Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Wet studiefinanciering 2000
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Ook bekend als:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Werkingssfeer
+ Hoofdstuk 3. Studiefinanciering
+ Hoofdstuk 4. Beroepsonderwijs
+ Hoofdstuk 5. Hoger onderwijs
- Hoofdstuk 6. Opbouw en terugbetaling studieschuld
+ Hoofdstuk 7. Herziening
+ Hoofdstuk 8. Uitbetaling, verrekening en invordering
+ Hoofdstuk 9. Toezicht en sancties
+ Hoofdstuk 10
+ Hoofdstuk 10a. Opbouw en terugbetaling studieschuld; «oude» debiteuren
+ Hoofdstuk 11. Overige bepalingen
+ Hoofdstuk 12. Overgangsbepalingen
+ Hoofdstuk 13. Horizonbepalingen
+ Hoofdstuk 14. Slotbepalingen
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht

Wet studiefinanciering 2000

1.
In dit hoofdstuk wordt onder lening mede verstaan de prestatiebeurs.
2.
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
lening beroepsonderwijs: lening die uitsluitend is aangegaan voor het volgen van beroepsonderwijs;
lening hoger onderwijs: lening die is aangegaan voor het volgen van hoger onderwijs.
3.
Vanaf de dag waarop een studerende met een lening beroepsonderwijs tevens een lening hoger onderwijs aangaat, wordt de lening beroepsonderwijs aangemerkt als een lening hoger onderwijs.
4.
[Dit lid is nog niet in werking getreden.]
5.
Indien de debiteur tevens een schuld uit een lening heeft als bedoeld in hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, wordt die schuld voor de toepassing van dit hoofdstuk aangemerkt als een schuld in de zin van dit hoofdstuk.
1.
Ontvangst van een lening of omzetting in een lening, of omzetting als bedoeld in artikel 6.17, verplicht degene die studiefinanciering heeft ontvangen tot terugbetaling van de lening vermeerderd met de volgens dit hoofdstuk berekende rente.
2.
De vanaf de zesde maand waarvoor na het studiejaar 2000–2001 aanspraak op studiefinanciering bestaat ingevolge hoofdstukken 4 en 5 toegekende en niet in gift om te zetten aanvullende beurs kan op aanvraag van de debiteur worden kwijtgescholden.
3.
Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald:
a. tot welk toetsingsinkomen van de debiteur en zijn partner geheel of gedeeltelijk kwijtschelding als bedoeld in het tweede lid, mogelijk is,
b. of daarbij onderscheid gemaakt wordt voor een debiteur met partner en een debiteur zonder partner die al dan niet studerende is in de zin van deze wet, en
c. tot welk tijdstip een aanvraag kan worden ingediend.
4.
De over het kwijt te schelden bedrag opgebouwde rente gaat op het tijdstip van kwijtschelding als bedoeld in het tweede lid, teniet.
5.
Bij kwijtschelding als bedoeld in het tweede lid, zijn de artikelen 6.10, eerste en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing, en is artikel 6.12 niet van toepassing.
6.
Een krachtens het derde lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. Hij treedt in werking op een tijdstip dat nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens een der kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het onderwerp bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. Indien het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van de beide kamers van de Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken.
1.
Aan de debiteur wordt gelijktijdig met de omzetting, bedoeld in artikel 5.7, een deel van de lening hoger onderwijs kwijtgescholden indien:
a. aan de debiteur op grond van artikel 5.2b voor een opleiding een extra jaar prestatiebeurs hoger onderwijs is toegekend; en
b. de desbetreffende bacheloropleiding of masteropleiding met goed gevolg is afgerond binnen de diplomatermijn hoger onderwijs.
2.
Voor de waarde van de kwijtschelding is bepalend het jaar waarin voor het eerst is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid. De kwijtschelding bedraagt naar de maatstaf van 1 januari 2014 € 1.200 [per 1 januari 2016 naar de maatstaf van 1 januari 2016: € 1.242,18] .
.
3.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld voor een goede uitvoering van dit artikel.
1.
Ten aanzien van de lening beroepsonderwijs stelt Onze Minister jaarlijks uiterlijk in december een rentepercentage vast dat gelijk is aan het gemiddeld effectief rendement over de maand september van dat jaar van de openbare lening, uitgegeven door de Staat der Nederlanden en toegelaten tot de notering aan de officiële markt ter beurze van Amsterdam, met een gemiddelde resterende looptijd van 3 tot 5 jaren. Het rentepercentage wordt vastgesteld op nul indien deze overeenkomstig de eerste volzin minder dan nul procent bedraagt.
2.
Ten aanzien van de lening hoger onderwijs stelt Onze Minister jaarlijks uiterlijk in december een rentepercentage vast dat gelijk is aan het gemiddeld effectief rendement over de periode van 12 maanden, gerekend van oktober van het voorafgaande jaar tot en met september van het lopende jaar, van de openbare lening, uitgegeven door de Staat der Nederlanden en toegelaten tot de notering aan de officiële markt ter beurze van Amsterdam, met een gemiddelde resterende looptijd van 5 jaren. Het rentepercentage wordt vastgesteld op nul indien deze overeenkomstig de eerste volzin minder dan nul procent bedraagt.
1.
Over de aangegane leningen is, voor zover het niet betreft achterstallige schuld als bedoeld in artikel 6.8, rente verschuldigd overeenkomstig het tweede en derde lid. De renteberekening gaat in op de eerste dag van de maand die volgt op de dag waarop het bedrag aan lening bij de verstrekker van die lening is afgeschreven.
2.
De rente over de door de studerende in een studiefinancieringstijdvak opgenomen lening wordt berekend per dag op basis van samengestelde interest. Indien de terugbetaling niet binnen 2 weken na de vervaldatum is ontvangen, wordt de op voet van deze bepaling berekende rente bijgeschreven bij de hoofdsom.
3.
In de periode die aan de terugbetalingsperiode voorafgaat, wordt bij de berekening van de rente, bedoeld in het eerste en tweede lid, voor elk kalenderjaar het rentepercentage gehanteerd dat op grond van artikel 6.3 uiterlijk in december van het aan dat jaar voorafgaande jaar is vastgesteld. In de terugbetalingsperiode wordt bij de berekening van de rente, bedoeld in het eerste en tweede lid, voor elke periode van 5 kalenderjaren na aanvang van de terugbetalingsperiode, het rentepercentage gehanteerd dat op grond van artikel 6.3 uiterlijk in december van het aan die periode voorafgaande jaar is vastgesteld.
4.
Voor de berekening van de rente op de voet van het tweede lid wordt een maand gesteld op 30 dagen en een jaar gesteld op 360 dagen.
5.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het tweede tot en met het vierde lid.
1.
De terugbetalingsperiode vangt aan op 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin iemand is opgehouden studiefinanciering te genieten.
2.
De terugbetalingsperiode bestaat uit een aanloopfase en een aflosfase.
3.
Gedurende de voor de debiteur geldende diplomatermijn wordt de terugbetalingsperiode geschorst:
a. van rechtswege indien de debiteur opnieuw studiefinanciering als bedoeld in artikel 3.1, eerste of tweede lid, geniet; of
b. op aanvraag zolang de debiteur opnieuw studerende is en levenlanglerenkrediet geniet of geen studiefinanciering geniet.
4.
Voor debiteuren voor wie nooit een diplomatermijn heeft gegolden op grond van artikel 4.9 onderscheidenlijk artikel 5.5 geldt, in afwijking van het derde lid, dat de terugbetaling wordt geschorst:
a. van rechtswege zolang de debiteur opnieuw studiefinanciering als bedoeld in artikel 3.1, eerste of tweede lid, geniet; of
b. op aanvraag zolang de debiteur opnieuw studerende is en levenlanglerenkrediet of geen studiefinanciering geniet.
5.
De schorsing, bedoeld in het derde of vierde lid, wordt beëindigd indien de debiteur niet binnen 8 weken na de verzending van een daartoe strekkend verzoek van Onze Minister of de debiteur nog studerende is, daarop heeft geantwoord. De beëindiging werkt terug tot de datum van verzending van het verzoek, of zoveel eerder als de debiteur ophield studerende te zijn. Een aanvraag om de terugbetaling wederom te schorsen wordt niet toegestaan voor een periode die gelegen is vóór de datum van indiening van de aanvraag. De schorsing wordt tevens beëindigd aan het einde van de diplomatermijn beroepsonderwijs dan wel de diplomatermijn hoger onderwijs.
Artikel 6.5a. Samenloop van terugbetaling
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de samenloop van de verplichting tot terugbetaling uit hoofde van deze wet en de Wet studiefinanciering BES met dien verstande dat de verplichting tot terugbetaling de laagst vastgestelde draagkracht van de debiteur niet mag overschrijden.
1.
De aanloopfase beslaat de eerste 2 kalenderjaren na aanvang van de terugbetalingsperiode.
2.
Gedurende de aanloopfase bestaat geen verplichting tot terugbetaling.
1.
De aflosfase volgt op de aanloopfase en beslaat behoudens toepassing van artikel 6.9, derde lid:
a. 15 kalenderjaren voor de terugbetaling van een lening beroepsonderwijs;
b. 35 kalenderjaren voor de terugbetaling van een lening hoger onderwijs.
Deze periode wordt verlengd met het aantal maanden dat gebruik is gemaakt van de aflosvrije periode op grond van het tweede lid.
2.
Op aanvraag van de debiteur wordt de terugbetaling voor ten hoogste 5 kalenderjaren opgeschort.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld met betrekking tot de opschorting, bedoeld in het tweede lid.
1.
Onder achterstallige schuld wordt verstaan het bedrag van de verplichte terugbetaling uit hoofde van dit hoofdstuk of uit hoofde van artikel 7.4 dat 2 weken na de vervaldatum nog niet is ontvangen.
2.
Over de achterstallige schuld is rente verschuldigd. Als rentepercentage wordt het percentage van de wettelijke rente gehanteerd. Deze rente wordt berekend per dag op basis van samengesteld interest, waarbij een maand wordt gesteld op 30 dagen en een jaar wordt gesteld op 360 dagen.
3.
Indien de debiteur achterstallig is bij de betaling wordt met deze achterstallige schuld bij de duur van de aflosfase, bedoeld in artikel 6.7, bij de vaststelling van de maandelijkse termijn, bedoeld in artikel 6.9 en 6.15, alsmede bij het tenietgaan van de schuld, bedoeld in artikel 6.16, eerste lid, geen rekening gehouden.
4.
Artikel 6.4 is niet van toepassing.
1.
Rente en aflossing van de lening vervallen gedurende de aflosfase in maandelijkse termijnen.
2.
De hoogte van de maandelijkse termijnen wordt op basis van het aantal maanden van de aflosfase onderscheidenlijk het nog resterende aantal maanden van de aflosfase tot gelijke bedragen vastgesteld bij de aanvang van:
a. het eerste jaar van de aflosfase,
b. het vierde jaar van de aflosfase, en
c. ieder vijfde jaar na het vierde jaar van de aflosfase.
3.
Onverminderd toepassing van artikel 6.10 bedraagt het totaal per jaar te betalen bedrag aan maandelijkse termijnen voor de terugbetaling van de lening beroepsonderwijs onderscheidenlijk lening hoger onderwijs ten minste € 545 onderscheidenlijk € 60. Bij ministeriële regeling kan dit bedrag gelet op de loonontwikkeling worden herzien.
4.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de vaststelling en betaling van de terugbetalingstermijnen. Hierbij kan tevens worden bepaald dat betaling geschiedt door middel van een daartoe verleende doorlopende machtiging om het verschuldigde bedrag maandelijks te doen afschrijven van een bankrekening.
1.
Maatstaf voor de vaststelling van de draagkracht van de debiteur uit inkomen is het totaal van zijn toetsingsinkomen en dat van zijn partner in het peiljaar. Het aldus bepaalde inkomen is het draagkrachtinkomen.
2.
Op het draagkrachtinkomen wordt in mindering gebracht de draagkrachtvrije voet. Deze voet is voor de terugbetaling van een lening beroepsonderwijs onderscheidenlijk een lening hoger onderwijs gelijk aan:
a. 120% onderscheidenlijk 143% van het belastbaar minimumloon voor een debiteur met partner;
b. 120% onderscheidenlijk 143% van het belastbaar minimumloon voor een debiteur die in het peiljaar een ouder zonder partner is als bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wet op het kindgebonden budget; of
c. 84% onderscheidenlijk 100% van het belastbaar minimumloon voor overige debiteuren zonder partner.
3.
De draagkracht van de debiteur uit inkomen is voor de terugbetaling van een lening beroepsonderwijs onderscheidenlijk een lening hoger onderwijs 12% onderscheidenlijk 4% van het inkomen boven de draagkrachtvrije voet.
4.
Indien het bedrag van de draagkracht lager is dan het bedrag van de vastgestelde termijn, berekend op grond van artikel 6.9, betaalt de debiteur, in afwijking van dat artikel, het bedrag van zijn draagkracht.
5.
Voor de toepassing van dit artikel, wordt indien het toetsingsinkomen in het peiljaar nog niet bekend is, door Onze Minister daarvoor in de plaats gesteld een bedrag dat het vast te stellen toetsingsinkomen benadert.
6.
Het vierde lid is niet van toepassing indien het voor Onze Minister niet mogelijk is op grond van het vijfde lid bij benadering een bedrag vast te stellen.
1.
Voor een debiteur die in het peiljaar niet binnenlands belastingplichtig is in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 en die niet op grond van artikel 2.5, eerste lid, van die wet als zodanig is aangemerkt, kan artikel 6.10 slechts toepassing vinden als de debiteur daartoe bij Onze Minister een aanvraag indient.
2.
Indien de debiteur zich voor het einde van een jaartermijn metterwoon in Nederland vestigt, wordt hij tot het einde van die jaartermijn behandeld als een debiteur die niet binnenlands belastingplichtig is in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 .
3.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde aanvraag.
1.
Op aanvraag van de debiteur wordt bij de toepassing van artikel 6.10 uitgegaan van het inkomen van een ander jaar dan het inkomen in het peiljaar, indien:
a. sprake is van een terugval in inkomen over het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, in welk geval wordt uitgegaan van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, of
b. sprake is van een terugval in inkomen over het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, in welk geval wordt uitgegaan van het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een terugval in inkomen verstaan: een vermindering van het toetsingsinkomen van de debiteur van ten minste 15% ten opzichte van het peiljaar.
3.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt zolang het belastbaar minimumloon in het peiljaar, het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, of het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld nog niet definitief bekend is, daarvoor in de plaats gesteld het bedrag dat naar het oordeel van Onze Minister het uiteindelijke belastbaar minimumloon benadert.
Artikel 6.13. Draagkracht ouder zonder partner
Indien het een debiteur betreft die na het peiljaar een ouder zonder partner als bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wet op het kindgebonden budget is, wordt op aanvraag van de debiteur de hoogte van zijn draagkracht dienovereenkomstig aangepast.
1.
Indien de partner van de debiteur ook een debiteur is op wie dit hoofdstuk van toepassing is, wordt:
a. artikel 6.10, eerste en derde lid, slechts eenmaal toegepast op het totaal van het toetsingsinkomen voor beide partners samen;
b. de draagkracht per debiteur vastgesteld op basis van de verhouding tussen de hoogte van het toetsingsinkomen van beide debiteuren afzonderlijk;
c. de draagkracht van de debiteur eerst aangewend voor de betaling van de eigen termijn op grond van artikel 6.9. Het bedrag aan resterende draagkracht van de debiteur wordt toegevoegd aan de draagkracht van de partner van wie de draagkracht zonder deze toevoeging lager is dan de voor hem op grond van artikel 6.9 vastgestelde termijn.
2.
Indien een van de partners een lening beroepsonderwijs en de andere partner een lening hoger onderwijs terugbetaalt, wordt onverminderd het eerste lid voor beide partners artikel 6.10, tweede en derde lid, afzonderlijk toegepast volgens de percentages die van toepassing zijn op de terugbetaling van de desbetreffende lening.
3.
Indien de debiteur een partner heeft op wie hoofdstuk 10a van toepassing is, wordt het op grond van artikel 6.10 berekende bedrag van de draagkracht van de debiteur verminderd met de op grond van artikel 10a.6 voor zijn partner vastgestelde terugbetalingstermijn, danwel de op grond van artikel 10a.7 berekende draagkracht van zijn partner. Indien de uitkomst negatief is wordt de draagkracht van de debiteur op nihil vastgesteld.
Artikel 6.15. Wijziging maandelijkse termijn
Indien een debiteur gedurende een kalenderjaar op grond van zijn draagkracht minder heeft betaald dan de termijn, bedoeld in artikel 6.9, tweede lid, wordt zijn termijn opnieuw vastgesteld per 1 januari van het jaar daaropvolgend. De gewijzigde termijn wordt vastgesteld op basis van het resterende aantal maanden van de aflosfase.
1.
De schuld die resteert bij het einde van de aflosfase, gaat op dat ogenblik teniet.
2.
De schuld die resteert bij het overlijden van de debiteur, gaat op dat ogenblik teniet.
1.
Op het ogenblik van beëindiging van het recht op studiefinanciering van een studerende wordt zijn schuld, ontstaan in het kader van de toepassing van deze wet, van rechtswege omgezet in een lening.
2.
Indien na beëindiging van het recht op studiefinanciering van een studerende door een beschikking op grond van artikel 7.1 een vordering ontstaat van Onze Minister, wordt die vordering omgezet in een lening op de eerste dag van de maand na de herziening. Bij de berekening van de rente voor die vordering wordt het rentepercentage gehanteerd dat geldt met ingang van 1 januari volgend op het kalenderjaar waarin de studerende is opgehouden studerende te zijn. Indien de omzetting plaatsvindt in het kalenderjaar waarin de studerende ophoudt studerende te zijn, wordt het rentepercentage gehanteerd dat geldt met ingang van 1 januari van dat kalenderjaar. Artikel 6.4, derde lid, laatste volzin, is bij de berekening van rente van overeenkomstige toepassing.
3.
In afwijking van het eerste en tweede lid wordt een schuld uit een lening en een schuld, ontstaan door de toepassing van artikel 3.27, tweede lid, niet omgezet.
4.
De in het eerste of tweede lid bedoelde lening wordt rentedragend met ingang van het tijdstip van de daar bedoelde omzetting.
1.
Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op de terugbetaling van de lening die is ontstaan door de toekenning van het levenlanglerenkrediet.
2.
Artikel 299a van de Faillissementswet is van overeenkomstige toepassing op de lening die is ontstaan door de toekenning van het levenlanglerenkrediet.
1.
Met uitzondering van de artikelen 6.2a, 6.5, tweede lid, 6.6, 6.7, eerste lid, tweede volzin, en tweede en derde lid, en 6.14 is paragraaf 6.1 van overeenkomstige toepassing op de terugbetaling van het levenlanglerenkrediet, waarbij deze lening wordt aangemerkt als een lening beroepsonderwijs.
2.
In afwijking van het eerste lid wordt bij de toepassing van artikel 6.3 de lening aangemerkt als een lening hoger onderwijs.
3.
In afwijking van het eerste lid wordt bij de toepassing van artikel 6.5, derde lid, de terugbetaling uitsluitend geschorst gedurende de periode waarin de debiteur het levenlanglerenkrediet ontvangt.
Artikel 6.20. Nadere terugbetalingsregels [Treedt in werking per 01-09-2017]
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de terugbetaling van de lening die is ontstaan door toekenning van het levenlanglerenkrediet waarbij tenminste regels worden gesteld over de samenloop met de terugbetaling van de lening die is ontstaan anders dan door toekenning van het levenlanglerenkrediet en over de samenloop met de terugbetaling door een partner van het levenlanglerenkrediet of een andere lening die is toegekend op grond van deze wet.