Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Wet publieke gezondheid BES
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk II. Taken publieke gezondheidszorg
+ Hoofdstuk III. Nota gezondheidsbeleid
+ Hoofdstuk IV. Gezondheidsdiensten
+ Hoofdstuk V. Bijzondere bepalingen infectieziektebestrijding
+ Hoofdstuk VI. Laboratoriumonderzoeken
+ Hoofdstuk VII. Financiële bepalingen
+ Hoofdstuk VIII. Handhaving
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Let op. Deze wet is vervallen op 28 juli 2012. U leest nu de tekst die gold op 27 juli 2012.

Wet publieke gezondheid BES

Wet publieke gezondheid BES
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. Internationale Gezondheidsregeling: de Internationale Gezondheidsregeling met Bijlagen (Trb. 2007, 34);
b. de minister: de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
c. BES-eilanden: de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
d. publieke gezondheidszorg: de gezondheidsbeschermende en gezondheidsbevorderende maatregelen voor de bevolking of specifieke groepen daaruit, waaronder begrepen het voorkómen en het vroegtijdig opsporen van ziekten;
e. jeugdgezondheidszorg: de zorg voor de volksgezondheid ten behoeve van personen tot negentien jaar;
f. ouderengezondheidszorg: de zorg voor de volksgezondheid ten behoeve van personen boven de zestig jaar;
g. groep A: pokken, polio, severe acute respiratory syndrome (SARS), virale hemorragische koorts;
h. groep B1: een humane infectie veroorzaakt door een dierlijk influenzavirus,difterie, pest, rabies, tuberculose;
i. groep B2: buiktyfus (typhoid fever), cholera, hepatitis A, B en C, kinkhoest, mazelen, paratyfus, rubella, shigellose, shiga toxine producerende escherichia (STEC)/enterohemorragische escherichia coli-infectie, invasieve groep A streptokokkeninfectie, voedselinfectie, voor zover vastgesteld bij twee of meer patiënten met een onderlinge relatie wijzend op voedsel als een bron;
j. groep C: anthrax, bof, botulisme, brucellose, gele koorts, hantavirusinfectie, heamophilus influenza infectie, pneumokokkenziekte, legionellose, leptospirose, listeriose, malaria, meningokokkenziekte, mrsa-infectie, psittacose, q-koorts, tetanus, trichinose, west-nile virusinfectie, ziekte van creutzfeldt-jakob;
k. epidemie van een infectieziekte: een in korte tijd sterke toename van het aantal nieuwe patiënten lijdend aan een infectieziekte behorend tot groep A, B1, B2 of C, die groter is dan op grond van het normale verloop mag worden verwacht;
l. quarantaine: verblijf van een persoon die mogelijk besmet is met een infectieziekte behorend tot groep A in een door de gezaghebber aangewezen gebouw, schip of in een aantal aangewezen ruimten daarbinnen, in verband met de bestrijding van de gevaren van die ziekte voor de volksgezondheid;
m. medisch toezicht: medisch toezicht op een in quarantaine geplaatste persoon om te bezien of deze met een infectieziekte behorend tot groep A is geïnfecteerd en dientengevolge ziekteverschijnselen ontwikkelt;
n. besmetting: de aanwezigheid van een vector, infectueus of giftig agens of infectueuze of giftige stof op of in een gebouw, goed of vervoermiddel, waardoor een volksgezondheidsrisico kan ontstaan;
o. infectie: het binnendringen en de ontwikkeling of vermenigvuldiging van een infectueus agens in het lichaam van mensen, waardoor een volksgezondheidsrisico kan ontstaan;
p. vector: een insect of ander dier dat normaliter een infectueus agens met zich meevoert waardoor een volksgezondheidsrisico kan ontstaan, dan wel een plant of substantie waarin een infectueus agens normaliter leeft waardoor een volksgezondheidsrisico kan ontstaan;
q. haven: haven, niet zijnde een haven exclusief in gebruik als jachthaven, inclusief de ankergebieden, ligplaatsen, kaden, steigers en, voor wat betreft zeehavens, aanvaarroutes vanuit zee, alsmede alle zich in de nabijheid daarvan bevindende bedrijven, opslagplaatsen en overige terreinen en gebouwen, die op grond van hun ligging, bestemming of gebruik moeten worden geacht daartoe te behoren;
r. luchthaven: een terrein geheel of gedeeltelijk bestemd voor het opstijgen en het landen van luchtvaartuigen met inbegrip van:
1°. de daarmee verband houdende bewegingen van luchtvaartuigen op de grond;
2°. de afwikkeling van het in de aanhef en onder 1° bedoelde luchtverkeer, of
3°. bedrijfsmatige activiteiten die samenhangen met de afwikkelingen van het in de aanhef en onder 1° bedoelde luchtverkeer;
s. gebouw: elk bouwwerk dat een overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt, met uitzondering van bouwwerken ten behoeve van het belijden van godsdienst of levensovertuiging;
t. vervoermiddel: luchtvaartuig, schip, of wegvoertuig;
u. goed: tastbaar product, met inbegrip van waren, planten en dieren en met uitzondering van vervoermiddelen en lijken, bedoeld in de Begrafeniswet BES ;
v. waar: waar alsmede eet- en drinkwaar, bedoeld in artikel 1, ondelen b en c, van de Warenwet BES;
w. vervoersexploitant: een natuurlijke of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor een schip of luchtvaartuig dat een internationale reis maakt waarbij gebruik wordt gemaakt van een haven of luchthaven, of diens vertegenwoordiger;
x. laboratorium: een laboratorium waar van het menselijk lichaam afgescheiden of afgenomen stoffen worden onderzocht ten behoeve van de diagnostiek van infectieziekten;
y. zorginstelling: zorginstelling als bedoeld in artikel 1, onder k, van de Wet zorginstellingen BES;
z. RIVM: het met de infectieziektebestrijding belaste onderdeel van het Rijksinstituut voor volksgezondheid en milieu van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet op het RIVM.
1.
Het bestuurscollege bevordert de totstandkoming en de continuïteit van en de samenhang binnen de zorg voor de volksgezondheid en de afstemming ervan met de curatieve gezondheidszorg en de geneeskundige hulpverlening bij rampen.
2.
Ter uitvoering van de in het eerste lid bedoelde taak draagt het bestuurscollege in ieder geval zorg voor:
a. het verwerven van, op epidemiologische analyse gebaseerd, inzicht in de gezondheidssituatie van de bevolking, waaronder begrepen de gezondheidstoestand van degenen die door een ramp worden getroffen,
b. het elke vier jaar, voorafgaand aan de opstelling van de nota gezondheidsbeleid, bedoeld in artikel 10, op landelijk gelijkvormige wijze verzamelen en analyseren van gegevens over deze gezondheidssituatie,
c. het bewaken van gezondheidsaspecten in bestuurlijke beslissingen,
d. het bijdragen aan opzet, uitvoering en afstemming van preventieprogramma’s, met inbegrip van programma’s voor de gezondheidsbevordering, en het opzetten en in stand houden van een structuur voor de samenwerking tussen instellingen die taken vervullen op het gebied van de gezondheidsbevordering,
e. het bevorderen van medisch milieukundige zorg, waaronder begrepen:
1°. het signaleren van ongewenste situaties,
2°. het adviseren van de bevolking over risico’s, inclusief gezondheidskundig advies over gevaarlijke stoffen, in het bijzonder bij rampen of dreiging van rampen,
3°. het verrichten van onderzoek,
f. het bevorderen van technische hygiënezorg, waaronder begrepen:
1°. het bijhouden van een lijst met instellingen waar, gezien de aard van de doelgroep en de omstandigheden waaronder de activiteiten worden verricht, een verhoogd risico bestaat op de verspreiding van pathogene micro-organismen,
2°. het adviseren van de onder 1° bedoelde instellingen over de mogelijkheden op het gebied van bouw, inrichting en organisatie van de activiteiten om de risico’s op verspreiding van pathogene micro-organismen te verkleinen,
3°. het signaleren van ongewenste situaties,
4°. het beantwoorden van vragen uit de bevolking en het geven van voorlichting,
g. het bevorderen van psychosociale hulp bij rampen.
Artikel 3
De minister bevordert de kwaliteit en doelmatigheid van de publieke gezondheidszorg en draagt in dat verband zorg voor het instellen en instandhouden van een ondersteuningsstructuur op het gebied van de publieke gezondheid die mede is gericht op de samenwerking tussen de BES-eilanden onderling, de samenwerking tussen de BES-eilanden, het Europese deel van Nederland en de landen Aruba, Curacao en Sint-Maarten, alsmede verdere internationale samenwerking, in het bijzonder met het oog op een goede uitvoering van de Internationale Gezondheidsregeling.
1.
Het bestuurscollege draagt zorg voor de uitvoering van de jeugdgezondheidszorg.
2.
Ter uitvoering van de in het eerste lid bedoelde taak draagt het bestuurscollege in ieder geval zorg voor:
a. het op systematische wijze volgen en signaleren van ontwikkelingen in de gezondheidstoestand van jeugdigen en van gezondheidsbevorderende en -bedreigende factoren,
b. het ramen van de behoeften aan zorg,
c. de vroegtijdige opsporing en preventie van specifieke stoornissen,
d. het geven van voorlichting, advies, instructie en begeleiding,
e. het formuleren van maatregelen ter beïnvloeding van gezondheidsbedreigingen.
1.
Het bestuurscollege draagt zorg voor de uitvoering van de ouderengezondheidszorg.
2.
Ter uitvoering van de in het eerste lid bedoelde taak draagt het bestuurscollege in ieder geval zorg voor:
a. het op systematische wijze volgen en signaleren van ontwikkelingen in de gezondheidstoestand van ouderen en van gezondheidsbevorderende en -bedreigende factoren,
b. het ramen van de behoeften aan zorg,
c. de vroegtijdige opsporing en preventie van specifieke stoornissen als comorbiteit,
d. het geven van voorlichting, advies, instructie en begeleiding,
e. het formuleren van maatregelen ter beïnvloeding van gezondheidsbedreigingen.
1.
Het bestuurscollege draagt zorg voor de uitvoering van de algemene infectieziektebestrijding, waaronder in ieder geval behoort:
a. het aanbieden van de vaccinaties uit het vaccinatieprogramma, bedoeld in bijlage 1 bij deze regeling;
b. het nemen van algemene preventieve maatregelen op dit gebied, waaronder begrepen:
1°. het doorlopend verzamelen, analyseren en toepassen van epidemiologische gegevens over infectieziekten,
2°. het op grond van de gegevens, bedoeld onder 1°, inventariseren van relevante trends en risico’s onder de bevolking of specifieke groepen, alsmede het anticiperen daarop,
c. de algemene voorbereiding op maatregelen ter bestrijding van een epidemie van een infectieziekte, waaronder in ieder geval begrepen de voorbereiding op een epidemie van een infectieziekte behorende tot groep A en een epidemie van een nieuw subtype humaan influenzavirus, waarbij ernstig gevaar voor de volksgezondheid bestaat,
d. het bestrijden van tuberculose en seksueel overdraagbare aandoeningen, inclusief bron- en contactopsporing,
e. bron- en contactopsporing bij meldingen als bedoeld in de artikelen 16, 17, 20 en 21,
f. het geven van voorlichting en begeleiding, alsmede het beantwoorden van vragen uit de bevolking,
g. het bevorderen van de samenwerking van personen en organisaties, die een rol spelen bij de bestrijding van infectieziekten.
2.
De gezaghebber geeft leiding aan de bestrijding van een epidemie van een infectieziekte, alsook de directe voorbereiding daarop en draagt zorg voor de toepassing van de maatregelen, bedoeld in hoofdstuk V.
1.
In afwijking van artikel 6, tweede lid, geeft de minister leiding aan de bestrijding van:
a. een epidemie van een infectieziekte behorend tot groep A, of een directe dreiging daarvan,
b. een epidemie van een infectieziekte behorend tot groep B1 of B2, indien de gezaghebber die het aangaat daartoe verzoekt.
2.
Ter uitvoering van de taak, bedoeld in het eerste lid, kan de minister de gezaghebber opdragen hoe de bestrijding ter hand te nemen, waaronder begrepen het opdragen tot het toepassen van de maatregelen, bedoeld in hoofdstuk V.
3.
De minister kan de gezaghebber opdragen om, ter uitvoering van de aanbevelingen, bedoeld in de artikelen 15 en 16 van de Internationale Gezondheidsregeling, toepassing te geven aan de maatregelen, bedoeld in de artikelen 42, 46, 48 en 49.
4.
Voordat toepassing wordt gegeven aan het eerste of derde lid, voert de minister een bestuurlijk afstemmingsoverleg waarbij in ieder geval de Minister van Verkeer en Waterstaat, de BES-eilanden en de landen Aruba, Curacao en Sint-Maarten worden betrokken.
5.
Zodra toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, informeert de minister de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
6.
Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste of derde lid, verstrekt de gezaghebber aan de minister, indien deze daarom verzoekt, de gegevens die de minister nodig heeft ter uitoefening van die taak.
Artikel 8
Ter uitvoering van artikel 6, eerste lid, past het bestuurscollege de maatregelen toe die door de minister worden opgedragen, indien het gaat om de voorbereiding op de bestrijding van:
a. infectieziekten behorende tot groep A, of
b. een nieuw subtype humaan influenzavirus, waarbij ernstig gevaar voor de volksgezondheid bestaat.
1.
Indien ten behoeve van de bestrijding van een infectieziekte behorend tot groep A prioriteiten moeten worden gesteld voor de verdeling van vaccins en therapeutische farmaproducten, in verband met de beperkte beschikbaarheid van deze middelen, bepaalt de minister in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties hoe deze verdeling plaatsvindt.
2.
De minister stelt de beide Kamers der Staten-Generaal onverwijld op de hoogte van dit besluit.
Artikel 10
De eilandsraad stelt binnen twee jaar na openbaarmaking van de nota, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Wet publieke gezondheid een nota gezondheidsbeleid vast, waarin de eilandsraad in ieder geval aangeeft hoe het bestuurscollege uitvoering geeft aan de in de artikelen 2, 4, 5 en 6 genoemde taken, alsmede aan de in artikel 12 genoemde verplichting.
1.
Ter uitvoering van de bij of krachtens deze wet opgedragen taken draagt het bestuurscollege zorg voor de instelling en instandhouding van een openbare gezondheidsdienst.
2.
Aan de gezondheidsdienst wordt in ieder geval de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 6, opgedragen.
3.
Het bestuurscollege draagt er zorg voor dat de dienst, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval beschikt over ten minste één geneeskundige die is belast met de infectieziektebestrijding.
Artikel 12
Voordat algemene besluiten worden genomen die belangrijke gevolgen kunnen hebben voor de zorg voor de volksgezondheid vraagt het bestuurscollege advies aan de eilandelijke Raad voor de Volksgezondheid.
Artikel 13
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder de geneeskundige: de in artikel 11, derde lid, bedoelde geneeskundige.
Artikel 14
Voordat de gezaghebber een maatregel als bedoeld in de artikelen 26, 30, 41, 42, 47, 48 en 49 neemt of intrekt, vraagt deze om advies aan de geneeskundige.
1.
Indien het belang van de volksgezondheid dat vordert, kan bij ministeriële regeling een infectieziekte, niet behorend tot groep A, B1, B2 of C, dan wel een ziektebeeld met een volgens de stand van de wetenschap onbekende oorzaak, waarbij een gegrond vermoeden bestaat van besmettelijkheid en ernstig gevaar voor de volksgezondheid, worden aangemerkt als behorend tot groep A, B1 of B2.
2.
Indien het belang van de volksgezondheid dat vordert, kan bij ministeriële regeling een infectieziekte behorend tot groep B1 worden aangemerkt als behorend tot groep A, een infectieziekte behorend tot groep B2 worden aangemerkt als behorend tot groep A of B1, of een infectieziekte behorend tot groep C worden aangemerkt als behorend tot groep A, B1 of B2.
3.
In de regeling, bedoeld in het eerste of tweede lid, wordt bepaald welke bepalingen van deze wet, die gelden voor de infectieziekten behorende tot de desbetreffende groep, in dat geval van toepassing zijn.
4.
Indien naar het oordeel van de minister een onverwijlde voorziening noodzakelijk is, kan de minister bepalen dat een op grond van het eerste of tweede lid vastgestelde regeling onmiddellijk na bekendmaking in werking treedt. In dat geval kan de minister deze regeling, in afwijking van artikel 4, eerste lid, onder a, van de Bekendmakingswet, op andere dan de daar genoemde wijze bekend maken.
1.
De arts die bij een door hem onderzocht persoon een ziektebeeld vaststelt met een volgens de stand van de wetenschap onbekende oorzaak, waarbij een gegrond vermoeden bestaat van besmettelijkheid en ernstig gevaar voor de volksgezondheid, meldt dit onverwijld aan de geneeskundige.
2.
De arts die vaststelt dat een lijk is besmet met een infectueus of giftig agens of een infectueuze of giftige stof waardoor een ernstig gevaar voor de volksgezondheid kan ontstaan, meldt dit onverwijld aan de geneeskundige.
3.
De arts die een voor zijn praktijk ongewoon aantal gevallen vaststelt van een infectieziekte, niet behorend tot groep A, B1, B2 of C, die een gevaar vormt voor de volksgezondheid, meldt dit binnen 24 uur aan de geneeskundige.
1.
De arts die bij een door hem onderzocht persoon een infectieziekte behorend tot groep A vermoedt of vaststelt, meldt dit onverwijld aan de geneeskundige.
2.
De arts die bij een door hem onderzocht persoon een infectieziekte behorend tot groep B1, B2 of C vaststelt, dan wel een vermoeden heeft dat deze persoon lijdt aan difterie, een humane infectie veroorzaakt door een dierlijk influenzavirus of rabies meldt dit op normale werktijden binnen 24 uur.
3.
De arts die gegronde redenen heeft om bij een persoon een infectieziekte behorend tot groep B1 of B2 te vermoeden, meldt dit binnen 24 uur aan de geneeskundige, indien die persoon weigert het onderzoek te ondergaan dat noodzakelijk is ter vaststelling van die ziekte en daardoor ernstig gevaar voor de volksgezondheid door de verspreiding van die infectieziekte kan ontstaan.
4.
In afwijking van het tweede lid geldt voor de hieronder vermelde infectieziekten het volgende:
a. de arts die bij een door hem onderzocht persoon difterie, een humane infectie veroorzaakt door een dierlijk influenzavirus of rabies vaststelt, dan wel een vermoeden heeft dat deze persoon lijdt aan difterie, een humane infectie veroorzaakt door een dierlijk influenzavirus of rabies, meldt dit binnen 24 uur aan de geneeskundige;
b. de arts die bij een door hem onderzocht persoon hepatitis B vaststelt, meldt de vaststelling van chronisch dragerschap alleen als de infectie voor de eerste keer wordt vastgesteld;
c. de arts die bij een door hem onderzocht persoon hepatitis C vaststelt, meldt alleen de vaststelling van een recente infectie;
d. de arts die bij een door hem onderzocht persoon mrsa-infectie vaststelt, meldt alleen de vaststelling van een cluster van een mrsa-infectie veroorzaakt door een bron buiten een zorginstelling;
e. de arts die bij een door hem onderzocht persoon pneumokokkenziekte vaststelt, meldt alleen de vaststelling bij kinderen in de leeftijd tot en met 5 jaar.
1.
De arts doet de in de artikelen 16 en 17 bedoelde meldingen aan de geneeskundige van het openbaar lichaam waarin deze zijn praktijk heeft.
2.
Indien de meldingen, bedoeld in de artikelen 16, eerste lid, en 17, betrekking hebben op een persoon die zijn verblijfplaats heeft in een ander openbaar lichaam, geeft de geneeskundige deze melding onverwijld door aan de geneeskundige van de verblijfplaats van de betrokkene.
1.
De melding, bedoeld in de artikelen 16, eerste lid, en 17, bevat de volgende gegevens:
a. de naam, het adres, het geslacht, de geboortedatum, het nummer van een geldig identiteitsdocument als bedoeld in artikel 2 van de Wet identificatieplicht BES en de verblijfplaats van de betrokken persoon,
b. de infectieziekte dan wel een beschrijving van het ziektebeeld, de eerste ziektedag, de vaccinatietoestand, het gebruik van chemoprofylaxe, de vermoedelijke infectiebron, de datum van vermoeden of vaststelling van infectie, de wijze van vaststelling van die infectieziekte, en
c. indien nodig, of de betrokken persoon dan wel een persoon in zijn directe omgeving beroeps- of bedrijfsmatig betrokken is bij de behandeling van eet- of drinkwaren of bij de behandeling, verpleging of verzorging van andere personen.
2.
De melding, bedoeld in artikel 16, tweede lid, bevat de volgende gegevens: de aard van het infectueus of giftig agens of de infectueuze of giftige stof en de plaats waar het lijk zich bevindt.
3.
De melding, bedoeld in artikel 16, derde lid, bevat de volgende gegevens: de infectieziekte, het geslacht, de geboortedatum en de nationaliteit van de betrokken personen.
4.
De arts verstrekt aan de geneeskundige uitsluitend andere medische gegevens over de betrokken persoon indien:
a. de gezaghebber hierom verzoekt krachtens artikel 25, of
b. de betrokken persoon daarvoor toestemming geeft.
5.
De gegevensverwerking bij de meldingen, bedoeld in de artikelen 16 en 17, wordt beveiligd opdat alleen degenen die bij of krachtens deze wet gerechtigd zijn tot inzage, hiervan kennis kunnen nemen.
1.
De arts die een onderzoek bij een laboratorium aanvraagt, stuurt de volgende gegevens mee: de naam, de geboortedatum en het nummer van een geldig identiteitsdocument als bedoeld in artikel 2 van de Wet identificatieplicht BES van de betrokken persoon.
2.
Onverminderd artikel 17 meldt het hoofd van het laboratorium de vaststelling van een verwekker van een infectieziekte behorend tot groep A, B1, B2 of C aan de geneeskundige van het openbaar lichaam waarin de arts die het onderzoek bij het laboratorium heeft aangevraagd zijn praktijk heeft.
3.
De melding bevat de volgende gegevens: de naam van de arts, de naam, de geboortedatum en het nummer van een geldig identiteitsdocument als bedoeld in artikel 2 van de Wet identificatieplicht BES van de betrokken persoon.
4.
Indien de melding betrekking heeft op een persoon die zijn verblijfplaats heeft in een ander openbaar lichaam, geeft de geneeskundige deze melding onverwijld door aan de geneeskundige van de verblijfplaats van de betrokkene.
5.
Het hoofd van het laboratorium zorgt op verzoek van de geneeskundige ervoor dat nader onderzoek wordt gedaan naar de ziekteverwekker en dat de geneeskundige van het resultaat op de hoogte wordt gesteld.
6.
Voor de meldingsplicht, bedoeld in het tweede lid, gelden de volgende termijnen:
a. de vaststelling van een verwekker van een infectieziekte behorend tot groep A wordt onverwijld gemeld aan de geneeskundige;
b. de vaststelling van een verwekker van een infectieziekte behorend tot groep B1 wordt zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen 24 uur, gemeld aan de geneeskundige;
c. de vaststelling van een verwekker van een infectieziekte behorend tot groep B2 of C wordt binnen normale werktijden zo spoedig mogelijk gemeld aan de geneeskundige.
7.
De gegevensverwerking bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, en de melding, wordt beveiligd opdat alleen degenen die bij of krachtens deze wet gerechtigd zijn tot inzage, hiervan kennis kunnen nemen.
Artikel 21
Het hoofd van een instelling waar voor infectieziekten kwetsbare populaties verblijven of samenkomen voor een of meer dagdelen per etmaal, stelt de geneeskundige van het openbaar lichaam waarin de instelling gelegen is, op de hoogte van het optreden van een ongewoon aantal zieken met maag- en darmaandoeningen, geelzucht, huidaandoeningen of andere ernstige aandoeningen van vermoedelijk infectueuze aard in de desbetreffende populatie of bij het begeleidend of verzorgend personeel.
1.
De geneeskundige geeft de ontvangst van een melding als bedoeld in de artikelen 16, eerste lid, en 17, eerste lid, onverwijld door aan de gezaghebber van het openbaar lichaam waarin de betrokken persoon zijn woon- of verblijfplaats heeft.
2.
De geneeskundige geeft de ontvangst van een melding als bedoeld in artikel 16, tweede lid, onverwijld door aan de gezaghebber van het openbaar lichaam waarin het lijk zich bevindt.
3.
De geneeskundige deelt de ontvangst van een melding als bedoeld in artikel 16, derde lid, zo spoedig mogelijk mee aan de gezaghebber van het openbaar lichaam waarin de arts zijn praktijk heeft.
4.
De geneeskundige deelt de ontvangst van een melding als bedoeld in artikel 17, tweede en derde lid, zo spoedig mogelijk mee aan de gezaghebber van het openbaar lichaam waarin de betrokken persoon zijn woon- of verblijfplaats heeft.
5.
De geneeskundige deelt de ontvangst van een melding als bedoeld in artikel 21 binnen een redelijke termijn mee aan de gezaghebber van het openbaar lichaam waarin de instelling is gelegen.
6.
De geneeskundige verstrekt de gezaghebber de gegevens, bedoeld in artikel 19, eerste, tweede en derde lid, die deze nodig heeft voor de uitoefening van de hem bij deze wet toegekende bevoegdheden.
1.
De geneeskundige geeft de ontvangst van een melding als bedoeld in de artikelen 16, eerste en tweede lid, en 17, eerste lid, onverwijld door aan het RIVM, alsmede aan het Staatstoezicht voor de volksgezondheid.
2.
De geneeskundige geeft de ontvangst van een melding als bedoeld in de artikelen 16, derde lid, en 17, tweede en derde lid, binnen 24 uur door aan het RIVM, alsmede aan het Staatstoezicht voor de volksgezondheid.
3.
De geneeskundige verstrekt bij een melding als bedoeld in de artikelen 16, eerste lid, en 17 de volgende gegevens:
a. de infectieziekte dan wel een beschrijving van het ziektebeeld, de eerste ziektedag, de vaccinatietoestand, het gebruik van chemoprofylaxe, eventuele ziekenhuisopname, de vermoedelijke infectiebron, zonodig met inbegrip van de daaruit voortkomende gevallen, de datum van vermoeden of vaststelling van infectie,
b. het geslacht, de geboortemaand, het geboortejaar en de woonplaats van de betrokken persoon, en
c. de uitslag van het nader onderzoek, bedoeld in artikel 20, vijfde lid.
4.
De geneeskundige verstrekt bij een melding als bedoeld in artikel 16, tweede lid, de volgende gegevens: de aard van het infectueus of giftig agens of de infectueuze of giftige stof en de plaats waar het lijk zich bevindt.
5.
De geneeskundige verstrekt bij een melding als bedoeld in artikel 16, derde lid, de volgende gegevens: de infectieziekte, het geslacht, de geboortedatum en de nationaliteit van de betrokken personen, alsmede de woonplaats van de arts die de melding heeft gedaan.
1.
De geneeskundige neemt de persoonsgegevens, die ingevolge de artikelen 19, 20, en 25 zijn verkregen, op in een door hem gehouden registratie.
2.
De geneeskundige bewaart deze gegevens ten hoogste vijf jaar, tenzij de patiënt toestemming geeft om deze gegevens langer te bewaren.
Artikel 25
Op verzoek van de gezaghebber verstrekt de behandelend arts van een persoon die naar het oordeel van de gezaghebber een gevaar oplevert voor de overbrenging van een infectieziekte behorend tot groep A, B1 of B2 aan de geneeskundige zo spoedig mogelijk de hem bekende nadere medische en epidemiologische gegevens die noodzakelijk zijn om de aard en de omvang van het gevaar van verspreiding van de infectieziekte vast te stellen.
1.
De gezaghebber kan een persoon onverwijld ter isolatie in een zorginstelling doen opnemen, indien:
a.
1°. hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de betrokkene lijdt aan een infectieziekte behorend tot groep A,
2°. ten aanzien van de betrokkene de melding ingevolge artikel 17, derde lid, heeft plaatsgevonden, of
3°. de betrokkene lijdt aan een infectieziekte behorend tot groep A of B1,
b. ernstig gevaar voor de volksgezondheid bestaat door verspreiding van die infectieziekte,
c. dit gevaar niet op andere wijze effectief kan worden afgewend, en
d. de betrokkene niet tot opneming ter isolatie bereid is.
2.
De gezaghebber kan een ter isolatie opgenomen persoon door een arts doen onderzoeken indien:
a. ten gevolge van de infectieziekte onmiddellijk gevaar dreigt voor de gezondheid van derden,
b. de aard en de omvang van dit gevaar niet op andere wijze dan door onderzoek kunnen worden vastgesteld,
c. de uitkomst van het onderzoek noodzakelijk is om dit gevaar effectief te kunnen afwenden, en
d. de betrokkene niet bereid is het onderzoek te ondergaan.
3.
De gezaghebber kan een ter isolatie opgenomen persoon door een arts in het lichaam doen onderzoeken indien aan de voorwaarden, bedoeld in het tweede lid, is voldaan en de rechter daartoe een machtiging heeft verleend.
4.
Het onderzoek, bedoeld in het tweede en derde lid, omvat niet meer dan nodig is ter afwending van het gevaar voor derden.
1.
De gezaghebber doet de beschikking tot opneming ter isolatie aan de betrokkene uitreiken.
2.
In de beschikking geeft de gezaghebber aan in welke zorginstelling, aangewezen op grond van artikel 29, de opneming ter isolatie ten uitvoer wordt gelegd.
3.
Na uitreiking van de beschikking voorziet de gezaghebber in bijstand van de betrokkene door een raadsman, tenzij de betrokkene daartegen bedenkingen heeft.
4.
Wanneer redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het gevaar, bedoeld in artikel 26, eerste lid, onder b, is geweken of op minder ingrijpende wijze kan worden afgewend, heft de gezaghebber de opneming ter isolatie onverwijld op.
1.
De gezaghebber doet de beschikking tot het onderzoek, bedoeld in artikel 26, derde lid, aan de betrokkene uitreiken.
2.
In zijn beschikking geeft de gezaghebber aan waaruit het onderzoek bestaat, welke arts het onderzoek verricht en binnen welke termijn het onderzoek plaatsvindt.
1.
De opneming ter isolatie wordt ten uitvoer gelegd in een gesloten ruimte van een door de gezaghebber aangewezen zorginstelling.
2.
De zorginstelling neemt de betrokkene onverwijld op.
3.
De gezaghebber is bevoegd tot het toepassen van bestuursdwang ter handhaving van het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid, indien de omstandigheden onmiddellijk ingrijpen noodzakelijk maken.
1.
De gezaghebber kan een persoon onverwijld doen onderwerpen aan de maatregel van quarantaine om de verspreiding van infectieziekten behorend tot groep A tegen te gaan, indien:
a. er redenen zijn om aan te nemen dat die persoon recentelijk een dusdanig contact met een lijder of een vermoedelijke lijder aan een infectieziekte behorend tot groep A heeft gehad, dat deze persoon mogelijk met dezelfde ziekte is geïnfecteerd,
b. ernstig gevaar voor de volksgezondheid bestaat door verspreiding van die infectieziekte, en
c. die persoon niet tot vrijwillige onderwerping aan die maatregel bereid is.
2.
De gezaghebber kan toestaan dat de quarantaine onder zonodig te stellen voorwaarden plaatsvindt in de woning van de af te zonderen persoon.
3.
Tijdens de quarantaine wordt medisch toezicht verricht. Het toezicht wordt verricht onder medische verantwoordelijkheid van de arts infectieziektebestrijding.
De quarantaine en het medisch toezicht vinden plaats onder zodanige voorwaarden en omstandigheden en gedurende een zodanige periode als noodzakelijk is om het gevaar, bedoeld in het eerste lid, onder b, af te wenden.
4.
Zodra redelijkerwijs kan worden aangenomen dat dit gevaar is geweken of op minder ingrijpende wijze kan worden afgewend, heft de gezaghebber de maatregel onverwijld op.
5.
Artikel 26, tweede en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
1.
De gezaghebber doet de beschikking tot onderwerping aan de maatregel van quarantaine aan de betrokkene uitreiken.
2.
In de beschikking geeft de gezaghebber aan:
hoe en waar de maatregel ten uitvoer wordt gelegd,
waarop bij het medisch toezicht in ieder geval wordt gelet, en
aan welke regels betrokkene zich heeft te houden.
3.
Na uitreiking van de beschikking voorziet de gezaghebber in bijstand van de betrokkene door een raadsman, tenzij de betrokkene daartegen bedenkingen heeft.
1.
De gezaghebber kan een persoon die gevaar oplevert voor de verspreiding van een infectieziekte behorend tot groep A, B1 of B2 het verbod opleggen om beroeps- of bedrijfsmatig werkzaamheden te verrichten, die een ernstig risico inhouden voor de verspreiding van die infectieziekte.
2.
Voordat de maatregel wordt genomen, hoort de gezaghebber de werkgever van de betrokkene, tenzij betrokkene hiertegen bezwaar maakt.
3.
De gezaghebber heft de maatregel op als het gevaar is geweken of op minder ingrijpende wijze kan worden afgewend.
1.
De gezaghebber stelt de officier van justitie terstond op de hoogte van de beschikking tot opneming ter isolatie, bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de beschikking tot het onderzoek, bedoeld in artikel 26, derde lid, en van de beschikking een persoon te onderwerpen aan de maatregel van quarantaine, bedoeld in artikel 30.
2.
Zo spoedig mogelijk nadat de beschikking is gegeven, maar in elk geval niet later dan de volgende dag, zendt de gezaghebber de officier van justitie een afschrift van de beschikking.
3.
Ingeval van een beschikking tot opneming ter isolatie als bedoeld in artikel 26, eerste lid, en van een beschikking tot het onderzoek als bedoeld in artikel 26, derde lid, is de rechtbank van de plaats waar de aangewezen instelling is gelegen bevoegd. Ingeval van een beschikking een persoon te onderwerpen aan de maatregel van quarantaine, bedoeld in artikel 30, is de rechtbank van de verblijfplaats van betrokkene bevoegd.
1.
Indien de officier van justitie van oordeel is dat aan de voorwaarden voor de opneming ter isolatie, bedoeld in artikel 26, eerste lid, het onderzoek, bedoeld in artikel 26, derde lid, of de maatregel van quarantaine, bedoeld in artikel 30, is voldaan, doet hij uiterlijk op de dag na de datum van ontvangst van de beschikking een verzoek tot een machtiging tot voortzetting van de isolatie, de quarantaine of tot het onderzoek.
2.
De officier van justitie deelt aan de betrokkene, de gezaghebber en in voorkomend geval de instelling, schriftelijk mede dat hij het verzoek heeft gedaan of dat hij heeft besloten om geen verzoek te doen.
3.
Het besluit geen verzoek te doen neemt de officier van justitie niet dan nadat hij het advies van de Inspectie heeft ingewonnen.
4.
Met het besluit geen verzoek te doen, vervalt de beschikking tot opneming ter isolatie, bedoeld in artikel 26, eerste lid, de beschikking tot het onderzoek, bedoeld in artikel 26, derde lid, of de beschikking een persoon te onderwerpen aan de maatregel van quarantaine, bedoeld in artikel 30, van rechtswege.
1.
Voordat op het verzoek van de officier van justitie wordt besloten, hoort de rechter degene ten aanzien van wie de maatregel is gevorderd.
2.
De rechter hoort de betrokkene op zijn verblijfplaats.
3.
De rechter kan zich laten voorlichten, getuigen en deskundigen oproepen en onderzoek door deskundigen bevelen.
4.
De rechter stelt de raadsman in de gelegenheid zijn zienswijze kenbaar te maken.
5.
De rechter beslist binnen drie dagen, te rekenen vanaf de dag na die van het instellen van de vordering.
6.
Tegen de beschikking staat geen voorziening open.
1.
De ter isolatie opgenomen persoon of de in quarantaine geplaatste persoon kan de rechter verzoeken de maatregel op te heffen.
2.
Artikel 35, tweede tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3.
De rechter kan het verzoek zonder toepassing van artikel 36 afwijzen, indien geen nieuwe feiten of omstandigheden worden aangevoerd.
1.
Degene ten aanzien van wie een beschikking tot opneming ter isolatie als bedoeld in artikel 26, eerste lid, tot onderzoek als bedoeld in artikel 26, tweede of derde lid, of tot onderwerping aan een maatregel van quarantaine als bedoeld in artikel 30 is genomen, kan de rechter bij een zelfstandig verzoek bij een verweerschrift als bedoeld in artikel 429h, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES, of bij een desbetreffend verzoekschrift ter gelegenheid van het verhoor van de betrokkene, dan wel, indien de officier van justitie geen verzoek als bedoeld in artikel 34, eerste lid, doet, bij een afzonderlijk verzoekschrift, verzoeken een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding toe te kennen op de grond dat de beschikking van de gezaghebber onrechtmatig was.
2.
Indien het verzoek wordt ingediend bij verzoekschrift ter gelegenheid van het verhoor van betrokkene is artikel 429h, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES van overeenkomstige toepassing.
1.
Indien degene ten aanzien van wie een beschikking is genomen tot opneming ter isolatie als bedoeld in artikel 26, eerste lid, tot onderzoek als bedoeld in artikel 26, tweede of derde lid, of tot onderwerping aan een maatregel van quarantaine als bedoeld in artikel 30, nadeel heeft geleden doordat de rechter of de officier van justitie een van de bepalingen uit deze paragraaf niet in acht heeft genomen, kent de rechter deze op diens verzoek een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding toe ten laste van de Staat.
2.
Het verzoek kan worden ingediend als een zelfstandig verzoek bij het verweerschrift als bedoeld in artikel 429h, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES, of bij een desbetreffend verzoekschrift ter gelegenheid van het verhoor van betrokkene, dan wel bij een afzonderlijk verzoekschrift, binnen drie maanden te rekenen vanaf de dag waarop betrokkene redelijkerwijs bekend kon zijn met de schending van het voorschrift waarop zijn verzoek betrekking heeft.
3.
Indien het verzoek wordt ingediend bij verzoekschrift ter gelegenheid van het verhoor van betrokkene is artikel 429h, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES van overeenkomstige toepassing.
Artikel 39
De Algemene termijnenwet is van toepassing op de termijnen gesteld in de artikelen 33, tweede lid, 34, eerste lid, en 35, vijfde lid.
Artikel 40
Ingeval een verzoekschrift als bedoeld in artikel 36, eerste lid, of artikel 37, eerste lid, wordt ingediend, dan wel een van de daartoe bevoegde personen beroep instelt, behoeft de indiening van het verzoekschrift niet bij procureur te geschieden.
1.
Indien er een gegrond vermoeden bestaat van een besmetting kan de gezaghebber gebouwen, vervoermiddelen en goederen controleren op de aanwezigheid van een besmetting, zonodig door het nemen van monsters.
2.
In het geval van een besmetting kan de gezaghebber:
a. voorschriften van technisch-hygiënische aard geven,
b. gebouwen, vervoermiddelen of goederen ontsmetten, met inbegrip van de vernietiging van vectoren.
3.
In het geval van een besmetting waarbij ernstig gevaar dreigt voor de volksgezondheid, kan de gezaghebber:
a. gebouwen of terreinen dan wel gedeelten daarvan sluiten,
b. een verbod uitvaardigen tot het gebruik maken of betreden van vervoermiddelen,
c. goederen vernietigen.
4.
Ingeval er een gegrond vermoeden bestaat van besmetting van goederen kan de gezaghebber het brengen op het grondgebied van het openbaar lichaam van deze goederen verbieden, dan wel verbieden indien niet wordt voldaan aan bij beschikking op te leggen voorschriften.
5.
De gezaghebber heft de maatregel op als het gevaar is geweken.
1.
Indien een lijk, bedoeld in de Begrafeniswet BES , is besmet met een infectueus of giftig agens of een infectueuze of giftige stof, of een gegrond vermoeden daarvoor bestaat, waardoor een ernstig gevaar voor de volksgezondheid kan ontstaan, kan de gezaghebber maatregelen treffen om dit gevaar af te wenden.
2.
De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, bestaan uit het afnemen van bloed of andere vloeistoffen, het isoleren en het verbranden van het stoffelijk overschot.
1.
De eisen van deze paragraaf zijn van toepassing op de havens van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
2.
De eisen van deze paragraaf zijn van toepassing op de volgende luchthavens:
a. Bonaire: Flamingo Airport Bonaire;
b. Sint Eustatius: F.D. Roosevelt Airport;
c. Saba: Juancho E. Yrausquin Airport.
1.
Een haven of luchthaven beschikt over een plan voor noodsituaties op het gebied van de infectieziektebestrijding, met inbegrip van de benoeming van een coördinator.
2.
In het plan, bedoeld in het eerste lid, wordt ten minste aangegeven hoe:
a. toegang wordt verleend aan medisch-diagnostische faciliteiten op een zodanige wijze dat zieke reizigers onverwijld en adequaat kunnen worden onderzocht, alsmede hoe personeel hiertoe wordt ingezet,
b. in de bescherming tegen infectie van verzorgend en begeleidend personeel wordt voorzien,
c. in de quarantaine van mogelijk geïnfecteerde reizigers wordt voorzien,
d. apparatuur en personeel worden ingezet voor het vervoer van zieke reizigers naar een passende medische faciliteit,
e. de voorlichting aan personeel, reizigers en overig publiek plaatsvindt,
f. wordt voorzien in de bestrijding van een besmetting, waaronder vectorbestrijding, in de haven of luchthaven en van schepen en luchtvaartuigen,
g. over het onder a tot en met f gestelde wordt samengewerkt met bij de infectieziektebestrijding, alsmede bij de rampenbestrijding, betrokken personen en organisaties.
3.
Bij algemene maatregelen kunnen worden gesteld over welke verdere voorzieningen de havens of luchthavens beschikken, alsmede aan welke eisen deze voorzieningen voldoen. Deze voorzieningen en eisen kunnen per haven of luchthaven verschillen.
4.
De exploitant van de haven of luchthaven draagt zorg voor de naleving van het bij het eerste lid en krachtens het derde lid bepaalde.
1.
De gezagvoerder van een schip die een haven wil aandoen en wetenschap heeft of een ernstig vermoeden heeft dat er aan boord van zijn schip één of meer ziektegevallen zijn die wijzen op een ziekte van infectueuze aard die een ernstig gevaar voor de volksgezondheid kan opleveren, zorgt ervoor dat de verkeersleiding van de haven en de aan boord komende loods hiervan zo spoedig mogelijk doch voor aankomst op de hoogte worden gesteld.
2.
De gezagvoerder van een luchtvaartuig die een luchthaven wil aandoen en wetenschap heeft of een ernstig vermoeden heeft dat er aan boord van zijn luchtvaartuig één of meer ziektegevallen zijn die wijzen op een ziekte van infectueuze aard die een ernstig gevaar voor de volksgezondheid kan opleveren, zorgt ervoor dat de luchtverkeersleiding van de luchthaven hiervan zo spoedig mogelijk doch voor aankomst op de hoogte wordt gesteld.
3.
De verkeersleiding van de haven geeft een melding onverwijld door aan de exploitant van de haven. De luchtverkeersleiding van de luchthaven geeft een melding onverwijld door aan de exploitant van de luchthaven.
4.
De exploitant van de haven of luchthaven geeft een melding onverwijld door aan de geneeskundige. De geneeskundige geeft een melding onverwijld door aan de gezaghebber en het RIVM.
1.
Onverminderd artikel 45 verstrekt de gezagvoerder van een schip dat een internationale reis maakt op verzoek van de gezaghebber bij aankomst in de haven de maritieme gezondheidsverklaring, bedoeld in artikel 37 van de Internationale Gezondheidsregeling.
2.
Onverminderd artikel 45 verstrekt de gezagvoerder van een luchtvaartuig dat een internationale reis maakt op verzoek van de gezaghebber bij aankomst in de luchthaven het gezondheidsgedeelte van de algemene verklaring voor luchtvaartuigen, bedoeld in artikel 38 van de Internationale Gezondheidsregeling.
3.
Indien de gezondheidsverklaring, bedoeld in het eerste of tweede lid, daartoe naar het oordeel van de gezaghebber aanleiding geeft, verstrekt de gezagvoerder op verzoek van de gezaghebber aanvullende gegevens over de gezondheidstoestand aan boord.
1.
In geval van een melding als bedoeld in artikel 45 of indien anderszins blijkt van omstandigheden aan boord van een schip of luchtvaartuig dat een internationale reis maakt, die een ernstig gevaar voor de volksgezondheid kunnen meebrengen, bepaalt de gezaghebber welke maatregelen met betrekking tot de toelating tot of de onttrekking aan het vrije verkeer moeten worden genomen als het schip of luchtvaartuig in de haven of luchthaven is aangekomen.
2.
In geval van een directe dreiging van een epidemie van een infectieziekte behorend tot groep A, kan de gezaghebber ten aanzien van een schip of luchtvaartuig dat een internationale reis maakt, bepalen welke maatregelen met betrekking tot de toelating tot of de onttrekking aan het vrije verkeer moeten worden genomen als het schip of luchtvaartuig in de haven of luchthaven is aangekomen.
3.
In de situatie, bedoeld in het eerste en tweede lid, draagt de gezagvoerder van het schip of luchtvaartuig ervoor zorg dat:
a. na aankomst niemand het schip of luchtvaartuig betreedt of verlaat en er geen vervoermiddelen of goederen worden geladen of gelost, tenzij de gezaghebber daartoe opdracht of toestemming geeft, en
b. op verzoek van de gezaghebber een overzicht wordt gegeven van de volgende gegevens van de passagiers, voor zover deze gegevens bekend zijn bij de gezagvoerder: naam, adres, geslacht, leeftijd en bestemming.
4.
De gezaghebber past de maatregelen niet langer toe dan nodig is om het onderzoek uit te voeren om de ernst van het gevaar vast te stellen.
Artikel 48
De gezaghebber kan de exploitant van een haven of luchthaven opdragen om:
a. voorlichting aan reizigers te geven over het nemen van maatregelen ter voorkoming van een infectie of van een besmetting van de bagage,
b. medewerking te verlenen aan door de gezaghebber te nemen maatregelen van onderzoek van vertrekkende of aankomende reizigers naar de aanwezigheid van een ziekte van infectueuze aard die een ernstig gevaar voor de volksgezondheid kan opleveren,
c. ter voorkoming van een besmetting voorschriften van technisch-hygiënische aard uit te voeren, indien er een gegrond risico is op een besmetting,
d. ter bestrijding van een besmetting gebouwen of terreinen dan wel gedeelten daarvan te sluiten.
Artikel 49
De gezaghebber kan de vervoersexploitant opdragen om:
a. voorlichting aan passagiers te geven over het nemen van maatregelen ter voorkoming van een infectie of van een besmetting van de bagage,
b. ter voorkoming van een besmetting maatregelen van technisch-hygiënische aard uit te voeren voor een schip of luchtvaartuig en de hierin aanwezige goederen, indien er een gegrond risico is op een besmetting,
c. een schip of luchtvaartuig en de hierin aanwezige goederen te controleren op de aanwezigheid van een besmetting,
d. ter bestrijding van een besmetting een schip of luchtvaartuig en de hierin aanwezige goederen te ontsmetten, met inbegrip van de vernietiging van vectoren.
Artikel 50
De gezaghebber is bevoegd tot het toepassen van bestuursdwang ter handhaving van hetgeen op grond van de artikelen 47, eerste en tweede lid, 48 en 49 is opgedragen, indien de omstandigheden onmiddellijk ingrijpen noodzakelijk maken.
1.
Een certificaat van sanitaire controle van schepen of een certificaat tot vrijstelling van sanitaire controle van schepen als bedoeld in artikel 39 van de Internationale Gezondheidsregeling, wordt op verzoek van de gezagvoerder door de gezaghebber afgegeven indien het schip vrij is van besmetting.
2.
Het onderzoek ter verkrijging van een certificaat als bedoeld in het eerste lid,wordt uitgevoerd conform bijlage 2 bij deze regeling.
3.
De certificaten worden opgesteld volgens het in bijlage 3 van de Internationale Gezondheidsregeling opgenomen model.
4.
Indien vanwege ongewone omstandigheden in de haven geen certificaat als bedoeld in het eerste lid kan worden afgegeven, en het schip is voorzien van een nog geldig certificaat van sanitaire controle van schepen of certificaat tot vrijstelling van sanitaire controle van schepen, kan de gezaghebber dit certificaat met één maand verlengen.
1.
De geneeskundige verzorgt de inenting van personen of de toediening van profylaxe aan personen ter verkrijging van een internationaal geldig certificaat als bedoeld in artikel 36 van de Internationale Gezondheidsregeling.
2.
Onverminderd het eerste lid, kan het bestuurscollege, op voordracht van de geneeskundige, andere personen aanwijzen die de inentingen of de toediening van profylaxe als bedoeld in het eerste lid mogen verzorgen.
3.
De certificaten worden opgesteld volgens het in bijlage 6 van de Internationale Gezondheidsregeling opgenomen model, met dien verstande dat ze worden:
a. opgesteld in de Engelse taal,
b. ondertekend door geneeskundige of, indien toepassing is gegeven aan het tweede lid, door de eindverantwoordelijk arts of de verpleegkundige, die de indicatiestelling voor de vaccinatie heeft verricht, onder verantwoordelijkheid van deze arts, en
c. worden voorzien van een stempel, waarvan de afdruk de naam en het adres van de betreffende gezondheidsdienst en de datum van vaccinatie weergeeft.
4.
De inenting van personen tegen gele koorts geschiedt uitsluitend met een door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) goedgekeurde entstof.
1.
De minister kan in overeenstemming met de Minister van Justitie een laboratorium aanwijzen voor het verrichten van onderzoek ten behoeve van de volksgezondheid en justitie.
2.
De volgende instanties kunnen een beroep op de organisatie, bedoeld in het eerste lid,: de gezondheidsdienst, bedoeld in artikel 11, het Staatstoezicht voor de Volksgezondheid, het RIVM en het openbaar ministerie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
3.
De aanwijzing wordt ingetrokken, indien de organisatie naar het gezamenlijk oordeel van de minister en de Minister van Justitie niet meer in staat blijkt te zijn het laboratoriumonderzoek naar behoren te vervullen dan wel een publiek belang dit vereist.
1.
De organisatie, bedoeld in artikel 53, stelt jaarlijks vóór 1 juli een verslag op van zijn werkzaamheden, alsmede de doelmatigheid en doeltreffendheid van zijn werkzaamheden en werkwijze in het afgelopen jaar. Het verslag wordt aan de minister gezonden.
2.
De werknemers van de krachtens artikel 53 aangewezen rechtspersoon zijn verplicht tot geheimhouding van hetgeen hun bij het verrichten van hun werkzaamheden bekend is geworden, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hen tot bekendmaking verplicht of uit de uitvoering van de krachtens deze wet opgelegde taak de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit.
Artikel 55
De eilandsraad heft geen eigen bijdrage voor het verrichten van de bij of krachtens de artikelen 2, 4, 5 en 6 opgedragen taken, behoudens in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.
1.
Het openbaar lichaam draagt de kosten van de maatregelen die krachtens hoofdstuk V van deze landsverordening worden genomen. Ook draagt het openbaar lichaam de kosten van de toegekende tegemoetkomingen aan hen, die inkomsten derven door de maatregelen, bedoeld in de artikelen 26, 30, 32 en 41.
2.
In afwijking van het eerste lid draagt:
a. de exploitant van een haven of luchthaven de kosten van de maatregelen die door de gezaghebber krachtens artikel 48 zijn opgedragen,
b. de vervoersexploitant de kosten van de maatregelen die door de gezaghebber krachtens artikel 49 zijn opgedragen.
3.
De in artikel 41, derde lid, onder c, bedoelde goederen worden voor vernietiging door de gezaghebber gewaardeerd. Het bestuurscollege keert aan de eigenaar als schadeloosstelling het bedrag uit waarop de goederen zijn gewaardeerd.
4.
Het bestuurscollege is bevoegd de kosten verbonden aan de maatregelen, bedoeld in de artikelen 26, 30, 32 en 41 te verhalen op de persoon ten aanzien van wie een maatregel is getroffen, indien die persoon niet tot vrijwillige medewerking bereid is geweest. De artikelen 65 tot en met 66 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 57
De kosten verband houdende met het bij of krachtens artikel 44 opgelegde voorzieningenniveau komen ten laste van de exploitant.
1.
De kosten ter verkrijging van een certificaat als bedoeld in artikel 51 komen ten laste van de gezagvoerder van het desbetreffende schip.
2.
De kosten van inenting van personen of de toediening van profylaxe aan personen ter verkrijging van een certificaat als bedoeld in artikel 52, komen ten laste van de belanghebbende.
3.
De tarieven voor het verkrijgen van de certificaten, bedoeld in de artikelen 51 en 52, zijn kostendekkend.
1.
Wat betreft het bij of krachtens deze wet bepaalde zijn de ambtenaren van het Staatstoezicht op de volksgezondheid belast met het uitoefenen van de in artikel 36, eerste en tweede lid, van de Gezondheidswet genoemde taken. Artikel 36, derde lid, van de Gezondheidswet is niet van toepassing. De artikelen 5.11 tot en met 5.20 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
2.
Met de opsporing van de bij of krachtens deze wet strafbare gestelde feiten zijn, onverminderd artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering BES, belast de ambtenaren van het Staatstoezicht op de Volksgezondheid.
1.
In het geval van een besmetting of infectie of bij een gegrond vermoeden daarvan, zijn binnen hun ambtsgebied de gezaghebber en de daartoe aangewezen ambtenaren van de gezondheidsdienst, bedoeld in artikel 11, bevoegd, desgevraagd na het tonen van een legitimatiebewijs, elke plaats te betreden of te verlaten, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak op grond van deze wet nodig is. Zonodig verschaffen zij zich toegang met behulp van de sterke arm.
2.
In de situatie, bedoeld in het eerste lid, wordt aan het optreden van de in het eerste lid genoemde personen, geen enkele beperking, van praktische of financiële aard, verbonden.
3.
Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op het optreden van de in de artikelen 59 en 60 genoemde personen in het kader van het toezicht of de opsporing.
Artikel 61
Indien in deze wet de bevoegdheid is toegekend tot het toepassen van bestuursdwang zijn de bepalingen van deze paragraaf van toepassing.
Artikel 62
Bestuursdwang omvat het doen wegnemen, ontruimen, beletten, in de vorige toestand herstellen of verrichten van hetgeen in strijd met de desbetreffende bepalingen van deze landsverordening is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.
1.
Een beslissing tot het toepassen van bestuursdwang wordt op schrift gesteld en geldt als een beschikking. De beschikking vermeldt welk voorschrift is overtreden.
2.
De beschikking wordt bekendgemaakt aan de overtreder en andere belanghebbenden.
3.
In de beschikking wordt een termijn gesteld waarbinnen de overtreder en eventuele andere rechthebbenden de tenuitvoerlegging van bestuursdwang kunnen voorkomen door zelf de in de beschikking vermelde maatregelen te treffen. Geen termijn behoeft te worden gegund indien de vereiste spoed zich daartegen verzet.
4.
Indien de situatie dermate spoedeisend is dat de beslissing tot toepassing van bestuursdwang niet tevoren op schrift kan wordt gezet, wordt zo spoedig mogelijk alsnog voor de opschriftstelling en bekendmaking gezorgd.
1.
De overtreder is de kosten verbonden aan de toepassing van bestuursdwang verschuldigd, tenzij de kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.
2.
De beschikking vermeldt dat de toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreder plaatsvindt.
3.
Indien de kosten echter geheel of gedeeltelijk niet ten laste van de overtreder zullen worden gebracht, wordt dat in de beschikking vermeld.
4.
Onder de kosten worden begrepen de kosten verbonden aan de voorbereiding van bestuursdwang, voor zover deze kosten zijn gemaakt na het tijdstip waarop de termijn bedoeld in artikel 62, derde lid, is verstreken.
5.
De kosten zijn ook verschuldigd indien de bestuursdwang door opheffing van de onrechtmatige situatie niet of niet volledig is uitgevoerd.
1.
Bij dwangbevel kan van de overtreder de verschuldigde kosten, verhoogd met de op de invordering vallende kosten, worden ingevorderd.
2.
Het dwangbevel wordt op kosten van de overtreder bij deurwaardersexploot betekend en levert een executoriale titel op in de zin van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES .
3.
Gedurende zes weken na de dag van betekening staat verzet tegen het dwangbevel open door dagvaarding van het openbaar lichaam.
4.
Het verzet schorst de tenuitvoerlegging. Op verzoek van het openbaar lichaam kan het gerecht in eerste aanleg de schorsing van de tenuitvoerlegging opheffen.
Artikel 66
De kosten verbonden aan de toepassing van bestuursdwang zijn bevoorrecht op de zaak ten aanzien waarvan zij zijn besteed en worden na de kosten, bedoeld in artikel 284 van het Burgerlijk Wetboek BES, uit de opbrengst van de zaak betaald.
1.
Met een hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft de arts die handelt in strijd met de artikelen 16, eerste, tweede of derde lid, 17, eerste, tweede of derde lid, 19, vierde lid, of 25.
2.
Met een hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft het hoofd van een laboratorium dat handelt in strijd met artikel 20, tweede of vijfde lid.
3.
Met een hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categoriewordt gestraft het hoofd van een instelling die handelt in strijd met artikel 21, eerste lid.
4.
Met een hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categrie wordt gestraft de gezagvoerder die handelt in strijd met artikel 45 eerste of tweede lid, of die weigert te voldoen aan een verzoek als bedoeld in de artikelen 46 en 47, derde lid, onder b.
5.
Met een hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft de exploitant van een haven of luchthaven die handelt in strijd met artikel 45, vierde lid.
6.
Met een hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft degene die handelt in strijd met het bepaalde bij of krachtens artikel 52.
7.
De in het eerste tot en met zesde lid strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
1.
Met een hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft degene die zich onttrekt aan de krachtens de in de artikelen 32, eerste lid, of 41, tweede of derde lid, onder a of b, ten aanzien van hem genomen maatregelen, dan wel de in artikel 41, derde lid, onder c, bedoelde waren onttrekt aan een krachtens dat lid genomen maatregel.
2.
Met een hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft degene die het in artikel 42 bedoelde stoffelijk overschot onttrekt aan een krachtens dat artikel genomen maatregel.
3.
Met een hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft het onbevoegd betreden van een voor isolatie of quarantaine aangewezen locatie.
4.
Met een hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft de exploitant van een haven of luchthaven die handelt in strijd met artikel 44, vierde lid, of met een krachtens artikel 48 gegeven opdracht.
5.
Met een hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft de vervoersexploitant die handelt in strijd met een krachtens artikel 49 gegeven opdracht.
6.
De in het eerste tot en met vijfde lid strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
1.
Met een hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft degene die verwijtbaar de geheimhoudingsplicht, bedoeld in artikel 54, tweede lid, schendt.
2.
Met een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaar of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft degene die opzettelijk de geheimhoudingsplicht, bedoeld in artikel 54, tweede lid, schendt.
3.
Geen vervolging wordt ingesteld anders dan op verzoek van degene te wiens aanzien de geheimhoudingsplicht is geschonden.
4.
Het in het eerste lid strafbaar gestelde feit is een overtreding. Het in het tweede lid strafbaar gestelde feit is een misdrijf.
1.
Met een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft degene die handelt in strijd met opdrachten die krachtens artikel 47, eerste of tweede lid, zijn gegeven.
2.
Met een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft de gezagvoerder die handelt in strijd met artikel 47, derde lid, onder a.
3.
Met een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft degene die zich onttrekt aan een op grond van de artikelen 26 of 30 ten aanzien van hem genomen maatregel.
4.
De in het eerste, tweede en derde lid strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.