1.
Tot het loon behoren niet:
c.
aanspraken ingevolge een pensioenregeling, een en ander volgens de in of krachtens
hoofdstuk IIB gestelde normeringen en beperkingen;
d.
aanspraken ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in
artikel 32ba;
e.
aanspraken ingevolge de
Ziektewet , de
Wet arbeid en zorg , de
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen , de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de
Werkloosheidswet ;
f.
aanspraken, die naar aard en strekking overeenkomen met aanspraken als bedoeld in onderdeel e;
g.
aanspraken op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon, mits:
1°.
deze aanspraken voorzien in aan de werknemer of gewezen werknemer toekomende periodieke uitkeringen die niet later ingaan dan in het jaar waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt of in periodieke uitkeringen die bij zijn overlijden ingaan en toekomen aan zijn echtgenoot of gewezen echtgenoot dan wel degene met wie hij duurzaam een gezamenlijke huishouding voert of heeft gevoerd en met wie geen bloed- of aanverwantschap in de rechte lijn bestaat, of aan zijn kinderen of pleegkinderen die de leeftijd van 30 jaar nog niet hebben bereikt;
h.
aanspraken op uitkeringen wegens overlijden of invaliditeit ten gevolge van een ongeval;
j.
bedragen die worden ingehouden:
1°.
als bijdrage ingevolge een pensioenregeling;
3°.
als bijdrage voor aanspraken die ingevolge de onderdelen f en h niet tot het loon behoren;
4°.
in de plaats van premies en bijdragen als bedoeld onder 2° en 3°;
5°.
als bijdragen ingevolge een levensloopregeling, volgens de bij of krachtens
hoofdstuk IIC gestelde normeringen en beperkingen;
k.
uitkeringen en verstrekkingen tot vergoeding van door de werknemer in verband met zijn dienstbetrekking geleden schade aan of verlies van persoonlijke zaken;
m.
eenmalige uitkeringen en verstrekkingen ter zake van overlijden van de werknemer, zijn partner in het kalenderjaar of in het voorafgaande kalenderjaar – in de zin van
artikel 1.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, of zijn kinderen en pleegkinderen, voorzover deze uitkeringen en verstrekkingen niet overtreffen driemaal het loon over een maand bepaald met inachtneming van bij ministeriële regeling te stellen regels, alsmede aanspraken op de hiervoor bedoelde uitkeringen en verstrekkingen;
n.
uitkeringen en verstrekkingen, andere dan die ter zake van ziekte, invaliditeit, bevalling, adoptie en overlijden, die de werknemer ontvangt uit een fonds tot welks middelen de inhoudingsplichtige gedurende de laatstverlopen vijf kalenderjaren evenveel of minder heeft bijgedragen dan de bij het fonds betrokken werknemers, tenzij die uitkeringen en verstrekkingen geschieden ingevolge een aanspraak die niet tot het loon behoort;
o.
een uitkering of verstrekking die eenmaal wordt toegekend na het bereiken van een diensttijd van ten minste 25 jaar en een uitkering of verstrekking die eenmaal wordt toegekend na het bereiken van een diensttijd van ten minste 40 jaar, voor zover de waarde daarvan het loon over een maand niet overtreft, mits is voldaan aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden;
1°.
op vakantieverlof en compensatieverlof, voorzover deze aanspraken aan het einde van het kalenderjaar in totaal niet meer bedragen dan de arbeidsduur per week gerekend over een periode van vijftig weken;
2°.
op bij ministeriële regeling aan te wijzen geclausuleerd verlof;
3°.
op verlof tijdens rust- en feestdagen;
4°.
ingevolge een levensloopregeling;
s.
hetgeen wordt genoten ter zake van het verrichten van arbeid in de onderneming van de partner van de werknemer, indien bij het bepalen van de winst uit die onderneming de kosten en lasten die verband houden met de vergoeding voor die arbeid op grond van
artikel 3.16, vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 niet in aftrek komen.