijstand politieverhoor’. 5
Besluit van 1 december 2010, houdende wijziging van het Rijnvaartpolitiereglement 1995 en een reparatie van het Binnenvaartbesluit (Stb. 2010, 811) – met verschillende inwerkingtredingsdata (1 januari 2011, 1 juli 2011 en 1 december 2011). 6
Zeeschepen die de binnenwateren bevaren vallen wel binnen het bereik. 7
De BVW heeft de Binnenschepenwet (BISW), de Wet vervoer binnenvaart (WVB) en de Wet vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart (WVBB) vervangen. De bij voornoemde wetten behorende regelgeving (zoals het Binnenschepenbesluit en het Besluit vaartijden en bemanningssterkte) is eveneens vervangen, door het Binnenvaartbesluit (BVB) en de Binnenvaartregeling (BVR). 8
Staatsblad 2009, 558 (22 december 2009). De paragraaf is (aanvankelijk) gedeeltelijk in werking getreden. Zie par. 2.2 van dit hoofdstuk. 9
Mogelijk gaat de IVW met de VROM-Inspectie op termijn op in de ‘Inspectie Leefomgeving en Transport’ (werknaam). In geval van een organisatiewijziging geldt hetgeen in deze beleidsregel is bepaald mutatis mutandis voor rechtsopvolgers. 10
Dit geldt alleen voor overtredingen buiten de internationale Rijn. Zie hoofdstuk V. 11
Tweede Kamer 2010–2011, 32 539, nr. 2. Dit wetsvoorstel introduceert naast de ontzegging van de vaarbevoegdheid ook de mogelijkheid om categorieën vaarbewijzen bij ministeriële regeling uit te zonderen van de bestuurlijke boete (c.q. strafrechtelijk te laten handhaven). Naar verwachting zal dit ertoe leiden dat het klein vaarbewijs strafrechtelijk, en het groot vaarbewijs bestuursrechtelijk wordt gehandhaafd. 12
De elementen ‘25, vierde lid en vijfde lid’, ‘28, zevende lid’, ‘31, vierde lid’ en ‘33, tweede lid’ uit het eerste lid van de artikelen 48 en 49 van de Binnenvaartwet zijn (aanvankelijk) uitgezonderd van de inwerkingtreding van de paragraaf over de bestuurlijke boete. Zie Staatsblad 2009, 558 (22 december 2009). De betreffende verbodsbepalingen zijn wel opgenomen in de rangschikking van artikel 1, onder 4, van de WED. Zie artikel 25 Invoeringswet Binnenvaartwet en (de toelichting bij) artikel 50 Binnenvaartbesluit. Voor genoemde onderdelen van de Binnenvaartwet vindt handhaving derhalve plaats over de band van de WED. 13
De verbodsbepalingen uit de Binnenvaartwet zijn opgenomen in de rangschikking van art. 1, onder 4°, van de WED. Daarmee zijn de gedragingen op zichzelf reeds aangemerkt als strafbaar feit; de strafbaarstelling in enge zin is immers te vinden in art. 1 WED, dat een criminaliserende functie heeft. Gezien de gehanteerde wetgevingstechniek lijkt het dus theoretisch mogelijk om de opsporing en de vervolging louter te baseren op de betreffende verbodsbepaling uit de Binnenvaartwet, in samenhang met art. 1 WED. Uit artikel 49, eerste lid, BVW en de parlementaire geschiedenis van de Binnenvaartwet blijkt evenwel dat de wetgever heeft beoogd gedragingen pas aan te merken als strafbaar feit wanneer ‘gevaar voor de openbare veiligheid ontstaat of kan ontstaan’. Die lijn wordt gevolgd in deze beleidsregel. 14
Het gros van de bepalingen uit de Binnenvaartwet is naar zijn aard (mede) gericht op de veiligheid van het schip of zijn bemanning. Een bedreiging van de veiligheid van het schip of zijn bemanning mag derhalve licht worden aangenomen. Het zwaartepunt bij de toepassing van het criterium ligt bij het element ‘gevaar voor de omgeving’ (uitstraling naar buiten). 15
Passagiers maken geen deel uit van de bemanning en moeten worden beschouwd als ‘derden’. Dat inzicht brengt met zich mee dat bij passagiersvaart al snel sprake zou kunnen zijn van ‘gevaar voor de openbare veiligheid’. Dat bij passagiersvaart strafrechtelijke handhaving eerder is geïndiceerd dan bij andere vormen van scheepvaart, is op zichzelf niet onredelijk; bij personenvervoer mag van betrokkenen immers een bovengemiddeld verantwoordelijkheidsbesef worden verwacht. Het is echter niet wenselijk om in alle gevallen meteen gevaar voor de openbare veiligheid aan te nemen. Of gevaar voor de openbare veiligheid aan de orde is, hangt af van de specifieke omstandigheden van het geval. 16
Wat de wetgever precies heeft bedoeld met de toevoeging ‘kan ontstaan’ is niet helemaal duidelijk. Een gevaar is per definitie potentieel; de essentie van het begrip gevaar is immers de reële mogelijkheid dat het gevaar zich verwezenlijkt in de gevreesde gevolgen (ongeval, letsel, schade etc). Zo bezien leidt de toevoeging ‘kan ontstaan’ tot ‘de mogelijkheid van de mogelijkheid’. De toevoeging kan er op duiden dat de wetgever ook gedragingen die niet onmiddellijk gevaar opleveren onder de invloed van artikel 49 heeft willen brengen. Een andere mogelijkheid is dat de wetgever duidelijk heeft willen maken dat artikel 49 niet alleen situaties omvat waarin gevaar zich daadwerkelijk verwezenlijkt in de gevreesde gevolgen, maar ook situaties waarin de gedraging uiteindelijk niet tot de gevreesde gevolgen leidt. Uit beide interpretaties volgt dat de wetgever enige ruimte laat voor wat betreft de mate waarin het gevaar is geconcretiseerd. 17
‘Het wetsvoorstel biedt aldus de mogelijkheid om de strafrechtelijke vervolging te reserveren voor een zware vorm van overtredingen en in de minder ernstige gevallen te volstaan met een bestuurlijke boete, waardoor de belasting van de politie en het justitieel apparaat kan worden verlicht en een effectieve handhaving door de IVW wordt bevorderd.’ Zie Tweede Kamer, 2005–2006, 30 523, nr. 3, p. 28 (Memorie van Toelichting Binnenvaartwet). 18
De situaties zijn ontleend aan de voormalige ‘Aanwijzing rusttijden, vaartijden, bemanningssterkte en stilleggen van schepen’. In die aanwijzing werd aangegeven wanneer er aanleiding bestond het schip vanwege de ernst van de overtreding direct stil te leggen. 19
Bij ‘meer dan lichte schade’ gaat het om meer dan geringe materiële schade (meer dan krasschade). Bij ‘meer dan licht letsel’ kan worden gedacht aan letsel voor de behandeling waarvan hulp van een arts of medisch specialist dient te worden ingeroepen, zoals wonden waarvoor hechtingen nodig zijn, een hersenschudding, zwaardere kneuzingen of ontvellingen, schade aan het gebit en wonden die littekens in het gezicht tot gevolg kunnen hebben. Bij ‘zwaar lichamelijk letsel’ gaat het om letsel dat in het normaal spraakgebruik als zodanig wordt aangeduid, alsmede hetgeen in art. 82 Sr. onder zwaar lichamelijk letsel wordt begrepen. Vergelijk in dit verband ook de Aanwijzing verkeersongevallen. 20
Het niet bijhouden van het vaartijdenboek (artikel 22, negende lid, BVW jo 5.12, eerste lid, BVR en 23.08, eerste lid, ROSR) wordt met een bestuurlijke boete afgedaan. 21
De feitcodes met betrekking tot vaarbewijzen (W300a en -b) zijn in stand gelaten; zij worden nu gebruikt voor het uitvaardigen van de OM-strafbeschikking, resp. de politiestrafbeschikking. Het niet beschikken over een beperkt groot vaarbewijs en groot pleziervaartbewijs wordt vooralsnog verwerkt met gebruik van feitcode W300a (groot vaarbewijs). Zie (de bijlage bij) de ‘Richtlijn voor strafvordering Tarieven en feitomschrijvingen voor misdrijven, overtredingen en gedragingen als bedoeld in de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften’ en de Richtlijn voor strafvordering Binnenvaart. 22
Wet van 7 juli 2010 tot wijzigingen van de Scheepvaartwet in verband met het verlagen van het toegestane alcolholpromillage enz., Stb. 2010, 300. 23
Vgl. de conclusie van AG Fokkens (onder 8) in HR 3 juli 2001, LJN: ZD2847; zie ook HR 12 september 2006, 564, LJN AV6178 (beiden over de WVW 1994). 24
Dit artikel kan als een lex specialis worden gezien ten opzichte van artikel 184 Sr. Weliswaar bevat artikel 31, tweede lid (jo art 28a, tweede lid) SVW niet het bestanddeel opzet, maar dit wordt wel geïmpliceerd. Vgl. HR 13-3-2007, NJ 2007m 166, LJN AZ6664 over het met artikel 31, tweede lid, SVW vergelijkbare artikel 176, derde lid WVW 1994 (in verbinding met artikel 163, tweede lid, WVW 1994). 25
De opsporingsambtenaar heeft ook de mogelijkheid om de verdachte op straat te horen zonder dat de verdachte aangehouden wordt. In dat geval waarbij niet wordt aangehouden dient verdachte niet op zijn consultatierecht te worden gewezen. 26
Bij het uitvoeren van het onderzoek dient verder op dezelfde wijze te worden gehandeld als wanneer op initiatief van de politie tot het afnemen van een bloedmonster (of urinemonster) zou zijn overgegaan. De artikelen 12 t/m 15, 18 t/m 21 (met uitzondering van het eerste en het tweede lid) en 22 van het Besluit alcoholonderzoeken, respectievelijk de artikelen 3 t/m 7 en 8 t/m 13 van de Regeling bloed- en urine-onderzoek zijn van (overeenkomstige) toepassing. 27
In dit verband wordt verwezen naar de conclusie van het OM bij het zgn. Ademanalyse-arrest (HR 6 maart 1990, NJ 1990, 467). 28
Deze opvatting sluit aan bij de Nota van Toelichting bij het Besluit alcoholonderzoeken (Stb.1987 nr. 432) en de jurisprudentie over dit onderwerp. Verwezen wordt naar de arresten HR 15 februari 1983, NJ 1983, 448 en HR 12 april 1983, NJ 1983, 569, waarin werd beslist dat de verdachte niet behoefde te worden medegedeeld dat hij recht heeft op een tegenonderzoek met betrekking tot de uitslag van een bloedproef (of urineproef). In genoemde arresten is niet het voorbehoud gemaakt dat dit anders zou zijn bij verdachten die niet beschikken over een raadsman. Het Hof Den Haag heeft op 21 november 1997 (NJ 1998, nr. 140) een arrest gewezen met dezelfde strekking als de bovengenoemde arresten van de Hoge Raad. 29
Gerechtshof ’s-Gravenhage, 21 november 1997 (NJ 1998, nr. 140). 30
Uiteraard kan de verdachte zijn verzoek om een tegenonderzoek herroepen, indien de arts van zijn keuze niet binnen een uur beschikbaar blijkt te zijn. Dit dient in het proces-verbaal te worden vermeld. 31
Een en ander is geregeld in artikel 11 van de Regeling bloed- en urineonderzoek 32
Hiertoe kan gebruik worden gemaakt van de modelbrief uit bijlage 1 van de Aanwijzing onderzoek rijden onder invloed. 33
Dit geval zal zich in de praktijk vrijwel nooit voordoen. 34
Indien er in een situatie genoemd onder a enige twijfel bestaat of veroordeling ter zake van artikel 28a van de Scheepvaartverkeerswet zal volgen, verdient het aanbeveling artikel 27, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet subsidiair te laste te leggen. 35
Let op bij het onderzoek naar ongevallen. In het convenant afspraken OM en de Onderzoeksraad voor veiligheid zijn omtrent sectie en onderzoeken op basis van de Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid specifieke afspraken opgenomen. 36
Zie het art. 5 t/m 7 van het Besluit verkeersinformatie en verkeersaanwijzingen scheepvaartverkeer en het Besluit landelijke aanwijzing bevoegde personen verkeersinformatie en verkeersaanwijzingen scheepvaartverkeer. 37
Artikel 8:2 lid 3 ATW bepaalt dat, indien het bevel op enigerlei andere wijze dan schriftelijk wordt gegeven, het bevel binnen 7 dagen, nadat het bevel is gegeven, schriftelijk moet worden bevestigd. Het bevel is een beschikking in de zin van de Algemene Wet Bestuursrecht. Dit houdt in dat tijdstip en duur van het verbod moeten worden vermeld alsmede de mogelijkheid en de termijn van beroep (6 weken) en de instantie waar dit kan geschieden. 38
Zie het art. 5 t/m 7 van het Besluit verkeersinformatie en verkeersaanwijzingen scheepvaartverkeer en het Besluit landelijke aanwijzing bevoegde personen verkeersinformatie en verkeersaanwijzingen scheepvaartverkeer. 39
Politiewet 1993. Mocht bij de herziening van de politiewet de nummering van bepalingen wijzigen, dan wordt hier de rechtstreekse opvolger van art. 2 Politiewet 1993 bedoeld (in wetsvoorstel 30 880 thans art. 3); TK 2006–2007, 30 880, nr. 2. 40
De aanhouding van een van de bemanningsleden kan resulteren in onderbemanning en daarmee aanleiding geven tot stillegging. Hetzelfde geldt voor het opleggen van een vaarverbod en/of meenemen van verdachte ten behoeve van een ademanalyse en/of bloedproef. 41
Hieronder wordt verstaan: ‘zand vermengt met een aanmerkelijke hoeveelheid water’ (hieronder kan ook grijpzand vallen). 42
De voorgeschreven taal verschilt per politiereglement. In artikel 4.05, eerste lid, BPR/RPR is bepaald dat de marifoon slechts mag worden gebruikt overeenkomstig de voorschriften van de ‘Regionale regeling betreffende de marifoondienst in de binnenvaart’, zoals vermeld in het ‘Handboek voor de marifonie in de binnenvaart’. Artikel 3.1.5 van dat Handboek stelt dat marifoonverkeer tussen scheeps- en walstations moet worden gevoerd in de taal van het land waar het walstation zich bevindt (dus Nederlands in geval van een walstation in Nederland). Het marifoonverkeer tussen schepen moet gevoerd worden in de taal van het land waar men zich bevindt (in Nederland Nederlands). Bij moeilijkheden om elkaar te verstaan, moet de taal worden gebruikt die is aangegeven in het ‘scheepvaartpolitiereglement’ (voor de niet-aktewateren is dat het BPR en voor de aktewateren het RPR).
• Het BPR verwijst op dit punt echter slechts naar het Handboek: derhalve geldt op niet-aktewateren formeel de hoofdregel dat het marifoonverkeer tussen schepen in Nederland moet worden gevoerd in het Nederlands. Deze strikte uitleg is vanuit veiligheidsoogpunt ongewenst. Bij communicatieproblemen wordt daarom – in aansluiting bij de praktijk en vooruitlopend op een verwachtte wijziging van de regelgeving – het gebruik van het Duits (vgl. het RPR) of het Engels eveneens toegestaan.
NB het 10 e wijzigingsbesluit Binnenvaartpolitiereglement was ten tijde van de totstandkoming van deze aanwijzing nog niet inwerking getreden. Zodra de wijziging van kracht is, geldt: in het BPR (art. 4.05 lid 9 BPR) is bepaald dat in afwijking van het eerste lid op scheepvaartwegen in beheer bij het Rijk bij communicatieproblemen tussen scheeps- en walstations dan wel tussen scheepsstations onderling de Duitse taal wordt gebruikt. Op een aantal vaarwegen, genoemd in bijlage 11 bij het BPR, is tevens het gebruik van de Engelse taal toegestaan. Ook overigens wordt het gebruik van het Engels toegelaten.
• Het RPR (artikel 4.05, tweede lid) schrijft voor dat bij marifoonverbindingen tussen marifooninstallaties aan boord van schepen de taal van het land wordt gebruikt waarin zich de marifooninstallatie bevindt waarmee het gesprek wordt aangevangen. Ingeval van communicatieproblemen moet de Duitse taal worden gebruikt. Net als bij de niet-aktewateren wordt ook hier het gebruik van het Engels toegelaten. 43
De uitvoeringsregelingen van de Herziene Rijnvaartakte (het Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995 en het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn – voorheen het Patentreglement Rijn en het Reglement betreffende veiligheidspersoneel aan boord van passagiersschepen) zijn opgenomen als bijlagen bij de Binnenvaartregeling. 44
Dit standpunt wordt gesteund door de Hoge Raad (zie HR nr. 116.174 d.d. 29 juni 1999 – niet gepubliceerd). 45
Zie het arrest van de Kamer van Beroep van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart d.d. 3 december 1997 NJ 1998/245 en het arrest van de Hoge Raad d.d. 9 juni 1998 nr. 105.384 NJ 1998/858. 46
Dagkoers ten tijde van het opstellen van deze aanwijzing. De Verdragsluitende partijen hebben een protocol aangenomen, dat de geldboetes beoogd te verhogen. Dit zesde protocol bij de Herziene Rijnvaartakte is nog niet door alle partijen geratificeerd. 47
Zie de ‘Uitvoeringswet der bepalingen van de artikelen 33, 36, 37 en 38 der herziene akte omtrent de Rijnvaart’. 48
Dit standpunt wordt onderschreven in de literatuur. Vgl. ‘Nederlandse Rijnvaartovertredingen onder de Akte van Mannheim, W.E. Haak in Rede en Recht, red. Corstens en Groenhuijsen, Gouda Quint, Deventer 2000, p. 51 49
Het gaat met name om voorschriften ten aanzien van vaartijden, bemanningseisen, radarexamens en technische eisen. Het Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995 (ROSR) en het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn, zijn opgenomen als bijlagen bij de Binnenvaartregeling.