Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Wet voortgezet onderwijs BES
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Ook bekend als:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
+ Titel I. Algemene bepalingen
+ Titel II. Het onderwijs
+ Titel III. Aanvang, wijze en einde bekostiging
+ Titel IV. Toezicht
+ Titel V. Slot- en overgangsbepalingen
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Let op. Deze wet is vervallen op 17 februari 2011. U leest nu de tekst die gold op 16 februari 2011.

Wet voortgezet onderwijs BES

Wet voortgezet onderwijs BES
Artikel 1
Deze wet verstaat onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
b. school: een school voor voortgezet onderwijs, tenzij het tegendeel blijkt;
c. openbare school: door een openbaar lichaam dan wel een openbare rechtspersoon als bedoeld in artikel 40a, in stand gehouden school;
d. bijzondere school: een door een natuurlijke persoon of door een privaatrechtelijke rechtspersoon in stand gehouden school;
e. bevoegd gezag: voor wat betreft
a. een openbare school:
1°. het bestuurscollege van het desbetreffende openbaar lichaam of
2°. het openbare orgaan, bedoeld in artikel 40a;
b. een bijzondere school: het schoolbestuur;
f. instructietaal: de taal die op een school gehanteerd wordt bij zowel de mondelinge als schriftelijke kennisoverdracht en bij alle toets- en examenopgaven;
g. inspectie: de inspectie, bedoeld in de Wet op het onderwijstoezicht .
Artikel 2
[vervallen]
Artikel 3
Het voortgezet onderwijs omvat het onderwijs, dat wordt gegeven na het funderend onderwijs, met uitzondering van het onderwijs geregeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs BES en de Landsverordening Universiteit Nederlandse Antillen (P.B. 1985, no. 43).
Artikel 4
Bij algemene maatregel van bestuur worden de onderwerpen aangewezen waarover aan de bestuurscolleges van de openbare lichamen en aan organisaties van ouders, van leraren of van schoolbesturen dan wel aan twee of meer van deze groepen, die zich de behartiging van de belangen van een of meer vormen van voortgezet onderwijs ten doel stellen, de gelegenheid wordt gegeven Onze Minister van advies te dienen. Aan die organisaties wordt deze gelegenheid uitsluitend verleend, indien zij naar het oordeel van Onze Minister voldoende representatief zijn.
Artikel 5
Het voortgezet onderwijs wordt onderscheiden in:
a. voorbereidend wetenschappelijk onderwijs;
b. hoger algemeen voortgezet onderwijs;
c. voorbereidend secundair beroepsonderwijs;
d. middelbaar en hoger beroepsonderwijs;
Artikel 6
De bepalingen van de hoofdstukken I en II van deze afdeling regelen het openbaar schoolonderwijs; de bepalingen van de hoofdstukken I en III zijn voorwaarden voor bekostiging van het bijzonder schoolonderwijs.
1.
Voorbereidend wetenschappelijk onderwijs is het onderwijs dat is ingericht ter voorbereiding op aansluitend wetenschappelijk onderwijs en dat mede algemene vorming omvat. Het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs wordt gegeven aan scholen met een cursusduur van zes jaren.
2.
Het onderwijs aan deze scholen omvat:
a. de in artikel 10, eerste lid, bedoelde periode van basisvorming;
b. de in artikel 10a bedoelde periode van profielvoorbereidend onderwijs, en
c. de in artikel 10b bedoelde periode van profielenonderwijs.
1.
Hoger algemeen voortgezet onderwijs is het onderwijs dat is ingericht ter voorbereiding op aansluitend hoger beroepsonderwijs en dat mede algemene vorming omvat. Het hoger algemeen voortgezet onderwijs wordt gegeven aan scholen met een cursusduur van vijf jaren.
2.
Het onderwijs aan deze scholen omvat:
a. de in artikel 10, eerste lid, bedoelde periode van basisvorming;
b. de in artikel 10a bedoelde periode van profielvoorbereidend onderwijs, en
c. de in artikel 10b bedoelde periode van profielenonderwijs.
1.
Voorbereidend secundair beroepsonderwijs is het onderwijs dat is ingericht ter voorbereiding op het secundair beroepsonderwijs en dat mede algemene vorming omvat. Het voorbereidend secundair beroepsonderwijs wordt gegeven aan scholen met een cursusduur van vier jaren.
2.
Het onderwijs aan deze scholen omvat:
a. de in artikel 10, eerste lid, bedoelde periode van basisvorming, en
b. de in artikel 11 bedoelde periode van de leerwegen.
1.
Het onderwijs aan de dagscholen, bedoeld in de artikelen 7 tot en met 9 , vangt aan met een periode van basisvorming, die twee leerjaren beslaat.
2.
Gedurende de periode van basisvorming wordt onderwijs gegeven in de vakken Nederlandse taal, Engelse taal, Spaanse taal, mens en maatschappij, wiskunde, informatiekunde, mens en natuur, techniek, verzorging, lichamelijke opvoeding, begeleidingslessen en ten minste twee van de vakken muziek, drama en beeldende vorming. In het openbare lichaam Bonaire wordt tevens onderwijs gegeven in het vak Papiamentu.
3.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorwaarden worden gesteld waaronder een leerling wordt vrijgesteld van één of meer van de in het tweede lid genoemde vakken.
4.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorwaarden worden gesteld omtrent het geven van onderwijs in de Franse of Duitse taal.
5.
Ten aanzien van de vakken, genoemd in het tweede lid, worden telkens voor een periode van ten hoogste vijf jaar bij algemene maatregel van bestuur kerndoelen vastgesteld. Vaststelling van kerndoelen voor een volgende periode vindt plaats met inachtneming van een door Onze Minister verrichte evaluatie van de geldende kerndoelen.
1.
Het onderwijs aan de scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs en aan scholen voor hoger algemeen voortgezet onderwijs omvat aansluitend op de periode van de basisvorming een éénjarige periode van profielvoorbereidend onderwijs.
2.
Het profielvoorbereidend onderwijs omvat:
a. Nederlandse taal, Engelse taal, Spaanse taal, Franse of Duitse taal, algemene sociale wetenschappen, wiskunde, algemene natuurwetenschappen, culturele en artistieke vorming, lichamelijke opvoeding, studiekeuzebegeleiding, en
b. voor de leerlingen in het openbare lichaam Bonaire het vak Papiamentu;
3.
Bij algemene maatregel van bestuur, kunnen nadere regels ten aanzien van de vakken Spaanse taal, algemene sociale wetenschappen, algemene natuurwetenschappen en culturele en artistieke vorming worden gesteld.
1.
Het onderwijs aan scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs respectievelijk voor hoger algemeen voortgezet onderwijs omvat aansluitend op de periode van profielvoorbereidend onderwijs een driejarige respectievelijk tweejarige periode van profielenonderwijs.
2.
De periode van profielenonderwijs is ingericht volgens profielen. Een profiel is een samenhangend onderwijsprogramma, zodanig ingericht dat het biedt:
a. een algemene maatschappelijke voorbereiding en persoonlijke vorming,
b. een algemene voorbereiding op het hoger onderwijs, en
c. een bijzondere voorbereiding op groepen van naar inhoud verwante opleidingen in het hoger onderwijs.
3.
De school verzorgt al dan niet in samenwerking met andere scholen alle profielen. De profielen zijn:
a. het profiel cultuur en maatschappij
b. het profiel economie en maatschappij
c. het profiel natuur en techniek
d. het profiel natuur en gezondheid.
4.
Elk profiel bestaat uit:
a. een gemeenschappelijk deel, dat voor alle profielen van de desbetreffende schoolsoort gelijk is,
b. een profieldeel, dat kenmerkend is voor dat profiel, en
c. een vrij deel.
5.
Het bevoegd gezag richt het onderwijs in de periode van profielenonderwijs in op de grondslag van een normatieve studielast voor de leerling van 1600 uren per leerjaar, uitgaande van 40 weken met elk een normatieve studielast van 40 uren. Het bevoegd gezag richt een in schooltijd verzorgd onderwijsprogramma in dat voor elke leerling ten minste 1000 uren onderwijs omvat per leerjaar, onverminderd artikel 10e.
1.
Het gemeenschappelijk deel van elk profiel in het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs omvat voor de leerlingen in het openbare lichaam Bonaire:
a. Papiamentu
b. Nederlandse taal en literatuur
c. Engelse taal en literatuur
d. Spaanse, Franse of Duitse taal en literatuur
e. algemene natuurwetenschappen
f. algemene sociale wetenschappen
g. culturele en artistieke vorming
h. lichamelijke opvoeding
2.
Het gemeenschappelijk deel van elk profiel in het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs omvat voor de leerlingen in de openbare lichamen Saba en Sint Eustatius:
a. Engelse taal en literatuur
b. Nederlandse taal en literatuur
c. Spaanse, Franse of Duitse taal en literatuur
d. algemene natuurwetenschappen
e. algemene sociale wetenschappen
f. culturele en artistieke vorming
g. lichamelijke opvoeding.
3.
Het profieldeel van het profieldeel natuur en techniek in het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs omvat:
a. wiskunde
b. natuurkunde
c. scheikunde
d. een vak ter keuze van de leerling uit vakken die bij algemene maatregel van bestuur zijn aangegeven, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt.
4.
Het profieldeel van het profieldeel natuur en gezondheid in het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs omvat:
a. wiskunde
b. biologie
c. scheikunde
d. een vak ter keuze van de leerling uit vakken die bij algemene maatregel van bestuur zijn aangegeven, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt.
5.
Het profieldeel van het profieldeel economie en maatschappij in het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs omvat:
a. wiskunde
b. economie
c. twee vakken ter keuze van de leerling uit vakken die bij algemene maatregel van bestuur zijn aangegeven, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt.
6.
Het profieldeel van het profieldeel cultuur en maatschappij in het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs omvat:
a. wiskunde
b. geschiedenis
c. een kunstvak of een moderne vreemde taal
d. een vak ter keuze van de leerling uit vakken die bij algemene maatregel van bestuur zijn aangegeven, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt.
7.
Het vrije deel omvat één of twee vakken uit het geheel van:
a. vakken genoemd of aangewezen op grond van het derde tot en met zesde lid, die de leerling nog niet heeft gekozen op grond van het eerste tot en met zesde lid, voor zover het bevoegd gezag deze vakken als onderdeel in het vrije deel aanbiedt,
b. door het bevoegd gezag vast te stellen vakken en programmaonderdelen.
8.
Het bevoegd gezag kan besluiten dat door het bevoegd gezag aan te wijzen andere vakken en programmaonderdelen door alle leerlingen in het vrije deel moeten worden gevolgd.
1.
Het gemeenschappelijk deel van elk profiel in het hoger algemeen voortgezet onderwijs omvat voor de leerlingen in het openbare lichaam Bonaire:
a. Papiamentu
b. Nederlandse taal en literatuur
c. Engelse taal en literatuur
d. algemene natuurwetenschappen
e. algemene sociale wetenschappen
f. culturele en artistieke vorming
g. lichamelijke opvoeding
2.
Het gemeenschappelijk deel van elk profiel in het hoger algemeen voortgezet onderwijs omvat voor de leerlingen in de openbare lichamen Saba en Sint Eustatius:
a. Engelse taal en literatuur
b. Nederlandse taal en literatuur
c. algemene natuurwetenschappen
d. algemene sociale wetenschappen
e. culturele en artistieke vorming
f. lichamelijke opvoeding.
3.
Het profieldeel van het profieldeel natuur en techniek in het hoger algemeen voortgezet onderwijs omvat:
a. wiskunde
b. natuurkunde
c. scheikunde
4.
Het profieldeel van het profieldeel natuur en gezondheid in het hoger algemeen voortgezet onderwijs omvat:
a. wiskunde
b. biologie
c. scheikunde
5.
Het profieldeel van het profieldeel economie en maatschappij in het hoger algemeen voortgezet onderwijs omvat:
a. wiskunde
b. economie
c. een vak ter keuze van de leerling uit vakken die bij algemene maatregel van bestuur zijn aangegeven, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt.
6.
Het profieldeel van het profieldeel cultuur en maatschappij in het hoger algemeen voortgezet onderwijs omvat:
a. een moderne vreemde taal
b. geschiedenis
c. een vak ter keuze van de leerling uit vakken die bij algemene maatregel van bestuur zijn aangegeven, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt.
7.
Het vrije deel omvat voor de leerlingen in hoger algemeen voortgezet onderwijs in het openbare lichaam Bonaire tenminste één vak, en voor de leerlingen in de openbare lichamen Saba en Sint Eustatius tenminste twee vakken, uit het geheel van:
a. vakken genoemd of aangewezen op grond van het derde tot en met zesde lid, die de leerling nog niet heeft gekozen op grond van het eerste tot en met zesde lid, voor zover het bevoegd gezag deze vakken als onderdeel in het vrije deel aanbiedt,
b. door het bevoegd gezag vast te stellen vakken en programmaonderdelen.
8.
Het bevoegd gezag kan besluiten dat door het bevoegd gezag aan te wijzen andere vakken en programmaonderdelen door alle leerlingen in het vrije deel moeten worden gevolgd. Tevens kan het bevoegd gezag de leerling in de gelegenheid stellen, in het vrije deel te kiezen uit in artikel 10c genoemde vakken.
Artikel 10e
Bij algemene maatregel van bestuur worden met betrekking tot de in artikel 10b, derde lid, bedoelde profielen vastgesteld:
a. de totale normatieve studielast van het gemeenschappelijk deel, het profieldeel en het vrije deel,
b. de normatieve studielast van de vakken,
c. voorschriften omtrent de vakken en andere programmaonderdelen, bedoeld in de artikelen 10c, achtste lid, en 10d, achtste lid, behoudens godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijke vorming aan bijzondere scholen.
1.
Het onderwijs aan de scholen voor voorbereidend secundair beroepsonderwijs omvat aansluitend op de periode van basisvorming een tweejarige periode van leerwegen.
2.
In de periode van leerwegen volgen de leerlingen onderwijs in:
a. de theoretisch kadergerichte leerweg,
b. de praktisch kadergerichte leerweg, of
c. de praktisch basisgerichte leerweg.
3.
De leerwegen omvatten een samenhangend onderwijsprogramma, gericht op:
a. een algemene maatschappelijke voorbereiding en persoonlijke vorming, en
b. een voorbereiding op naar inhoud verwante opleidingen in het secundair beroepsonderwijs.
4.
Het onderwijs in elke leerweg wordt met ingang van het derde leerjaar gegeven in één of meer van de volgende sectoren:
a. techniek;
b. zorg en welzijn;
c. economie.
5.
De sectoren, genoemd in het vierde lid, omvatten elk één of meer sectorprogramma’s, onderscheiden als volgt:
a. de sector techniek:
metaal;
bouw;
motorvoertuigentechniek;
ecotechniek;
instalectro;
techniek algemeen;
informatie- en communicatietechnologie.
b. de sector zorg en welzijn:
algemene mensverzorging;
uiterlijke verzorging;
zorg en welzijn algemeen.
c. de sector economie:
hospitality;
administratie en commercie.
6.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen de sectorprogramma’s, genoemd in het vijfde lid, aangevuld dan wel gewijzigd worden.
1.
Het onderwijs in de leerwegen bestaat voor elke sector uit:
a. een gemeenschappelijk deel, dat voor alle leerwegen gelijk is,
b. een sectordeel, dat kenmerkend is voor die sector, en
c. een keuzedeel, dat voor alle sectoren verschillend kan zijn.
2.
Het gemeenschappelijk deel van de leerwegen omvat Nederlandse taal, Engelse taal, mens en maatschappij, lichamelijke opvoeding, culturele en artistieke vorming en tevens voor het openbare lichaam Bonaire Papiamentu en Spaans en voor de openbare lichamen Saba en Sint Eustatius de Franse taal, Spaanse taal of Papiamentu.
3.
Het sectordeel van de leerwegen omvat de navolgende vakken voor:
a. de sector techniek: wiskunde en natuur- en scheikunde, met uitzondering voor het in artikel 11, vijfde lid, onderdeel a, ten 4°, genoemde sectorprogramma ecotechniek;
b. de sector zorg en welzijn: biologie en, ter keuze van de leerling, wiskunde of mens en maatschappij;
c. de sector economie: economie en, ter keuze van de leerling, wiskunde, Papiamentu, Franse taal of Spaanse taal.
Bij keuze door de leerling van het in artikel 11, vijfde lid, onderdeel a, ten 4°, genoemde sectorprogramma ecotechniek omvat het sectordeel van de leerwegen wat betreft de sector techniek de vakken biologie en natuur- en scheikunde.
4.
Het keuzedeel van de theoretisch kadergerichte leerweg:
a. kan tevens omvatten ten minste één door de leerling te kiezen vak,
b. omvat het door de leerling te kiezen sectorprogramma, bedoeld in artikel 11, vijfde lid,
c. kan omvatten door het bevoegd gezag vast te stellen vakken en programmaonderdelen.
5.
Het keuzedeel van de praktisch kadergerichte leerweg en de praktisch basisgerichte leerweg:
a. omvat het door de leerling te kiezen sectorprogramma, bedoeld in artikel 11, vijfde lid,
b. kan omvatten door het bevoegd gezag vast te stellen vakken en programmaonderdelen.
6.
Het bevoegd gezag beslist welke keuzetaal, genoemd in het derde lid, onderdeel c, en welke sectorprogramma’s als bedoeld in vierde lid, onderdeel b, en vijfde lid, onderdeel a, en welke vakken en programmaonderdelen als bedoeld in het vierde lid, onderdeel c, en het vijfde lid, onderdeel b, worden aangeboden. Het bevoegd gezag kan tevens besluiten dat door het bevoegd gezag vast te stellen vakken en programmaonderdelen als bedoeld in het vierde lid, onderdeel c, en het vijfde lid, onderdeel b, door alle leerlingen in het keuzedeel moeten worden gevolgd.
7.
Onverminderd het tweede tot en met het zesde lid kan bij algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld het door alle leerlingen van scholen voor voorbereidend secundair beroepsonderwijs in het derde en vierde leerjaar te volgen minimum of maximum aantal vakken waarin eindexamen kan worden afgelegd, alsmede welke vakken het betreft.
1.
Voor leerlingen, die zich aanmelden voor een school voor voorbereidend secundair beroepsonderwijs dan wel staan ingeschreven aan een school voor voorbereidend secundair beroepsonderwijs, die vanwege hun sociale of psychosociale omstandigheden niet in staat worden geacht zonder speciale voorzieningen het onderwijs, genoemd in artikel 11, tweede lid, met een diploma, bedoeld in artikel 32, te kunnen afsluiten, en die niet in aanmerking komen geplaatst te worden in het onderwijs, genoemd in artikel 11c, treft het bevoegd gezag de nodige maatregelen.
2.
De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, betreffen voorzieningen ten aanzien van de groepsgrootte, aanpassingen van het programma en extra aandacht voor lacunes in de kennis en ontwikkeling van de leerling.
3.
Het bevoegd gezag van een school voor voorbereidend secundair beroepsonderwijs kan met de te nemen maatregelen, bedoeld in het eerste lid, indien dat ten behoeve van de leerling, genoemd in het eerste lid, noodzakelijk is, afwijken van de voorschriften, gegeven bij of krachtens de artikelen 10 en 21. Deze maatregelen houden de mogelijkheid voor de leerling open om examens af te leggen en een diploma te behalen, zoals bedoeld in artikel 32.
4.
Maatregelen, als bedoeld in het eerste lid, worden niet genomen dan nadat, op een daartoe strekkend verzoek van de zijde van het bevoegd gezag, de onderwijsinspectie het desbetreffende onderwijsprogramma heeft goedgekeurd en, in geval deze maatregelen leiden tot extra bekostiging door het openbaar lichaam, niet dan nadat op daartoe strekkend verzoek zijdens het bevoegd gezag het bestuurscollege de betreffende maatregelen heeft goedgekeurd.
5.
Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften vastgesteld met betrekking tot de groepsgrootte, bedoeld in het tweede lid.
1.
Arbeidsgericht onderwijs wordt gegeven ten behoeve van leerlingen tot ten hoogste 18 jaar aan afdelingen voor arbeidsgericht onderwijs, verbonden aan scholen voor voorbereidend secundair beroepsonderwijs en aan scholengemeenschappen waarvan ten minste een school voor voorbereidend secundair beroepsonderwijs deel uitmaakt.
2.
Arbeidsgericht onderwijs is onderwijs voor leerlingen voor wie vaststaat dat
a. overwegend een orthopedagogische en orthodidactische benadering is geboden, en
b. het volgen van het onderwijs in een van de leerwegen, genoemd in artikel 11, tweede lid, niet leidt tot het behalen van een diploma als bedoeld in artikel 32.
3.
Arbeidsgericht onderwijs bestaat uit een gedeelte waarin aangepast theoretisch onderwijs, persoonlijkheidsvorming en het aanleren van sociale vaardigheden worden verzorgd, en een gedeelte waarin de leerling wordt voorbereid op het uitoefenen van functies op de arbeidsmarkt. Arbeidsgericht onderwijs wordt zodanig ingericht dat de kerndoelen van de basisvorming zo veel mogelijk kunnen worden bereikt. Arbeidsgericht onderwijs bereidt de leerling voor op eenvoudige functies binnen de arbeidsmarkt.
4.
Het bevoegd gezag van een school voor voorbereidend secundair beroepsonderwijs met een afdeling voor arbeidsgericht onderwijs kan, met inachtneming van de tweede volzin van het derde lid, indien dat ten behoeve van de leerling noodzakelijk is, bij het aanbieden van dat onderwijs afwijken van de voorschriften, gegeven bij of krachtens de artikelen 10, 21 en 32.
5.
Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften vastgesteld met betrekking tot:
a. de groepsgrootte van de leerlingen die arbeidsgericht onderwijs volgen,
b. de vakken die het arbeidsgericht onderwijs ten minste omvat, en
c. het aantal uren dat het onderricht in de praktijk van de uitoefening van een vak of beroep in de vorm van begeleide stages gedurende een schoolweek ten hoogste omvat.
1.
Het bevoegd gezag van een school voor voorbereidend secundair beroepsonderwijs kan aan de ouders van een leerling, die zich bij die school aanmeldt of aan die school is ingeschreven, voorstellen dat deze leerling arbeidsgericht onderwijs gaat volgen, indien het bevoegd gezag redelijkerwijs kan aannemen dat deze niet in staat is het onderwijs in één van de leerwegen, genoemd in artikel 11, tweede lid, met een diploma als bedoeld in artikel 32, af te sluiten.
2.
Het bevoegd gezag van de school beslist, na overleg met de ouders van de in het eerste lid bedoelde leerling, over de toelating van de leerling tot de afdeling voor arbeidsgericht onderwijs.
Alvorens de beslissing tot toelating wordt genomen, legt indien mogelijk het bevoegd gezag van de school waaraan de leerling voorafgaand aan de toelating tot het arbeidsgericht onderwijs was of is ingeschreven, een op de desbetreffende leerling betrekking hebbend onderwijskundig rapport, alsmede de op schrift gestelde zienswijze van de ouders, over aan de verwijzingscommissie, bedoeld in het zesde lid. Geen leerling wordt toegelaten tot het arbeidsgericht onderwijs dan nadat de verwijzingscommissie schriftelijk heeft bepaald dat de leerling tot dat onderwijs toelaatbaar is.
3.
Het bevoegd gezag van de afdeling voor arbeidsgericht onderwijs waaraan de leerling wordt toegelaten, stelt, na overleg met de ouders, voor de leerling een handelingsplan op. Het handelingsplan bevat een omschrijving van de wijze waarop voor de desbetreffende leerling het arbeidsgericht onderwijs met inachtneming van artikel 11b, derde lid, wordt verzorgd.
4.
Indien de verwijzingscommissie bepaalt dat de leerling niet tot het arbeidsgericht onderwijs toelaatbaar is, brengt zij schriftelijk advies uit aan de ouders van de leerling en het in het eerste lid bedoelde bevoegd gezag, over de wijze waarop de leerling op de school waar hij is ingeschreven, naar het oordeel van de verwijzingscommissie zou moeten worden begeleid.
5.
De verwijzingscommissie verstrekt desgevraagd aan de ingevolge artikel 2 met het uitoefenen van het toezicht daarop bedoelde instantie en het betreffende bestuurscollege de voor de uitoefening van hun taak benodigde inlichtingen. Onze Minister en het betreffende bestuurscollege kunnen inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de invulling van hun taak redelijkerwijs nodig is.
6.
Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven met betrekking tot de instelling, taak, samenstelling en werkwijze van de verwijzingscommissies. De verwijzigingscommissies worden benoemd bij eilandsbesluit.
7.
Het toezicht op de verwijzingscommissies wordt volgens bij algemene maatregel van bestuur, te stellen regels uitgevoerd door de inspectie.
1.
De instructietaal, zoals bedoeld in artikel 1, in een school voor v.w.o., h.a.v.o. of v.s.b.o. is een van officiële talen van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
2.
De gekozen instructietaal geldt voor de gehele school of voor een of meerdere leerwegen in het door die school aangeboden onderwijs.
3.
De gekozen instructietaal wordt bij alle vakken toegepast.
4.
Een wijziging in de door de school te hanteren instructietaal of instructietalen kan slechts plaatsvinden met ingang van de eerste dag van het schooljaar, mits zulks tenminste zestien maanden daaraan voorafgaand door het bevoegd gezag in tenminste twee in het desbetreffende openbaar lichaam verschijnende dagbladen bekend is gemaakt. Een dergelijke wijziging kan geen betrekking hebben op de cohorten die op de datum van bekendmaking van die wijziging reeds op de school stonden ingeschreven.
5.
Scholen dragen zorg voor een optimaal mogelijke aansluiting van leerlingen met een moedertaal die niet overeenkomt met de op de school gehanteerde instructietaal of instructietalen.
6.
Het bevoegd gezag van een dagschool als bedoeld in de artikelen 7 tot en met 9 kan in bijzondere gevallen, na een daartoe strekkend met redenen omkleed schriftelijk verzoek van ouders, voogden of verzorgers, een leerling ontheffing verlenen voor één van de vakken van de basisvorming. Het bevoegd gezag bepaalt bij de ontheffing welk onderwijs voor de leerling in de plaats komt voor het vak waarvoor ontheffing is verleend. Het bevoegd gezag geeft de inspecteur kennis van de verleende ontheffing en vermeldt de gronden waarop zij berust.
1.
Onze Minister stelt jaarlijks toetsen vast die betrekking hebben op door hem aan te wijzen kerndoelen van de vakken van de basisvorming, met uitzondering van het vak lichamelijke opvoeding. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels gesteld worden met betrekking tot deze toetsen.
2.
Het bevoegd gezag neemt deze toetsen af op de dagscholen, bedoeld in de artikelen 7 tot en met 9
Artikel 14
[vervallen]
Artikel 15
Hoger beroepsonderwijs wordt gegeven aan scholen met een cursusduur van ten hoogste vier jaren. Het bereidt voor op beroepen in de navolgende sectoren:
dienstverlening en gezondheidszorg;
economie;
landbouw, veeteelt en natuurlijke omgeving;
techniek;
onderwijs.
Aan deze scholen wordt onderwijs gegeven in algemeen vormende en beroepsgerichte vakken.
Aan opleidingsscholen voor onderwijzers wordt in ieder geval onderwijs gegeven in opvoedkunde, psychologie, algemene didactiek en bijzondere didactiek.
1.
Aan bijzondere scholen kan behalve de in de artikelen 7 tot en met 9, en 15 genoemde vakken het vak godsdienstonderwijs dan wel het vak levensbeschouwelijke vorming gegeven worden.
2.
Aan openbare scholen kan behalve de in de artikelen 7 tot en met 9, 14 en 15 genoemde vakken het vak levensbeschouwelijke vorming gegeven worden.
3.
Aan scholen als bedoeld in de artikelen 7 en 8 kan na het derde leerjaar naast het onderwijs in de voor die school genoemde vakken en deelvakken in bij ministeriële regeling genoemde gevallen onderwijs worden gegeven in andere vakken en programmaonderdelen.
4.
Aan scholen als bedoeld in artikel 9, kan na het tweede leerjaar naast het onderwijs in de voor die school genoemde vakken en sectorprogramma’s in bij ministeriële regeling genoemde gevallen onderwijs worden gegeven in andere vakken en programmaonderdelen.
Artikel 17
[vervallen]
1.
In een scholengemeenschap zijn tot één school verenigd twee of meer scholen, bedoeld in de artikelen 7 tot en met 9.
2.
In een scholengemeenschap is ten minste het eerste leerjaar gemeenschappelijk.
3.
In een gemeenschap van scholen zijn verenigd twee scholen, bedoeld in de artikelen 7 tot met 9, die ten aanzien van de inrichting van het onderwijs nauw samenwerken. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden vastgesteld met betrekking tot deze samenwerking.
1.
De scholen kunnen zijn dagscholen, avondscholen of dag-avondscholen. Volgens regelen, te stellen bij algemene maatregel van bestuur, kunnen de cursusduur en de inrichting van het onderwijs aan de avondscholen en aan de dag-avondscholen afwijken van die voorgeschreven bij of krachtens deze wet.
2.
Tenzij het tegendeel blijkt, worden onder scholen voor voorbereidend secundair beroepsonderwijs of voor hoger beroepsonderwijs mede verstaan afzonderlijke cursussen voor voorbereidend secundair beroepsonderwijs of voor hoger beroepsonderwijs.
Artikel 20
De naam van de school duidt aan, tot welke van de soorten van scholen, bedoeld in de artikelen 7 tot en met 9, 14 en 15.
1.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voor de scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, hoger algemeen voortgezet onderwijs en voorbereidend secundair beroepsonderwijs nadere voorschriften vastgesteld omtrent de inrichting van het onderwijs. Deze voorschriften kunnen per schoolsoort verschillen. Voor de scholen, bedoeld in de artikelen 7 tot en met 9, kunnen afzonderlijke voorschriften worden gegeven.
2.
De algemene maatregel van bestuur bedoeld in het eerste lid, houdt voor de scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, hoger algemeen voortgezet onderwijs en voorbereidend secundair beroepsonderwijs tenminste voorschriften in omtrent:
a. duur van de lessen;
b. de splitsing en samenvoeging van klassen en de vorming van groepen, mede in verband met het totale aantal leerlingen;
c. de vakken, het minimum aantal wekelijkse lessen in elk van de vakken, als mede het aantal wekelijkse lessen dat in alle vakken tezamen gedurende de periode van de basisvorming respectievelijk de periode van het profielvoorbereidend onderwijs moet worden gevolgd, en de vakken dan wel deelvakken van de periode van het profielenonderwijs met de daarbij behorende minima aan normatieve studielast.
3.
De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, houdt voor de scholen voor voorbereidend secundair beroepsonderwijs tevens voorschriften in omtrent:
a. de vakken en de sectorprogramma’s, het minimum aantal wekelijkse lessen dat in elk van de vakken gedurende de periode van de basisvorming respectievelijk in elk van de vakken en sectorprogramma’s gedurende de periode van de leerwegen moet worden gevolgd, en
b. het maximum aantal wekelijkse lessen dat gedurende de periode van de basisvorming in alle vakken respectievelijk de periode van de leerwegen in alle vakken en sectorprogramma’s tezamen mag worden gevolgd.
4.
[vervallen]
5.
De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, houdt voor de scholen voor hoger beroepsonderwijs ten minste regels in omtrent:
de cursusduur, de varianten, de afdelingen en de stage;
de duur van de lessen;
splitsing en samenvoeging van klassen en vorming van groepen, mede in verband met het totale aantal leerlingen;
het aantal algemeen vormende en beroepsgerichte vakken;
het minimum aantal wekelijkse lessen, dat per variant, gedurende de cursus in de algemeen vormende en beroepsgerichte vakken moet worden gevolgd;
het maximum aantal wekelijkse lessen dat gedurende de cursus in alle vakken te zamen mag worden gevolgd.
6.
Ten aanzien van de scholen, bedoeld in artikel 15, derde lid, wordt geen onderscheid gemaakt in varianten.
7.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld voor de vakopleiding in samenwerking met bedrijven.
1.
De rector of de directeur van de school ontwerpt jaarlijks met inachtneming van de bij of krachtens deze wet gestelde regels, na bespreking met de gezamenlijke leraren, het schoolwerkplan en de lesrooster.
2.
Het bevoegd gezag stelt het schoolwerkplan en de lesrooster vast en zendt deze ter goedkeuring aan de inspectie.
3.
De schoolwerkplannen en de lesroosters van de cursussen voor voorbereidend secundair beroepsonderwijs of voor hoger beroepsonderwijs behoeven goedkeuring van de inspectie.
1.
Het schoolwerkplan bevat in ieder geval gegevens over de schoolorganisatie, doelstellingen, leerstof, didactische werkvormen, leermiddelen en tijdplanning.
2.
Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de inhoud van het schoolwerkplan, bedoeld in het eerste lid.
1.
Het bevoegd gezag van een school als bedoeld in de artikelen 7 tot en met 9, en 15, stelt jaarlijks vóór 31 december een verslag vast over het onderwijs aan de school gedurende het voorafgaande schooljaar.
2.
Het jaarverslag, bedoeld in het eerste lid, bevat met betrekking tot het desbetreffende schooljaar in ieder geval een beschrijving van de algemene gang van zaken, waaronder de wijze waarop uitvoering is gegeven aan het goedgekeurde schoolwerkplan.
3.
Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat een exemplaar van het jaarverslag in het gebouw van de school ter inzage wordt neergelegd op een voor ieder toegankelijke plaats. Het bevoegd gezag zendt het verslag binnen dertig dagen na de vaststelling aan de inspectie.
1.
Onze Minister stelt voorschriften vast met betrekking tot de begin- en einddatum van het schooljaar en met betrekking tot het totaal aantal vakantiedagen per jaar.
2.
Het lesrooster wordt vastgesteld in overeenstemming met het schoolwerkplan. Hij geeft de regeling van de schooltijden en vermeldt tevens de feestdagen en de schoolvakanties waarvan de begin- en einddata door het bestuurscollege, het bevoegd gezag gehoord, worden vastgesteld, alsmede de namen van de leraren.
3.
Afwijking van lesrooster kan plaats hebben met toestemming van de inspectie.
1.
Indien de inspectie van oordeel is, dat het schoolwerkplan of het lesrooster niet voldoet aan de bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften of anderszins gebreken vertoont en het bevoegd gezag wijziging weigert, vraagt hij het oordeel van Onze Minister, aan wiens uitspraak het bevoegd gezag zich onderwerpt.
2.
De schoolwerkplannen van de scholen waarvoor niet bij algemene maatregel van bestuur voorschriften omtrent de inrichting van het onderwijs zijn vastgesteld, behoeven de goedkeuring van Onze Minister.
Artikel 26
Onze Minister kan nadere voorschriften geven omtrent de modellen van schoolwerkplannen en lesroosters en omtrent de inzending daarvan.
Artikel 27
Het bevoegd gezag stelt, de inspectie gehoord, een reglement voor de school vast.
Onze Minister kan nadere voorschriften geven omtrent de inhoud van dit reglement.
Artikel 28
Ten behoeve van de bijzondere inrichting van het onderwijs aan een school en ten behoeve van een scholengemeenschap, als bedoeld in artikel 18, kan Onze Minister goedkeuren, dat wordt afgeweken van de bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften.
1.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voor elke soort van scholen of voor afdelingen van die scholen voorwaarden voor de toelating en voorschriften omtrent verwijdering en bevordering worden vastgesteld. De toelating mag niet afhankelijk gesteld worden van een geldelijke bijdrage van de ouders.
2.
Een leerling mag geen arbeidsgericht onderwijs meer volgen aan een afdeling voor arbeidsgericht onderwijs na afloop van het schooljaar waarin hij de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt. Op een daartoe strekkend verzoek van het bevoegd gezag, gedaan in het in de eerste volzin bedoelde schooljaar, kan de inspectie toestaan dat de leerling het daaropvolgende schooljaar arbeidsgericht onderwijs kan blijven volgen, indien zij van mening is dat zonder het volgen van dit schooljaar de leerling niet voldoende is voorbereid op eenvoudige functies binnen de arbeidsmarkt.
1.
Het gezondheidstoezicht op de scholen wordt uitgeoefend door het bestuurscollege en strekt zich uit over alle gebouwen waarin en terreinen waarop voortgezet onderwijs wordt gegeven en over het personeel van de scholen en de leerlingen.
2.
Geen voortgezet onderwijs wordt gegeven in gebouwen of op terreinen waarvan het bestuurscollege heeft beslist, dat zij niet voldoen aan de voorschriften, bedoeld in het zesde lid, of schadelijk zijn voor de gezondheid dan wel gevaar opleveren voor de veiligheid.
3.
Een beslissing, als bedoeld in het vorige lid, wordt schriftelijk en met redenen omkleed gegeven. Afschriften ervan worden gezonden aan de inspectie, aan de rector of de directeur van de school en, indien het een bijzondere school betreft, aan het schoolbestuur.
4.
Het bestuurscollege maakt zijn beslissing onmiddellijk openbaar op de wijze waarop van eilandswege officiële berichten worden bekendgemaakt.
5.
Nadat het bestuurscollege schriftelijk heeft verklaard, dat het gebouw of het terrein voldoende is verbeterd, mag het onderwijs worden hervat. Dit wordt openbaar gemaakt overeenkomstig het derde en het vierde lid.
6.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, zowel in het belang van de gezondheid en de veiligheid van de leerlingen als van het onderwijs, voorschriften worden gegeven omtrent de bouw en de inrichting van gebouwen waarin voortgezet onderwijs wordt gegeven, omtrent de inrichting van de bij de school behorende terreinen, alsmede omtrent het aantal leerlingen dat in de lokalen mag worden toegelaten.
1.
Hij die in strijd met artikel 30 onderwijs geeft of doet geven in een afgekeurd lokaal of die als rector of directeur van een school in een lokaal meer leerlingen toelaat dan het mag bevatten volgens de voorschriften, bedoeld in het zesde lid van dat artikel, wordt gestraft met een geldboete van ten hoogste USD 56.
2.
Indien het feit, strafbaar gesteld in het eerste lid, wordt gepleegd voordat twee jaren zijn verlopen sedert een veroordeling ter zake van eenzelfde feit onherroepelijk is geworden, wordt een geldboete van ten hoogste USD 112 of hechtenis van ten hoogste veertien dagen opgelegd. Bij tweede of volgende herhaling, gepleegd telkens binnen twee jaren, nadat de laatste veroordeling onherroepelijk is geworden, wordt hechtenis opgelegd van ten hoogste een jaar.
3.
Het feit, strafbaar gesteld in dit artikel, is een overtreding.
1.
Aan de leerlingen van de scholen, bedoeld in de artikelen 7 tot en met 9, wordt gelegenheid gegeven aan deze scholen een eindexamen af te leggen.
2.
Aan de leerlingen van de overige scholen en aan de leerlingen van de afdelingen van scholen voor hoger beroepsonderwijs kan gelegenheid worden gegeven aan deze scholen en afdelingen een eindexamen af te leggen.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen scholen of afdelingen van scholen voor hoger beroepsonderwijs worden aangewezen, waarvan het bevoegd gezag de regeling van het eindexamen vaststelt onder goedkeuring van Onze Minister.
3.
Het eindexamen wordt afgenomen door de rector of de directeur en leraren van de school onder toezicht, behoudens in de bij algemene maatregel van bestuur te noemen gevallen, van een of meer door Onze Minister aan te wijzen gecommitteerden. Het eindexamen kan mede worden afgenomen door deskundigen, die door het bevoegd gezag onder goedkeuring van Onze Minister worden aangewezen.
4.
Zij die het eindexamen met gunstig gevolg hebben afgelegd, ontvangen een diploma. Onze Minister stelt modellen van de diploma’s vast.
5.
Bij algemene maatregel van bestuur worden, behalve indien het tweede lid, tweede volzin, toepassing heeft gevonden, voorschriften vastgesteld omtrent de in dit artikel bedoelde eindexamens die niet voor alle leerlingen van een school dezelfde vakken, deelvakken, sectorprogramma’s en andere programmaonderdelen behoeven te omvatten.
6.
Ten behoeve van de bijzondere inrichting van het onderwijs kan Onze Minister toestaan, dat wordt afgeweken van de bij of krachtens dit artikel gegeven voorschriften.
1.
De leerling die de school verlaat en aan wie geen akte, diploma, verklaring of getuigschrift als bedoeld in artikel 32, vierde lid, kan worden uitgereikt, ontvangt een verklaring waarin in ieder geval wordt vermeld het tijdstip waarop hij de school verlaat, en het leerjaar waartoe hij laatstelijk onvoorwaardelijk was bevorderd alsmede voor welke vormen van vervolgonderwijs hij geschikt wordt geacht. Deze verklaring wordt door het bevoegd gezag of namens het bevoegd gezag door de rector of de directeur ondertekend.
2.
Onze Minister stelt het model van de verklaring vast.
1.
Zij die onderwijs geven aan een school, dragen de titel van leraar.
2.
Aan het hoofd van een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs en aan het hoofd van een scholengemeenschap waaraan mede voorbereidend wetenschappelijk onderwijs wordt gegeven, staat een rector, aan het hoofd van de overige scholen en scholengemeenschappen een directeur.
Tot rector of directeur is slechts benoembaar hij die met inachtneming van artikel 35, eerste lid, kan worden benoemd tot leraar in een van de vakken die aan de school worden onderwezen. In bijzondere gevallen kan het bevoegd gezag met goedkeuring van Onze Minister afwijken van het bepaalde in de vorige volzin.
3.
Het bevoegd gezag benoemt één of meer van de leraren om de rector of de directeur bij te staan en bij afwezigheid te vervangen; deze dragen de titel van onderscheidenlijk conrector en adjunct-directeur.
4.
Het bestuurscollege van het openbaar lichaam stelt voorschriften vast omtrent het aantal door de rector of de directeur en door de conrector of de adjunct-directeur ten minste te geven lessen.
1.
Tot leraar aan een school kan slechts worden benoemd hij die in het bezit is van:
a. een bewijs van bekwaamheid voor het door hem aan die school te geven onderwijs;
b. een bewijs van voldoende pedagogische en didactische voorbereiding, voor zover vereist bij of krachtens artikel 36;
c. een bewijs van goed zedelijk gedrag, afgegeven door de bevoegde overheden van de plaatsen waar hij de laatste twee jaren heeft gewoond;
d. een geneeskundige verklaring dat hij geen ziels- of lichaamsgebreken heeft die hem voor de vervulling van de betrekking ongeschikt maken;
en die de bevoegdheid tot het geven van onderwijs niet krachtens artikel 40 heeft verloren.
2.
In bijzondere gevallen kan Onze Minister aan personen die in een bepaald vak of onderdeel van een vak door buitengewone bekwaamheid uitmunten, ten aanzien van dit vak of dit onderdeel ontheffing verlenen van de in het eerste lid onder a en b gestelde eisen.
3.
Bij tijdelijke afwezigheid van een leraar kan ten aanzien van degene die hem vervangt telkens voor ten hoogste twee jaar worden afgeweken van de eisen van benoembaarheid, gesteld in het eerste lid onder a en b.
Indien in een vacature niet terstond kan worden voorzien door de benoeming van een leraar die aan de genoemde eisen voldoet, is het bepaalde in de vorige volzin van overeenkomstige toepassing.
4.
In het eerste leerjaar van een dagschool voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger algemeen voortgezet onderwijs of voor voorbereidend secundair beroepsonderwijs kan een leraar die daartoe naar het oordeel van het bevoegd gezag bekwaam is, ook onderwijs geven in andere vakken dan die waarvoor het in zijn bezit zijnde bewijs van bekwaamheid bedoeld in het eerste lid onder a, geldt.
In bijzondere gevallen kan het bepaalde in de vorige volzin eveneens toepassing vinden ten aanzien van een leraar in het tweede leerjaar van een daarbedoelde school.
5.
In de gevallen, bedoeld in het derde en het vierde lid, is de goedkeuring van de inspectie vereist.
6.
Het eerste lid, onderdeel a en b, is niet van toepassing op een leraar, in zoverre deze belast is met het geven van het vak godsdienstonderwijs of het vak levensbeschouwelijke vorming.
7.
De in het eerste lid onder d bedoelde verklaring mag niet ouder zijn dan twee jaren. Het onderzoek dat ervoor nodig is, wordt ingesteld vanwege het bestuurscollege.
1.
De bewijzen van bekwaamheid en de bewijzen van voldoende pedagogische en didactische voorbereiding, bedoeld in artikel 35, eerste lid onder a en b, zijn opgenomen in de bij deze wet opgenomen bijlage.
2.
Bij algemene maatregel van bestuur kan de in het eerste lid bedoelde bijlage worden aangevuld of gewijzigd.
3.
Volgens regelen te stellen bij algemene maatregel van bestuur, kan Onze Minister verklaren, dat een leraar wordt geacht in het bezit te zijn van een bewijs van bekwaamheid tot het geven van voortgezet onderwijs in vakken waarvoor geen bewijzen van bekwaamheid zijn aangewezen, en van een bewijs, als bedoeld in artikel 35, eerste lid onder b.
4.
Volgens regels te stellen bij algemene maatregel van bestuur kan Onze Minister verklaren dat de bezitter van een buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba behaald bewijs van bekwaamheid, dat niet opgenomen is in de bijlage, bedoeld in het eerste lid, de bevoegdheid heeft voortgezet onderwijs te geven in de vakken en aan de scholen, door hem aangegeven.
1.
Aan de scholen worden na overleg met de inspectie toegelaten studenten aan een school voor de opleiding van onderwijzend personeel die voor het halen van bewijzen van bekwaamheid een praktische vorming behoeven.
2.
Zij die ingevolge het eerste lid worden toegelaten, zijn in het bezit van een bewijs van goed zedelijk gedrag en een geneeskundige verklaring, als bedoeld in artikel 35. Zij zijn werkzaam onder de leiding van een bevoegde leraar.
1.
De salarissen en de toelagen, door het bevoegd gezag toe te kennen aan de rector of de directeur, de leraren en het door het bestuurscollege aan te wijzen overige personeel, worden door dat college vastgesteld in overleg met Onze Minister.
2.
Iedere wijziging van de regeling, bedoeld in het eerste lid, geschiedt in overleg met Onze Minister.
3.
Indien het bestuurscollege bij dit overleg een door Onze Minister gedaan voorstel niet kan overnemen, brengt het dit schriftelijk onder opgave van de redenen te zijner kennis.
Van deze kennisgeving wordt melding gemaakt in het verslag van de staat van het onderwijs dat Onze Minister jaarlijks aan de Staten-Generaal doet geven.
4.
Wanneer door een regeling, als bedoeld in het eerste lid het peil van het onderwijs naar het oordeel van Onze Minister in ernstig gevaar wordt gebracht, kan deze de regeling bij algemene maatregel van bestuur wijzigen.
Artikel 39
Het bevoegd gezag benoemt, schorst en ontslaat de rector of de directeur, de leraren en het overige personeel.
1.
De bevoegdheid tot het geven van onderwijs vervalt van rechtswege bij onherroepelijke veroordeling wegens het misdrijf, bedoeld in artikel 257 van het Wetboek van Strafrecht BES.
2.
Onze Minister kan een leraar die onherroepelijk is veroordeeld wegens een ander misdrijf dan bedoeld in het eerste lid of die bij het geven van onderwijs opvattingen steunt of verkondigt die strijden met de goede zeden of een aansporing inhouden tot ongehoorzaamheid aan de wettelijke regelingen van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, de bevoegdheid tot het geven van onderwijs ontnemen. Gelijke bevoegdheid komt Onze Minister toe ten aanzien van een leraar die zich aan ergerlijk levensgedrag schuldig maakt.
3.
[vervallen]
4.
De leraar die op grond van dit artikel de bevoegdheid tot het geven van onderwijs verliest, is van rechtswege ontslagen met ingang van de dag waarop de beslissing onherroepelijk is geworden.
5.
In bijzondere gevallen kan Onze Minister, de Raad van Advies gehoord, aan hem die ingevolge het eerste of het tweede lid de bevoegdheid tot het geven van onderwijs heeft verloren, deze bevoegdheid, al dan niet onder voorwaarden teruggeven.
1.
Een eilandsraad kan bij eilandsverordening een openbaar orgaan instellen dat tot doel heeft een of meer openbare scholen in het openbaar lichaam in stand te houden, al dan niet samen met openbare scholen voor funderend onderwijs als bedoeld in de Wet primair onderwijs BES of openbare instellingen in de zin van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES .
2.
De eilandsraad maakt het voornemen tot het vaststellen van de eilandsverordening, bedoeld in het eerste lid, bekend.
3.
Het openbaar orgaan oefent met uitzondering van de besluitvorming over de opheffing van een openbare school alle taken en bevoegdheden uit van het bevoegd gezag. Het bezit rechtspersoonlijkheid.
4.
De eilandsverordening, bedoeld in het eerste lid, voorziet in ieder geval in een regeling omtrent:
a. de samenstelling, werkwijze en inrichting van het bestuur van het openbaar orgaan, met dien verstande dat in de regeling een overheersende invloed van de overheid in het bestuur is verzekerd;
b. de wijze van benoeming, herbenoeming, schorsing en ontslag van de bestuursleden, met dien verstande dat de leden van het bestuur worden benoemd door de eilandsraad en dat ten minste een derde deel, doch geen meerderheid, van die leden wordt benoemd op bindende voordracht van de ouders van de leerlingen die zijn ingeschreven op de betrokken school of scholen;
c. de termijn waarvoor de bestuursleden worden benoemd;
d. de vaststelling van de begroting en de jaarrekening na goedkeuring door de betreffende eilandsraad;
e. de wijze waarop de eilandsraad toezicht op het bestuur uitoefent;
f. de gronden waarop het bestuur kan besluiten de vergadering besloten te houden, en
g. de periode waarvoor het openbaar orgaan in het leven wordt geroepen, met dien verstande dat deze periode ten minste 5 jaren bedraagt.
5.
Het bestuur brengt jaarlijks verslag uit aan de eilandsraad over de werkzaamheden, waarbij in ieder geval aandacht wordt geschonken aan de wezenskenmerken van het openbaar onderwijs. Het verslag wordt openbaar gemaakt.
6.
De vergaderingen van het bestuur van het openbaar orgaan zijn openbaar, tenzij het bestuur anders beslist, op gronden vermeld in de eilandsverordening.
7.
Indien voor 1 februari van het jaar waarvoor de begroting geldt de begroting niet is goedgekeurd, neemt de eilandsraad de maatregelen die hij nodig acht om de continuïteit van het onderwijsproces te waarborgen.
8.
De eilandsraad is in geval van ernstige taakverwaarlozing door het bestuur of functioneren in strijd met de wet- en regelgeving bevoegd zelf te voorzien in het bestuur van de scholen en zo nodig het openbaar orgaan te ontbinden.
Artikel 41
De openbare scholen zijn, met inachtneming van de krachtens artikel 29 vastgestelde voorschriften, voor alle leerlingen zonder onderscheid toegankelijk.
1.
Het onderwijs aan openbare scholen wordt gegeven met eerbiediging van ieders geloofs- of levensovertuiging.
2.
Onze Minister kan hem die zich in dit opzicht aan plichtsverzuim schuldig maakt, voor ten hoogste een jaar en bij herhaling voor onbepaalde tijd in zijn bevoegdheid tot het geven van onderwijs aan een openbare school schorsen.
1.
De benoeming en de overplaatsing van rectoren en directeuren geschieden door het bestuurscollege.
2.
De benoeming van leraren geschiedt door het bestuurscollege na ingewonnen bericht van de rector of de directeur van de school waaraan de benoeming zal geschieden.
3.
De overplaatsing van leraren en de benoeming van de conrectoren of adjunct-directeuren geschieden door het bestuurscollege na ingewonnen bericht van de rectoren of directeuren van de desbetreffende scholen.
1.
Aan elke openbare school voor voortgezet onderwijs is, behoudens door Onze Minister te verlenen ontheffing, een oudercommissie verbonden.
2.
De inrichting, de wijze van verkiezing van de leden en de bevoegdheden van de oudercommissie worden geregeld bij algemene maatregel van bestuur.
Artikel 45
Bij de vaststelling van het lesrooster wordt door het vrijgeven van uitdrukkelijk in dat rooster vermelde uren gezorgd, dat de leerlingen waarvan de ouders, voogden of verzorgers daartoe de wens te kennen geven in de schoollokalen of elders godsdienstonderwijs kunnen ontvangen.
De voor het godsdienstonderwijs bestemde uren vallen binnen de schooltijd en worden voor elke school door de rector of de directeur van de school vastgesteld in overeenstemming met hen die door de besturen der kerkgenootschappen voor die school met het geven van godsdienstonderwijs worden belast.
1.
Indien binnen redelijke afstand van de woning van de leerling niet de gelegenheid bestaat tot het volgen van onderwijs aan een openbare school, mag aan deze leerling de toegang tot een gelijksoortige uit de openbare kas bekostigde bijzondere school niet worden geweigerd op grond van levensbeschouwing, tenzij de school uitsluitend bestemd is voor interne leerlingen.
2.
Indien tot een bijzondere school andere leerlingen worden toegelaten dan voor wie de school in verband met de levensbeschouwing wordt in stand gehouden, kunnen deze leerlingen niet worden verplicht tot het volgen van de lessen in de vakken die in verband met die levensbeschouwing aan het schoolwerkplan zijn toegevoegd.
1.
De bijzondere school staat onder het bestuur van een stichting of van een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid of instelling die zich het geven van onderwijs ten doel stelt zonder daarbij het maken van winst te beogen.
2.
Het aan de school verbonden personeel maakt geen deel uit van het schoolbestuur.
3.
Het schoolbestuur draagt zorg voor een deskundig beheer.
1.
Het schoolbestuur stelt, behoudens door Onze Minister te verlenen ontheffing, de ouders, voogden en verzorgers van de leerlingen in de gelegenheid een oudercommissie te vormen.
2.
De inrichting, de wijze van verkiezing van de leden en de bevoegdheid van de oudercommissie worden door het schoolbestuur zoveel mogelijk in overeenstemming met de bepalingen van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 44, tweede lid, geregeld.
1.
De rector, de directeur, de leraren en het overige personeel, bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de bijzondere school zijn in het bezit van een door het schoolbestuur en door henzelf ondertekende akte van benoeming. Het schoolbestuur zendt een afschrift van deze akte aan de inspectie.
2.
De akte van benoeming bevat ten minste de bepaling of de benoeming in vaste of in tijdelijke dienst geschiedt, alsmede de bepaling dat de voorschriften betreffende de materiële rechtspositie van het personeel, werkzaam bij het openbaar onderwijs, van overeenkomstige toepassing zijn.
Artikel 50
[vervallen]
Artikel 51
[vervallen]
1.
Voortgezet onderwijs mag slechts worden gegeven door hem die in het bezit is van een bij of krachtens wet aangewezen bewijs van bekwaamheid of enig ander bewijs waaruit blijkt, dat hij voldoende geschikt is voor het door hem te geven onderwijs.
2.
Met betrekking tot het niet uit de openbare kas bekostigd voortgezet onderwijs zijn de artikelen 30, 31, 35, eerste lid onder c en d, en 40 mede van toepassing.
1.
Onze Minister kan de school die ten aanzien van de duur van de cursus, het schoolwerkplan en de bevoegdheden van de leraren overeenkomt met een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger algemeen voortgezet onderwijs, voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, voor voorbereidend secundair beroepsonderwijs., of voor hoger beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 32, eerste en tweede lid, aanwijzen als bevoegd om aan de leerlingen op grond van het met gunstig gevolg afleggen van een eindexamen aan de school het diploma uit te reiken, bedoeld in het vierde lid van dat artikel.
2.
Artikel 32, derde en vijfde lid, is op dit eindexamen van toepassing.
Artikel 54
De aanwijzing geschiedt op een daartoe tot Onze Minister gericht verzoek van het schoolbestuur. Bij het verzoek worden overgelegd:
a. het schoolwerkplan van de school;
b. een opgave van de bewijzen van bekwaamheid en van voldoende pedagogische en didactische voorbereiding van de leraren;
c. de statuten en het reglement van de stichting, vereniging of instelling die de school in stand houdt.
1.
Het schoolwerkplan van een ingevolge artikel 53 aangewezen school voldoet ten minste aan de voorschriften van artikel gegeven bij of krachtens artikelen 10, 10a tot en met 10e, 11, 11a, 21 en 23.
2.
Bij wijziging van het schoolwerkplan doet het schoolbestuur daarvan onmiddellijk mededeling aan de inspectie.
3.
Onze Minister kan ten behoeve van de bijzondere inrichting van het onderwijs aan de school goedkeuren, dat wordt afgeweken van het eerste lid.
4.
De naam van de school duidt aan, met welke van de uit de openbare kas bekostigde scholen zij overeenkomt.
5.
De voorwaarden voor de toelating tot de school zijn ten minste gelijk aan die, vastgesteld krachtens artikel 29.
6.
De artikelen 35 en 40 zijn van toepassing.
Artikel 56
Onze Minister kan bij met redenen omklede beschikking de aanwijzing intrekken, indien niet langer wordt voldaan aan de artikelen 53 en 55 of indien van misbruik van de verleende aanwijzing is gebleken.
1.
Jaarlijks wordt gelegenheid gegeven om door het met gunstig gevolg afleggen van een landsexamen voor een door Onze Minister in te stellen commissie een akte van bekwaamheid of een diploma te verkrijgen, overeenkomende met een akte van bekwaamheid of een diploma van een school, als bedoeld in artikel 32, eerste lid.
2.
Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald, welke andere diploma’s kunnen worden verkregen door het met gunstig gevolg afleggen van een landsexamen voor een door Onze Minister in te stellen commissie.
3.
De landsexamens zijn openbaar, behoudens het schriftelijke gedeelte.
4.
Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften gegeven voor de in dit artikel bedoelde examens, die niet voor alle kandidaten dezelfde vakken behoeven te omvatten.
Daarbij kan worden bepaald het bedrag dat voor de toelating tot deze examens verschuldigd is.
Artikel 58
Deze titel is mede van toepassing op de afdelingen, opleidingen en cursussen, verbonden aan scholen, en op afzonderlijke cursussen.
1.
De eilandsraad kan op aanvraag van het bevoegd gezag een school voor bekostiging in aanmerking brengen indien er sprake is van voldoende behoefte aan die school. Bij inwilliging van de aanvraag ontstaat de aanspraak op bekostiging met ingang van het schooljaar volgend op de inwilliging, dan wel een eerder door de eilandsraad vast te stellen moment.
2.
Bij eilandsverordening wordt vastgesteld de wijze waarop de in het eerste lid bedoelde behoefte wordt bepaald, en worden voorschriften gegeven met betrekking tot de indiening en behandeling van aanvragen om bekostiging op grond van het eerste lid. Bij het vaststellen van deze voorschriften geldt als uitgangspunt dat op de aanvraag wordt beslist binnen negen maanden na ontvangst van de aanvraag.
1.
De vergoeding heeft ten minste betrekking op:
a. personeelskosten zoals onder meer salarissen en nascholing, en
b. exploitatiekosten zoals onder meer onderhoud en vervanging van inventaris, onderhoud van gebouwen en terreinen, energie, water.
2.
De vergoeding is toereikend met het oog op een goede verzorging van het voortgezet onderwijs.
3.
Bij eilandsverordening worden voor zover van toepassing geregeld:
a. de gevallen waarin de niet in het eerste lid genoemde kostensoorten voor vergoeding in aanmerking komen;
b. de wijze waarop vergoedingen als bedoeld in het eerste lid worden berekend;
c. de voorwaarden waaronder een vergoeding als bedoeld in het derde lid kan worden toegekend;
d. de wijze waarop de vergoedingen beschikbaar worden gesteld aan de bevoegde gezagsorganen, daaronder in elk geval begrepen regels over de betalingswijze, de betalingstermijnen, voor zover van toepassing de bevoorschotting en het al dan niet mede voor andere, alsdan aan te wijzen doeleinden mogen aanwenden van de vergoedingen, en
e. de verantwoording van de rechtmatigheid van de aanwending van de vergoedingen.
4.
Vooruitlopend op een wijziging van het eerste lid, kunnen bij algemene maatregel van bestuur kostensoorten worden aangewezen waarop de vergoeding eveneens betrekking heeft.
1.
De eilandsraad kan besluiten dat een school niet meer voor bekostiging in aanmerking komt, indien niet langer sprake is van voldoende behoefte aan die school. De wijze waarop wordt vastgesteld dat niet langer sprake is van voldoende behoefte, wordt geregeld bij eilandsverordening.
2.
In geval van een beslissing als bedoeld in het eerste lid, vervalt de aanspraak op bekostiging voor een school op een nader door de eilandsraad te bepalen tijdstip, welk tijdstip in elk geval samenvalt met het einde van een schooljaar.
Artikel 62
Het bevoegd gezag van een bijzondere school geeft het bestuurscollege alle inlichtingen die het voor de toepassing van deze titel verlangt.

Titel IV. Toezicht

(vervallen]
Artikel 63 t/m 101
[vervallen]
Artikel 102
Deze wet wordt aangehaald als: Wet voortgezet onderwijs BES.
Artikel 103
Deze wet is niet van toepassing op:
a. opleidingen ter vergroting der vakbekwaamheid die uitsluitend worden gegeven binnen overheids- of semi-overheidsdiensten en -bedrijven ten behoeve van het eigen personeel;
b. andere bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen leergangen of cursussen voor beroepsonderwijs
Artikel 104
Bij twijfel of deze wet op een of meer inrichtingen van onderwijs van toepassing is, beslist Onze Minister, de Raad van Advies gehoord.
Artikel 105
[vervallen]
Artikel 106
[vervallen]
Artikel 107
Als bevoegd tot het geven van voortgezet onderwijs wordt tevens aangemerkt hij die tot aan de inwerkingtreding van de Landsverordening onderwijs heeft gegeven in een vak waarvoor hij niet beschikt over een daartoe in de bijlage van de Landsverordening genoemd bewijs van bekwaamheid, indien hij ingevolge de tot bedoelde inwerkingtreding geldende voorschriften als daartoe bevoegd is aangemerkt.
Artikel 108 t/m 112
[vervallen]