Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Ook bekend als:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk II. De instelling van de openbare lichamen
+ Hoofdstuk III. De inrichting en samenstelling van het eilandsbestuur
+ Hoofdstuk IV. De bevoegdheid van het eilandsbestuur
+ Hoofdstuk V. Verhouding tot het Rijk
+ Hoofdstuk VI. Overgangs- en slotbepalingen
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken

Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Wet van 17 mei 2010, houdende regels met betrekking tot de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat met de eilandgebieden Bonaire, Sint Eustatius en Saba is overeengekomen dat zij een staatsrechtelijke positie krijgen binnen het Nederlandse staatsbestel en worden ingericht als openbaar lichaam in de zin van artikel 134 van de Grondwet en dat het in verband hiermee wenselijk is de instelling en inrichting van deze openbare lichamen te regelen, de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen, de openbaarheid van hun vergaderingen alsmede het toezicht op deze besturen, waarbij voor zover mogelijk aansluiting wordt gezocht bij het gemeentelijk bestuursmodel;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
1.
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. openbaar lichaam: openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba;
b. eilandsbestuur: ieder bevoegd orgaan van het openbaar lichaam;
c. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
d. Rijksvertegenwoordiger: Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
2.
In deze wet wordt onder ambtenaar mede verstaan: degene die op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam is.
1.
Er is een openbaar lichaam Bonaire.
2.
Het openbaar lichaam Bonaire omvat de eilanden Bonaire en Klein Bonaire.
3.
Het openbaar lichaam Bonaire bezit rechtspersoonlijkheid.
1.
Er is een openbaar lichaam Sint Eustatius.
2.
Het openbaar lichaam Sint Eustatius omvat het eiland Sint Eustatius.
3.
Het openbaar lichaam Sint Eustatius bezit rechtspersoonlijkheid.
1.
Er is een openbaar lichaam Saba.
2.
Het openbaar lichaam Saba omvat het eiland Saba.
3.
Het openbaar lichaam Saba bezit rechtspersoonlijkheid.
Artikel 4a
Bij algemene maatregel van bestuur worden de grenzen van de openbare lichamen vastgesteld.
Artikel 5
In elk openbaar lichaam is een eilandsraad, een bestuurscollege en een gezaghebber.
Artikel 6
De eilandsraad vertegenwoordigt de gehele bevolking van het openbaar lichaam.
1.
De leden van de eilandsraad worden gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging binnen door de wet te stellen grenzen.
2.
De verkiezingen worden gehouden bij geheime stemming.
Artikel 8
De zittingsduur van de eilandsraad is vier jaren.
Artikel 9
Het aantal leden van de eilandsraad bedraagt:
a. negen in het openbaar lichaam Bonaire;
b. vijf in de openbare lichamen Sint Eustatius en Saba.
Artikel 10
De gezaghebber is voorzitter van de eilandsraad.
1.
Voor het lidmaatschap van de eilandsraad is vereist dat men ingezetene van het openbaar lichaam is, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en niet is uitgesloten van het kiesrecht.
2.
Onder ingezetene wordt verstaan hij die zijn werkelijke woonplaats in het openbaar lichaam heeft.
3.
Hij die als ingezetene met een adres is ingeschreven in de bevolkingsadministratie van een openbaar lichaam, wordt, behoudens bewijs van het tegendeel, geacht werkelijke woonplaats te hebben in het openbaar lichaam.
4.
Zij die geen Nederlander zijn, dienen tevens te voldoen aan de vereisten dat:
a. zij rechtmatig in Nederland verblijven op grond van artikel 3 of artikel 6 van de Wet toelating en uitzetting BES of op grond van een verdrag tussen een internationale organisatie en de Staat der Nederlanden inzake de zetel van deze organisatie in Nederland, en
b. zij onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop de eilandsraad beslist over de toelating als lid tot de eilandsraad gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijf jaren ingezetene van Nederland waren en beschikten over een verblijfsrecht als bedoeld onder a, dan wel rechtmatig in Nederland verbleven op grond van artikel 8, onder a, b, c, d, e of l, van de Vreemdelingenwet 2000.
5.
Geen lid van de eilandsraad kunnen zijn zij die geen Nederlander zijn, en als door andere staten uitgezonden leden van diplomatieke of consulaire vertegenwoordigingen, in Nederland werkzaam zijn, alsmede hun niet-Nederlandse echtgenoten, geregistreerde partners of levensgezellen en kinderen, voor zover dezen met hen een gemeenschappelijke huishouding voeren.
Artikel 12
Ter vervulling van een tussentijds opengevallen plaats is niet benoembaar tot lid van de eilandsraad hij die na de laatstgehouden periodieke verkiezing van de leden van de eilandsraad wegens handelen in strijd met artikel 16 van het lidmaatschap van de eilandsraad is vervallen verklaard.
1.
De leden van de eilandsraad maken openbaar welke andere functies dan het lidmaatschap van de eilandsraad zij vervullen.
2.
De openbaarmaking vindt plaats terstond na benoeming tot lid van de eilandsraad of na aanvaarding van een andere functie en geschiedt door terinzagelegging van een opgave van de functies op het bestuurskantoor van het openbaar lichaam.
1.
Een lid van de eilandsraad is niet tevens:
a. minister;
b. staatssecretaris;
c. lid van de Raad van State;
d. lid van de Algemene Rekenkamer;
e. Nationale ombudsman;
f. substituut-ombudsman als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wet Nationale ombudsman;
g. Rijksvertegenwoordiger;
h. gezaghebber;
i. eilandgedeputeerde;
j. lid van de gezamenlijke rekenkamer;
k. gezamenlijke ombudsman of lid van de gezamenlijke ombudscommissie;
l. ambtenaar, door of vanwege het bestuur van het openbaar lichaam aangesteld of daaraan ondergeschikt.
2.
In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder i, kan een lid van de eilandsraad tevens eilandgedeputeerde zijn van het openbaar lichaam waar hij lid van de eilandsraad is gedurende het tijdvak dat:
a. aanvangt op de dag van de stemming voor de verkiezing van de leden van de eilandsraad en eindigt op het tijdstip waarop de eilandgedeputeerden ingevolge artikel 54, eerste lid, aftreden, of
b. aanvangt op het tijdstip van zijn benoeming tot eilandgedeputeerde en eindigt op het tijdstip met ingang waarvan de geloofsbrief van zijn opvolger als lid van de eilandsraad is goedgekeurd of waarop het centraal stembureau heeft beslist dat geen opvolger kan worden benoemd.
3.
Het lid van de eilandsraad, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, wordt geacht ontslag te nemen als lid van de eilandsraad met ingang van het tijdstip waarop hij zijn benoeming tot eilandgedeputeerde aanvaardt. Artikel X 6 van de Kieswet is van overeenkomstige toepassing.
4.
In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder l, kan een lid van de eilandsraad tevens zijn:
a. ambtenaar van de burgerlijke stand;
b. vrijwilliger of ander persoon die uit hoofde van een wettelijke verplichting niet bij wijze van beroep hulpdiensten verricht;
c. ambtenaar werkzaam voor een school voor openbaar onderwijs;
d. ambtenaar werkzaam in een bij eilandsverordening van de eilandsraad van het openbaar lichaam Sint Eustatius of Saba aan te wijzen functie, die niet zodanige bevoegdheden of verantwoordelijkheden meebrengt, dat voor belangenverstrengeling moet worden gevreesd.
5.
Een eilandsverordening als bedoeld in het vierde lid, onderdeel d, wordt ten minste vier maanden voor de dag van kandidaatstelling voor de verkiezing van de leden van de eilandsraad vastgesteld en behoeft de goedkeuring van de Rijksvertegenwoordiger.
1.
Alvorens hun functie te kunnen uitoefenen, leggen de leden van de eilandsraad in de vergadering, in handen van de voorzitter, de volgende eed (verklaring en belofte) af:
«Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot lid van de eilandsraad benoemd te worden, rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd.
Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te doen of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of zal aannemen.
Ik zweer (beloof) dat ik getrouw zal zijn aan de Grondwet , dat ik de wetten zal nakomen en dat ik mijn plichten als lid van de eilandsraad naar eer en geweten zal vervullen.
Zo waarlijk helpe mij God Almachtig!»
(Dat verklaar en beloof ik!»)
2.
In plaats van in het Nederlands kan de eed (verklaring en belofte) in het Papiaments of het Engels worden afgelegd.
3.
Wanneer de eed (verklaring en belofte) in het Papiaments wordt afgelegd, luidt de tekst van de eed (verklaring en belofte) als volgt:
«Mi ta hura (deklará) ku pa mi nombramentu den e kargo o funshon di miembro di konseho insular mi no a duna ni primintí, ni direkta- ni indirektamente, bou di ningun nòmber ni denominashon ni preteksto, ningun regalo ni fabor.
Mi ta hura (deklará i primintí) ku mi no a risibí ni mi no a aseptá, ni lo mi no aseptá, ni direkta- ni indirektamente, ningun regalo ni ningun promesa di hasi algu o laga di hasi algu den e kargo o funshon en kuestion.
Mi ta hura (primintí) ku lo mi ta fiel na Konstitushon, ku lo mi kumpli ku lei i ku lo mi kumpli ku mi obligashonnan komo miembro di konseho insular segun mi konsenshi i honor.
Ku Dios Todopoderoso yudami!»
(Esei mi ta deklará i primintí!»)
4.
Wanneer de eed (verklaring en belofte) in het Engels wordt afgelegd, luidt de tekst van de eed (verklaring en belofte) als volgt:
«I swear (affirm) that I neither gave nor promised any gift or favour, either directly or indirectly, under any name or pretext whatsoever, in order to be appointed member of the island council.
I swear (affirm and promise) that I have made no gift or promise, and shall accept no gift or promise, either directly or indirectly, in order to do or to omit to do anything in the course of my duties.
I swear (promise) that I will bear allegiance to the Constitution, that I will observe the laws and that I will perform my duties as member of the island council in good faith.
So help me God Almighty!
(This I affirm and promise!)
1.
Een lid van de eilandsraad mag niet:
a. als advocaat, procureur of adviseur in geschillen werkzaam zijn ten behoeve van het openbaar lichaam of het eilandsbestuur dan wel ten behoeve van de wederpartij van het openbaar lichaam of het eilandsbestuur;
b. als gemachtigde in geschillen werkzaam zijn ten behoeve van de wederpartij van het openbaar lichaam of het eilandsbestuur;
c. als vertegenwoordiger of adviseur werkzaam zijn ten behoeve van derden tot het met het openbaar lichaam aangaan van:
1°. overeenkomsten als bedoeld in onderdeel d;
2°. overeenkomsten tot het leveren van onroerende zaken aan het openbaar lichaam;
d. rechtstreeks of middellijk een overeenkomst aangaan betreffende:
1°. het aannemen van werk ten behoeve van het openbaar lichaam;
2°. het buiten dienstbetrekking tegen beloning verrichten van werkzaamheden ten behoeve van het openbaar lichaam;
3°. het leveren van roerende zaken anders dan om niet aan het openbaar lichaam;
4°. het verhuren van roerende zaken aan het openbaar lichaam;
5°. het verwerven van betwiste vorderingen ten laste van het openbaar lichaam;
6°. het van het openbaar lichaam onderhands verwerven van onroerende zaken of beperkte rechten waaraan deze zijn onderworpen;
7°. het onderhands huren of pachten van het openbaar lichaam.
2.
Van het eerste lid, aanhef en onderdeel d, kan de Rijksvertegenwoordiger ontheffing verlenen.
3.
De eilandsraad stelt voor zijn leden een gedragscode vast.
Artikel 17
De eilandsraad stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden vast.
1.
De eilandsraad vergadert zo vaak als hij daartoe heeft besloten.
2.
Voorts vergadert de eilandsraad indien de gezaghebber het nodig oordeelt of indien ten minste een vijfde van het aantal leden waaruit de eilandsraad bestaat schriftelijk, met opgave van redenen, daarom verzoekt.
Artikel 19
De eilandsraad vergadert na de periodieke verkiezing van zijn leden voor de eerste maal in nieuwe samenstelling op de dag met ingang waarvan de leden van de eilandsraad in oude samenstelling aftreden.
1.
De gezaghebber roept de leden schriftelijk tot de vergadering op.
2.
Tegelijkertijd met de oproeping brengt de gezaghebber dag, tijdstip en plaats van de vergadering ter openbare kennis. De agenda en de daarbij behorende voorstellen met uitzondering van de stukken, bedoeld in artikel 26, tweede lid, worden tegelijkertijd met de oproeping en op een bij de openbare kennisgeving aan te geven wijze ter inzage gelegd.
1.
De vergadering van de eilandsraad wordt niet geopend voordat blijkens de presentielijst meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is.
2.
Indien ingevolge het eerste lid de vergadering niet kan worden geopend, belegt de gezaghebber, onder verwijzing naar dit artikel, opnieuw een vergadering tegen een tijdstip dat ten minste vierentwintig uur na het bezorgen van de oproeping is gelegen.
3.
Op de vergadering, bedoeld in het tweede lid, is het eerste lid niet van toepassing. De eilandsraad kan echter over andere aangelegenheden dan die waarvoor de ingevolge het eerste lid niet geopende vergadering was belegd alleen beraadslagen of besluiten, indien blijkens de presentielijst meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is.
1.
De gezaghebber heeft het recht in de vergadering aan de beraadslaging deel te nemen.
2.
Een eilandgedeputeerde heeft toegang tot de vergaderingen en kan aan de beraadslaging deelnemen.
3.
Een eilandgedeputeerde kan door de eilandsraad worden uitgenodigd om ter vergadering aanwezig te zijn.
Artikel 23
De leden van het eilandsbestuur en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor dan wel worden verplicht in rechte getuigenis af te leggen als bedoeld in artikel 144, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES over hetgeen zij in de vergadering van de eilandsraad hebben gezegd of aan de eilandsraad schriftelijk hebben overgelegd.
1.
De vergadering van de eilandsraad wordt in het openbaar gehouden.
2.
De deuren worden gesloten, wanneer ten minste één vijfde van het aantal leden dat de presentielijst heeft getekend daarom verzoekt of de voorzitter het nodig oordeelt.
3.
De eilandsraad beslist vervolgens of met gesloten deuren zal worden vergaderd.
4.
De voorzitter kan vervolgens alsnog besluiten dat de vergadering in het openbaar wordt gehouden indien hij dit in het kader van het openbaar belang nodig acht.
5.
Van een vergadering met gesloten deuren wordt een afzonderlijk verslag opgemaakt, dat niet openbaar wordt gemaakt tenzij de eilandsraad anders beslist.
6.
De eilandsraad maakt de besluitenlijst van zijn vergaderingen terstond na de vaststelling daarvan openbaar op de in het openbaar lichaam gebruikelijke wijze. De eilandsraad laat de openbaarmaking achterwege voor zover het aangelegenheden betreft ten aanzien waarvan op grond van artikel 26 geheimhouding is opgelegd of ten aanzien waarvan openbaarmaking in strijd is met het openbaar belang.
1.
In een besloten vergadering kan niet worden beraadslaagd of besloten over:
a. de toelating van nieuw benoemde leden;
b. de vaststelling en wijziging van de begroting en de vaststelling van de jaarrekening;
c. de invoering, wijziging en afschaffing van eilandbelastingen, en
d. de benoeming en het ontslag van eilandgedeputeerden.
2.
In een besloten vergadering kan geen besluit worden genomen over:
a. ontwerpen van eilandsverordeningen;
b. het doen van uitgaven, op de begroting niet voorkomende of de daarop uitgetrokken posten te boven gaande;
c. het aanwijzen van middelen tot dekking van zodanige uitgaven;
d. het geheel of gedeeltelijk vervreemden en het bezwaren van de eigendommen van het openbaar lichaam;
e. het onderhands verhuren, verpachten of in gebruik geven van eigendommen van het openbaar lichaam;
f. het onderhands gunnen of aanbesteden van werken of leveranties.
1.
De eilandsraad kan op grond van een belang, genoemd in artikel 11 van de Wet openbaarheid van bestuur BES, omtrent het in een besloten vergadering behandelde en omtrent de inhoud van de stukken die aan de eilandsraad worden overgelegd, geheimhouding opleggen. Geheimhouding omtrent het in een besloten vergadering behandelde wordt tijdens die vergadering opgelegd. De geheimhouding wordt door hen die bij de behandeling aanwezig waren en allen die van het behandelde of de stukken kennis dragen, in acht genomen totdat de eilandsraad haar opheft.
2.
Op grond van een belang, genoemd in artikel 11 van de Wet openbaarheid van bestuur BES, kan de geheimhouding eveneens worden opgelegd door het bestuurscollege, de gezaghebber en een commissie, ieder ten aanzien van de stukken die zij aan de eilandsraad of aan leden van de eilandsraad overleggen. Daarvan wordt op de stukken melding gemaakt.
3.
Met betrekking tot aan de eilandsraad overlegde stukken vervalt de krachtens het tweede lid opgelegde verplichting tot geheimhouding, indien de oplegging niet door de eilandsraad in zijn eerstvolgende vergadering die blijkens de presentielijst door meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden is bezocht, wordt bekrachtigd. De eilandsraad kan de geheimhouding nadien opheffen in een vergadering die blijkens de presentielijst door meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden is bezocht.
4.
Met betrekking tot aan de leden van de eilandsraad overlegde stukken wordt de krachtens het tweede lid opgelegde verplichting tot geheimhouding in acht genomen totdat het orgaan dat de verplichting heeft opgelegd haar opheft.
1.
De voorzitter zorgt voor de handhaving van de orde in de vergadering en is bevoegd, wanneer die orde op enigerlei wijze door toehoorders wordt verstoord, deze en zo nodig andere toehoorders te doen vertrekken.
2.
Hij is bevoegd toehoorders die bij herhaling de orde in de vergadering verstoren voor ten hoogste drie maanden de toegang tot de vergadering te ontzeggen.
3.
Hij kan de eilandsraad voorstellen aan een lid dat door zijn gedragingen de geregelde gang van zaken belemmert, het verdere verblijf in de vergadering te ontzeggen. Over het voorstel wordt niet beraadslaagd. Na aanneming daarvan verlaat het lid de vergadering onmiddellijk. Zo nodig doet de voorzitter hem verwijderen. Bij herhaling van zijn gedrag kan het lid bovendien voor ten hoogste drie maanden de toegang tot de vergadering worden ontzegd.
Artikel 28
De leden van de eilandsraad stemmen zonder last.
1.
Een lid van de eilandsraad neemt niet deel aan de stemming over:
a. een aangelegenheid die hem rechtstreeks of middellijk persoonlijk aangaat of waarbij hij als vertegenwoordiger is betrokken;
b. de vaststelling of goedkeuring der rekening van een lichaam waaraan hij rekenplichtig is of tot welks bestuur hij behoort.
2.
Bij een schriftelijke stemming wordt onder het deelnemen aan de stemming verstaan het inleveren van een stembriefje.
3.
Een benoeming gaat iemand persoonlijk aan, wanneer hij behoort tot de personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt.
4.
Het eerste lid is niet van toepassing bij het besluit betreffende de toelating van de na periodieke verkiezing benoemde leden.
1.
Een stemming is alleen geldig, indien meer dan de helft van het aantal leden dat zitting heeft en zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden, daaraan heeft deelgenomen.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing:
a. ingeval opnieuw wordt gestemd over een voorstel of over een benoeming, voordracht of aanbeveling van een of meer personen ten aanzien van wie in een vorige vergadering een stemming op grond van dat lid niet geldig was;
b. in een vergadering als bedoeld in artikel 21, tweede lid, voor zover het betreft onderwerpen die in de daaraan voorafgaande, ingevolge artikel 21, eerste lid, niet geopende vergadering aan de orde waren gesteld.
1.
Voor het tot stand komen van een beslissing bij stemming wordt de volstrekte meerderheid vereist van hen die een stem hebben uitgebracht.
2.
Bij een schriftelijke stemming wordt onder het uitbrengen van een stem verstaan het inleveren van een behoorlijk ingevuld stembriefje.
1.
De stemming over personen voor het doen van benoemingen, voordrachten of aanbevelingen is geheim.
2.
Indien de stemmen staken over personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt, wordt in dezelfde vergadering een herstemming gehouden.
3.
Staken bij deze stemming de stemmen opnieuw, dan beslist terstond het lot.
1.
De overige stemmingen geschieden bij hoofdelijke oproeping, indien de voorzitter of een van de leden dat verlangt. In dat geval geschieden zij mondeling.
2.
Bij hoofdelijke oproeping is ieder ter vergadering aanwezig lid dat zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden verplicht zijn stem voor of tegen uit te brengen.
3.
Indien over een voorstel geen stemming wordt gevraagd, is het aangenomen.
4.
Tenzij de vergadering voltallig is, wordt bij staking van stemmen het nemen van een beslissing uitgesteld tot een volgende vergadering, waarin de beraadslagingen kunnen worden heropend.
5.
Indien de stemmen staken in een voltallige vergadering of in een ingevolge het vierde lid opnieuw belegde vergadering, is het voorstel niet aangenomen.
6.
Onder een voltallige vergadering wordt verstaan een vergadering waarin alle leden waaruit de eilandsraad bestaat, voor zover zij zich niet van deelneming aan de stemming moesten onthouden, een stem hebben uitgebracht.
1.
De stukken die van de eilandsraad uitgaan, worden door de gezaghebber ondertekend en door de eilandgriffier medeondertekend. Bij verhindering of ontstentenis van de gezaghebber worden de stukken die van de eilandsraad uitgaan ondertekend door degene die krachtens artikel 90 de gezaghebber als voorzitter van de eilandsraad vervangt.
2.
De eilandsraad kan de gezaghebber toestaan de ondertekening op te dragen aan de eilandgriffier of aan een of meer andere bij de griffie werkzame ambtenaren. In dat geval blijft medeondertekening achterwege.
1.
De eilandsraad en elk van zijn leden hebben recht op ambtelijke bijstand.
2.
De in de eilandsraad vertegenwoordigde groeperingen hebben recht op ondersteuning.
3.
De eilandsraad stelt met betrekking tot de ambtelijke bijstand en de ondersteuning van de in de eilandsraad vertegenwoordigde groeperingen een eilandsverordening vast. De eilandsverordening bevat ten aanzien van de ondersteuning regels over de besteding en de verantwoording.
4.
De eilandsverordening behoeft de goedkeuring van de Rijksvertegenwoordiger.
1.
De gezaghebber en de eilandgedeputeerden vormen te zamen het bestuurscollege.
2.
De gezaghebber is voorzitter van het bestuurscollege.
1.
De eilandsraad benoemt de eilandgedeputeerden. Artikel 32 is van toepassing op de stemming inzake de benoeming.
2.
De gezaghebber wordt geïnformeerd over de uitkomsten van de college-onderhandelingen. Hij wordt alsdan in de gelegenheid gesteld zijn opvattingen over voorstellen ten behoeve van het collegeprogramma kenbaar te maken.
Artikel 38
Het aantal eilandgedeputeerden bedraagt:
a. drie in het openbaar lichaam Bonaire;
b. twee in de openbare lichamen Sint Eustatius en Saba.
1.
Voor de functie van eilandgedeputeerde gelden de vereisten voor het lidmaatschap van de eilandsraad, bedoeld in artikel 11.
2.
De eilandsraad kan voor de duur van een jaar ontheffing verlenen van het vereiste van ingezetenschap.
3.
Dezelfde persoon kan niet in meer dan één openbaar lichaam eilandgedeputeerde zijn.
1.
Een eilandgedeputeerde is niet tevens:
a. minister;
b. staatssecretaris;
c. lid van de Raad van State;
d. lid van de Algemene Rekenkamer;
e. Nationale ombudsman;
f. substituut-ombudsman als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wet Nationale ombudsman;
g. Rijksvertegenwoordiger;
h. lid van een eilandsraad;
i. gezaghebber;
j. lid van de gezamenlijke rekenkamer;
k. gezamenlijke ombudsman of lid van de gezamenlijke ombudscommissie;
l. ambtenaar, door of vanwege het bestuur van een openbaar lichaam aangesteld of daaraan ondergeschikt;
m. ambtenaar, door of vanwege het Rijk aangesteld, tot wiens taak behoort het verrichten van werkzaamheden in het kader van het toezicht op het openbaar lichaam;
n. functionaris die krachtens de wet of een algemene maatregel van bestuur het bestuur van een openbaar lichaam van advies dient.
2.
In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel h, kan een eilandgedeputeerde tevens lid zijn van de eilandsraad van het openbaar lichaam waar hij eilandgedeputeerde is gedurende het tijdvak dat:
a. aanvangt op de dag van de stemming voor de verkiezing van de leden van de eilandsraad en eindigt op het tijdstip waarop de eilandgedeputeerden ingevolge artikel 54, eerste lid, aftreden, of
b. aanvangt op het tijdstip van zijn benoeming tot eilandgedeputeerde en eindigt op het tijdstip met ingang waarvan de goedkeuring van de geloofsbrief van zijn opvolger als lid van de eilandsraad onherroepelijk is geworden of waarop het centraal stembureau heeft beslist dat geen opvolger kan worden benoemd.
3.
De eilandgedeputeerde, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, wordt geacht ontslag te nemen als lid van de eilandsraad met ingang van het tijdstip waarop hij zijn benoeming tot eilandgedeputeerde aanvaardt. Artikel X 6 van de Kieswet is van overeenkomstige toepassing.
4.
In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel l, kan een eiland- gedeputeerde tevens zijn:
a. ambtenaar van de burgerlijke stand;
b. vrijwilliger of ander persoon die uit hoofde van een wettelijke verplichting niet bij wijze van beroep hulpdiensten verricht;
c. ambtenaar werkzaam voor een school voor openbaar onderwijs.
1.
Bloed- of aanverwantschap tot en met de tweede graad of huwelijk mag niet bestaan tussen leden van het bestuurscollege.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt
a. een ongehuwd samenlevende gelijkgesteld met een echtgenoot
b. als ongehuwd tevens aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van zijn echtgenoot.
3.
In het tweede lid wordt verstaan onder ongehuwd samenlevende: de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, met uitzondering van bloedverwanten in de eerste graad
4.
In het derde lid wordt verstaan onder het voeren van een gezamenlijke huishouding de situatie waarin twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:
a. zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins;
b. zij met elkaar gehuwd zijn geweest;
c. zij elkaars geregistreerde partner zijn geweest;
d. zij eerder met elkaar ongehuwd samenlevend zijn geweest, of
e. de man het kind van de vrouw heeft erkend.
Artikel 42
De benoeming van eilandgedeputeerden na de verkiezing van de leden van de eilandsraad vindt plaats in een vergadering van de eilandsraad in nieuwe samenstelling.
Artikel 43
In het geval van artikel 42 gaat de benoeming van degene die zijn benoeming tot eilandgedeputeerde heeft aangenomen, in op het tijdstip waarop ten minste de helft van het aantal eilandgedeputeerden zijn benoeming heeft aangenomen of, indien de aanneming van de benoeming op een later tijdstip plaatsvindt, op dat tijdstip.
Artikel 44
De benoeming ter vervulling van een plaats die tussentijds openvalt, geschiedt zo spoedig mogelijk.
Artikel 45
De benoemde eilandgedeputeerde deelt de eilandsraad uiterlijk op de tiende dag na de kennisgeving van zijn benoeming mee of hij de benoeming aanneemt. Indien deze termijn verstrijkt zonder mededeling, wordt de benoemde eilandgedeputeerde geacht de benoeming niet aan te nemen.
Artikel 46
Wanneer de benoeming niet is aangenomen, geschiedt zo spoedig mogelijk een nieuwe benoeming.
1.
Alvorens hun functie te kunnen uitoefenen leggen de eilandgedeputeerden, in de vergadering van de eilandsraad, in handen van de voorzitter, de volgende eed (verklaring en belofte) af:
«Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot eilandgedeputeerde benoemd te worden, rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd.
Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te doen of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of zal aannemen.
Ik zweer (beloof) dat ik getrouw zal zijn aan de Grondwet , dat ik de wetten zal nakomen en dat ik mijn plichten als eilandgedeputeerde naar eer en geweten zal vervullen.
Zo waarlijk helpe mij God Almachtig!»
(«Dat verklaar en beloof ik!»)
2.
In plaats van in het Nederlands kan de eed (verklaring en belofte) in het Papiaments of het Engels worden afgelegd.
3.
Wanneer de eed (verklaring en belofte) in het Papiaments wordt afgelegd, luidt de tekst van de eed (verklaring en belofte) als volgt:
«Mi ta hura (deklará) ku pa mi nombramentu den e kargo o funshon di diputado, mi no a duna ni primintí, ni direkta- ni indirektamente, bou di ningun nòmber ni denominashon ni preteksto, ningun regalo ni fabor.
Mi ta hura (deklará i primintí) ku mi no a risibí ni mi no a aseptá, ni lo mi no aseptá, ni direkta- ni indirektamente, ningun regalo ni ningun promesa di hasi algu o laga di hasi algu den e kargo o funshon en kuestion.
Mi ta hura (primintí) ku lo mi ta fiel na Konstitushon, ku lo mi kumpli ku lei i ku lo mi kumpli ku mi obligashonnan komo diputado segun mi konsenshi i honor.
Ku Dios Todopoderoso yudami!»
(Esei mi ta deklará i primintí!»)
4.
Wanneer de eed (verklaring en belofte) in het Engels wordt afgelegd, luidt de tekst van de eed (verklaring en belofte) als volgt:
«I swear (affirm) that I neither gave nor promised any gift or favour, either directly or indirectly, under any name or pretext whatsoever, in order to be appointed member of the island executive.
I swear (affirm and promise) that I have made no gift or promise, and shall accept no gift or promise, either directly or indirectly, in order to do or to omit to do anything in the course of my duties.
I swear (promise) that I will bear allegiance to the Constitution, that I will observe the laws and that I will perform my duties as member of the island executive in good faith.
So help me God Almighty!
(This I affirm and promise!)
1.
Een eilandgedeputeerde vervult geen nevenfuncties waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op een goede vervulling van zijn functie als eilandgedeputeerde.
2.
Een eilandgedeputeerde meldt zijn voornemen tot aanvaarding van een nevenfunctie aan de eilandsraad.
3.
Een eilandgedeputeerde maakt zijn nevenfuncties openbaar. De openbaarmaking vindt plaats terstond na benoeming tot eilandgedeputeerde of aanvaarding van een nevenfunctie en geschiedt door terinzagelegging van een opgave van de functies op het bestuurskantoor van het openbaar lichaam.
4.
Een eilandgedeputeerde maakt tevens de inkomsten uit nevenfuncties openbaar. Openbaarmaking geschiedt door terinzagelegging op het bestuurskantoor uiterlijk op 1 april na het kalenderjaar waarin de inkomsten zijn genoten.
5.
Onder inkomsten wordt verstaan: loon in de zin van artikel 6 van de Wet loonbelasting BES.
1.
Een eilandgedeputeerde dient bij de Rijksvertegenwoordiger binnen dertig dagen na aanneming van zijn benoeming en binnen dertig dagen na zijn ontslag een schriftelijke verklaring in met:
a. een nauwkeurige omschrijving van de zakelijke belangen die hij en zijn echtgenoot hebben of beheren;
b. een nauwkeurige omschrijving van de onroerende zaken, roerende zaken, op geld waardeerbare rechten alsmede vorderingen en schulden van hem en zijn echtgenoot;
c. een nauwkeurige omschrijving van de aard van zijn nevenfuncties alsmede de functies van zijn echtgenoot;
d. de vermelding of aan de nevenfuncties inkomsten of voordelen in welke vorm dan ook, zijn verbonden en voorzover een geldelijke vergoeding daaraan is verbonden de omvang daarvan.
3.
Geen opgave hoeft te worden gedaan van belangen, zaken, met uitzondering van onroerende zaken, rechten, vorderingen en schulden, waarvan de waarde niet meer dan USD 11 175 bedraagt.
4.
De verklaring wordt door de eilandgedeputeerde ondertekend.
5.
Bij ministeriële regeling wordt voor de verklaring een model vastgesteld.
Artikel 50
De Rijksvertegenwoordiger bewaart de verklaringen, bedoeld in artikel 49, gedurende tien jaren, te rekenen vanaf het tijdstip waarop hij deze heeft ontvangen. Na afloop van deze termijn draagt hij zorg voor de vernietiging hiervan.
Artikel 51
De Rijksvertegenwoordiger en degenen die in zijn opdracht handelen zijn verplicht tot geheimhouding van de op grond van artikel 49 ontvangen verklaringen. Zij verstrekken de verklaringen of doen hierover slechts mededeling aan instanties die zijn belast met de opsporing en vervolging van strafbare feiten.
Artikel 52
Indien een eilandgedeputeerde de verklaring, bedoeld in artikel 49, niet tijdig bij de Rijksvertegenwoordiger indient, informeert deze onverwijld de eilandsraad.
1.
Artikel 16, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op de eilandgedeputeerden.
2.
De eilandsraad stelt voor de eilandgedeputeerden een gedragscode vast.
1.
Na de verkiezing van de leden van de eilandsraad treden de eilandgedeputeerden af op het moment dat de eilandsraad ten minste de helft van het aantal eilandgedeputeerden heeft benoemd en deze benoemingen zijn aangenomen.
2.
Indien zoveel eilandgedeputeerden hun ontslag indienen of worden ontslagen dat niet ten minste de helft van het aantal eilandgedeputeerden in functie is, treedt de gezaghebber in de plaats van het bestuurscollege totdat dit wel het geval is.
1.
Een eilandgedeputeerde kan te allen tijde ontslag nemen. Hij doet daarvan schriftelijk mededeling aan de eilandsraad.
2.
Behoudens het geval dat de eilandgedeputeerde onmiddellijk ontslag neemt, gaat het ontslag in met ingang van de dag, gelegen een maand na de dag waarop hij zijn ontslag heeft genomen of zoveel eerder als zijn opvolger de benoeming heeft aangenomen.
1.
De eilandgedeputeerden genieten ten laste van het openbaar lichaam een bezoldiging, die bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt geregeld.
2.
Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, kunnen tevens regels worden gesteld betreffende tegemoetkoming in of vergoeding van bijzondere kosten en betreffende andere voorzieningen die verband houden met de vervulling van het ambt van eilandgedeputeerde.
3.
Buiten hetgeen hun bij of krachtens de wet is toegekend genieten de eilandgedeputeerden als zodanig geen inkomsten, in welke vorm ook, ten laste van het openbaar lichaam.
4.
De eilandgedeputeerden genieten geen vergoedingen, in welke vorm ook, voor werkzaamheden, verricht in nevenfuncties die zij vervullen uit hoofde van het ambt van eilandgedeputeerde ongeacht of die vergoedingen ten laste van het openbaar lichaam komen of niet. Indien deze vergoedingen worden uitgekeerd, worden zij gestort in de kas van het openbaar lichaam.
5.
Tot vergoedingen als bedoeld in het vierde lid, behoren inkomsten, onder welke benaming ook, uit nevenfuncties die de eilandgedeputeerde neerlegt bij beëindiging van het ambt.
6.
Andere inkomsten dan die bedoeld in het vierde lid worden met de bezoldiging verrekend overeenkomstig artikel 3 van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer, met dien verstande dat in dat artikel:
a. onder neveninkomsten wordt verstaan: opbrengst van onderneming en arbeid, bedoeld in artikel 6 van de Wet inkomstenbelasting BES;
b. in het derde lid voor «de Wet inkomstenbelasting 2001 » wordt gelezen: de Wet inkomstenbelasting BES .
7.
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de wijze waarop de eilandgedeputeerde gegevens over de inkomsten, bedoeld in het zesde lid, verstrekt, en de gevolgen van het niet verstrekken van deze gegevens.
8.
De rijksbelastingdienst verstrekt Onze Minister ten behoeve van de verrekening de benodigde gegevens.
1.
Indien degene wiens benoeming tot eilandgedeputeerde is ingegaan, een functie bekleedt als bedoeld in artikel 40, eerste lid, en het tweede of vierde lid van dat artikel niet van toepassing zijn, draagt hij er onverwijld zorg voor dat hij uit die functie wordt ontheven.
2.
De eilandsraad verleent hem ontslag indien hij dit nalaat.
3.
Het ontslag gaat in terstond na de bekendmaking van het ontslagbesluit.
4.
Indien de eilandsraad naar het oordeel van de gezaghebber ten onrechte nalaat ontslag te verlenen, wordt de eilandgedeputeerde door de gezaghebber van zijn betrekking vervallen verklaard.
5.
De werking van een besluit, inhoudende de vervallenverklaring, wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist. Gedurende deze periode is de eilandgedeputeerde in zijn betrekking geschorst.
1.
Tegen een besluit van de gezaghebber als bedoeld in artikel 57, vierde lid, kan de eilandgedeputeerde beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Curaçao, Aruba, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
2.
De Wet administratieve rechtspraak BES is voor zoveel nodig van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 54 en 55 en paragraaf 1 en 3 van hoofdstuk 6.
3.
In afwijking van artikel 17, vijfde lid, van de Wet administratieve rechtspraak BES bedraagt de termijn binnen welke de bijschrijving of storting van het verschuldigde bedrag dient plaats te vinden, twee weken. De president van het Gemeenschappelijk Hof kan een kortere termijn stellen.
4.
Het Gemeenschappelijk Hof behandelt de zaak met overeenkomstige toepassing van paragraaf 2 van hoofdstuk 6 van de Wet administratieve rechtspraak BES. Aan de gezaghebber en degene die beroep heeft ingesteld wordt terstond een afschrift van het beroepschrift toegezonden.
1.
Indien een eilandgedeputeerde niet langer voldoet aan de vereisten voor de functie van eilandgedeputeerde, bedoeld in artikel 39, of een functie gaat bekleden als bedoeld in artikel 40, eerste lid, en het tweede of vierde lid van dat artikel niet van toepassing zijn, neemt hij onmiddellijk ontslag. Hij doet hiervan schriftelijk mededeling aan de eilandsraad.
2.
De artikelen 57, tweede tot en met vijfde lid, en artikel 58 zijn van overeenkomstige toepassing.
1.
Indien een uitspraak van de eilandsraad inhoudende de opzegging van zijn vertrouwen in een eilandgedeputeerde er niet toe leidt dat de betrokken eilandgedeputeerde onmiddellijk ontslag neemt, kan de eilandsraad besluiten tot ontslag. Artikel 32 is van toepassing op de stemming inzake het ontslag.
2.
Op het ontslagbesluit is artikel 7, eerste lid, van de Wet administratieve rechtspraak BES niet van toepassing.
Artikel 61
De rechter treedt niet in de beoordeling van de gronden waarop de eilandsraad tot ontslag van een eilandgedeputeerde heeft besloten.
Artikel 62
Het bestuurscollege stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden vast, dat aan de eilandsraad wordt toegezonden.
1.
De gezaghebber stelt, met inachtneming van hetgeen het bestuurscollege heeft bepaald, dag en plaats van de vergadering van het bestuurscollege en het tijdstip van de opening vast.
2.
De gezaghebber maakt dag en plaats van te houden openbare vergaderingen en het tijdstip van de opening bekend.
1.
De gezaghebber bevordert de eenheid van het beleid van het bestuurscollege.
2.
De gezaghebber kan onderwerpen aan de agenda voor een vergadering van het bestuurscollege toevoegen.
3.
De gezaghebber kan ten aanzien van geagendeerde onderwerpen een eigen voorstel aan het bestuurscollege voorleggen.
1.
De vergaderingen van het bestuurscollege worden met gesloten deuren gehouden, voor zover het bestuurscollege niet anders heeft bepaald.
2.
Het reglement van orde voor de vergaderingen kan regels geven omtrent de openbaarheid van de vergaderingen van het bestuurscollege.
1.
Het bestuurscollege kan op grond van een belang, genoemd in artikel 11 van de Wet openbaarheid van bestuur BES, omtrent het in een besloten vergadering behandelde en omtrent de inhoud van de stukken die aan het bestuurscollege worden overgelegd, geheimhouding opleggen. Geheimhouding omtrent het in een besloten vergadering behandelde wordt tijdens die vergadering opgelegd. De geheimhouding wordt door hen die bij de behandeling aanwezig waren en allen die van het behandelde of de stukken kennis dragen, in acht genomen totdat het bestuurscollege haar opheft.
2.
Op grond van een belang, genoemd in artikel 11 van de Wet openbaarheid van bestuur BES, kan de geheimhouding eveneens worden opgelegd door de gezaghebber of een commissie, ten aanzien van de stukken die zij aan het bestuurscollege overleggen. Daarvan wordt op de stukken melding gemaakt. De geheimhouding wordt in acht genomen totdat het orgaan dat de verplichting heeft opgelegd, dan wel de eilandsraad haar opheft.
3.
Indien het bestuurscollege zich ter zake van het behandelde waarvoor een verplichting tot geheimhouding geldt tot de eilandsraad heeft gericht, wordt de geheimhouding in acht genomen totdat de eilandsraad haar opheft.
1.
In de vergadering van het bestuurscollege kan slechts worden beraadslaagd of besloten, indien ten minste de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is.
2.
Indien het vereiste aantal leden niet tegenwoordig is, belegt de gezaghebber, onder verwijzing naar dit artikel, opnieuw een vergadering.
3.
Op de vergadering, bedoeld in het tweede lid, is het eerste lid niet van toepassing. Het bestuurscollege kan echter over andere aangelegenheden dan die waarvoor de eerdere vergadering was belegd alleen beraadslagen of besluiten, indien ten minste de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is.
Artikel 68
De leden van het bestuurscollege en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor hetgeen zij in de vergadering van het bestuurscollege hebben gezegd of aan het bestuurscollege schriftelijk hebben overgelegd.
Artikel 69
De artikelen 29, eerste tot en met derde lid, 30 en 31 zijn ten aanzien van de vergaderingen van het bestuurscollege van overeenkomstige toepassing.
1.
Indien bij een stemming, anders dan over personen voor het doen van benoemingen, voordrachten of aanbevelingen, de stemmen staken, wordt opnieuw gestemd.
2.
Staken de stemmen andermaal over hetzelfde voorstel, dan beslist de stem van de voorzitter.
1.
De stukken die van het bestuurscollege uitgaan, worden door de gezaghebber ondertekend en door de eilandsecretaris medeondertekend.
2.
Het bestuurscollege kan hem toestaan de ondertekening op te dragen aan een ander lid van het bestuurscollege, aan de eilandsecretaris of aan een of meer andere ambtenaren van het openbaar lichaam.
3.
De medeondertekening door de eilandsecretaris is niet van toepassing indien de ondertekening van stukken die van het bestuurscollege uitgaan ingevolge het tweede lid is opgedragen aan de eilandsecretaris of een of meer ambtenaren van het openbaar lichaam.
1.
De eilandsraad kan regelen van welke beslissingen van het bestuurscollege aan de leden van de eilandsraad kennisgeving wordt gedaan. Daarbij kan de eilandsraad de gevallen bepalen waarin met terinzagelegging kan worden volstaan.
2.
Het bestuurscollege laat de kennisgeving of terinzagelegging achterwege voor zover deze in strijd is met het openbaar belang.
3.
Het bestuurscollege maakt de besluitenlijst van zijn vergaderingen terstond na de vaststelling daarvan openbaar op de in het openbaar lichaam gebruikelijke wijze. Het bestuurscollege laat de openbaarmaking achterwege voor zover het aangelegenheden betreft ten aanzien waarvan op grond van artikel 66 geheimhouding is opgelegd of ten aanzien waarvan openbaarmaking in strijd is met het openbaar belang.
1.
De gezaghebber wordt bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister benoemd en herbenoemd voor de tijd van zes jaar. Hij kan te allen tijde bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister worden ontslagen.
2.
De Rijksvertegenwoordiger maakt voor elke door benoeming te vervullen plaats een met redenen omklede aanbeveling op. Alvorens zijn aanbeveling te doen verzoekt hij de eilandsraad, gehoord het bestuurscollege, zijn gevoelen kenbaar te maken met betrekking tot de aan de te benoemen gezaghebber te stellen eisen van bekwaamheid en geschiktheid.
3.
De eilandsraad kan uit zijn midden een vertrouwenscommissie instellen belast met de beoordeling van de op haar verzoek door de Rijksvertegenwoordiger daartoe geselecteerde kandidaten. De eilandsraad stelt het bestuurscollege in de gelegenheid een eilandgedeputeerde af te vaardigen die als adviseur aan de vertrouwenscommissie wordt toegevoegd. De vertrouwenscommissie brengt vertrouwelijk verslag uit van haar bevindingen aan de Rijksvertegenwoordiger.
4.
Onverminderd het bepaalde in het tweede en derde lid kunnen bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld omtrent de bij benoeming te volgen procedure.
5.
De beraadslagingen van de vertrouwenscommissie, bedoeld in het derde lid, vinden plaats met gesloten deuren. Van deze beraadslagingen wordt een afzonderlijk verslag gemaakt, dat niet openbaar is.
6.
Er geldt een geheimhoudingsplicht ten aanzien van:
a. de aanbeveling van de Rijksvertegenwoordiger, bedoeld in het tweede lid;
b. het verslag van de bevindingen van de vertrouwenscommissie, bedoeld in het derde lid;
c. de beraadslagingen van de vertrouwenscommissie en het verslag van de beraadslagingen, bedoeld in het vijfde lid.
7.
De rijksbelastingdienst verstrekt Onze Minister de benodigde gegevens inzake bestuurlijke boeten als bedoeld in hoofdstuk VIII, titel 4, van de Belastingwet BES voor zover deze boeten zijn opgelegd dan wel hadden kunnen worden opgelegd ter zake van feiten die zijn gebleken na de termijn om deze op te leggen.
8.
De Rijksvertegenwoordiger doet een voorstel tot herbenoeming. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze waarop de eilandsraad in verband daarmee zijn gevoelen omtrent het functioneren van de gezaghebber kenbaar kan maken aan de Rijksvertegenwoordiger.
1.
De gezaghebber kan bij koninklijk besluit worden geschorst.
2.
Onze Minister kan, in afwachting van een besluit omtrent schorsing, bepalen dat de gezaghebber zijn functie niet uitoefent.
3.
Een besluit als bedoeld in het tweede lid vervalt, indien niet binnen een maand een besluit omtrent de schorsing is genomen.
Artikel 75
Voor de benoembaarheid tot gezaghebber is het Nederlanderschap vereist.
Artikel 76
Dezelfde persoon kan niet in meer dan een openbaar lichaam tot gezaghebber worden benoemd.
1.
De gezaghebber legt ten overstaan van de eilandsraad in handen van de Rijksvertegenwoordiger de volgende eed (verklaring en belofte) af:
«Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot gezaghebber benoemd te worden, rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd.
Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te doen of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of zal aannemen.
Ik zweer (beloof) dat ik getrouw zal zijn aan de Grondwet , dat ik de wetten zal nakomen en dat ik mijn plichten als gezaghebber naar eer en geweten zal vervullen.
Zo waarlijk helpe mij God Almachtig!»
(Dat verklaar en beloof ik!»)
2.
In plaats van in het Nederlands kan de eed (verklaring en belofte) in het Papiaments of het Engels worden afgelegd.
3.
Wanneer de eed (verklaring en belofte) in het Papiaments wordt afgelegd, luidt de tekst van de eed (verklaring en belofte) als volgt:
«Mi ta hura (deklará) ku pa mi nombramentu den e kargo o funshon di gezaghebber mi no a duna ni primintí, ni direkta- ni indirektamente, bou di ningun nòmber ni denominashon ni preteksto, ningun regalo ni fabor.
Mi ta hura (deklará i primintí) ku mi no a risibí ni mi no a aseptá, ni lo mi no aseptá, ni direkta- ni indirektamente, ningun regalo ni ningun promesa di hasi algu o laga di hasi algu den e kargo o funshon en kuestion.
Mi ta hura (primintí) ku lo mi ta fiel na Konstitushon, ku lo mi kumpli ku lei i ku lo mi kumpli ku mi obligashonnan komo gezaghebber segun mi konsenshi i honor.
Ku Dios Todopoderoso yudami!»
(Esei mi ta deklará i primintí!»)
4.
Wanneer de eed (verklaring en belofte) in het Engels wordt afgelegd, luidt de tekst van de eed (verklaring en belofte) als volgt:
«I swear (affirm) that I neither gave nor promised any gift or favour, either directly or indirectly, under any name or pretext whatsoever, in order to be appointed Island Governor.
I swear (affirm and promise) that I have made no gift or promise, and shall accept no gift or promise, either directly or indirectly, in order to do or to omit to do anything in the course of my duties.
I swear (promise) that I will bear allegiance to the Constitution, that I will observe the laws and that I will perform my duties as Island Governor in good faith.
So help me God Almighty!
(This I affirm and promise!)
1.
De gezaghebber geniet ten laste van het openbaar lichaam een bezoldiging, die bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt geregeld.
2.
Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, kunnen tevens regels worden gesteld betreffende tegemoetkoming in of vergoeding van bijzondere kosten en betreffende andere voorzieningen die verband houden met de vervulling van het ambt van gezaghebber.
3.
Buiten hetgeen hem bij of krachtens de wet is toegekend, geniet de gezaghebber als zodanig geen inkomsten, in welke vorm ook, ten laste van het openbaar lichaam.
4.
De gezaghebber geniet geen vergoedingen, in welke vorm ook, voor werkzaamheden, verricht in nevenfuncties welke hij vervult uit hoofde van het ambt van gezaghebber, ongeacht of die vergoedingen ten laste van het openbaar lichaam komen of niet. Indien deze vergoedingen worden uitgekeerd, worden zij gestort in de kas van het openbaar lichaam.
5.
Tot vergoedingen als bedoeld in het vierde lid, behoren inkomsten, onder welke benaming ook, uit nevenfuncties die de gezaghebber neerlegt bij beëindiging van het ambt.
6.
Andere inkomsten dan die bedoeld in het vierde lid worden met de bezoldiging verrekend overeenkomstig artikel 3 van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer met dien verstande dat in dat artikel:
a. onder neveninkomsten wordt verstaan: opbrengst van onderneming en arbeid, bedoeld in artikel 6 van de Wet inkomstenbelasting BES;
b. in het derde lid voor «de Wet inkomstenbelasting 2001 » wordt gelezen: de Wet inkomstenbelasting BES .
7.
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de wijze waarop de gezaghebber gegevens over de inkomsten, bedoeld in het zesde lid, verstrekt, en de gevolgen van het niet verstrekken van deze gegevens.
8.
De rijksbelastingdienst verstrekt Onze Minister ten behoeve van de verrekening de benodigde gegevens.
1.
De gezaghebber vervult geen nevenfuncties waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op de goede vervulling van zijn ambt van gezaghebber of op de handhaving van zijn onpartijdigheid en onafhankelijkheid of van het vertrouwen daarin.
2.
De gezaghebber meldt zijn voornemen tot aanvaarding van een nevenfunctie, anders dan uit hoofde van zijn ambt van gezaghebber, aan de eilandsraad.
3.
De gezaghebber maakt nevenfuncties, anders dan uit hoofde van zijn ambt van gezaghebber, openbaar. De openbaarmaking vindt plaats terstond na benoeming tot gezaghebber of aanvaarding van een nevenfunctie en geschiedt door terinzaggelegging van een opgave van de functies op het bestuurskantoor van het openbaar lichaam.
4.
De gezaghebber maakt tevens de inkomsten uit de nevenfuncties, bedoeld in het derde lid, openbaar. Openbaarmaking geschiedt door terinzagelegging op het bestuurskantoor uiterlijk op 1 april na het kalenderjaar waarin de inkomsten zijn genoten.
5.
Onder inkomsten wordt verstaan: loon in de zin van artikel 6 van de Wet loonbelasting BES.
1.
De gezaghebber is niet tevens:
a. minister;
b. staatssecretaris;
c. lid van de Raad van State;
d. lid van de Algemene Rekenkamer;
e. Nationale ombudsman;
f. substituut-ombudsman als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wet Nationale ombudsman;
g. Rijksvertegenwoordiger;
h. lid van een eilandsraad;
i. eilandgedeputeerde;
j. lid van de gezamenlijke rekenkamer;
k. gezamenlijke ombudsman of lid van de gezamenlijke ombudscommissie;
l. ambtenaar, door of vanwege het bestuur van een openbaar lichaam aangesteld of daaraan ondergeschikt;
m. ambtenaar, door of vanwege het Rijk aangesteld, tot wiens taak behoort het verrichten van werkzaamheden in het kader van het toezicht op het openbaar lichaam;
n. functionaris die krachtens de wet of een algemene maatregel van bestuur het bestuur van een openbaar lichaam van advies dient.
2.
In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel l, kan een gezaghebber tevens ambtenaar van de burgerlijke stand zijn.
1.
Bloed- of aanverwantschap tot en met de tweede graad of huwelijk mag niet bestaan tussen de gezaghebber en een ander lid van het bestuurscollege.
1.
Artikel 16, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op de gezaghebber.
2.
De eilandsraad stelt voor de gezaghebber een gedragscode vast.
Artikel 83
De artikelen 49 tot en met 52 zijn van overeenkomstige toepassing op de gezaghebber, met dien verstande dat in artikel 49 voor «ontslag» wordt gelezen «ontslag onderscheidenlijk afloop van de benoemingstermijn» en dat in artikel 52 voor «eilandsraad» wordt gelezen «Onze Minister».
Artikel 84
Het ambt van gezaghebber ontheft van alle bij of krachtens de wet opgelegde verplichtingen tot het verrichten van persoonlijke diensten.
1.
De gezaghebber heeft zijn werkelijke woonplaats in het openbaar lichaam.
2.
De Rijksvertegenwoordiger kan voor ten hoogste drie maanden ontheffing verlenen van de verplichting om de werkelijke woonplaats in het openbaar lichaam te hebben.
1.
Indien de gezaghebber langer dan zes weken buiten het openbaar lichaam wenst te verblijven, behoeft hij daartoe de toestemming van de Rijksvertegenwoordiger. De toestemming mag alleen worden verleend indien het belang van het openbaar lichaam zich daartegen niet verzet.
2.
De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de termijn, genoemd in het eerste lid.
1.
Voor zover dit niet bij de wet is geschied, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur ten aanzien van de gezaghebber regels vastgesteld betreffende:
a. benoeming, herbenoeming, schorsing, tijdelijk niet uitoefenen van zijn functie en ontslag;
b. het onderzoek naar de geschiktheid en bekwaamheid;
c. uitkering bij ontslag;
d. aanspraken in geval van ziekte;
e. bescherming bij de arbeid;
f. andere aangelegenheden, zijn rechtspositie betreffende, die regeling behoeven.
2.
Bij de regels betreffende de aangelegenheden, genoemd in het eerste lid, kunnen financiële voorzieningen worden getroffen die ten laste van het openbaar lichaam komen.
1.
Alle aan de eilandsraad of aan het bestuurscollege gerichte stukken worden door of namens de gezaghebber geopend.
2.
Van de ontvangst van aan de eilandsraad gerichte stukken die niet terstond in de vergadering van de eilandsraad aan de orde worden gesteld, doet hij in de eerstvolgende vergadering van de eilandsraad mededeling.
Artikel 89
Bij koninklijk besluit wordt bepaald, welke de onderscheidingstekenen van de gezaghebber zijn en bij welke gelegenheden hij deze zal dragen.
1.
Bij verhindering of ontstentenis van de gezaghebber wordt zijn ambt waargenomen door een door de Rijksvertegenwoordiger aangewezen waarnemend gezaghebber. De Rijksvertegenwoordiger kan voorts in de waarneming voorzien, indien hij dit in het belang van het openbaar lichaam nodig oordeelt.
2.
Alvorens tot de aanwijzing van een waarnemend gezaghebber over te gaan hoort de Rijksvertegenwoordiger de eilandsraad, tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten.
3.
Hij die door de Rijksvertegenwoordiger met de waarneming van het ambt van gezaghebber is belast, legt in handen van de Rijksvertegenwoordiger een overeenkomstig artikel 77 luidende eed (verklaring en belofte) af.
Artikel 92
De toekenning van een vergoeding ten laste van het openbaar lichaam aan degene die met de waarneming van het ambt van gezaghebber is belast, wordt geregeld bij of krachtens algemene maatregel van bestuur.
Artikel 93
Ten aanzien van degene die met de waarneming van het ambt van gezaghebber is belast, zijn de artikelen 75 en 79 tot en met 82 van overeenkomstige toepassing.
1.
De eilandsraad kan regelen van welke beslissingen van de gezaghebber aan de leden van de eilandsraad kennisgeving wordt gedaan. Daarbij kan de eilandsraad de gevallen bepalen waarin met terinzagelegging kan worden volstaan.
2.
De gezaghebber laat de kennisgeving of terinzagelegging achterwege voor zover deze in strijd is met het openbaar belang.
Artikel 95
De eilandsraden stellen gezamenlijk bij eilandsverordening een gezamenlijke rekenkamer in.
1.
De gezamenlijke rekenkamer bestaat uit drie leden.
2.
Elke eilandsraad benoemt één lid van de gezamenlijke rekenkamer voor de duur van zes jaar
3.
De eilandsraad kan voor het lid dat hij heeft benoemd een plaatsvervangend lid benoemen. Deze afdeling is op plaatsvervangende leden van overeenkomstige toepassing.
4.
De eilandsraad kan een lid herbenoemen.
5.
Voorafgaand aan de benoemingen, bedoeld in het tweede tot en met het vierde lid, pleegt de eilandsraad overleg met de gezamenlijke rekenkamer.
6.
Een lid van de gezamenlijke rekenkamer wordt door de eilandsraad die hem heeft benoemd, ontslagen:
a. op eigen verzoek;
b. bij de aanvaarding van een functie die onverenigbaar is met het lidmaatschap;
c. indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
d. indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, surséance van betaling heeft verkregen of wegens schulden is gegijzeld.
7.
Een lid van de gezamenlijke rekenkamer kan door de eilandsraad die hem heeft benoemd, worden ontslagen:
a. indien hij door ziekte of gebreken blijvend ongeschikt is zijn functie te vervullen;
b. indien hij handelt in strijd met artikel 101.
1.
De eilandsraad stelt een door hem benoemd lid van de gezamenlijke rekenkamer op non-actief indien:
a. hij zich in voorlopige hechtenis bevindt;
b. hij bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
c. hij onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, surséance van betaling heeft verkregen of wegens schulden is gegijzeld ingevolge een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak.
2.
De eilandsraad kan een door hem benoemd lid van de gezamenlijke rekenkamer op non-actief stellen, indien tegen dit lid een gerechtelijk onderzoek ter zake van een misdrijf wordt ingesteld of indien er een ander ernstig vermoeden is van het bestaan van feiten en omstandigheden die tot ontslag, anders dan op gronden, genoemd in artikel 96, zesde lid, onderdeel a, en zevende lid, onderdeel a, zouden kunnen leiden.
3.
De eilandsraad beëindigt de non-activiteit zodra de grond voor de maatregel is vervallen, met dien verstande dat in een geval als bedoeld in het tweede lid de non-activiteit in ieder geval eindigt na zes maanden. In dat geval kan de eilandsraad de maatregel telkens voor ten hoogste drie maanden verlengen.
Artikel 98
Artikel 13 is van overeenkomstige toepassing op de leden van de gezamenlijke rekenkamer.
1.
Een lid van de gezamenlijke rekenkamer is niet tevens:
a. minister;
b. staatssecretaris;
c. lid van de Raad van State;
d. lid van de Algemene Rekenkamer;
e. Nationale ombudsman;
f. substituut-ombudsman als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wet Nationale ombudsman;
g. Rijksvertegenwoordiger;
h. lid van een eilandsraad;
i. gezaghebber;
j. eilandgedeputeerde;
k. gezamenlijke ombudsman of lid van de gezamenlijke ombudscommissie;
l. lid van een commissie als bedoeld in de artikelen 117 en 118;
m. ambtenaar, door of vanwege het bestuur van een openbaar lichaam aangesteld of daaraan ondergeschikt;
n. ambtenaar, door of vanwege het Rijk aangesteld, tot wiens taak behoort het verrichten van werkzaamheden in het kader van het toezicht op een openbaar lichaam;
o. functionaris die krachtens de wet of een algemene maatregel van bestuur het bestuur van een openbaar lichaam van advies dient.
2.
In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel m, kan een lid van de gezamenlijke rekenkamer tevens zijn:
a. ambtenaar van de burgerlijke stand;
b. vrijwilliger of ander persoon die uit hoofde van een wettelijke verplichting niet bij wijze van beroep hulpdiensten verricht;
c. ambtenaar werkzaam voor een school voor openbaar onderwijs.
1.
Alvorens zijn functie te kunnen uitoefenen, legt een lid van de gezamenlijke rekenkamer in de vergadering van de eilandsraad, die hem heeft benoemd, in handen van de voorzitter, de volgende eed (verklaring en belofte) af:
«Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot lid van de gezamenlijke rekenkamer benoemd te worden, rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd.
Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te doen of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of zal aannemen.
Ik zweer (beloof) dat ik getrouw zal zijn aan de Grondwet , dat ik de wetten zal nakomen en dat ik mijn plichten als lid van de gezamenlijke rekenkamer naar eer en geweten zal vervullen.
Zo waarlijk helpe mij God Almachtig!»
(«Dat verklaar en beloof ik!»)
2.
In plaats van in het Nederlands kan de eed (verklaring en belofte) in het Papiaments of het Engels worden afgelegd.
3.
Wanneer de eed (verklaring en belofte) in het Papiaments wordt afgelegd, luidt de tekst van de eed (verklaring en belofte) als volgt:
«Mi ta hura (deklará) ku pa mi nombramentu den e kargo o funshon di kontraloria general mi no a duna ni primintí, ni direkta- ni indirektamente, bou di ningun nòmber ni denominashon ni preteksto, ningun regalo ni fabor.
Mi ta hura (deklará i primintí) ku mi no a risibí ni mi no a aseptá, ni lo mi no aseptá, ni direkta- ni indirektamente, ningun regalo ni ningun promesa di hasi algu o laga di hasi algu den e kargo o funshon en kuestion.
Mi ta hura (primintí) ku lo mi ta fiel na Konstitushon, ku lo mi kumpli ku lei i ku lo mi kumpli ku mi obligashonnan komo kontraloria general segun mi konsenshi i honor.
Ku Dios Todopoderoso yudami!»
(Esei mi ta deklará i primintí!»)
4.
Wanneer de eed (verklaring en belofte) in het Engels wordt afgelegd, luidt de tekst van de eed (verklaring en belofte) als volgt:
«I swear (affirm) that I neither gave nor promised any gift or favour, either directly or indirectly, under any name or pretext whatsoever, in order to be appointed Member of the court of audit.
I swear (affirm and promise) that I have made no gift or promise, and shall accept no gift or promise, either directly or indirectly, in order to do or to omit to do anything in the course of my duties.
I swear (promise) that I will bear allegiance to the Constitution, that I will observe the laws and that I will perform my duties as Member of the court of audit in good faith.
So help me God Almighty!
(This I affirm and promise!)
Artikel 101
Artikel 16, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op de leden van de gezamenlijke rekenkamer.
1.
De gezamenlijke rekenkamer stelt een reglement van orde vast voor haar werkzaamheden en haar vergaderingen.
2.
De gezamenlijke rekenkamer zendt het reglement ter kennisneming aan de eilandsraden en maakt het bekend door plaatsing in de afkondigingsbladen van de openbare lichamen.
Artikel 103
De eilandsraden stellen, na overleg met de gezamenlijke rekenkamer, de gezamenlijke rekenkamer de nodige middelen ter beschikking voor een goede uitoefening van haar werkzaamheden.
1.
De personen die werkzaamheden verrichten voor de gezamenlijke rekenkamer, zijn ter zake van die werkzaamheden uitsluitend verantwoording schuldig aan de gezamenlijke rekenkamer.
2.
Ambtenaren die werkzaamheden verrichten voor een orgaan van een openbaar lichaam kunnen niet tevens werkzaamheden verrichten voor de gezamenlijke rekenkamer.
1.
In de eilandsverordening waarbij de gezamenlijke rekenkamer wordt ingesteld worden ten minste regels gesteld met betrekking tot:
a. het voorzitterschap van de gezamenlijke rekenkamer;
b. de vergoeding die de leden van de gezamenlijke rekenkamer voor hun werkzaamheden ontvangen en de tegemoetkoming in de kosten;
c. de ondersteuning van de gezamenlijke rekenkamer.
2.
De eilandsverordening behoeft de goedkeuring van de Rijksvertegenwoordiger.
Artikel 106
Titel 9.2 van de Algemene wet bestuursrecht, met uitzondering van de artikelen 9:20 en 9:21, is van overeenkomstige toepassing op schriftelijke verzoeken om een onderzoek in te stellen naar de wijze waarop een bestuursorgaan van het openbaar lichaam zich in een bepaalde aangelegenheid heeft gedragen met dien verstande dat in artikel 9:36, eerste lid, voor « artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur» wordt gelezen: artikel 11 van de Wet openbaarheid van bestuur BES.
1.
De eilandsraden kunnen voor de behandeling van verzoekschriften als bedoeld in artikel 9:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht een gezamenlijke ombudsman of een gezamenlijke ombudscommissie instellen.
2.
Een gezamenlijke ombudsman of gezamenlijke ombudscommissie kan slechts per 1 januari van enig jaar worden ingesteld. Indien de eilandsraden hiertoe besluiten, zenden zij het besluit tot instelling aan de Nationale ombudsman voor 1 juli van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de instelling ingaat.
3.
De instelling van een gezamenlijke ombudsman of gezamenlijke ombudscommissie kan slechts per 1 januari van enig jaar worden beëindigd. Indien de eilandsraden hiertoe besluiten, zenden zij het besluit tot beëindiging van de instelling aan de Nationale ombudsman voor 1 juli van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de instelling eindigt.
Artikel 108
Indien de eilandsraden een gezamenlijke ombudsman of een gezamenlijke ombudscommissie instellen met toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen , zijn de in die wet ten aanzien van gemeenschappelijke organen opgenomen bepalingen slechts van toepassing voor zover de aard van de aan de gezamenlijke ombudsman of de gezamenlijke ombudscommissie opgedragen taken zich daartegen niet verzet.
1.
Indien de eilandsraden besluiten tot het instellen van een gezamenlijke ombudsman benoemen zij deze voor de duur van zes jaar.
2.
De eilandsraden benoemen een plaatsvervangend gezamenlijke ombudsman. Deze paragraaf is op de plaatsvervangend gezamenlijke ombudsman van overeenkomstige toepassing.
3.
De gezamenlijke ombudsman wordt door de eilandsraden ontslagen:
a. op eigen verzoek;
b. wanneer hij door ziekte of gebreken blijvend ongeschikt is zijn functie te vervullen;
c. bij de aanvaarding van een betrekking als bedoeld in artikel 110, eerste lid;
d. wanneer hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
e. indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, hij surseance van betaling heeft verkregen of wegens schulden is gegijzeld;
f. indien hij naar het oordeel van de eilandsraden ernstig nadeel toebrengt aan het in hem gestelde vertrouwen.
4.
De eilandsraden stellen de gezamenlijke ombudsman op non-actief indien hij:
a. zich in voorlopige hechtenis bevindt;
b. bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
c. onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, hij surseance van betaling heeft verkregen of wegens schulden is gegijzeld ingevolge een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak.
1.
De gezamenlijke ombudsman vervult geen betrekkingen waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op een goede vervulling van zijn ambt of op de handhaving van zijn onpartijdigheid en onafhankelijkheid of van het vertrouwen daarin.
2.
Artikel 13 is van overeenkomstige toepassing op de gezamenlijke ombudsman.
1.
Alvorens zijn functie te kunnen uitoefenen, legt de gezamenlijke ombudsman in de vergadering van een bij zijn benoeming aan te wijzen eilandsraad, in handen van de voorzitter, de volgende eed (verklaring en belofte) af:
«Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot ombudsman benoemd te worden, rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd.
Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te doen of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of zal aannemen.
Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik getrouw zal zijn aan de Grondwet , dat ik de wetten zal nakomen en dat ik mijn plichten als ombudsman naar eer en geweten zal vervullen.
Zo waarlijk helpe mij God almachtig!»
(«Dat verklaar en beloof ik!»)
2.
In plaats van in het Nederlands kan de eed (verklaring en belofte) in het Papiaments of het Engels worden afgelegd.
3.
Wanneer de eed (verklaring en belofte) in het Papiaments wordt afgelegd, luidt de tekst van de eed (verklaring en belofte) als volgt:
«Mi ta hura (deklará) ku pa mi nombramentu den e kargo o funshon di ombudsman mi no a duna ni primintí, ni direkta- ni indirektamente, bou di ningun nòmber ni denominashon ni preteksto, ningun regalo ni fabor.
Mi ta hura (deklará i primintí) ku mi no a risibí ni mi no a aseptá, ni lo mi no aseptá, ni direkta- ni indirektamente, ningun regalo ni ningun promesa di hasi algu o laga di hasi algu den e kargo o funshon en kuestion.
Mi ta hura (primintí) ku lo mi ta fiel na Konstitushon, ku lo mi kumpli ku lei i ku lo mi kumpli ku mi obligashonnan komo ombudsman segun mi konsenshi i honor.
Ku Dios Todopoderoso yudami!»
(Esei mi ta deklará i primintí!»)
4.
Wanneer de eed (verklaring en belofte) in het Engels wordt afgelegd, luidt de tekst van de eed (verklaring en belofte) als volgt:
«I swear (affirm) that I neither gave nor promised any gift or favour, either directly or indirectly, under any name or pretext whatsoever, in order to be appointed ombudsman.
I swear (affirm and promise) that I have made no gift or promise, and shall accept no gift or promise, either directly or indirectly, in order to do or to omit to do anything in the course of my duties.
I swear (promise) that I will bear allegiance to the Constitution, that I will observe the laws and that I will perform my duties as ombudsman in good faith.
So help me God Almighty!
(This I affirm and promise!)
1.
Op voordracht van de gezamenlijke ombudsman benoemen de bestuurscolleges het personeel van de gezamenlijke ombudsman dat nodig is voor een goede uitoefening van zijn werkzaamheden.
2.
De gezamenlijke ombudsman ontvangt ter zake van de uitoefening van zijn werkzaamheden geen instructies, noch in het algemeen, noch voor een enkel geval.
3.
Het personeel van de gezamenlijke ombudsman verricht geen werkzaamheden voor een bestuursorgaan naar wiens gedraging de gezamenlijke ombudsman een onderzoek kan instellen.
4.
Het personeel van de gezamenlijke ombudsman is ter zake van de werkzaamheden die het voor de gezamenlijke ombudsman verricht, uitsluitend aan hem verantwoording schuldig.
Artikel 113
De gezamenlijke ombudsman zendt jaarlijks een verslag van zijn werkzaamheden aan de eilandsraden.
Artikel 114
De gezamenlijke ombudsman ontvangt een bij eilandsverordening van de eilandsraden vastgestelde vergoeding voor zijn werkzaamheden en een tegemoetkoming in de kosten.
1.
Indien de eilandsraden besluiten tot het instellen van een gezamenlijke ombudscommissie, stellen zij het aantal leden van de gezamenlijke ombudscommissie vast.
2.
De eilandsraden benoemen de leden van de gezamenlijke ombudscommissie voor de duur van zes jaar.
3.
De eilandsraden benoemen uit de leden de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter van de gezamenlijke ombudscommissie.
1.
De gezamenlijke ombudscommissie zendt jaarlijks een verslag van zijn werkzaamheden aan de eilandsraden.
2.
Op de gezamenlijke ombudscommissie en op ieder lid afzonderlijk zijn de artikelen 109, derde en vierde lid, 110, 111, 112 en 114 van overeenkomstige toepassing.
1.
De eilandsraad kan eilandsraadscommissies instellen die besluitvorming van de eilandsraad kunnen voorbereiden en met het bestuurscollege of de gezaghebber kunnen overleggen. Hij regelt daarbij de taken, de bevoegdheden, de samenstelling en de werkwijze, daaronder begrepen de wijze waarop de leden van de eilandsraad inzage hebben in stukken waaromtrent door een eilandsraadscommissie geheimhouding is opgelegd. Deze inzage kan slechts worden geweigerd voor zover zij in strijd is met het openbaar belang.
2.
De gezaghebber en de eilandgedeputeerden zijn geen lid van een eilandsraadscommissie.
3.
Bij de samenstelling van een eilandsraadscommissie zorgt de eilandsraad, voor zover het de benoeming betreft van leden van de eilandsraad, voor een evenwichtige vertegenwoordiging van de in de eilandsraad vertegenwoordigde groeperingen.
4.
Een lid van de eilandsraad is voorzitter van een eilandsraadscommissie.
5.
De artikelen 20 en 22 tot en met 24 zijn van overeenkomstige toepassing op een vergadering van een eilandsraadscommissie, met dien verstande dat in artikel 20 voor «gezaghebber» wordt gelezen «voorzitter van een eilandsraadscommissie» en in artikel 24, zesde lid, voor « artikel 26» wordt gelezen « artikel 119».
1.
De eilandsraad, het bestuurscollege of de gezaghebber kan andere commissies dan de commissies, bedoeld in artikel 117, eerste lid, instellen.
2.
De gezaghebber en de eilandgedeputeerden zijn geen lid van een door de eilandsraad ingestelde andere commissie. Leden van de eilandsraad zijn geen lid van een door het bestuurscollege of de gezaghebber ingestelde commissie.
3.
De eilandsraad, het bestuurscollege onderscheidenlijk de gezaghebber regelt ten aanzien van een door hem ingestelde andere commissie de openbaarheid van de vergaderingen.
4.
De artikelen 129, tweede lid, 143 en 144 zijn van overeenkomstige toepassing op een besluit tot instelling van een andere commissie.
1.
Een commissie kan in een besloten vergadering, op grond van een belang, genoemd in artikel 11 van de Wet openbaarheid van bestuur BES, omtrent het in die vergadering met gesloten deuren behandelde en omtrent de inhoud van de stukken die aan de commissie worden overgelegd, geheimhouding opleggen. Geheimhouding omtrent het in een besloten vergadering behandelde wordt tijdens die vergadering opgelegd. De geheimhouding wordt door hen die bij de behandeling aanwezig waren en allen die van het behandelde of de stukken kennis dragen, in acht genomen totdat de commissie haar opheft.
2.
Op grond van een belang, genoemd in artikel 11 van de Wet openbaarheid van bestuur BES, kan de geheimhouding eveneens worden opgelegd door de voorzitter van een commissie, het bestuurscollege en de gezaghebber, ieder ten aanzien van stukken die hij aan een commissie overlegt. Daarvan wordt op de stukken melding gemaakt. De geheimhouding wordt in acht genomen totdat het orgaan dat de verplichting heeft opgelegd, dan wel de eilandsraad haar opheft.
3.
Indien een commissie zich ter zake van het behandelde waarvoor een verplichting tot geheimhouding geldt tot de eilandsraad heeft gericht, wordt de geheimhouding in acht genomen totdat de eilandsraad haar opheft.
1.
De leden van de eilandsraad en de leden van de eilandsraad aan wie ingevolge artikel Ya 13 juncto artikel X 10 van de Kieswet ontslag is verleend wegens zwangerschap en bevalling of ziekte ontvangen een bij eilandsverordening van de eilandsraad vast te stellen vergoeding voor hun werkzaamheden en een tegemoetkoming in de kosten.
2.
De eilandsraad kan bij eilandsverordening regels stellen over de tegemoetkoming in of vergoeding van bijzondere kosten en over andere voorzieningen die verband houden met de vervulling van het lidmaatschap van de eilandsraad.
3.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een lid van de eilandsraad dat met inachtneming van artikel 14, tweede lid, tevens eilandgedeputeerde is.
4.
De eilandsverordeningen, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden vastgesteld overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels.
1.
De leden van een door de eilandsraad, het bestuurscollege of de gezaghebber ingestelde commissie ontvangen, voor zover zij geen lid zijn van de eilandsraad of het bestuurscollege, een door de eilandsraad bij eilandsverordening vastgestelde vergoeding:
a. voor het bijwonen van vergaderingen van een commissie en
b. van reis- en verblijfkosten in verband met reizen binnen het openbaar lichaam.
2.
In bijzondere gevallen kan de eilandsraad bij eilandsverordening bepalen dat de leden van het dagelijks bestuur van een commissie als bedoeld in artikel 118, een vaste vergoeding voor hun werkzaamheden en een tegemoetkoming in de kosten ontvangen.
3.
Ten aanzien van de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld. Ten aanzien van de overige vergoedingen bedoeld in dit artikel kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld.
Artikel 122
Aan de leden van de eilandsraad en de personen, genoemd in artikel 121, eerste lid, vindt vergoeding van reis- en verblijfkosten, gemaakt in verband met reizen buiten het grondgebied van het openbaar lichaam ter uitvoering van een beslissing van het eilandsbestuur, slechts plaats overeenkomstig door de eilandsraad bij eilandsverordening vastgestelde regels.
Artikel 122a
De eilandsverordeningen, bedoeld in de artikelen 120 tot en met 122, worden aan de Rijksvertegenwoordiger gezonden.
1.
Buiten hetgeen hun bij of krachtens de wet is toegekend, ontvangen de leden van de eilandsraad en de van een door de eilandsraad, het bestuurscollege of de gezaghebber ingestelde commissie, als zodanig geen andere vergoedingen en tegemoetkomingen ten laste van het openbaar lichaam.
2.
Voordelen ten laste van het openbaar lichaam, anders dan in de vorm van vergoedingen en tegemoetkomingen, genieten zij slechts voor zover dat is bepaald bij of krachtens de wet dan wel bij eilandsverordening van de eilandsraad. De eilandsverordening behoeft de goedkeuring van de Rijksvertegenwoordiger.
1.
In ieder openbaar lichaam is een eilandsecretaris en een eilandgriffier.
2.
Een eilandsecretaris is niet tevens eilandgriffier.
Artikel 125
Artikel 16, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op de eilandsecretaris en de eilandgriffier.
1.
Het bestuurscollege benoemt de eilandsecretaris. Hij is tevens bevoegd de eilandsecretaris te schorsen en te ontslaan.
2.
Een besluit houdende de benoeming, bevordering, schorsing of ontslag van de eilandsecretaris behoeft de goedkeuring van de Rijksvertegenwoordiger. De goedkeuring kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of de regels, bedoeld in artikel 168, tweede lid.
1.
De eilandsecretaris staat het bestuurscollege, de gezaghebber en de door hen ingestelde commissies bij de uitoefening van hun taak terzijde.
2.
Het bestuurscollege stelt in een instructie nadere regels over de taak en de bevoegdheden van de eilandsecretaris.
Artikel 128
De eilandsecretaris is in de vergadering van het bestuurscollege aanwezig.
1.
Het bestuurscollege regelt de vervanging van de eilandsecretaris.
2.
De artikelen 124, tweede lid en 125 tot en met 128 zijn van overeenkomstige toepassing op degene die de eilandsecretaris vervangt.
Artikel 130
De eilandsraad benoemt de eilandgriffier. Hij is tevens bevoegd de eilandgriffier te schorsen en te ontslaan.
1.
De eilandgriffier staat de eilandsraad en de door de eilandsraad ingestelde commissies bij de uitoefening van hun taak terzijde.
2.
De eilandsraad stelt in een instructie nadere regels over de taak en de bevoegdheden van de eilandgriffier.
Artikel 132
De eilandgriffier is in de vergadering van de eilandsraad aanwezig.
1.
De eilandsraad regelt de vervanging van de eilandgriffier.
2.
De artikelen 124, tweede lid, 125, 130 tot en met 132 en 135 zijn van overeenkomstige toepassing op degene die de eilandgriffier vervangt.
1.
De eilandsraad kan regels stellen over de organisatie van de griffie.
2.
De eilandsraad is bevoegd de op de griffie werkzame ambtenaren te benoemen, te schorsen en te ontslaan.
Artikel 135
Een besluit houdende de benoeming, bevordering, schorsing of ontslag van de eilandgriffier en de op de griffie werkzame ambtenaren behoeft de goedkeuring van de Rijksvertegenwoordiger. De goedkeuring kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of de regels die door de eilandsraad zijn vastgesteld voor benoeming, bevordering, schorsing en ontslag van de eilandgriffier en de op de griffie werkzame ambtenaren.
1.
De bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake de huishouding van het openbaar lichaam wordt aan het eilandsbestuur overgelaten.
2.
Regeling en bestuur kunnen van het eilandsbestuur worden gevorderd bij of krachtens een andere dan deze wet of de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba ter verzekering van de uitvoering daarvan, met dien verstande dat het geven van aanwijzingen aan het eilandsbestuur en het aan het eilandsbestuur opleggen of in zijn plaats vaststellen van beslissingen, slechts kan geschieden indien de bevoegdheid daartoe bij de wet is toegekend.
3.
Onverminderd de artikelen 138, vijfde lid, en 213, vierde lid, worden de kosten, verbonden aan de uitvoering van het tweede lid, voor zover zij ten laste van de betrokken openbare lichamen blijven, door het Rijk aan hen vergoed.
Artikel 137
Bij of krachtens de wet kan zo nodig onderscheid worden gemaakt tussen de openbare lichamen.
1.
In dit artikel wordt verstaan onder:
a. plan: een beslissing die een samenhangend geheel van op elkaar afgestemde keuzes bevat omtrent door het eilandsbestuur te nemen besluiten of te verrichten andere handelingen, ten einde een of meer doelstellingen te bereiken;
b. beleidsverslag: een schriftelijke rapportage betreffende het door het eilandsbestuur gevoerde beleid op een of meer beleidsterreinen dan wel op onderdelen daarvan en de samenhang daarbinnen of daartussen.
2.
Het vaststellen van een plan of een beleidsverslag en het ter voorbereiding daarvan volgen van een voorgeschreven procedure kan vanwege het Rijk van het eilandsbestuur slechts worden gevorderd in bij de wet te bepalen gevallen.
3.
Een verplichting als bedoeld in het tweede lid geldt voor ten hoogste vier jaren, tenzij de wet anders bepaalt.
4.
Het vaststellen van een plan of een beleidsverslag en het ter voorbereiding daarvan volgen van een voorgeschreven procedure kan vanwege het Rijk in andere dan bij de wet bepaalde gevallen voor een termijn van ten hoogste vier jaar van het eilandsbestuur worden gevraagd als onderdeel van de regeling van een tijdelijke bijzondere uitkering als bedoeld in artikel 92, derde lid, van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
5.
Het vaststellen van een plan of een beleidsverslag en het ter voorbereiding daarvan volgen van de voorgeschreven procedure wordt van een eilandsbestuur niet gevorderd of gevraagd, dan nadat is aangegeven hoe de financiële gevolgen ervan voor het openbaar lichaam worden gecompenseerd.
6.
Dit artikel is niet van toepassing op de begroting en op de jaarrekening en het jaarverslag, bedoeld in artikel 17, onderscheidenlijk artikel 28 van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
1.
Het vaststellen van een plan of een beleidsverslag als bedoeld in artikel 138 en het ter voorbereiding daarvan volgen van een voorgeschreven procedure wordt alleen gevorderd, indien:
a. dit noodzakelijk is uit een oogpunt van afstemming tussen het beleid van het openbaar lichaam en het beleid van het Rijk, of
b. de ontwikkeling van beleid op een nieuw beleidsterrein dit noodzakelijk maakt.
2.
Het vaststellen van een plan of een beleidsverslag als bedoeld in artikel 138 en het ter voorbereiding daarvan volgen van een voorgeschreven procedure wordt niet gevorderd, indien:
a. het eilandsbestuur daardoor ontoelaatbaar beperkt wordt in zijn inhoudelijke of financiële beleidsruimte;
b. de bestuurslasten niet in redelijke verhouding staan tot de te verwachten baten of een aanzienlijk beslag leggen op de voor het betrokken beleidsterrein beschikbare middelen;
c. integratie met een bestaand plan of een bestaand beleidsverslag dan wel met de begroting of de jaarrekening en het jaarverslag, bedoeld in artikel 17, onderscheidenlijk artikel 28 van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba mogelijk is;
d. het bevorderen van de samenhang in het beleid in de openbare lichamen door onderlinge afstemming van onderdelen daarvan onmogelijk wordt;
e. het uitsluitend dient tot het verkrijgen van informatie.
3.
Indien in een voorstel van wet tot invoering of wijziging van bepalingen waarbij het vaststellen van een plan of een beleidsverslag als bedoeld in artikel 138 en het ter voorbereiding daarvan volgen van een voorgeschreven procedure wordt gevorderd, wordt afgeweken van het bepaalde bij of krachtens artikel 138 en dit artikel, wordt die afwijking gemotiveerd in de bij het voorstel behorende toelichting.
1.
Het eilandsbestuur is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang.
2.
De bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wordt uitgeoefend door het bestuurscollege, indien de last dient tot handhaving van regels welke het eilandsbestuur uitvoert.
3.
De bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wordt uitgeoefend door de gezaghebber, indien de last dient tot handhaving van regels welke hij uitvoert.
4.
De artikelen 1:1, vierde lid, 4:116, 5:1 tot en met 5:10 en titel 5.3 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van toepassing met dien verstande dat in artikel 4:116 voor «het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering » wordt gelezen: het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES .
5.
De titels X en XI van het Wetboek van Strafvordering BES zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat:
a. de machtiging, bedoeld in artikel 155 van het Wetboek van Strafvordering BES, wordt verleend door:
1°. het bestuurscollege in de gevallen, bedoeld in het tweede lid;
2°. de gezaghebber in de gevallen, bedoeld in het derde lid;
b. het legitimatiebewijs, bedoeld in artikel 162 van het Wetboek van Strafvordering BES, wordt uitgegeven door de gezaghebber;
c. het schriftelijk verslag omtrent het binnentreden, bedoeld in artikel 163 van het Wetboek van Strafvordering BES, wordt toegezonden aan:
1°. het bestuurscollege in de gevallen, bedoeld in het tweede lid;
2°. de gezaghebber in de gevallen, bedoeld in het derde lid.
1.
In geval van toepassing van artikel 231 kan de Rijksvertegenwoordiger een last onder bestuursdwang opleggen namens het eilandsbestuur en ten laste van het openbaar lichaam. Artikel 140, vierde en vijfde lid, zijn alsdan van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de machtiging, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel a, wordt verleend door de Rijksvertegenwoordiger, het legitimatiebewijs, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel b, wordt uitgegeven door de Rijksvertegenwoordiger en dat het schriftelijk verslag, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel c, wordt toegezonden aan de Rijksvertegenwoordiger.
2.
Het openbaar lichaam heeft in dat geval voor het bedrag van de te zijnen laste gebrachte kosten verhaal op de overtreder.
1.
Besluiten van het eilandsbestuur die algemeen verbindende voorschriften inhouden, verbinden niet dan wanneer zij zijn bekendgemaakt.
2.
De bekendmaking geschiedt door plaatsing in het op een algemeen toegankelijke wijze uit te geven afkondigingsblad van het openbaar lichaam.
3.
Het afkondigingsblad kan elektronisch worden uitgegeven. Na de uitgifte blijft het afkondigingsblad elektronisch op een algemeen toegankelijke wijze beschikbaar. Indien elektronische uitgifte geheel of gedeeltelijk onmogelijk is, voorziet het eilandsbestuur in een vervangende uitgave.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden omtrent het bepaalde in de eerste en tweede volzin nadere regels gesteld.
4.
Bij de bekendmaking van een besluit dat aan goedkeuring is onderworpen, wordt de dagtekening vermeld van het besluit waarbij die goedkeuring is verleend of wordt de mededeling gedaan van de omstandigheid dat ingevolge artikel 10:31, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht een besluit tot goedkeuring wordt geacht te zijn genomen.
1.
De teksten van besluiten van het eilandsbestuur die algemeen verbindende voorschriften inhouden, zijn in geconsolideerde vorm voor een ieder beschikbaar door middel van een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen algemeen toegankelijk elektronisch medium.
2.
Een geconsolideerde tekst van een besluit die op grond van het eerste lid beschikbaar is gesteld, blijft beschikbaar indien het besluit na de beschikbaarstelling is gewijzigd of ingetrokken.
3.
Onze Minister kan regels stellen over de wijze waarop de in het eerste lid bedoelde teksten beschikbaar worden gesteld.
4.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën van besluiten worden aangewezen, waarop het eerste lid niet van toepassing is.
Artikel 144
Een ieder kan op verzoek een papieren afschrift verkrijgen van de besluiten van het eilandsbestuur die algemeen verbindende voorschriften inhouden. Het afschrift wordt verstrekt tegen ten hoogste de kosten van het maken van het afschrift.
Artikel 145
De bekendgemaakte besluiten treden in werking met ingang van de achtste dag na die van de bekendmaking, tenzij in deze besluiten daarvoor een ander tijdstip is aangewezen.
Artikel 146
Een besluit als bedoeld in artikel 142 op overtreding waarvan straf is gesteld, wordt na de bekendmaking medegedeeld aan het parket in eerste aanleg.
Artikel 147
Met betrekking tot de intrekking van besluiten die algemeen verbindende voorschriften inhouden, zijn de artikelen 142, 145 en 146 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de mededeling aan het parket in eerste aanleg geschiedt binnen een week.
Artikel 148
Op termijnen gesteld in een eilandsverordening zijn de artikelen 1 tot en met 4 van de Algemene Termijnenwet van overeenkomstige toepassing, tenzij in de eilandsverordening anders is bepaald.
1.
Eilandsverordeningen worden door de eilandsraad vastgesteld voor zover de bevoegdheid daartoe niet bij de wet of door de eilandsraad krachtens de wet aan het bestuurscollege of de gezaghebber is toegekend.
2.
De overige bevoegdheden, bedoeld in artikel 136, eerste lid, berusten bij de eilandsraad.
3.
De overige bevoegdheden, bedoeld in artikel 136, tweede lid, berusten bij het bestuurscollege, voor zover deze niet bij of krachtens de wet aan de eilandsraad of de gezaghebber zijn toegekend.
1.
Een lid van de eilandsraad kan een voorstel voor een eilandsverordening of een ander voorstel ter behandeling in de eilandsraad indienen.
2.
De eilandsraad regelt op welke wijze een voorstel voor een eilandsverordening wordt ingediend en behandeld.
3.
De eilandsraad regelt op welke wijze en onder welke voorwaarden een ander voorstel wordt ingediend en behandeld.
4.
De eilandsraad neemt geen besluit over een voorstel dan nadat het bestuurscollege in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van de raad te brengen.
1.
Een lid van de eilandsraad kan een voorstel tot wijziging van een voor de vergadering van de eilandsraad geagendeerde ontwerp-eilandsverordening of ontwerp-beslissing indienen.
2.
Artikel 150, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 152
De eilandsraad maakt de eilandsverordeningen die hij in het belang van het openbaar lichaam nodig oordeelt.
Artikel 153
Indien het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van een voorschrift van een eilandsverordening, dat strekt tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of tot bescherming van het leven of de gezondheid van personen vereist dat de met het toezicht op de naleving of de opsporing belaste personen bevoegd zijn binnen te treden in een woning zonder toestemming van de bewoner, kan de eilandsraad deze bevoegdheid bij eilandsverordening verlenen.
Artikel 154
De eilandsraad stelt een eilandsverordening vast waarin regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding van het beleid van het openbaar lichaam worden betrokken.
1.
De eilandsraad kan bij eilandsverordening de gezaghebber de bevoegdheid verlenen om bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aan te wijzen als veiligheidsrisicogebied. In een veiligheidsrisicogebied kan de officier van justitie de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 50, derde lid, 51, derde lid, en 52, derde lid, van de Wet wapens en munitie toepassen. Voor de vaststelling van de eilandsverordening bij stemming is de volstrekte meerderheid van het aantal zitting hebbende leden vereist.
2.
De gezaghebber gaat niet over tot aanwijzing als veiligheidsrisicogebied dan na overleg met de officier van justitie.
3.
De aanwijzing als veiligheidsrisicogebied wordt gegeven voor een bepaalde duur die niet langer is en voor een gebied dat niet groter is dan strikt noodzakelijk voor de handhaving van de openbare orde.
4.
De beslissing tot gebiedsaanwijzing wordt op schrift gesteld en bevat een omschrijving van het gebied waarop deze van toepassing is alsmede de geldigheidsduur. Indien de situatie dermate spoedeisend is dat de gezaghebber de beslissing tot gebiedsaanwijzing niet tevoren op schrift kan stellen, zorgt hij alsnog zo spoedig mogelijk voor de opschriftstelling en voor de bekendmaking daarvan.
5.
De gezaghebber brengt de gebiedsaanwijzing zo spoedig mogelijk ter kennis van de eilandsraad en van de officier van justitie, bedoeld in het tweede lid.
6.
Zodra de verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel de ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, bedoeld in het eerste lid, is geweken, trekt de gezaghebber de gebiedsaanwijzing in. Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing.
1.
De eilandsraad kan bij eilandsverordening de gezaghebber de bevoegdheid verlenen om, indien dat in het belang van de handhaving van de openbare orde noodzakelijk is, te besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats als bedoeld in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties en andere bij eilandsverordening aan te wijzen plaatsen die voor een ieder toegankelijk zijn. De gezaghebber bepaalt de duur van de plaatsing en wijst de openbare plaats of plaatsen aan, met inachtneming van hetgeen daaromtrent in de eilandsverordening is bepaald. Voor de vaststelling van de eilandsverordening bij stemming is de volstrekte meerderheid van het aantal zitting hebbende leden vereist.
2.
De gezaghebber stelt, na overleg met de officier van justitie, de periode vast waarin in het belang van de handhaving van de openbare orde daadwerkelijk gebruik van de camera’s plaatsvindt en de met de camera’s gemaakte beelden in elk geval rechtstreeks worden bekeken.
3.
De gezaghebber bedient zich bij de uitvoering van het in het eerste lid bedoelde besluit van de onder zijn gezag staande politie.
4.
De aanwezigheid van camera’s als bedoeld in het eerste lid is op duidelijke wijze kenbaar voor een ieder die de desbetreffende openbare plaats betreedt.
5.
Met de camera’s worden uitsluitend beelden gemaakt van een openbare plaats als bedoeld in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties en andere bij eilandsverordening aan te wijzen plaatsen die voor een ieder toegankelijk zijn.
6.
De met de camera’s gemaakte beelden mogen in het belang van de handhaving van de openbare orde worden vastgelegd.
7.
De verwerking van de gegevens, bedoeld in het zesde lid, is een verwerking als bedoeld in de Wet politiegegevens , met dien verstande dat, in afwijking van het bepaalde in artikel 8 van die wet, de vastgelegde beelden na ten hoogste vier weken worden vernietigd en de gegevens, bedoeld in het zesde lid, indien er concrete aanleiding bestaat te vermoeden dat die gegevens noodzakelijk zijn voor de opsporing van een strafbaar feit, ten behoeve van de opsporing van dat strafbare feit kunnen worden verwerkt.
8.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met het oog op de goede uitvoering van het toezicht, bedoeld in het eerste lid, regels worden gesteld omtrent:
a. de vaste camera’s en andere technische hulpmiddelen benodigd voor het toezicht, bedoeld in het eerste lid, en de wijze waarop deze hulpmiddelen worden aangebracht;
b. de personen belast met of anderszins direct betrokken bij de uitvoering van het toezicht; en
c. de ruimten waarin de waarneming of verwerking van door het toezicht vastgelegde beelden plaatsvindt.
1.
De eilandsraad kan op overtreding van zijn eilandsverordeningen en van het bestuurscollege waaraan ingevolge artikel 166 verordenende bevoegdheid is gedelegeerd, straf stellen maar geen andere of zwaardere dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie, al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.
2.
Indien een krachtens het eerste lid strafbaar gestelde overtreding van voorschriften met betrekking tot het plaatsen of laten staan van motorrijtuigen op parkeerterreinen of weggedeelten, bedoeld in artikel 56 van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt begaan door een bij de ontdekking van het feit onbekend gebleven bestuurder van een motorrijtuig, kunnen de op het feit gestelde straffen worden opgelegd aan de eigenaar of houder van dat motorrijtuig voor zover deze niet reeds naast de bestuurder voor dat feit aansprakelijk is.
3.
Het tweede lid geldt niet, indien de eigenaar of houder:
a. de naam en het volledige adres van de bestuurder bekend heeft gemaakt;
b. niet heeft kunnen vaststellen wie de bestuurder was en hem daarvan redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.
4.
De strafbare feiten, bedoeld in het eerste lid, zijn overtredingen.
1.
De eilandsraad kan bij eilandsverordening de gezaghebber de bevoegdheid verlenen om door de gezaghebber aangewezen groepen van personen, op een door de gezaghebber aangegeven plaats tijdelijk te doen ophouden. De ophouding kan mede omvatten, indien nodig, het overbrengen naar die plaats. Voor de vaststelling van de eilandsverordening bij stemming is de volstrekte meerderheid van het aantal zitting hebbende leden vereist.
2.
De gezaghebber oefent de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, slechts uit:
a. jegens personen die een door de raad bij eilandsverordening vastgesteld en daartoe aangewezen specifiek voorschrift dat strekt tot handhaving van de openbare orde of beperking van gevaar in omstandigheden als bedoeld in artikel 178, groepsgewijs niet naleven, en
b. indien het ophouden noodzakelijk is ter voorkoming van voortzetting of herhaling van de niet-naleving en de naleving redelijkerwijs niet op andere geschikte wijze kan worden verzekerd.
3.
De beslissing tot ophouding wordt op schrift gesteld. De schriftelijke beslissing is een beschikking. Indien de situatie dermate spoedeisend is dat de gezaghebber de beslissing tot ophouding niet tevoren op schrift kan stellen, zorgt hij alsnog zo spoedig mogelijk voor de opschriftstelling en voor de bekendmaking.
4.
De beschikking vermeldt welk voorschrift niet wordt nageleefd.
5.
De gezaghebber laat tot ophouding als bedoeld in het eerste lid niet overgaan dan nadat de personen uit de in het eerste lid bedoelde groep in de gelegenheid zijn gesteld de tenuitvoerlegging van de beschikking tot ophouding te voorkomen, door alsnog het voorschrift, bedoeld in het vierde lid, na te leven.
6.
De gezaghebber draagt er zorg voor dat zo spoedig mogelijk een verslag van de bevindingen inzake de tenuitvoerlegging van de ophouding wordt opgesteld.
7.
De ophouding mag niet langer duren dan de tijd die nodig is ter voorkoming van voortzetting of herhaling van de niet-naleving, met een maximum van twaalf uren.
8.
De plaats van ophouding dient geschikt te zijn voor de opvang van de op te houden personen. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels hieromtrent worden gesteld.
9.
De gezaghebber draagt er voor zover mogelijk zorg voor dat de opgehouden personen in de gelegenheid worden gesteld door een daartoe door hem aangewezen ambtenaar hun gegevens te laten vastleggen ten bewijze dat zij zijn opgehouden.
10.
De artikelen 54 en 55 van de Wet administratieve rechtspraak BES zijn niet van toepassing op de beschikking tot ophouding.
11.
Indien tegen de beschikking tot ophouding een verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 85 van de Wet administratieve rechtspraak BES wordt gedaan:
a. wordt, in afwijking van artikel 86 van de van de Wet administratieve rechtspraak BES, de verzoeker die is opgehouden zo mogelijk nog tijdens zijn ophouding door de voorzieningenrechter gehoord;
b. doet de voorzieningenrechter in afwijking van artikel 86 van de Wet administratieve rechtspraak BES onmiddellijk na het horen van partijen uitspraak, en
c. wordt, in afwijking van artikel 17 en artikel 81 van de Wet administratieve rechtspraak BES, geen griffierecht geheven.
12.
Bij de beoordeling van het verzoek betrekt de voorzieningenrechter tevens de rechtmatigheid van de tenuitvoerlegging van de beschikking tot ophouding jegens verzoeker.
13.
Indien de voorzieningenrechter een of meer verzoeken toewijst op de grond dat de beschikking tot ophouding naar zijn voorlopig oordeel onrechtmatig is, kan hij bepalen dat alle personen die op basis van de betrokken beschikking zijn opgehouden, onverwijld in vrijheid worden gesteld.
14.
Het twaalfde lid is van overeenkomstige toepassing op de beoordeling van een beroep tegen de beschikking tot ophouding als bedoeld in artikel 7 van de Wet administratieve rechtspraak BES.
1.
Een lid van de eilandsraad kan het bestuurscollege of de gezaghebber mondeling of schriftelijk vragen stellen.
2.
Een lid van de eilandsraad kan de eilandsraad verlof vragen tot het houden van een interpellatie over een onderwerp dat niet staat vermeld op de agenda, bedoeld in artikel 20, tweede lid, om het bestuurscollege of de gezaghebber hierover inlichtingen te vragen. De eilandsraad stelt hierover nadere regels.
1.
De eilandsraad kan op voorstel van een of meer van zijn leden een onderzoek naar het door het bestuurscollege of de gezaghebber gevoerde bestuur instellen.
2.
Het besluit tot het instellen van een onderzoek omvat een omschrijving van het onderwerp van onderzoek alsmede een toelichting. Deze omschrijving kan hangende het onderzoek door de eilandsraad worden gewijzigd.
3.
Het onderzoek wordt uitgevoerd door een door de eilandsraad in te stellen onderzoekscommissie. De commissie heeft ten minste drie leden en bestaat uitsluitend uit leden van de eilandsraad.
4.
De artikelen 23, 117, derde lid, en 119, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de onderzoekscommissie.
5.
De onderzoekscommissie kan de bij deze wet verleende bevoegdheden uitsluitend uitoefenen, indien ten minste drie van haar leden aanwezig zijn.
6.
De bevoegdheden en werkzaamheden van een onderzoekscommissie worden niet geschorst door het aftreden van de eilandsraad.
7.
Op het besluit tot instelling van een onderzoek en tot instelling van een onderzoekscommissie, alsmede het besluit tot wijziging van de omschrijving van het onderwerp van een onderzoek zijn de artikelen 142, tweede lid, 143 en 144 van overeenkomstige toepassing.
8.
Alvorens de eilandsraad besluit tot een onderzoek, stelt hij bij eilandsverordening nadere regels met betrekking tot deze onderzoeken. In elk geval worden daarin regels opgenomen over de wijze waarop ambtelijke bijstand wordt verleend aan de commissie.
1.
Leden en gewezen leden van de eilandsraad, de gezaghebber en gewezen gezaghebbers, eilandgedeputeerden en gewezen eilandgedeputeerden, leden en gewezen leden van de gezamenlijke rekenkamer, leden en gewezen leden van een door de eilandsraad, het bestuurscollege of de gezaghebber ingestelde commissie, ambtenaren en gewezen ambtenaren, door of vanwege het eilandsbestuur aangesteld of daaraan ondergeschikt, zijn verplicht te voldoen aan een vordering van de onderzoekscommissie tot het verschaffen van inzage in, het nemen van afschrift van of het anderszins laten kennisnemen van alle bescheiden waarover zij beschikken en waarvan naar het redelijk oordeel van de onderzoekscommissie inzage, afschrift of kennisneming anderszins voor het doen van een onderzoek als bedoeld in artikel 160 nodig is.
2.
Indien een vordering als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op bescheiden die afkomstig zijn van een instelling van de Europese Unie of van het Rijk en kennisneming van die bescheiden door de onderzoekscommissie het belang van de Europese Unie of de Staat kan schaden, wordt niet dan met toestemming van Onze Minister aan de vordering voldaan.
3.
Ambtenaren, door of vanwege het eilandsbestuur aangesteld of daaraan ondergeschikt, zijn gehouden om aan een onderzoek als bedoeld in artikel 160 alle door de onderzoekscommissie gevorderde medewerking te verlenen.
1.
Personen als bedoeld in artikel 161 zijn verplicht te voldoen aan een oproep van de onderzoekscommissie om als getuige of deskundige te worden gehoord.
2.
Een getuige of deskundige die door de onderzoekscommissie wordt gehoord, is niet tevens lid van de onderzoekscommissie.
3.
De getuigen zijn verplicht getuigenis af te leggen.
4.
De deskundigen zijn verplicht hun diensten onpartijdig en naar beste weten als zodanig te verlenen.
5.
De onderzoekscommissie kan besluiten dat getuigen uitsluitend worden verhoord na het afleggen van een eed of belofte. Zij leggen dan in de vergadering van de onderzoekscommissie, in handen van de voorzitter, de eed of belofte af dat zij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zullen zeggen.
6.
De getuigen en deskundigen worden in een openbare zitting van de onderzoekscommissie gehoord. Plaats en tijd van de openbare zitting worden door de voorzitter tijdig ter openbare kennis gebracht.
7.
De onderzoekscommissie kan om gewichtige redenen besluiten een verhoor of een gedeelte daarvan niet in het openbaar af te nemen. De leden en plaatsvervangende leden van de commissie bewaren geheimhouding over hetgeen hun tijdens een besloten zitting ter kennis komt.
8.
Een getuige is gerechtigd zich tijdens het verhoor te laten bijstaan. Om gewichtige redenen kan de commissie besluiten, dat een getuige zonder bijstand wordt gehoord.
9.
Verklaringen die zijn afgelegd voor de onderzoekscommissie kunnen, behalve in het geval van een strafrechtelijke procedure naar meineed, niet als bewijs in rechte gelden.
1.
Getuigen en deskundigen worden schriftelijk opgeroepen. De brief, houdende de oproep, wordt aangetekend verzonden of tegen gedagtekend ontvangstbewijs uitgereikt.
2.
De onderzoekscommissie kan bevelen dat getuigen en deskundigen die, hoewel opgeroepen in overeenstemming met het eerste lid, niet zijn verschenen, door de openbare macht voor hen worden gebracht om aan hun verplichting te voldoen. De onderzoekscommissie stelt de getuige of deskundige hiervan schriftelijk in kennis op de wijze, bedoeld in het eerste lid. In de beschikking wordt een termijn gesteld waarbinnen de belanghebbende de tenuitvoerlegging kan voorkomen door alsnog aan zijn verplichting te voldoen.
3.
Op een beschikking als bedoeld in het eerste en het tweede lid is artikel 55 van de Wet administratieve rechtspraak BES niet van toepassing.
1.
Niemand kan genoodzaakt worden aan de onderzoekscommissie geheimen te openbaren, voor zover daardoor onevenredige schade zou worden toegebracht aan het belang van de uitoefening van zijn beroep, dan wel aan het belang van zijn onderneming of de onderneming waarbij hij werkzaam is of is geweest.
2.
Zij die uit hoofde van hun ambt, beroep of betrekking tot geheimhouding verplicht zijn, kunnen zich verschonen getuigenis af te leggen, doch uitsluitend met betrekking tot hetgeen waarvan de wetenschap aan hen als zodanig is toevertrouwd. Zij kunnen inzage, afschrift of kennisneming anderszins weigeren van bescheiden of gedeelten daarvan tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt.
3.
De gezaghebber en gewezen gezaghebbers, eilandgedeputeerden en gewezen eilandgedeputeerden, leden en gewezen leden van een door het bestuurscollege of de gezaghebber ingestelde commissie, ambtenaren en gewezen ambtenaren, door of vanwege het bestuurscollege aangesteld of daaraan ondergeschikt, zijn niet verplicht aan artikel 161 en artikel 162 te voldoen, indien het verstrekken van de inlichtingen in strijd is met het openbaar belang.
4.
De onderzoekscommissie kan verlangen dat een beroep als bedoeld in het derde lid op strijd met het openbaar belang wordt bevestigd door het bestuurscollege, of, voor zover de inlichtingen betrekking hebben op het door de gezaghebber gevoerde bestuur, door de gezaghebber.
Artikel 165
Het bestuurscollege neemt de door de eilandsraad geraamde kosten voor een onderzoek in een bepaald jaar op in de ontwerp-begroting.
1.
De eilandsraad kan aan het bestuurscollege bevoegdheden overdragen, tenzij de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet.
2.
De eilandsraad kan in ieder geval niet overdragen de bevoegdheid tot:
a. de instelling van de gezamenlijke rekenkamer;
b. de instelling van een onderzoek, bedoeld in artikel 160, eerste lid;
c. de vaststelling of wijziging van de begroting, bedoeld in artikel 15 van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
e. het stellen van straf op overtreding van eilandsverordeningen;
h. de heffing van andere belastingen dan de precariobelasting, bedoeld in artikel 60 van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, de rechten, genoemd in artikel 62 van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en de rechten waarvan de heffing geschiedt krachtens andere wetten dan de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba .
3.
De bevoegdheid tot het vaststellen van eilandsverordeningen, door strafbepaling of bestuursdwang te handhaven, kan de eilandsraad slechts overdragen voor zover het betreft de vaststelling van nadere regels met betrekking tot bepaalde door hem in zijn eilandsverordeningen aangewezen onderwerpen.
4.
De artikelen 142, tweede lid, 143 en 144 zijn van overeenkomstige toepassing op een besluit dat wordt genomen op grond van het eerste lid.
1.
De voorschriften met betrekking tot de bevoegdheid van de eilandsraad, de uitoefening daarvan en het toezicht daarop zijn ten aanzien van de ingevolge artikel 166 overgedragen bevoegdheden van overeenkomstige toepassing.
2.
Onder de in het eerste lid bedoelde voorschriften zijn niet begrepen die betreffende vergaderingen.
1.
Het bestuurscollege is in ieder geval bevoegd:
a. het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam te voeren, voor zover niet bij of krachtens de wet de eilandsraad of de gezaghebber hiermee is belast;
b. beslissingen van de eilandsraad voor te bereiden en uit te voeren, tenzij bij of krachtens de wet de gezaghebber hiermee is belast;
c. regels vast te stellen over de ambtelijke organisatie van het openbaar lichaam, met uitzondering van de organisatie van de griffie;
d. ambtenaren, niet zijnde de eilandgriffier en de op de griffie werkzame ambtenaren, te benoemen, te bevorderen, te schorsen en te ontslaan;
e. tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van het openbaar lichaam te besluiten;
f. te besluiten namens het openbaar lichaam, het bestuurscollege of de eilandsraad rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratief beroepsprocedures te voeren of handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten, tenzij de eilandsraad, voor zover het de eilandsraad aangaat, in voorkomende gevallen anders beslist;
g. ten aanzien van de voorbereiding van de civiele verdediging;
h. jaarmarkten of gewone marktdagen in te stellen, af te schaffen of te veranderen.
2.
Besluiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, worden genomen op grond van door het bestuurscollege vastgestelde regels inzake de benoeming, bevordering, schorsing en ontslag van ambtenaren. Deze regels bevatten in ieder geval de gronden voor deze besluiten.
3.
Besluiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, behoeven de goedkeuring van de Rijksvertegenwoordiger. De goedkeuring kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of op een grond, die is neergelegd in de regels, bedoeld in het tweede lid.
4.
Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op besluiten tot het sluiten van een overeenkomst van opdracht als bedoeld in Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek BES , op grond waarvan de opdrachtnemer ten behoeve van het openbaar lichaam voor meer dan een maand en gedurende ten minste 16 uur gemiddeld per week werkzaamheden verricht of laat verrichten door derden.
5.
Het bestuurscollege neemt, ook alvorens is besloten tot het voeren van een rechtsgeding, alle conservatoire maatregelen en doet wat nodig is ter voorkoming van verjaring of verlies van recht of bezit.
Artikel 169
Het bestuurscollege kan een in het openbaar lichaam dienstdoende ambtenaar van politie machtigen in zijn naam besluiten te nemen of andere handelingen te verrichten.
1.
Het bestuurscollege kan een of meer leden van het bestuurscollege machtigen tot uitoefening van een of meer van zijn bevoegdheden, tenzij de regeling waarop de bevoegdheid steunt zich daartegen verzet.
2.
Een krachtens machtiging uitgeoefende bevoegdheid wordt uit naam en onder verantwoordelijkheid van het bestuurscollege uitgeoefend.
3.
Het bestuurscollege kan te dien aanzien alle aanwijzingen geven die het nodig acht.
1.
Het bestuurscollege en elk van zijn leden afzonderlijk zijn aan de eilandsraad verantwoording schuldig over het door het bestuurscollege gevoerde bestuur.
2.
Zij geven de eilandsraad alle inlichtingen die de eilandsraad voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft.
3.
Zij geven de eilandsraad mondeling of schriftelijk de door een of meer leden gevraagde inlichtingen, tenzij het verstrekken ervan in strijd is met het openbaar belang.
4.
Zij geven de eilandsraad vooraf inlichtingen over de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 168, eerste lid, onderdeel e, f, g en h, indien de eilandsraad daarom verzoekt of indien de uitoefening ingrijpende gevolgen kan hebben voor het openbaar lichaam. In het laatste geval neemt het bestuurscollege geen besluit dan nadat de eilandsraad in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het bestuurscollege te brengen.
5.
Indien de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 168, eerste lid, onderdeel f, geen uitstel kan lijden, geven zij in afwijking van het vierde lid de eilandsraad zo spoedig mogelijk inlichtingen over de uitoefening van deze bevoegdheid en het terzake genomen besluit.
1.
De gezaghebber ziet toe op:
a. een tijdige voorbereiding, vaststelling en uitvoering van het beleid van het openbaar lichaam en van de daaruit voortvloeiende besluiten, alsmede op een goede afstemming tussen degenen die bij die voorbereiding, vaststelling en uitvoering zijn betrokken;
b. een goede samenwerking van het openbaar lichaam met de andere openbare lichamen en andere overheden;
c. de kwaliteit van procedures op het vlak van burgerparticipatie;
d. een zorgvuldige behandeling van bezwaarschriften;
e. een zorgvuldige behandeling van klachten door het eilandsbestuur.
2.
De gezaghebber bevordert de bestuurlijke integriteit van het openbaar lichaam.
3.
De gezaghebber bevordert overigens een goede behartiging van de aangelegenheden van het openbaar lichaam.
1.
De gezaghebber vertegenwoordigt het openbaar lichaam in en buiten rechte.
2.
De gezaghebber kan de vertegenwoordiging opdragen aan een door hem aan te wijzen persoon.
1.
De gezaghebber is belast met de handhaving van de openbare orde.
2.
De gezaghebber is bevoegd overtredingen van wettelijke voorschriften die betrekking hebben op de openbare orde, te beletten of te beëindigen. Hij bedient zich daarbij van de onder zijn gezag staande politie.
3.
De gezaghebber is bevoegd bij verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, de bevelen te geven die noodzakelijk te achten zijn voor de handhaving van de openbare orde.
1.
De gezaghebber heeft het opperbevel bij brand alsmede bij ongevallen anders dan bij brand voor zover de brandweer daarbij een taak heeft.
2.
De gezaghebber is bevoegd bij brand en ongevallen, bedoeld in het eerste lid, de bevelen te geven die met het oog op het voorkomen, beperken en bestrijden van gevaar nodig zijn.
1.
De gezaghebber is belast met het toezicht op de openbare samenkomsten en vermakelijkheden alsmede op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven.
2.
De gezaghebber is bevoegd bij de uitoefening van het toezicht, bedoeld in het eerste lid, de bevelen te geven die met het oog op de bescherming van veiligheid en gezondheid nodig zijn.
3.
De gezaghebber is belast met de uitvoering van eilandsverordeningen voor zover deze betrekking hebben op het toezicht, bedoeld in het eerste lid.
1.
De gezaghebber kan besluiten een woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te sluiten, indien door gedragingen in de woning of het lokaal of op het erf de openbare orde rond de woning, het lokaal of het erf wordt verstoord.
2.
De bevoegdheid, genoemd in het eerste lid, komt de gezaghebber eveneens toe in geval van ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde op de grond dat de rechthebbende op de woning, het lokaal of het erf eerder een woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf op een zodanige wijze heeft gebruikt of doen gebruiken dat die woning, dat lokaal of dat erf op grond van het eerste lid is gesloten, en er aanwijzingen zijn dat betrokkene de woning, het lokaal of het erf ten aanzien waarvan hij rechthebbende is eveneens op een zodanige wijze zal gebruiken of doen gebruiken.
3.
De gezaghebber bepaalt in het besluit de duur van de sluiting. In geval van ernstige vrees voor herhaling van de verstoring van de openbare orde kan hij besluiten de duur van de sluiting tot een door hem te bepalen tijdstip te verlengen.
4.
Bij de bekendmaking van het besluit worden belanghebbenden in de gelegenheid gesteld binnen een te stellen termijn maatregelen te treffen waardoor de verstoring van de openbare orde wordt beëindigd. De eerste volzin is niet van toepassing, indien voorafgaande bekendmaking in spoedeisende gevallen niet mogelijk is.
1.
In geval van oproerige beweging, van andere ernstige wanordelijkheden of van rampen of zware ongevallen, dan wel van ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, is de gezaghebber bevoegd alle bevelen te geven die hij ter handhaving van de openbare orde of ter beperking van gevaar nodig acht. Daarbij kan van andere dan bij de Grondwet gestelde voorschriften worden afgeweken.
2.
De gezaghebber laat tot maatregelen van geweld niet overgaan dan na het doen van de nodige waarschuwing.
1.
Wanneer een omstandigheid als bedoeld in artikel 178, eerste lid zich voordoet, kan de gezaghebber algemeen verbindende voorschriften geven die ter handhaving van de openbare orde of ter beperking van gevaar nodig zijn. Daarbij kan van andere dan bij de Grondwet gestelde voorschriften worden afgeweken. Hij maakt deze voorschriften bekend op een door hem te bepalen wijze.
2.
De gezaghebber brengt de voorschriften zo spoedig mogelijk ter kennis van de eilandsraad, van de Rijksvertegenwoordiger en van de officier van justitie, hoofd van het parket in eerste aanleg.
3.
De voorschriften vervallen, indien zij niet door de eilandsraad in zijn eerstvolgende vergadering die blijkens de presentielijst door meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden is bezocht, worden bekrachtigd.
4.
Indien de eilandsraad de voorschriften niet bekrachtigt, kan de gezaghebber binnen vierentwintig uren administratief beroep instellen bij de Rijksvertegenwoordiger. Deze beslist binnen twee dagen. Gedurende de beroepstermijn en de behandeling van het administratief beroep blijven de voorschriften van kracht.
5.
De Rijksvertegenwoordiger kan de werking van de voorschriften opschorten zolang zij niet bekrachtigd zijn. Het opschorten stuit onmiddellijk de werking van de voorschriften.
6.
Zodra een omstandigheid als bedoeld in artikel 178, eerste lid, zich niet langer voordoet, trekt de gezaghebber de voorschriften in. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.
1.
De gezaghebber is bevoegd door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangegeven plaats tijdelijk te doen ophouden. De ophouding kan mede omvatten, indien nodig, het overbrengen naar die plaats.
2.
De gezaghebber oefent de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, slechts uit:
a. jegens personen die door hem daartoe aangewezen specifieke onderdelen van een bevel als bedoeld in artikel 178 of van een algemeen verbindend voorschrift als bedoeld in artikel 179, groepsgewijs niet naleven, en
b. indien het ophouden noodzakelijk is ter voorkoming van voortzetting of herhaling van de niet-naleving en de naleving redelijkerwijs niet op andere geschikte wijze kan worden verzekerd.
3.
Artikel 158, derde tot en met veertiende lid, is van overeenkomstige toepassing.
1.
De gezaghebber kan een in het openbaar lichaam dienstdoende ambtenaar van politie machtigen in zijn naam besluiten te nemen of andere handelingen te verrichten.
2.
Geen machtiging wordt verleend tot het nemen van besluiten ingevolge de artikelen 155, 158, 174, 175, 176, tweede lid, 177, 178, 179 en 180 en tot uitvoering van beslissingen van de eilandsraad.
1.
De gezaghebber is aan de eilandsraad verantwoording schuldig over het door hem gevoerde bestuur.
2.
Hij geeft de eilandsraad alle inlichtingen die de eilandsraad voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft.
3.
Hij geeft de eilandsraad mondeling of schriftelijk de door een of meer leden gevraagde inlichtingen, tenzij het verstrekken ervan in strijd is met het openbaar belang.
1.
De gezamenlijke rekenkamer onderzoekt de doelmatigheid, de doeltreffendheid en de rechtmatigheid van het door de eilandsbesturen gevoerde bestuur. Een door de gezamenlijke rekenkamer ingesteld onderzoek naar de rechtmatigheid van het door de eilandsbesturen gevoerde bestuur bevat geen controle van de jaarrekening als bedoeld in artikel 38, derde lid, van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
2.
Op verzoek van een of meer eilandsraden kan de gezamenlijke rekenkamer een onderzoek instellen.
1.
De gezamenlijke rekenkamer is bevoegd alle documenten die berusten bij de eilandsbesturen te onderzoeken voor zover zij dat ter vervulling van haar taak nodig acht.
2.
Het eilandsbestuur verstrekt desgevraagd alle inlichtingen die de gezamenlijke rekenkamer ter vervulling van haar taak nodig acht.
3.
Indien de zorg voor een administratie aan een derde is uitbesteed, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing op de administratie van de betrokken derde dan wel van degene die de administratie in opdracht van die derde voert.
1.
De gezamenlijke rekenkamer heeft de in de volgende leden vermelde bevoegdheden ten aanzien van de volgende instellingen en over de volgende periode:
a. samenwerkingslichamen en gemeenschappelijke organen ingesteld krachtens de Wet gemeenschappelijke regelingen , waaraan de openbare lichamen deelnemen, over de jaren dat door de openbare lichamen aan de regeling wordt deelgenomen;
b. naamloze vennootschappen en besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid waarvan een openbaar lichaam meer dan vijftig procent van het geplaatste aandelenkapitaal houdt, over de jaren dat het desbetreffende openbaar lichaam meer dan vijftig procent van het geplaatste aandelenkapitaal houdt;
c. andere privaatrechtelijke rechtspersonen waaraan een openbaar lichaam of een derde voor rekening en risico van het openbaar lichaam rechtstreeks of middellijk een subsidie, lening of garantie heeft verstrekt ten bedrage van ten minste vijftig procent van de baten van deze instelling, over de jaren waarop deze subsidie, lening of garantie betrekking heeft.
2.
De gezamenlijke rekenkamer is bevoegd bij de betrokken instelling nadere inlichtingen in te winnen over de jaarrekeningen, daarop betrekking hebbende rapporten van hen die deze jaarrekeningen hebben gecontroleerd en overige documenten met betrekking tot die instelling die bij het eilandsbestuur berusten. Indien een of meer documenten ontbreken, kan de gezamenlijke rekenkamer van de betrokken instelling de overlegging daarvan vorderen.
3.
De gezamenlijke rekenkamer kan, indien de documenten, bedoeld in het tweede lid, daartoe aanleiding geven, bij de betrokken instelling dan wel bij de derde die de administratie in opdracht van de instelling voert, een onderzoek instellen. De gezamenlijke rekenkamer stelt de eilandsraad en het bestuurscollege van het betrokken openbare lichaam van haar voornemen een dergelijk onderzoek in te stellen in kennis.
1.
De gezamenlijke rekenkamer legt haar bevindingen en haar oordeel vast in rapporten, met dien verstande dat hierin niet worden opgenomen gegevens en bevindingen die naar hun aard vertrouwelijk zijn.
2.
De gezamenlijke rekenkamer deelt aan de eilandsraad en het bestuurscollege van het betrokken openbaar lichaam en, indien van toepassing, aan de betrokken instelling, de opmerkingen en bedenkingen mee die zij naar aanleiding van haar bevindingen van belang acht. Aan de eilandsraad of het bestuurscollege kan zij ter zake voorstellen doen.
3.
De gezamenlijke rekenkamer stelt elk jaar voor 1 april een verslag op van haar werkzaamheden over het voorgaande jaar. Het verslag wordt door de gezamenlijke rekenkamer aan de eilandsraden en de bestuurscolleges van de openbare lichamen gezonden.
4.
De gezamenlijke rekenkamer zendt een afschrift van haar rapporten aan de eilandsraad en het bestuurscollege van het betrokken openbare lichaam. Indien zij met toepassing van artikel 38, elfde lid, van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba een onderzoek heeft ingesteld, zendt de gezamenlijke rekenkamer tevens een afschrift van het rapport aan de betrokken instelling.
5.
De rapporten en de verslagen van de gezamenlijke rekenkamer zijn openbaar.
1.
Er is een Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
2.
De Rijksvertegenwoordiger heeft zijn zetel in een bij koninklijk besluit te bepalen openbaar lichaam.
1.
De Rijksvertegenwoordiger wordt bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister benoemd voor de tijd van zes jaar.
2.
De Rijksvertegenwoordiger kan bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister worden herbenoemd voor de tijd van zes jaar.
3.
Alvorens Onze Minister een voordracht als bedoeld in het eerste en tweede lid doet, wint hij over de voor te dragen persoon het gevoelen in van de bestuurscolleges van de openbare lichamen.
4.
De rijksbelastingdienst verstrekt Onze Minister gegevens inzake bestuurlijke boeten als bedoeld in hoofdstuk VIIIA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en inzake strafbeschikkingen als bedoeld in artikel 76 van die wet, voor zover deze boeten en beschikkingen zijn opgelegd dan wel hadden kunnen worden opgelegd ter zake van feiten die zijn gebleken na de termijn om deze op te leggen.
Artikel 189
De Rijksvertegenwoordiger kan te allen tijde bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister worden ontslagen.
1.
De Rijksvertegenwoordiger kan bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister worden geschorst.
2.
Onze Minister kan, in afwachting van het besluit omtrent schorsing, bepalen dat de Rijksvertegenwoordiger zijn functie niet uitoefent.
3.
Een besluit als bedoeld in het tweede lid vervalt, indien niet binnen een maand een besluit omtrent de schorsing is genomen.
Artikel 191
Voor de benoembaarheid tot Rijksvertegenwoordiger is het Nederlanderschap vereist.
1.
Alvorens zijn ambt te aanvaarden, legt de Rijksvertegenwoordiger in handen van de Koning de volgende eed (verklaring en belofte) af:
«Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba benoemd te worden, rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd.
Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te doen of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of zal aannemen.
Ik zweer (beloof) dat ik getrouw zal zijn aan de Grondwet , dat ik de wetten zal nakomen en dat ik mijn plichten als Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba naar eer en geweten zal vervullen.
Zo waarlijk helpe mij God Almachtig!»
(Dat verklaar en beloof ik!»)
2.
In geval van herbenoeming wordt de eed (verklaring en belofte) in handen van de Koning of in handen van Onze Minister, daartoe door de Koning gemachtigd, afgelegd.
1.
De Rijksvertegenwoordiger geniet een bezoldiging, die bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt geregeld. De bezoldiging komt ten laste van de begroting van Onze Minister.
2.
Bij de algemene maatregel van bestuur kunnen tevens regels worden gesteld betreffende tegemoetkoming in of vergoeding van bijzondere kosten en betreffende andere voorzieningen die verband houden met de vervulling van het ambt van Rijksvertegenwoordiger.
3.
Buiten hetgeen hem bij of krachtens de wet is toegekend, geniet de Rijksvertegenwoordiger als zodanig geen inkomsten, in welke vorm ook, ten laste van het Rijk.
4.
De Rijksvertegenwoordiger geniet geen vergoedingen, in welke vorm ook, voor werkzaamheden, verricht in nevenfuncties welke hij vervult uit hoofde van het ambt van Rijksvertegenwoordiger. Indien deze vergoedingen worden uitgekeerd, worden zij gestort in de Rijkskas.
5.
Tot vergoedingen als bedoeld in het vijfde lid, behoren inkomsten, onder welke benaming ook, uit nevenfuncties die de Rijksvertegenwoordiger neerlegt bij beëindiging van het ambt.
6.
Andere inkomsten dan die bedoeld in het vijfde lid worden met de bezoldiging verrekend overeenkomstig artikel 3 van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer.
7.
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de wijze waarop de Rijksvertegenwoordiger gegevens over de inkomsten, bedoeld in het zevende lid, verstrekt, en de gevolgen van het niet verstrekken van deze gegevens.
8.
De rijksbelastingdienst verstrekt Onze Minister ten behoeve van de verrekening de benodigde gegevens.
1.
De Rijksvertegenwoordiger vervult geen nevenfuncties waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op de goede vervulling van zijn ambt van Rijksvertegenwoordiger of op de handhaving van zijn onpartijdigheid en onafhankelijkheid of van het vertrouwen daarin.
2.
De Rijksvertegenwoordiger meldt zijn voornemen tot aanvaarding van een nevenfunctie, anders dan uit hoofde van zijn ambt van Rijksvertegenwoordiger, aan Onze Minister.
3.
De Rijksvertegenwoordiger maakt nevenfuncties, anders dan uit hoofde van zijn ambt van Rijksvertegenwoordiger, openbaar. De openbaarmaking vindt plaats terstond na benoeming tot Rijksvertegenwoordiger of aanvaarding van een nevenfunctie en geschiedt door terinzaggelegging van een opgave van de functies op het Bureau van de Rijksvertegenwoordiger, bedoeld in artikel 202, eerste lid.
4.
De Rijksvertegenwoordiger maakt tevens de inkomsten uit de nevenfuncties, bedoeld in het derde lid, openbaar. Openbaarmaking geschiedt door terinzagelegging op het Bureau van de Rijksvertegenwoordiger uiterlijk op 1 april na het kalenderjaar waarin de inkomsten zijn genoten.
5.
Onder inkomsten wordt verstaan: loon in de zin van artikel 9 van de Wet op de loonbelasting 1964, verminderd met de eindheffingsbestanddelen bedoeld in artikel 31 van die wet.
Artikel 195
De Rijksvertegenwoordiger is niet tevens:
a. minister;
b. staatssecretaris;
c. lid van de Raad van State;
d. lid van de Algemene Rekenkamer;
e. Nationale ombudsman;
f. substituut-ombudsman als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wet Nationale ombudsman;
g. lid van een eilandsraad;
h. gezaghebber;
i. eilandgedeputeerde;
j. lid van de gezamenlijke rekenkamer;
k. gezamenlijke ombudsman of lid van de gezamenlijke ombudscommissie;
l. ambtenaar, door of vanwege het bestuur van een openbaar lichaam aangesteld of daaraan ondergeschikt;
m. functionaris die krachtens de wet of een algemene maatregel van bestuur het bestuur van een openbaar lichaam van advies dient.
n. lid van provinciale staten;
o. commissaris van de Koning;
p. gedeputeerde van een provincie;
q. lid van een gemeenteraad;
r. burgemeester;
s. wethouder.
Artikel 196
De Rijksvertegenwoordiger mag niet:
a. als advocaat, procureur of adviseur in geschillen werkzaam zijn ten behoeve van een openbaar lichaam of een eilandsbestuur dan wel ten behoeve van de wederpartij van een openbaar lichaam of een eilandsbestuur;
b. als gemachtigde in geschillen werkzaam zijn ten behoeve van de wederpartij van een openbaar lichaam of een eilandsbestuur;
c. als vertegenwoordiger of adviseur werkzaam zijn ten behoeve van derden tot het met een openbaar lichaam aangaan van:
1°. overeenkomsten als bedoeld in onderdeel d;
2°. overeenkomsten tot het leveren van onroerende zaken aan een openbaar lichaam;
d. rechtstreeks of middellijk een overeenkomst aangaan betreffende:
1°. het aannemen van werk ten behoeve van een openbaar lichaam;
2°. het buiten dienstbetrekking tegen beloning verrichten van werkzaamheden ten behoeve van een openbaar lichaam;
3°. het leveren van roerende zaken anders dan om niet aan een openbaar lichaam;
4°. het verhuren van roerende zaken aan een openbaar lichaam;
5°. het verwerven van betwiste vorderingen ten laste van een openbaar lichaam;
6°. het van een openbaar lichaam onderhands verwerven van onroerende zaken of beperkte rechten waaraan deze zijn onderworpen;
7°. het onderhands huren of pachten van een openbaar lichaam.
Artikel 197
Het ambt van Rijksvertegenwoordiger ontheft van alle bij of krachtens de wet opgelegde verplichtingen tot het verrichten van persoonlijke diensten.
1.
De Rijksvertegenwoordiger heeft zijn werkelijke woonplaats in één van de openbare lichamen.
2.
Onze Minister kan voor ten hoogste een jaar ontheffing verlenen van de verplichting om de werkelijke woonplaats in één van de openbare lichamen te hebben.
1.
Indien de Rijksvertegenwoordiger langer dan zes weken buiten de openbare lichamen wenst te verblijven, behoeft hij daartoe de toestemming van Onze Minister.
2.
De Rijksvertegenwoordiger die buiten de openbare lichamen verblijft kan door Onze Minister wegens dringende redenen van dienstbelang worden teruggeroepen.
3.
De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de termijn, genoemd in het eerste lid.
1.
Bij verhindering of ontstentenis van de Rijksvertegenwoordiger wordt het ambt van Rijksvertegenwoordiger waargenomen door de waarnemend Rijksvertegenwoordiger.
2.
De waarnemend Rijksvertegenwoordiger wordt bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister benoemd voor de tijd van zes jaar.
3.
Ten aanzien van de waarnemend Rijksvertegenwoordiger zijn de artikelen 188, tweede, derde en vierde lid, 189 tot en met 192, 194 tot en met 196, 198 en 199 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 201
De toekenning van een vergoeding aan de waarnemend Rijksvertegenwoordiger wordt geregeld bij of krachtens algemene maatregel van bestuur.
1.
Voor zijn ondersteuning beschikt de Rijksvertegenwoordiger over een Bureau, dat hem bijstaat bij de uitoefening van zijn taken.
2.
De bezoldiging van de medewerkers van het Bureau, alsmede de bekostiging van de overige apparaatsuitgaven van het Bureau komen ten laste van de begroting van Onze Minister.
3.
De medewerkers van het Bureau worden door de Rijksvertegenwoordiger benoemd, bevorderd, geschorst en ontslagen.
Artikel 203
Voor zover dit niet bij wet is geschied, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur ten aanzien van de Rijksvertegenwoordiger en de waarnemend Rijksvertegenwoordiger regels vastgesteld betreffende:
a. benoeming, herbenoeming, schorsing, tijdelijk niet uitoefenen van zijn functie en ontslag;
b. onderzoek naar de geschiktheid en bekwaamheid;
c. aanspraken in geval van ziekte;
d. bescherming bij de arbeid;
e. andere aangelegenheden, zijn rechtspositie betreffende, die regeling behoeven.
1.
De Rijksvertegenwoordiger is in ieder geval belast met:
a. het rapporteren aan Onze Minister wie het aangaat over aangelegenheden dan wel bijzondere bevindingen die de openbare lichamen betreffen;
b. het goedkeuren van besluiten houdende benoeming, bevordering, schorsing en ontslag van eilandsambtenaren;
c. het goedkeuren van besluiten tot het sluiten van een overeenkomst van opdracht als bedoeld in Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek BES , op grond waarvan de opdrachtnemer ten behoeve van het openbaar lichaam voor meer dan een maand en gedurende ten minste 16 uur gemiddeld per week werkzaamheden verricht of laat verrichten door derden;
d. het doen van een aanbeveling tot benoeming en een voorstel tot herbenoeming van de gezaghebber;
e. het goedkeuren van de eilandsverordeningen bedoeld in de artikelen 14, vijfde lid, 35, vierde lid, 105, tweede lid, en 123, tweede lid;
f. het verlenen van ontheffingen als bedoeld in de artikelen 16, tweede lid en 85, tweede lid;
g. het bevorderen van de samenwerking tussen de in de openbare lichamen werkzame rijksambtenaren onderling en met de eilandsbesturen;
h. het voorleggen aan Onze Minister wie het aangaat van besluiten en niet-schriftelijke beslissingen gericht op enig rechtsgevolg van de eilandsbesturen die naar zijn mening voor vernietiging in aanmerking komen;
i. het voorzien in de waarneming van de gezaghebber indien hij dat in het belang van het openbaar lichaam nodig oordeelt;
j. al het overige ter bevordering van goed bestuur in de openbare lichamen.
2.
Bij de wet kan de Rijksvertegenwoordiger worden belast met andere taken dan de taken, genoemd in het eerste lid.
3.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de uitvoering van de taken, bedoeld in het eerste en tweede lid.
1.
De Rijksvertegenwoordiger is verantwoording verschuldigd aan Onze Minister wie het aangaat.
2.
Onze Minister wie het aangaat kan de Rijksvertegenwoordiger de nodige algemene en bijzondere aanwijzingen geven met betrekking tot de aan hem toegekende taken en bevoegdheden. Alvorens een aanwijzing te geven treedt Onze Minister wie het aangaat in overleg met Onze Minister.
3.
De Rijksvertegenwoordiger verstrekt Onze Minister wie het aangaat desgevraagd inlichtingen over zijn werkzaamheden.
Artikel 206
De eilandsbesturen alsmede de onder hen ressorterende diensten en ambtenaren verlenen op verzoek van de Rijksvertegenwoordiger hun medewerking bij de uitoefening van de hem toegekende taken.
Artikel 207
Onze Minister wie het aangaat en de Rijksvertegenwoordiger doen het bestuurscollege desgevraagd mededeling van hun standpunten en voornemens met betrekking tot aangelegenheden die voor het openbaar lichaam van belang zijn, tenzij het openbaar belang zich daartegen verzet.
Artikel 208
Onze Minister wie het aangaat en de Rijksvertegenwoordiger bieden het bestuurscollege desgevraagd de gelegenheid tot het plegen van overleg met betrekking tot aangelegenheden die voor het openbaar lichaam van belang zijn, tenzij het openbaar belang zich daartegen verzet.
1.
Onze Minister wie het aangaat stelt de betrokken bestuurscolleges of een instantie die voor deze representatief kan worden geacht, zo nodig binnen een te stellen termijn, in de gelegenheid hun oordeel te geven omtrent voorstellen van wet, ontwerpen van algemene maatregel van bestuur of ontwerpen van ministeriële regeling waarbij:
a. van de openbare lichamen regeling of bestuur wordt gevorderd;
b. in betekenende mate wijziging wordt gebracht in de taken en bevoegdheden van het eilandsbestuur.
2.
Voorstellen als bedoeld in het eerste lid bevatten in de bijbehorende toelichting een weergave van de gevolgen voor de inrichting en werking van de openbare lichamen en een weergave van het in het eerste lid bedoelde oordeel van de betrokken bestuurscolleges of representatieve instantie.
3.
Onverminderd het eerste en tweede lid stelt Onze Minister wie het aangaat de betrokken bestuurscolleges of een instantie die voor deze representatief kan worden geacht, zo nodig binnen een te stellen termijn, vooraf in de gelegenheid hun oordeel te geven omtrent:
a. ingrijpende beleidsvoornemens, die uitsluitend op de openbare lichamen betrekking hebben;
b. beleidsvoornemens ten aanzien van de openbare lichamen om op ingrijpende wijze af te wijken van regelgeving die van toepassing is in het Europese deel van Nederland.
4.
Onze Minister wie het aangaat is niet verplicht vooraf het in het eerste en derde lid bedoelde oordeel in te winnen indien zulks ten gevolge van dringende omstandigheden niet mogelijk is. In dat geval wordt het oordeel zo spoedig mogelijk ingewonnen en openbaar gemaakt.
1.
Een wet waarbij van de eilandsbesturen regeling of bestuur wordt gevorderd of waarbij in betekenende mate wijziging wordt gebracht in taken en bevoegdheden van de eilandsbesturen, wijkt van het bepaalde in deze wet niet af dan wanneer dat bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang.
2.
Het voorstel voor een wet als bedoeld in het eerste lid bevat in de bijbehorende toelichting de gronden voor de voorgestelde afwijking.
1.
Onze Minister is belast met de coördinatie van het rijksbeleid dat de openbare lichamen raakt. Hij bevordert voorts de beleidsvrijheid van het eilandsbestuur.
2.
Over maatregelen en voornemens die van betekenis zijn voor het rijksbeleid inzake de openbare lichamen treden Onze Ministers onder wier verantwoordelijkheid die maatregelen en voornemens tot stand komen in een vroegtijdig stadium in overleg met Onze Minister.
3.
Onze Minister maakt bedenkingen kenbaar tegen een maatregel of een voornemen voor zover hem die maatregel of dat voornemen met het oog op het door de regering gevoerde decentralisatiebeleid niet toelaatbaar voorkomt.
1.
Onze Minister bevordert de decentralisatie ten behoeve van de openbare lichamen.
2.
Voorstellen van maatregelen waarbij bepaalde aangelegenheden tot rijksbeleid worden gerekend, worden slechts gedaan indien het onderwerp van zorg niet op doelmatige en doeltreffende wijze door de eilandsbesturen kan worden behartigd.
Artikel 213
Over al hetgeen het openbaar lichaam betreft dient het bestuurscollege Onze Ministers en de Rijksvertegenwoordiger desgevraagd van bericht en raad, tenzij dit uitdrukkelijk van de gezaghebber wordt verlangd.
1.
Bij de wet of krachtens de wet bij algemene maatregel van bestuur worden de gevallen geregeld waarin het bestuurscollege verplicht is tot het verstrekken van systematische informatie aan Onze Minister wie het aangaat. Daarbij kan worden bepaald dat bij ministeriële regeling nadere voorschriften worden gegeven ten behoeve van de toepassing van de wet of de algemene maatregel van bestuur.
2.
Bij algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister van Economische Zaken, na overleg met Onze Minister, kan worden bepaald dat in die maatregel te omschrijven gegevens ten behoeve van statistische doeleinden aan het Centraal Bureau voor de Statistiek worden verstrekt.
3.
Omtrent de in het eerste en tweede lid bedoelde verstrekking van informatie en de inwinning daarvan worden bij algemene maatregel van bestuur nadere algemene regels gesteld.
4.
Omtrent de in het eerste en tweede lid bedoelde verstrekking van informatie en de inwinning daarvan, alsmede omtrent de verstrekking en inwinning van incidentele informatie, wordt, voorzover dat niet bij wet geschiedt, bij algemene maatregel van bestuur aangegeven hoe de financiële gevolgen van de verplichting tot informatieverstrekking worden gecompenseerd.
5.
De voordrachten voor de algemene maatregelen van bestuur, bedoeld in het derde en het vierde lid, worden gedaan door Onze Minister.
Artikel 215
De bevoegdheid tot het maken van eilandsverordeningen blijft ten aanzien van het onderwerp waarin door wetten of algemene maatregelen van bestuur is voorzien, gehandhaafd, voor zover de eilandsverordeningen met die wetten en algemene maatregelen van bestuur niet in strijd zijn.
Artikel 216
De bepalingen van eilandsverordeningen in wier onderwerp door een wet of een algemene maatregel van bestuur wordt voorzien, zijn van rechtswege vervallen.
1.
Beslissingen van eilandsbesturen kunnen slechts aan goedkeuring worden onderworpen in bij de wet bepaalde gevallen.
2.
Op de goedkeuring van beslissingen van eilandsbesturen is afdeling 10.2.1 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.
1.
Een beslissing die aan goedkeuring bij koninklijk besluit is onderworpen, wordt toegezonden aan Onze Minister wie het aangaat.
2.
Een voordracht tot onthouding van goedkeuring wordt gedaan door of mede door Onze Minister.
3.
Onthouding van goedkeuring geschiedt niet, dan nadat de Raad van State is gehoord. De toepassing van artikel 10:30, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vindt in dat geval plaats voordat het ontwerp-besluit bij de Raad van State ter overweging wordt gebracht. Artikel 18a van de Wet op de Raad van State is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 219
Op de schorsing en vernietiging van beslissingen van eilandsbesturen zijn afdeling 10.2.2 en 10.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.
Artikel 220
Een besluit dan wel een niet-schriftelijke beslissing gericht op enig rechtsgevolg van het eilandsbestuur kan bij koninklijk besluit worden vernietigd.
Artikel 221
De gezaghebber zendt elk eilandsbesluit van algemene strekking, dat niet is bekendgemaakt in het afkondigingsblad van het openbaar lichaam, binnen twee dagen na de bekendmaking daarvan aan de Rijksvertegenwoordiger.
1.
Indien een besluit naar het oordeel van de Rijksvertegenwoordiger voor vernietiging in aanmerking komt, doet hij daarvan binnen twee dagen na de bekendmaking van het besluit, of, indien het betreft een besluit als bedoeld in artikel 221, binnen twee dagen nadat het te zijner kennis is gekomen, mededeling aan Onze Minister wie het aangaat. Hij geeft hiervan tegelijkertijd kennis aan het orgaan dat het besluit nam, en zo nodig aan het orgaan dat met de uitvoering van het besluit is belast.
2.
Het besluit ten aanzien waarvan het eerste lid toepassing heeft gevonden, wordt niet of niet verder uitgevoerd, voordat van Onze Minister wie het aangaat de mededeling is ontvangen, dat voor schorsing of vernietiging geen redenen bestaan. Indien het besluit niet binnen vier weken na de dagtekening van de mededeling van de Rijksvertegenwoordiger is geschorst of vernietigd, wordt het uitgevoerd.
1.
Indien een besluit naar het oordeel van de gezaghebber voor vernietiging in aanmerking komt, doet hij daarvan binnen twee dagen nadat het te zijner kennis is gekomen, door tussenkomst van de Rijksvertegenwoordiger, mededeling aan Onze Minister wie het aangaat. Hij geeft hiervan tegelijkertijd kennis aan het orgaan dat het besluit nam, en zo nodig aan het orgaan dat met de uitvoering van het besluit is belast.
2.
De Rijksvertegenwoordiger zendt de stukken, vergezeld van zijn advies, binnen een week na de dagtekening van de mededeling van de gezaghebber toe aan Onze Minister wie het aangaat.
3.
Artikel 222, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
1.
Een voordracht tot schorsing wordt gedaan door Onze Minister wie het aangaat.
2.
Over de voordracht pleegt Onze Minister wie het aangaat overleg met Onze Minister, tenzij schorsing onverwijld plaats dient te vinden. In de voordracht wordt het achterwege blijven van overleg gemotiveerd.
Artikel 225
Indien een bekend gemaakt besluit niet is vernietigd binnen de tijd waarvoor het is geschorst, wordt hiervan door het eilandsbestuur openbaar kennis gegeven.
1.
De voordracht tot vernietiging wordt gedaan door of mede door Onze Minister.
Artikel 227
Het koninklijk besluit tot schorsing, opheffing of verlenging van de schorsing of tot vernietiging wordt in het Staatsblad geplaatst.
Artikel 228
Het eilandsbestuur neemt opnieuw een besluit omtrent het onderwerp van het vernietigde besluit, waarbij met het koninklijk besluit wordt rekening gehouden.
1.
In afwijking van artikel 3, eerste lid onderdeel a, en tweede lid van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba kan een belanghebbende tegen een koninklijk besluit als bedoeld in artikel 220 binnen zes weken nadat het besluit is bekendgemaakt beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
2.
Geen beroep kan worden ingesteld tegen de weigering om de vernietiging te bevorderen en tegen het niet tijdig nemen van een besluit tot vernietiging.
Artikel 230
Wanneer de eilandsraad bij of krachtens een andere dan deze wet of de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba gevorderde beslissingen niet of niet naar behoren neemt, voorziet het bestuurscollege daarin.
1.
Wanneer het bestuurscollege of de gezaghebber bij of krachtens een andere dan deze wet of de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba gevorderde beslissingen niet of niet naar behoren neemt, voorziet de Rijksvertegenwoordiger daarin namens het bestuurscollege of de gezaghebber en ten laste van het openbaar lichaam.
2.
Spoedeisende gevallen uitgezonderd, vindt het eerste lid geen toepassing dan nadat het bestuurscollege, onderscheidenlijk de gezaghebber in de gelegenheid is gesteld binnen een door de Rijksvertegenwoordiger gestelde termijn alsnog de bij of krachtens een andere dan deze wet of de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba gevorderde beslissingen te nemen.
Artikel 232
Bij de wet kunnen met afwijking van de artikelen 5 en 149 voorzieningen worden getroffen voor het geval het bestuur van een openbaar lichaam zijn taken grovelijk verwaarloost.
1.
De eilandsraden, die op de dag voor de inwerkingtreding van deze wet fungeren als eilandsraden van de eilandgebieden Bonaire, Sint Eustatius en Saba, worden aangemerkt als eilandsraad van het openbaar lichaam Bonaire, het openbaar lichaam Sint Eustatius, onderscheidenlijk het openbaar lichaam Saba.
2.
De leden van de eilandsraden, bedoeld in het eerste lid, worden geacht te zijn gekozen tot lid van de eilandsraad van het openbaar lichaam Bonaire, het openbaar lichaam Sint Eustatius, onderscheidenlijk het openbaar lichaam Saba. Zij treden, behoudens in het geval van tussentijds aftreden of overlijden, af met ingang van de dag waarop de leden van provinciale staten, die op de dag voor de inwerkingtreding van deze wet zitting hebben, ingevolge artikel C 4, tweede lid, van de Kieswet aftreden.
3.
Tot het moment van aftreden, bedoeld in het tweede lid:
a. is artikel 14 slechts van toepassing voor zover de Eilandenregeling Nederlandse Antillen, zoals die luidde op de dag voor de inwerkingtreding van deze wet, ter zake eveneens een verbod inhield;
b. worden de vergoeding, tegemoetkoming in de kosten en andere financiële voorzieningen, bedoeld in artikel 120, eerste en tweede lid, vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur in plaats van bij eilandsverordening.
4.
In afwijking van artikel 14, vijfde lid, wordt een eilandsverordening als bedoeld in artikel 14, vierde lid, onderdeel d, die betrekking heeft op de eilandsraad van Sint Eustatius of Saba die op 2 maart 2011 wordt gekozen uiterlijk vastgesteld op 1 december 2010.
1.
De gedeputeerden, die op de dag voor de inwerkingtreding van deze wet fungeren als gedeputeerden van de eilandgebieden Bonaire, Sint Eustatius en Saba, worden geacht voor de resterende duur van hun benoeming te zijn benoemd door de eilandsraad van het openbaar lichaam Bonaire, het openbaar lichaam Sint Eustatius, onderscheidenlijk het openbaar lichaam Saba, tot eilandgedeputeerde van het openbaar lichaam Bonaire, het openbaar lichaam Sint Eustatius, onderscheidenlijk het openbaar lichaam Saba.
2.
Tot het moment dat de eilandgedeputeerden voor de eerste keer na de inwerkingtreding van deze wet op grond van artikel 54 zijn afgetreden bedraagt het aantal eilandgedeputeerden:
a. vier in het openbaar lichaam Bonaire;
b. twee in de openbare lichamen Sint Eustatius en Saba.
3.
Tot het moment van aftreden, bedoeld in het tweede lid:
a. is artikel 40 slechts van toepassing voor zover de Eilandenregeling Nederlandse Antillen, zoals die luidde op de dag voor de inwerkingtreding van deze wet, ter zake eveneens een verbod inhield;
b. is artikel 56, derde tot en met zevende lid, niet van toepassing.
4.
Artikel 49 is niet van toepassing op de eilandgedeputeerden, bedoeld in het eerste lid.
1.
De gezaghebbers, die op de dag voor de inwerkingtreding van deze wet fungeren als gezaghebbers van de eilandgebieden Bonaire, Sint Eustatius en Saba, worden geacht voor de resterende duur van hun benoeming te zijn benoemd tot gezaghebbers van het openbaar lichaam Bonaire, het openbaar lichaam Sint Eustatius, onderscheidenlijk het openbaar lichaam Saba.
2.
Ten aanzien van de gezaghebbers, bedoeld in het eerste lid, is gedurende de resterende tijd van hun benoeming:
b. artikel 80 slechts van toepassing voor zover de Eilandenregeling Nederlandse Antillen, zoals die luidde op de dag voor de inwerkingtreding van deze wet, ter zake eveneens een verbod inhield.
3.
Artikel 83 is niet van toepassing op de gezaghebbers, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 236
De gezamenlijke rekenkamer wordt ingesteld binnen twee jaar na inwerkingtreding van deze wet.
1.
De eilandgriffier wordt benoemd binnen één jaar na inwerkingtreding van deze wet.
2.
Tot de datum waarop de eilandgriffier wordt benoemd staat de eilandsecretaris de eilandsraad en de door hem ingestelde commissies bij de uitoefening van hun taak terzijde.
3.
Tot de datum waarop de eilandgriffier is benoemd blijft de medeondertekening van de stukken die van de eilandsraad uitgaan, bedoeld in artikel 34, achterwege.
Artikel 238
De eilandsverordeningen, bedoeld in de artikelen 35, derde lid en 154, alsmede de gedragscodes, bedoeld in de artikelen 16, derde lid, 53, tweede lid en 82, tweede lid, worden vastgesteld binnen een jaar na de dag van de inwerkingtreding van deze wet.
Artikel 239
Onze Minister zendt binnen zes jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de beide kamers der Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
Artikel 240
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 240a
[Wijzigt deze wet.]
Artikel 241
Deze wet wordt aangehaald als: Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te
’s-Gravenhage, 17 mei 2010
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
Uitgegeven de eerste september 2010
De Minister van Justitie,