Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Wet primair onderwijs BES
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Ook bekend als:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I
+ Hoofdstuk II. Wijzigingen in overige landsverordeningen
+ Hoofdstuk IV. Slotbepalingen
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Let op. Deze wet is vervallen op 17 februari 2011. U leest nu de tekst die gold op 16 februari 2011.

Wet primair onderwijs BES

Wet primair onderwijs BES
Artikel 1
Deze wet verstaat onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
b. school: school voor funderend onderwijs;
c. school voor speciaal funderend onderwijs: school voor onderwijs aan kinderen die vanwege een zintuiglijke, lichamelijke of geestelijke tekortkoming of vanwege hun gedrag aangewezen zijn op speciale voorzieningen en specialistische opvang die het reguliere onderwijs niet kan bieden;
d. openbare school: door een openbaar lichaam dan wel een openbaar orgaan als bedoeld in artikel 35, in stand gehouden school;
e. bijzondere school: door een natuurlijke persoon of door een privaatrechtelijke rechtspersoon in stand gehouden school;
f. bevoegd gezag: voor wat betreft:
1°. een openbare school:
1. het bestuurscollege van het desbetreffende openbaar lichaam of
2. het openbaar orgaan, bedoeld in artikel 35;
2°. een bijzondere school: het schoolbestuur;
g. eerste cyclus: een leerperiode van vier jaren waarmee het funderend onderwijs aanvangt;
h. tweede cyclus: een leerperiode van vier jaren volgend op de eerste cyclus van het funderend onderwijs;
i. ouders: de ouders of voogden, dan wel bij ontstentenis daarvan de verzorgers van de leerling;
j. schooljaar: het tijdvak van 1 augustus tot en met 31 juli daaraanvolgend;
k. nascholing: een vorm van scholing, gegeven aan leden van het personeel van een school voor funderend onderwijs om hun kennis, inzicht, vaardigheden en beroepshoudingen direct verband houdend met de uitoefening van hun beroep, voortbouwend op de in de genoten opleiding verworven aanvangsbekwaamheid te verdiepen en uit te breiden;
l. instructietaal: de taal waarin de leerlingen in de te beheersen leerstof worden onderwezen;
m. talenonderwijs: het onderwijs dat betrekking heeft op het leren beheersen van de talen die in het curriculum van de school zijn opgenomen;
n. inspectie: de inspectie, bedoeld in de Wet op het onderwijstoezicht.
1.
Het funderend onderwijs is het onderwijs bestemd voor kinderen vanaf 4 jaar. Het legt mede de grondslag voor het volgen van voortgezet onderwijs.
2.
Het funderend onderwijs heeft tot doel de algemene vorming van de in het eerste lid bedoelde kinderen in de Antilliaanse samenleving, gezien in samenhang met het Koninkrijk der Nederlanden en de Caribische regio in het bijzonder en in de wereld in zijn algemeenheid. Het biedt hun ongeacht hun achtergrond, een brede intellectuele, sociale, emotionele, motorische, artistieke en morele vorming. Het schept de voorwaarden waaronder zij zich individueel en als groepslid kunnen ontplooien tot jongeren die optimaal maatschappelijk kunnen participeren.
1.
In de onderscheiden cycli van het funderend onderwijs en in een educatiegebied mag slechts onderwijs worden gegeven door degene die:
a. in het bezit is van een verklaring van goed zedelijk gedrag, afgegeven volgens de de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag BES welke op het tijdstip van overlegging ten behoeve van de benoeming dan wel, indien van een benoeming geen sprake is op het tijdstip waarop met het onderwijs wordt begonnen, niet ouder is dan zes maanden;
b. voor de desbetreffende cyclus, onderscheidenlijk het desbetreffende educatiegebied, in het bezit is van een bewijs van bekwaamheid als bedoeld in artikel 4, eerste lid, of van een daarmee krachtens het derde lid gelijk gesteld bewijs van bekwaamheid, dan wel in het bezit is van een bewijs van bekwaamheid als bedoeld in artikel 4, tweede lid, dan wel van Onze Minister krachtens het vierde lid de bevoegdheid heeft verkregen;
c. in het bezit van een geneeskundige verklaring, welke op het tijdstip van overlegging ten behoeve van de benoeming dan wel, indien van een benoeming geen sprake is, op het tijdstip waarop met het onderwijs wordt begonnen, niet ouder is dan zes maanden en
d. niet krachtens rechterlijke uitspraak van het geven van onderwijs is uitgesloten of krachtens artikel 30, tweede lid, de bevoegdheid tot het geven van onderwijs is ontzegd, en
e. niet krachtens het zesde lid de bevoegdheid tot het geven van funderend onderwijs is ontnomen.
2.
Het eerste lid onderdeel b, is niet van toepassing voor het geven van godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs.
3.
Bij ministeriële regeling kan een buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba verworven bewijs worden gelijkgesteld met een bewijs van bekwaamheid genoemd in artikel 4, eerste lid. Daarbij kunnen voorwaarden en beperkingen worden gesteld.
4.
Door Onze Minister kan aan personen die in het bezit zijn van een buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba behaald bewijs van bekwaamheid, de bevoegdheid tot het geven van onderwijs worden verleend. Daarbij kunnen voorwaarden en beperkingen worden gesteld.
5.
Ten aanzien van studenten in het laatste jaar van een opleiding tot leerkracht funderend onderwijs die praktische vorming behoeven kan voor ten hoogste de periode van twee schooljaren worden afgeweken van de eisen, gesteld in het eerste lid, onderdeel b, op voorwaarde dat de desbetreffende student
a. het door hem te verzorgen onderwijs geeft in het kader van een dusdanig stageverband dat de student daarbij intussen ook lessen blijft volgen aan en begeleid wordt vanuit de instelling waaraan voornoemde opleiding is verbonden, en
b. wordt begeleid door een of meer ervaren leerkrachten van de school waar betrokkene werkzaam is en deze leerkrachten bij die begeleiding nauw samenwerken met de in onderdeel a bedoelde instelling.
6.
Bij ministeriële regeling kan een regeling worden gegeven voor verplicht door elke leerkracht te volgen nascholing. De inhoud van de nascholing behoeft niet voor alle leerkrachten gelijk te zijn en kan per groep van leerkrachten afhankelijk gesteld worden van vooropleiding, werkervaring en het bezit van bepaalde bewijzen van bekwaamheid. Door Onze Minister kan aan de leerkracht die niet aan de verplichtingen krachtens deze regeling voldoet, de bevoegdheid tot het geven van funderend onderwijs worden ontnomen.
1.
De bewijzen van bekwaamheid tot het geven van het onderwijs, bedoeld in artikel 3, eerste lid onderdeel b, aan een school zijn:
a. voor de eerste en tweede cyclus:
1. het diploma applicatiecursus leerkracht funderend onderwijs eerste respectievelijk tweede cyclus;
2. het diploma leerkracht funderend onderwijs eerste respectievelijk tweede, cyclus.
b. voor de onderscheiden educatiegebieden van de tweede cyclus:
1. het diploma applicatiecursus leerkracht funderend onderwijs voor het desbetreffende educatiegebied van de tweede cyclus;
2. het diploma leerkracht funderend onderwijs voor het desbetreffende educatiegebied van de tweede cyclus.
2.
De bewijzen, genoemd in het eerste lid, moeten zijn verkregen op het niveau van bachelor aan een opleidingsinstituut dat door Onze Minister als zodanig is aangewezen en zijn afgegeven conform een door Onze Minister goedgekeurd diplomamodel. Onze Minister kan naast de bewijzen, genoemd in de eerste volzin, bewijzen aanwijzen die zijn verkregen aan een ander opleidingsinstituut.
3.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen bewijzen van bekwaamheid worden aangewezen die, naast de in het eerste lid genoemde, bevoegdheid verlenen tot het geven van onderwijs in een of meer van de in artikel 11, eerste lid, genoemde educatiegebieden.
1.
Tot directeur kunnen worden benoemd:
1. zij die in het bezit zijn van:
a. het diploma applicatiecursus leerkracht funderend onderwijs eerste of tweede cyclus of het diploma leerkracht funderend onderwijs eerste of tweede cyclus, en
b. een diploma van het nascholingsprogramma voor directeur van een school voor funderend onderwijs, en
c. minimaal drie jaar ervaring hebben als leerkracht op een school voor funderend onderwijs of gewezen basisonderwijs dan wel als hoofd op een school voor gewezen kleuteronderwijs.
2. zij die een door Onze Minister aangewezen opleiding op het terrein van school- en onderwijsmanagement met goed gevolg hebben afgerond.
2.
De bewijzen, genoemd in het eerste lid, moeten zijn verkregen aan een opleidingsinstituut dat door Onze Minister als zodanig is aangewezen om nascholing te verzorgen, en zijn afgegeven conform een door Onze Minister goedgekeurd diplomamodel.
1.
Per openbaar lichaam bestaat een onderwijsraad voor funderend onderwijs die, naast het betreffende bestuurscollege, Onze Minister adviseert bij voorgenomen wijziging van deze wet en bij het geven van toepassing aan de artikelen 4, tweede lid, 11, derde lid, 16, tweede lid onderdeel a, 17, tweede lid, en 46, vijfde lid, en waarin zijn vertegenwoordigd:
a. de bevoegde gezagsorganen die één of meerdere scholen in het betreffende openbaar lichaam in stand houden;
b. voor zover aanwezig, de vakbond van het personeel of een vertegenwoordiging van het personeel van de scholen in het betreffende openbaar lichaam, en
c. vertegenwoordigers van de ouders van kinderen die in het betreffende openbaar lichaam funderend onderwijs volgen, met dien verstande dat ingeval van het bestaan van een hen overkoepelende organisatie, deze organisatie in de vertegenwoordiging voorziet.
Aan genoemde organisaties en organen wordt deze gelegenheid verleend, indien zij naar het oordeel van Onze Minister voldoende representatief zijn.
2.
Bij ministeriële regeling wordt geregeld:
a. de coördinatie van de werkzaamheden van de raad;
b. het aantal vertegenwoordigers bedoeld in het eerste lid, onder respectievelijk a, b en c;
c. de besluitvorming binnen de raad;
d. de wijze waarop de onderwijsraad advies uitbrengt, en
e. de door Onze Minister te nemen maatregelen om de continuïteit van de adviesfunctie te garanderen in geval van ernstige taakverwaarlozing door de raad.
3.
Indien daarover overeenstemming wordt bereikt tussen alle in het eerste lid onderdelen a tot en met c bedoelde onderwijsinstanties in de verschillende openbare lichamen, kunnen zij zich organiseren in één gezamenlijke intra-eilandelijke onderwijsraad voor funderend onderwijs.
4.
De respectievelijke onderwijsraden voor funderend onderwijs stellen Onze Minister op de hoogte van hun samenstelling en plaats van vestiging, met dien verstande dat voor zover de betreffende onderwijsraad niet anders beslist, als postadres geldt het adres van het bevoegd gezag van de openbare scholen.
5.
Aan de bestuurscolleges en de eilandelijke onderwijsraden voor funderend onderwijs wordt ten minste twee maanden de gelegenheid gegeven Onze Minister van advies te dienen in de gevallen als bedoeld in het eerste lid.
6.
Onze Minister geeft gemotiveerd aan of gevolg wordt gegeven aan het advies en stelt het desbetreffende bestuurscollege dan wel de desbetreffende onderwijsraad daarvan schriftelijk in kennis.
1.
Indien het bevoegd gezag een redelijk vermoeden heeft dat zich binnen de sfeer van een onder diens gezag ressorterende school een misdrijf tegen de zeden als bedoeld in Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht BES dan wel het misdrijf van zware mishandeling bedoeld in de artikelen 315 of 316 van dat Wetboek heeft voorgedaan jegens of gepleegd door leerlingen, de directeur, leerkrachten, overig personeel of anderszins onder diens gezag verkerende personen, dan wel derden, doet het daarvan onverwijld aangifte bij een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 184, eerste lid, of artikel 185 van het Wetboek van Strafvordering BES. In geval van betrokkenheid van leerlingen, de directeur, een leerkracht, overig personeel of anderszins onder diens gezag verkerende personen, stelt het bevoegd gezag alvorens over te gaan tot het doen van aangifte, de ouders respectievelijk de betreffende betrokkene hiervan op de hoogte.
2.
Indien het bevoegd gezag een redelijk vermoeden heeft dat een ten behoeve van zijn school met taken belast persoon of een ander persoon zich schuldig heeft gemaakt aan fysiek geweld jegens een leerling of jegens een ten behoeve van zijn school met taken belast persoon, doet het bevoegd gezag onverwijld aangifte bij een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 184, eerste lid, of artikel 185 van het Wetboek van Strafvordering BES. Alvorens over te gaan tot het doen van aangifte, stelt het bevoegd gezag de ouders van de betrokken leerling, de directeur, onderscheidenlijk de betreffende ten behoeve van de school met taken belast persoon hiervan op de hoogte.
3.
Indien een personeelslid, niet zijnde de directeur, een redelijk vermoeden heeft dat een ten behoeve van de school met taken belast persoon, niet zijnde de directeur, zich schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid jegens een leerling van de school, stelt het personeelslid de directeur daarvan onverwijld in kennis, die op zijn beurt het bevoegd gezag daarvan onverwijld op de hoogte stelt.
4.
Indien een personeelslid een redelijk vermoeden heeft, dat de directeur zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste of tweede lid jegens een leerling van de school, stelt het personeelslid het bevoegd gezag daarvan onverwijld in kennis.
5.
Indien een personeelslid van mening is dat het bevoegd gezag de verplichtingen ingevolge dit artikel onvoldoende heeft nageleefd, stelt deze het bestuurscollege, dan wel, indien het bevoegd gezag het bestuurscollege is, Onze Minister, daarvan onverwijld gemotiveerd in kennis.
1.
Het onderwijs wordt afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling en vorming van de leerlingen en kenmerkt zich door flexibele vooruitgang en een grote mate van individualisering door middel van differentiatie in groepsverband.
2.
Het onderwijs richt zich in elk geval op de emotionele, morele en geestelijke ontwikkeling en vorming, en op het ontwikkelen van creativiteit, op het verwerven van noodzakelijke kennis, inzicht en attitudes en sociale, culturele en lichamelijke vaardigheden.
3.
De scholen voorzien in een leerlingvolgsysteem dat minimaal drie elementen omvat:
a. het volgen van de ontwikkeling en vorming van de leerling;
b. het registreren van de onderwijsresultaten, en
c. het determineren van het niveau van de onderwijsresultaten.
4.
Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat:
a. de leerlingen in de eerste cyclus ten minste 4000 uren onderwijs en in de tweede cyclus ten minste 4400 uren onderwijs ontvangen;
b. de leerlingen binnen een tijdvak van 8 aaneensluitende jaren de school kunnen doorlopen, en
c. bij een schooltijd van meer dan 2 uren een pauze wordt gehouden van ten minste 15 minuten en tussen de ochtend- en middagschooltijd een pauze van ten minste 1 uur.
5.
Het onderwijs kan zodanig worden ingericht dat de leerlingen gezamenlijk in groepen van verschillende opvolgende leeftijden, van verschillende ontwikkelingsniveaus of van een combinatie daarvan worden ingedeeld.
6.
Bij ministeriële regeling wordt het aantal vakantiedagen van de leerlingen, de bij die beschikking genoemde feestdagen daaronder begrepen, vastgesteld.
7.
Bij eilandsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden de begin- en einddata van de vakanties vastgesteld. Alvorens over te gaan tot de vaststelling, bedoeld in de eerste volzin, hoort het bestuurscollege de bevoegde gezagsorganen.
1.
Het bevoegd gezag beslist welke instructietaal of instructietalen in het onderwijs aan de school wordt respectievelijk worden gehanteerd, met dien verstande dat deze taal of talen uitsluitend het Engels, het Nederlands of het Papiamentu zijn.
2.
Bij de in het eerste lid te nemen beslissing houdt het bevoegd gezag er rekening mee dat met de te hanteren voertaal of voertalen redelijkerwijze de kerndoelen, bedoeld in artikel 11, kunnen worden bereikt.
3.
Een wijziging in de door de school te hanteren instructietaal of instructietalen kan slechts plaatsvinden met ingang van de eerste dag van een schooljaar, mits zulks ten minste zestien maanden daaraan voorafgaand door het bevoegd gezag in tenminste twee in het desbetreffende openbaar lichaam verschijnende dagbladen bekend is gemaakt. Een dergelijke wijziging kan geen betrekking hebben op de cohorten die op de datum van bekendmaking van die wijziging reeds op de school aanwezig waren.
4.
Scholen dragen zorg voor een zo optimaal mogelijke aansluiting van leerlingen met een moedertaal die niet overeenkomt met de op de school gehanteerde instructietaal of instructietalen.
1.
Het onderwijs omvat, waar mogelijk in samenhang, de volgende educatiegebieden:
a. taal, geletterdheid en communicatie, betrekking hebbend op het Engels, het Nederlands, het Papiamentu en het Spaans;
b. rekenen en wiskunde;
c. mens en maatschappij;
d. mens, natuur en technologie;
e. culturele en artistieke vorming;
f. gezonde levensstijl en bewegingsonderwijs;
g. sociaal emotionele vorming, en
h. algemene mensvorming.
2.
Aan een bijzondere school omvat het educatiegebied algemene mensvorming tevens godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs. Het geven van godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs kan worden opgedragen aan een niet aan de school verbonden leerkracht. Met betrekking tot de eerste volzin mogen per schooljaar ten hoogste 60 uren van het aantal uren onderwijs dat de leerlingen krachtens artikel 9, vierde lid, onderdeel a, ten minste moeten ontvangen, aan het godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijke vormingsonderwijs worden besteed.
3.
Ten aanzien van de educatiegebieden, genoemd in het eerste lid, worden bij algemene maatregel van bestuur kerndoelen vastgesteld.
4.
Voor de school geldt de eis dat zij ten minste de kerndoelen bij haar onderwijsactiviteiten als aan het eind van het funderend onderwijs te bereiken doelstellingen hanteert. Kerndoelen geven een beschrijving van kwaliteiten van leerlingen op het gebied van kennis, attitudes, inzicht en vaardigheden.
5.
Indien het bevoegd gezag van een bijzondere school op grond van godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging ernstige bedenkingen heeft tegen de krachtens het derde lid vastgestelde kerndoelen, kan het bevoegd gezag eigen kerndoelen voor de school voorstellen. Deze kerndoelen zijn van ten minste gelijk niveau als de kerndoelen, bedoeld in het derde lid. Het bevoegd gezag zendt de voorgestelde kerndoelen ter goedkeuring aan Onze Minister.
Artikel 12. Kwaliteit van het onderwijs
Het bevoegd gezag draagt zorg voor de kwaliteit van het onderwijs op de school. Onder zorg dragen voor de kwaliteit van het onderwijs wordt in elk geval verstaan: het uitvoeren van het in het schoolontwikkelingsplan, bedoeld in artikel 14, beschreven beleid op een zodanige wijze dat de wettelijke opdrachten voor het onderwijs en de door het bevoegd gezag in het schoolontwikkelingsplan opgenomen eigen opdrachten voor het onderwijs, worden gerealiseerd.
Artikel 13. Schoolrapport
Het bevoegd gezag rapporteert ten minste drie keer per schooljaar schriftelijk over de vorderingen van de leerlingen aan hun ouders. De rapportage geschiedt in bewoordingen en in cijfers.
1.
Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat er voor elke onder zijn gezag staande school een schoolontwikkelingsplan is waarin wordt aangegeven op welke wijze en op welke termijn de school de onderscheidenlijke onderwijscomponenten bedoeld in het tweede lid zal realiseren.
2.
Centraal in het schoolontwikkelingsplan staat de beschrijving van het beleid met betrekking tot de kwaliteit van het onderwijs dat binnen de school wordt verzorgd. Het begint met een formulering van de missie van de school en omvat in elk geval een beschrijving van het personeelsbeleid, het onderwijskundige beleid, waaronder het pedagogische en het didactische beleid, en een beschrijving van de onderwijs- en schoolorganisatie en het schoolcurriculum.
3.
Bij ministeriële regeling worden regels gegeven ten aanzien van de eisen waaraan het schoolontwikkelingsplan dient te voldoen.
1.
Het bevoegd gezag stelt ten minste eenmaal in de vier jaar het schoolontwikkelingsplan vast.
2.
Het bevoegd gezag zendt het schoolontwikkelingsplan dan wel de wijzigingen daarvan onmiddellijk na de vaststelling aan de inspectie.
3.
Indien de inspectie van oordeel is, dat het schoolontwikkelingsplan niet voldoet aan de bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften of anderszins gebreken vertoont en het bevoegd gezag wijziging weigert, vraagt zij het oordeel van Onze Minister, aan wiens uitspraak het bevoegd gezag zich onderwerpt.
1.
Het bevoegd gezag stelt jaarlijks vóór de aanvang van het nieuwe schooljaar de schoolgids vast en zendt deze onmiddellijk na de vaststelling aan de inspectie.
2.
De schoolgids bevat voor ouders en leerlingen informatie over de werkwijze van de school en bevat in elk geval informatie over:
a. de doelen van het onderwijs en de resultaten die met het onderwijsleerproces worden bereikt, met dien verstande dat bij ministeriële regeling voorschriften kunnen worden gegeven met betrekking tot de wijze waarop:
1°. de resultaten worden beschreven die met het onderwijsleerproces worden bereikt, en
2°. de context wordt vermeld waarin de in onderdeel 1° bedoelde resultaten dienen te worden geplaatst;
b. de wijze waarop in zijn algemeenheid aan de zorg voor de leerlingen wordt vormgegeven;
c. de wijze waarop aan de zorg voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften wordt vormgegeven;
d. de wijze waarop de verplichte onderwijstijd wordt benut;
e. de geldelijke bijdrage, bedoeld in artikel 20, eerste lid, en de vrijwilligheid daarvan;
f. de rechten en plichten van de ouders, de leerlingen, het personeel en het bevoegd gezag, waaronder de informatie over de klachtenregeling, bedoeld in artikel 18, de gronden voor ontheffing van het onderwijs, bedoeld in artikel 22, tweede lid, en de nascholing;
g. de wijze waarop het bevoegd gezag omgaat met de in artikel 14, tweede lid, omschreven bijdragen, en
h. de voor de school geldende instructietaal of instructietalen.
3.
Bij de inschrijving danwel bij de aanvang van het nieuwe schooljaar ontvangen de ouders de voor dat schooljaar geldende schoolgids.
1.
Aan elke school voor funderend onderwijs is een oudercommissie verbonden.
2.
Bij algemene maatregel van bestuur kan een nadere regeling worden gegeven ten aanzien van de inrichting, de wijze van verkiezing van de leden en de bevoegdheid van de oudercommissie.
1.
Ouders en personeelsleden kunnen bij de klachtencommissie, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, een klacht indienen over gedragingen of beslissingen van het bevoegd gezag of het personeel dan wel het nalaten van gedragingen of het niet nemen van beslissingen door het bevoegd gezag of het personeel voor zover die betrekking hebben op de school waaraan zij verbonden zijn.
2.
Het bevoegd gezag treft een regeling voor de behandeling van klachten. Deze regeling vermeldt in ieder geval:
a. de instelling van een klachtencommissie, die klachten behandelt;
b. de wijze waarop de klachtencommissie haar werkzaamheden verricht;
c. de termijn waarbinnen de klager een klacht kan indienen, en
d. de termijn waarbinnen mededeling plaatsvindt van het oordeel, bedoeld in het zesde lid, en hoe bij noodzakelijke afwijking van deze termijn wordt gehandeld.
3.
Deze regeling:
a. voorziet erin dat de klachten worden behandeld door een klachtencommissie die bestaat uit een lid aangewezen door het bevoegd gezag, een lid aangewezen door de voor het personeel werkzame onderwijsvakbond of bij afwezigheid hiervan een lid aangewezen door het personeel en een lid voorgedragen door de oudercommissie, bedoeld in artikel 17. De in de vorige volzin genoemde leden wijzen een vierde lid, tevens voorzitter, aan. De voorzitter mag geen deel uitmaken van het bevoegd gezag, en niet werkzaam zijn bij enig bevoegd gezag, en
b. waarborgt dat aan de behandeling van een klacht niet wordt deelgenomen door een persoon op wiens gedraging de klacht rechtstreeks betrekking heeft.
4.
De klager en degene over wie is geklaagd dan wel de instantie waarover is geklaagd, krijgen de gelegenheid:
a. hun zienswijze mondeling of schriftelijk toe te lichten, en
b. zich bij de behandeling van de klacht te laten bijstaan.
5.
De klachtencommissie vormt zich een oordeel over de gegrondheid van de klacht en deelt dit oordeel, al dan niet vergezeld van aanbevelingen, schriftelijk mede aan de klager, degene over wie is geklaagd en het bevoegd gezag.
6.
Het bevoegd gezag deelt de klager en de klachtencommissie binnen twee weken na ontvangst van het in het vijfde lid bedoelde oordeel van de klachtencommissie schriftelijk mede of hij het oordeel over de gegrondheid van de klacht deelt en of hij naar aanleiding van dat oordeel maatregelen zal nemen en zo ja welke. Bij afwijking van de in de eerste volzin genoemde termijn, doet het bevoegd gezag daarvan met redenen omkleed mededeling aan de klager en de klachtencommissie onder vermelding van de termijn, welke termijn ten hoogste twee weken mag bedragen, waarbinnen het bevoegd gezag zijn standpunt bekend zal maken.
7.
Degene die betrokken is bij de uitvoering van dit artikel en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijze moet vermoeden, is verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit.
8.
Gegevens die betrekking hebben op een klacht worden bewaard op een plaats die uitsluitend toegankelijk is voor de leden van de klachtencommissie.
1.
Om als leerling tot een school te worden toegelaten, moet een kind de leeftijd van vier jaar hebben bereikt.
2.
Het bevoegd gezag stelt voor kinderen die nog niet eerder tot een school zijn toegelaten, toelatingstijdstippen vast op ten minste de eerste schooldag van elke maand.
3.
De leerling verlaat de school in principe aan het eind van het schooljaar waarin deze de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, doch uiterlijk aan het eind van het schooljaar waarin deze de leeftijd van veertien jaar heeft bereikt.
1.
De beslissing over toelating, schorsing en definitieve verwijdering van leerlingen berust bij het bevoegd gezag. De toelating, schorsing en definitieve verwijdering mag niet afhankelijk gesteld worden van een geldelijke bijdrage van de ouders.
2.
Onverminderd het derde lid wordt toelating van een leerling tot een school voor bijzonder onderwijs slechts geweigerd op grond van godsdienstige of levensbeschouwelijke redenen of aantoonbaar plaatsgebrek doch niet op grond van de taalachtergrond van de leerling of op grond van onvoldoende ontwikkeling in de educatiegebieden. De leerling wordt bij toelating volgens diens leeftijd geplaatst in de desbetreffende cyclus.
3.
Verwijzing van leerlingen naar een school voor speciaal funderend onderwijs of een afdeling voor speciaal funderend onderwijs, verbonden aan een school, vindt slechts plaats op grond van een onderzoek door een plaatsingscommissie volgens door het bestuurscollege van het desbetreffende openbaar lichaam te stellen regelen.
4.
Voordat wordt besloten tot schorsing van drie dagen of meer of definitieve verwijdering, hoort het bevoegd gezag de inspectie, de eilandelijke leerplichtambtenaar, de betrokken leerkracht en de betrokken ouders. Definitieve verwijdering van een leerling vindt niet plaats dan nadat het bevoegd gezag ervoor heeft zorggedragen dat een andere school bereid is de leerling toe te laten.
5.
Indien tegen het besluit, bedoeld in het eerste lid, van het bevoegd gezag van een openbare school bezwaar is gemaakt, besluit het bevoegd gezag in afwijking van artikel 69, eerste lid, van de Wet administratieve rechtspraak BES binnen 4 weken na ontvangst van het bezwaarschrift.
1.
Over iedere leerling die de school verlaat stelt de directeur, na overleg met het onderwijzende personeel, ten behoeve van de ontvangende school een onderwijskundig rapport op. Afschrift van dit rapport wordt aan de ouders van de leerling verstrekt.
2.
Bij of krachtens ministeriële regeling worden regels gegeven ten aanzien van de eisen waaraan het onderwijskundig rapport dient te voldoen.
3.
De vorm van het onderwijskundig rapport wordt door het bestuurscollege vastgesteld.
1.
De leerlingen nemen deel aan alle voor hen bestemde onderwijsactiviteiten.
2.
Het bevoegd gezag kan op verzoek van de ouders een leerling ontheffing geven van het deelnemen aan bepaalde onderwijsactiviteiten. Een ontheffing kan slechts worden verleend op grond van godsdienstige of levensbeschouwelijke redenen, een verklaring van een lichamelijke dan wel zintuiglijke handicap dan wel een leerstoornis, afgegeven door een deskundige. Het bevoegd gezag bepaalt bij de ontheffing welke onderwijsactiviteiten voor de leerling in de plaats komen van die waarvan ontheffing is verleend.
Artikel 23. Ondersteuning door ouders en andere vrijwilligers
Het bevoegd gezag stelt de ouders van de leerlingen en andere vrijwilligers in de gelegenheid ondersteunende werkzaamheden ten behoeve van de school en het onderwijs te verrichten. De ouders en andere vrijwilligers zijn daarbij gehouden de aanwijzingen op te volgen van de directeur en het overige onderwijzende personeel, die verantwoordelijk blijven voor de gang van zaken. Om ondersteunende werkzaamheden ten behoeve van de school en het onderwijs te kunnen verrichten, dienen de betrokken ouders en andere vrijwilligers in het bezit te zijn van de verklaringen, bedoeld in artikel 3, eerste lid onderdelen a en c.
1.
Aan elke school is één directeur verbonden, bij wie onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag de onderwijskundige, organisatorische en huishoudelijke leiding berust.
2.
Aan een school zijn één of meer leerkrachten verbonden. Eén van de leerkrachten van de school wordt tevens tot adjunct-directeur benoemd.
3.
Per cyclus kan op voordracht van de directeur een leerkracht tot cycluscoördinator worden benoemd die belast is met de leiding van de onderwijskundige aangelegenheden van de desbetreffende cyclus.
4.
Aan een school kan onderwijsondersteunend personeel zijn verbonden.
1.
Het bevoegd gezag stelt een directiestatuut vast.
2.
Het directiestatuut bevat in ieder geval de aanduiding van de aan het bevoegd gezag bij of krachtens wettelijk voorschrift toegekende taken en bevoegdheden waarvan het bevoegd gezag heeft bepaald dat de directeur van de school deze in naam van het bevoegd gezag kan uitoefenen. Het directiestatuut bevat voorts instructies ten aanzien van deze taken en bevoegdheden.
3.
Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat een exemplaar van het directiestatuut in het gebouw van de school ter inzage wordt gelegd op een voor een ieder toegankelijke plaats. Het bevoegd gezag zendt een exemplaar van het directiestatuut, alsmede elke wijziging daarvan, zo spoedig mogelijk na de vaststelling ter kennisneming aan de inspectie.
1.
Om tot leerkracht te kunnen worden benoemd, dient de betrokkene:
a. te voldoen aan artikel 3, eerste lid, en
b. op grond van de in de opleiding tot leerkracht funderend onderwijs gestelde vereisten en gebruikte criteria blijk te hebben gegeven van voldoende beheersing van de krachtens artikel 10 vastgestelde instructietaal of instructietalen waarin betrokkene onderwijs zal verzorgen.
2.
Om te kunnen worden benoemd voor uitsluitend het geven van godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs dient de betrokkene, in afwijking van het eerste lid, slechts te voldoen aan artikel 3, eerste lid onderdelen a, c, d en e.
3.
Om te kunnen worden benoemd in een niet onderwijsgevende functie, de directeur uitgezonderd, dient de betrokkene in het bezit te zijn van de verklaringen, bedoeld in artikel 3, eerste lid onderdelen a en c.
1.
Bij eilandsbesluit, houdende algemene maatregelen wordt een regeling vastgesteld voor de salarissen en toelagen van het personeel van een school alsmede de omvang van de personeelsformatie waarop een school voor een schooljaar recht heeft. De omvang van de personeelsformatie is:
a. afhankelijk van het aantal leerlingen van de school en mede van de samenstelling van het leerlingenbestand van de school;
b. afhankelijk van een genormeerde groepsgrootte, waarbij het aantal leerlingen in de eerste cyclus gemiddeld 24 en ten hoogste 26 per groep bedraagt en in de tweede cyclus gemiddeld 26 en ten hoogste 28 per groep bedraagt, en
c. redelijkerwijs voldoende voor het leiden en beheren van de school, voor het geven van onderwijs aan de school en voor de overige werkzaamheden die verband houden met het onderwijs aan de school.
2.
Op een daartoe strekkend verzoek van het bevoegd gezag kan het bestuurscollege beslissen dat voor een school lagere gemiddelden gelden dan de gemiddelden genoemd in dit lid onder b, indien binnen een straal van 10 kilometer van die school geen andere school bestaat die leerlingen kan toelaten die bij onverkorte toepassing van hetgeen is bepaald in het eerste lid onder b niet toelaatbaar zijn op de eerst bedoelde school.
3.
Het bestuurscollege stelt de regeling, bedoeld in het eerste lid, dan wel een wijziging daarvan, niet vast dan nadat daarover op overeenstemming gericht overleg is gevoerd met de betreffende bevoegde gezagsorganen van de scholen en onderwijsvakbond en bij diens afwezigheid met een vertegenwoordiging van het personeel.
Artikel 28. Benoeming, schorsing en ontslag
Het bevoegd gezag stelt het personeel aan dan wel benoemt het personeel en schorst en ontslaat het personeel.
1.
Het bevoegd gezag stelt het personeel aan dan wel benoemt het personeel in algemene dienst van het bevoegd gezag.
2.
Onder aanstelling dan wel benoeming in algemene dienst van het bevoegd gezag wordt in dit artikel en in de artikelen 39 en 42 verstaan een aanstelling dan wel benoeming ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden aan door het bevoegd gezag in stand gehouden scholen.
1.
De bevoegdheid tot het geven van onderwijs vervalt van rechtswege bij onherroepelijke veroordeling wegens een misdrijf tegen de zeden als bedoeld in Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht BES jegens een minderjarige.
2.
Door Onze Minister kan aan een leerkracht, die onherroepelijk is veroordeeld wegens een ander misdrijf dan bedoeld in het eerste lid of die bij het geven van onderwijs opvattingen steunt of verkondigt die strijden met de goede zeden of een aansporing inhouden tot ongehoorzaamheid aan de wettelijke regelingen binnen de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, de bevoegdheid tot het geven van onderwijs worden ontnomen.
3.
De bevoegdheid tot het geven van onderwijs vervalt van rechtswege indien de leerkracht in een periode van 5 achtereenvolgende schooljaren niet heeft deelgenomen aan nascholing in de zin van artikel 31.
4.
De leerkracht die op grond van dit artikel de bevoegdheid tot het geven van onderwijs verliest, is van rechtswege ontslagen met ingang van de dag waarop de beslissing onherroepelijk is geworden.
Artikel 31. Nascholingsplan
Het bevoegd gezag stelt jaarlijks in verband met de nascholing van het personeel van de school een nascholingsplan vast. Het nascholingsplan geeft voor het komende schooljaar een overzicht van door het bevoegd gezag voorgenomen nascholingsactiviteiten. Het nascholingsplan bevat tevens een raming van de kosten van de door het bevoegd gezag voorgenomen nascholingsactiviteiten.
1.
Het bevoegd gezag is verplicht aan studenten die in opleiding zijn voor een functie als leerkracht in het funderend onderwijs, gelegenheid te bieden de, als onderdeel van hun opleiding, vereiste ervaring in de school te verkrijgen.
2.
De verplichting bedoeld in het eerste lid, betreft:
a. studenten die bij de opleiding tot leerkracht funderend onderwijs zijn ingeschreven of anderszins studeren voor een bewijs van bekwaamheid, dan wel voor een bewijs van voldoende pedagogische en didactische voorbereiding, en
b. in een schooljaar gelijktijdig niet meer studenten als bedoeld onder a. dan een derde van het aantal leerkrachten, werkzaam aan de desbetreffende school in dat schooljaar.
3.
Het bevoegd gezag kan een student de verdere toegang tot de school ontzeggen indien deze in de school in strijd handelt met de grondslag en doelstellingen van de school. Van een beslissing tot ontzegging van de toegang tot de school wordt mededeling gedaan door toezending of uitreiking van een afschrift van het schriftelijke en met redenen omklede besluit aan de student, voor zover deze minderjarig is ook aan zijn ouders, het bevoegd gezag van de betrokken opleidingsinstelling en aan de inspectie.
4.
De directeur regelt, onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag, de werkzaamheden in verband met de begeleiding door het onderwijzend personeel van de studenten in de school in overeenstemming met dit personeel, alsmede in overeenstemming met de betrokken opleidingsinstellingen.
5.
De inspectie kan het bevoegd gezag op grond van bijzondere omstandigheden gehele of gedeeltelijke ontheffing van de verplichting verlenen. De ontheffing geldt voor een schooljaar.
6.
De scholen waarop studenten als bedoeld in het eerste lid zijn toegelaten, zijn mede toegankelijk voor de directeuren en de door dezen aan te wijzen leerkrachten van de betrokken opleidingsinstellingen, een en ander voor zover zulks voor de begeleiding van de praktische vorming van de in de school aanwezige studenten noodzakelijk is.
1.
Het gezondheidstoezicht op de scholen wordt uitgeoefend door of vanwege het bestuurscollege en strekt zich uit over alle gebouwen waarin en terreinen waarop funderend onderwijs wordt gegeven en over het personeel van de scholen en de leerlingen.
2.
Geen onderwijs wordt gegeven in gebouwen of terreinen ten aanzien waarvan het bestuurscollege heeft besloten, dat zij niet voldoen aan de geldende bouwvoorschriften.
3.
Een besluit als bedoeld in het tweede lid wordt schriftelijk en met redenen omkleed gegeven.
4.
Het bestuurscollege maakt zijn besluit onmiddellijk openbaar op de wijze waarop van eilandswege officiële berichten worden bekendgemaakt.
5.
Nadat het bestuurscollege schriftelijk heeft verklaard dat het gebouw of het terrein voldoende is verbeterd mag het onderwijs worden hervat. Het derde en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
1.
Het openbaar onderwijs draagt bij aan de ontwikkeling en vorming van de leerlingen met aandacht voor de godsdienstige, levensbeschouwelijke en maatschappelijke waarden zoals die leven in de Nederlands Antilliaanse samenleving.
2.
Openbare scholen zijn toegankelijk voor alle kinderen zonder onderscheid van godsdienst of levensbeschouwing.
3.
Openbaar onderwijs wordt gegeven met eerbiediging van ieders godsdienst of levensbeschouwing.
1.
Een eilandsraad kan bij eilandsverordening een openbaar orgaan instellen die tot doel heeft een of meer openbare scholen voor funderend onderwijs in het openbaar lichaam in stand te houden, al dan niet samen met openbare scholen voor speciaal funderend onderwijs, openbare scholen als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs BES of een openbare instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs BES .
2.
De eilandsraad maakt het voornemen tot het vaststellen van de verordening, bedoeld in het eerste lid, bekend.
3.
Het openbaar orgaan oefent met uitzondering van de besluitvorming over de opheffing van een openbare school alle taken en bevoegdheden uit van het bevoegd gezag. Het bezit rechtspersoonlijkheid.
4.
De eilandsverordening, bedoeld in het eerste lid, voorziet in ieder geval in een regeling omtrent:
a. de samenstelling, werkwijze en inrichting van het bestuur van het openbaar orgaan, met dien verstande dat in de regeling een overheersende invloed van de overheid in het bestuur is verzekerd;
b. de wijze van benoeming, herbenoeming, schorsing en ontslag van de bestuursleden, met dien verstande dat de leden van het bestuur worden benoemd door de eilandsraad en dat ten minste een derde deel, doch geen meerderheid, van die leden wordt benoemd op bindende voordracht van de ouders van de leerlingen die zijn ingeschreven op de betrokken school of scholen;
c. de termijn waarvoor de bestuursleden worden benoemd;
d. de vaststelling van de begroting en de jaarrekening na goedkeuring door de betreffende eilandsraad;
e. de wijze waarop de eilandsraad toezicht op het bestuur uitoefent;
f. de gronden waarop het bestuur kan besluiten de vergadering besloten te houden, en
g. de periode waarvoor het openbaar orgaan in het leven wordt geroepen, met dien verstande dat deze periode ten minste 5 jaren bedraagt;
5.
Het bestuur brengt jaarlijks verslag uit aan de eilandsraad over de werkzaamheden, waarbij in ieder geval aandacht wordt geschonken aan de wezenskenmerken van het openbaar onderwijs. Het verslag wordt bekendgemaakt.
6.
De vergaderingen van het bestuur van het openbaar orgaan zijn openbaar, tenzij het bestuur anders beslist, op gronden vermeld in de eilandsverordening, bedoeld in het eerste lid.
7.
Indien voor 1 januari van het jaar waarvoor de begroting geldt de begroting niet is goedgekeurd, neemt de eilandsraad de maatregelen die hij nodig acht om de continuïteit van het onderwijsproces te waarborgen.
8.
De eilandsraad is in geval van ernstige taakverwaarlozing door het bestuur of functioneren in strijd met de wet- en regelgeving bevoegd zelf te voorzien in het bestuur van de scholen en zo nodig het openbaar orgaan te ontbinden.
1.
De aanstelling en de overplaatsing van directeuren en adjunct-directeuren geschiedt door het bevoegd gezag, het personeel gehoord.
2.
De aanstelling en de overplaatsing van het overige personeel geschiedt door het bevoegd gezag, de directeuren en adjunct-directeuren van de desbetreffende scholen gehoord.
Artikel 37. Godsdienst- of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs
Het bevoegd gezag stelt de leerlingen in de gelegenheid op de school, binnen de schooltijden, godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs te ontvangen. Ten hoogste 60 uren per schooljaar van het aantal uren onderwijs dat de leerlingen krachtens artikel 9, vierde lid, onderdeel a, ten minste moeten ontvangen, mogen aan het godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs worden besteed. Voor de leerlingen die dit onderwijs niet volgen, voorziet het bevoegd gezag in andere onderwijsactiviteiten op de school.
Artikel 38. Aanstelling leerkracht godsdienst- en levensbeschouwelijk vormingsonderwijs
Godsdienstonderwijs wordt gegeven door leerkrachten daartoe aangewezen door kerkelijke gemeenten, plaatselijke kerken, of rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid die zich volgens hun statuten het geven van godsdienstonderwijs ten doel stellen. Levensbeschouwelijk vormingsonderwijs wordt gegeven door leerkrachten daartoe aangewezen door volledige rechtsbevoegdheid bezittende organisaties op geestelijke grondslag.
1.
Ieder personeelslid in dienst van het bevoegd gezag is in het bezit van een door het bevoegd gezag getekende akte van aanstelling. De akte van aanstelling bevat in elk geval:
a. de naam en het adres van het bevoegd gezag;
b. de naam, de voornamen en de geboortedatum van de betrokkene;
c. de datum van ingang en de omvang van de aanstelling;
d. de functie waarin de betrokkene wordt aangesteld;
e. de bepaling of de aanstelling in vaste of in tijdelijke dienst geschiedt en in het laatste geval de gronden voor de tijdelijkheid en de duur van de aanstelling;
f. de op de dag van zijn aanstelling van toepassing zijnde schaal en het daarbinnen geldende dienstjaar;
g. de bepaling dat de betrokkene werkzaam zal zijn in algemene dienst van het bevoegd gezag, en
h. voor personeelsleden die bij de uitoefening van hun functie kennis nemen van persoonlijke gegevens van leerlingen, voorschriften omtrent geheimhouding daarvan, voor zover een geheimhoudingsplicht niet uit anderen hoofde is verzekerd.
2.
Het bevoegd gezag draagt zorg dat afschriften van de bewijzen van bekwaamheid, van de verklaringen omtrent het gedrag, alsmede van de akten van aanstelling van het aan de school verbonden personeel worden bewaard en zendt tevens een afschrift van de bewijzen van bekwaamheid aan de inspectie.
Artikel 40. Instandhouding bijzondere school
Een bijzondere school wordt in stand gehouden door een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die zich volgens de statuten of reglementen het geven van onderwijs ten doel stelt zonder daarbij het maken van winst te beogen.
1.
Indien, over de weg gemeten, binnen 5 kilometer van de woning van de leerling geen gelegenheid bestaat tot het volgen van openbaar onderwijs, mag de toelating tot de school niet worden geweigerd op grond van godsdienstige gezindheid of levensbeschouwing.
2.
Leerlingen die ingevolge het eerste lid zijn toegelaten, kunnen niet worden verplicht godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs te volgen. Voor de leerlingen die dit onderwijs niet volgen, voorziet het bevoegd gezag in andere onderwijsactiviteiten op de school.
1.
Ieder personeelslid is in het bezit van een door het bevoegd gezag en hemzelf getekende akte van benoeming. De akte van benoeming bevat in elk geval:
a. de naam en het adres van het bevoegd gezag;
b. de naam, de voornamen en de geboortedatum van de betrokkene;
c. de datum van ingang en de omvang van de benoeming;
d. de functie waarin de betrokkene wordt benoemd;
e. de bepaling of de benoeming in vaste of tijdelijke dienst geschiedt en in het laatste geval de gronden voor de tijdelijkheid en de duur van de benoeming;
f. de op de dag van zijn benoeming van toepassing zijnde schaal en het daarbinnen geldende dienstjaar;
g. de bepaling dat de betrokkene werkzaam zal zijn in algemene dienst van het bevoegd gezag, en
h. voor personeelsleden die bij de uitoefening van hun functie kennis nemen van persoonlijke gegevens van leerlingen, voorschriften omtrent geheimhouding daarvan, voor zover een geheimhoudingsplicht niet uit anderen hoofde is verzekerd.
2.
De akte van benoeming bevat ten minste bepalingen betreffende gronden voor schorsing, ontslag en disciplinaire maatregelen alsmede de bepaling dat de voorschriften betreffende de materiële rechtspositie van het personeel bij het openbaar onderwijs van overeenkomstige toepassing zijn.
3.
Het bevoegd gezag draagt zorg dat afschriften van de bewijzen van bekwaamheid, van de verklaringen omtrent het gedrag, alsmede van de akten van benoeming van het aan de school verbonden personeel worden bewaard en zendt tevens een afschrift van de bewijzen van bekwaamheid aan de inspectie.
1.
Indien het bevoegd gezag van een bijzondere school op grond van artikel 32, derde lid, een student die in opleiding is voor een functie als leerkracht funderend onderwijs de toegang ontzegt, deelt het deze beslissing, schriftelijk en met redenen omkleed, mede door toezending of uitreiking aan de student, voor zover deze minderjarig is ook aan zijn ouders, het bevoegd gezag van de betrokken opleidingsinstelling en aan de inspectie. Daarbij wordt tevens de inhoud van het bepaalde in het derde lid, eerste volzin, vermeld.
2.
Indien het bevoegd gezag van een bijzondere school op grond van artikel 20 weigert een leerling toe te laten dan wel een leerling verwijdert, deelt het de beslissing daartoe, schriftelijk en met redenen omkleed, mede door toezending of uitreiking aan de ouders. Daarbij wordt tevens de inhoud van het bepaalde in het derde lid, eerste volzin, vermeld.
3.
Binnen 4 weken na de mededeling, bedoeld in het eerste en het tweede lid, kunnen de student onderscheidenlijk de ouders bij het bevoegd gezag schriftelijk hun bezwaren kenbaar maken tegen de beslissing. Het bevoegd gezag beslist binnen 4 weken na ontvangst van de bezwaren. Alvorens te beslissen hoort het bevoegd gezag de student onderscheidenlijk de ouders.
Artikel 44. Bekostiging onderwijs
De kosten van de openbare en de bijzondere scholen worden door het openbaar lichaam vergoed volgens de bepalingen van deze titel.
1.
De eilandsraad kan op aanvraag van het bevoegd gezag een school voor bekostiging in aanmerking brengen indien er, met inachtneming van hetgeen is bepaald in artikel 47, sprake is van voldoende behoefte aan die school. Bij inwilliging van de aanvraag ontstaat de aanspraak op bekostiging met ingang van het schooljaar volgend op de inwilliging, dan wel een eerder door de eilandsraad vast te stellen moment.
2.
Bij eilandsverordening wordt vastgesteld de wijze waarop de in het eerste lid bedoelde behoefte wordt bepaald, en worden voorschriften gegeven met betrekking tot de indiening en behandeling van aanvragen om bekostiging op grond van het eerste lid. Bij het vaststellen van deze voorschriften geldt als uitgangspunt dat op de aanvraag wordt beslist binnen negen maanden na ontvangst van de aanvraag.
1.
De vergoeding heeft ten minste betrekking op:
a. personeel;
b. onderhoud, beveiliging, verzekering en vervanging van inventaris;
c. onderhoud, beveiliging en verzekering van gebouwen en terreinen;
d. energie;
e. administratie, beheer en bestuur;
f. schoonmaken;
g. heffingen;
h. huur van gebouwen en terreinen;
i. investeringen in gebouwen en terreinen;
j. eerste inrichting;
k. nascholing, en
l. leerlingenzorg.
2.
De vergoeding is toereikend met het oog op een goede verzorging van het funderend onderwijs.
3.
Voor onderwijsondersteunende activiteiten kan het bestuurscollege een afzonderlijke vergoeding toekennen.
4.
Bij eilandsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden voor zover van toepassing geregeld:
a. de gevallen waarin de niet in het eerste lid genoemde kostensoorten voor vergoeding in aanmerking komen;
b. de wijze waarop vergoedingen als bedoeld in het eerste lid worden berekend;
c. de voorwaarden waaronder een vergoeding als bedoeld in het derde lid kan worden toegekend;
d. de wijze waarop de vergoedingen beschikbaar worden gesteld aan de bevoegde gezagsorganen, daaronder in elk geval begrepen regels over de betalingswijze, de betalingstermijnen, voor zover van toepassing de bevoorschotting en het al dan niet mede voor andere, alsdan aan te wijzen doeleinden mogen aanwenden van de vergoedingen, en
e. de verantwoording van de rechtmatigheid en de doelmatigheid van de aanwending van de vergoedingen.
5.
Vooruitlopend op een wijziging van het eerste lid, kunnen bij algemene maatregel van bestuur kostensoorten worden aangewezen waarop de vergoeding eveneens betrekking heeft.
1.
De eilandsraad kan besluiten dat een school niet meer voor bekostiging in aanmerking komt, indien niet langer sprake is van voldoende behoefte aan die school. De wijze waarop wordt vastgesteld dat niet langer sprake is van voldoende behoefte, wordt geregeld bij eilandsverordening, met dien verstande dat daarin ten aanzien van de bepaling van mate van behoefte slechts geobjectiveerde normen met betrekking tot de minimale omvang van het leerlingenbestand, welke noodzakelijk geacht mag worden om een school in de zin van deze wet in stand te kunnen houden, gesteld kunnen worden. De behoefte wordt niet in voldoende mate aanwezig geacht indien de school naar mening van de eilandsraad bezocht zal worden door minder dan 75 leerlingen.
2.
In geval van een beslissing als bedoeld in het eerste lid, vervalt de aanspraak op bekostiging voor een school op een nader door de eilandsraad te bepalen tijdstip, welk tijdstip in elk geval samenvalt met het einde van een schooljaar.
1.
Het bevoegd gezag van een bijzondere school geeft het bestuurscollege alle inlichtingen die het voor de toepassing van deze titel verlangt. De informatie wordt verstrekt in een door het bestuurscollege vast te stellen vorm.
2.
Het bevoegd gezag, de eilandsraad en het bestuurscollege verschaffen aan Onze Minister alle informatie die deze nodig acht ten behoeve van een goede uitvoering van deze wet en voor het door hem te voeren beleid met betrekking tot het funderend onderwijs. De informatie wordt verstrekt in een door Onze Minister vast te stellen vorm.
1.
Indien het bevoegd gezag van een niet door het bestuurscollege in stand gehouden school een bij of krachtens deze wet gegeven voorschrift niet nakomt, kan het bestuurscollege bepalen dan wel bepaalt het bestuurscollege op aanwijzing van Onze Minister, dat de vergoeding of de bevoorschotting op de vergoeding geheel of gedeeltelijk wordt ingehouden dan wel opgeschort.
2.
Het bestuurscollege kent de vergoeding wederom toe, indien hem blijkt, dan wel Onze Minister te kennen heeft gegeven, dat de reden voor de toepassing van het eerste lid is vervallen.
3.
Afschrift van een beslissing als bedoeld in het eerste en tweede lid zendt het bestuurscollege aan Onze Minister.
4.
Indien het bestuurscollege een bij of krachtens deze wet gegeven voorschrift niet nakomt, informeert Onze Minister de eilandsraad.
Artikel 50
[wijzigt de Landsverordening onderwijskundige experimenten]
Artikel 51
[wijzigt de Landsverordening voortgezet onderwijs]
Artikel 52
[wijzigt de Landsverordening secundair beroepsonderwijs en educatie]
Artikel 53
[wijzigt de Leerplichtlandsverordening]
1.
De Landsverordening kleuteronderwijs wordt ingetrokken, met dien verstande dat de bij en krachtens die verordening vastgestelde bepalingen van toepassing blijven op het onderwijs waarvoor het funderend onderwijs nog niet ingevolge de stapsgewijze invoering bedoeld in artikel 56 in de plaats is getreden.
2.
De Landsverordening basisonderwijs is met uitzondering van de bepalingen die betrekking hebben op het speciaal onderwijs niet meer van toepassing, met dien verstande dat de bij en krachtens die verordening vastgestelde bepalingen van toepassing blijven op het onderwijs waarvoor het funderend onderwijs nog niet ingevolge de stapsgewijze invoering bedoeld in artikel 56 in de plaats is getreden.
Artikel 55 t/m 57
[vervallen]
Artikel 58. Beëindiging dienstverband
Het dienstverband tussen een bevoegd gezag dat een of meer scholen voor funderend onderwijs in stand houdt en het bij dat bevoegd gezag voor het kleuteronderwijs of het basisonderwijs in dienst zijnde personeel kan niet worden beëindigd op gronden die verband houden met de invoering van het funderend onderwijs.
Artikel 59 t/m 61
[vervallen]
Artikel 62. Personeelsgeschil
Op geschillen tussen personeel en bevoegd gezag die ingevolge de op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze wet geldende voorschriften aanhangig zijn gemaakt bij een commissie van beroep of bij de rechter, blijven de op die dag geldende regelingen van toepassing.
1.
Indien een bevoegdheid tot het geven van onderwijs krachtens artikel 33 van de Landsverordening basisonderwijs of artikel 28 van de Landsverordening kleuteronderwijs is vervallen of ontnomen, wordt deze geacht te zijn vervallen of ontnomen krachtens artikel 30.
2.
Degene die in zijn bevoegdheid tot het geven van onderwijs krachtens artikel 35 van de Landsverordening basisonderwijs of artikel 30 van de Landsverordening kleuteronderwijs is geschorst, wordt geacht in zijn bevoegdheid tot het geven van onderwijs te zijn geschorst krachtens artikel 34.
Artikel 64. Documentatie rechtspersoonlijkheid
De daarvoor in aanmerking komende rechtspersonen brengen voor zover noodzakelijk binnen zes maanden na de inwerkingtreding van de Landsverordening funderend onderwijs hun statuten of reglementen in overeenstemming met de in deze wet gegeven voorschriften.
Artikel 65 t/m 68
[vervallen]
Artikel 69. Voorschriften t.b.v. invoering FO
Voorzover deze wet daarin niet voorziet, alsmede indien nodig in afwijking van het bij of krachtens deze wet bepaalde, kunnen bij ministeriële regeling, desgewenst per openbaar lichaam, voorschriften worden vastgesteld ten behoeve van een goede invoering van deze wet.
1.
De bevoegde gezagsorganen, de bestuurscolleges, de eilandsraden en de scholen zijn verplicht Onze Minister en de door hem aangewezen ambtenaren desgevraagd alle inlichtingen te geven die nodig zijn voor een goede uitvoering van deze wet.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven ten aanzien van het formaat waarin de inlichtingen moeten worden aangeleverd.
Artikel 71. Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als: Wet primair onderwijs BES.
Artikel 72
[vervallen]