1.
Bedrijfslichamen kunnen bij verordening aan degenen, die de ondernemingen, waarvoor zij zijn ingesteld, drijven, heffingen opleggen.
2.
Bovendien kunnen zij voor door het betrokken lichaam verrichte werkzaamheden bij verordening retributies heffen.
3.
Het instellingsbesluit kan regelen stellen omtrent de op te leggen heffingen.
4.
Verordeningen als bedoeld in het eerste lid behoeven tevens de goedkeuring van Onze betrokken Minister wie het aangaat, in voorkomend geval in overeenstemming met Onze andere betrokken Minister of Ministers indien:
a.
zij dienen ter afzonderlijke financiering van een specifiek, bij die verordening aangegeven doel, of
5.
In aanvulling op
artikel 89, tweede lid, is voor een verordening als bedoeld in het vorige lid, voorzover het betreft een verordening die geen sociale aangelegenheid betreft, zulks vastgesteld op overeenkomstige wijze als bepaald in
artikel 90, een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen van leden benoemd door de organisaties van ondernemers vereist.
6.
Bedrijfslichamen kunnen op heffingen als bedoeld in het eerste lid, niet tevens zijnde heffingen ter afzonderlijke financiering van een specifiek doel als bedoeld in het vierde lid, volgens bij verordening te stellen regelen aan de leden van organisaties van ondernemers welke verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid zijn, een aftrek toestaan tot een deel van het bedrag, dat zij als contributie aan deze organisaties hebben betaald. Deze aftrek kan niet meer dan de helft van de heffing bedragen.
7.
Verordeningen als bedoeld in het eerste, tweede en zesde lid behoeven de goedkeuring van de Raad.
8.
In afwijking van het zesde lid is, over het kalenderjaar waarin de wet van 29 december 2008, houdende wijziging van de Wet op de bedrijfsorganisatie in verband met verdere modernisering van het stelsel van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie in werking treedt en vervolgens over de drie daaropvolgende kalenderjaren, een aftrek toegestaan op heffingen ter afzonderlijke financiering van een specifiek doel als bedoeld in het vierde lid. Deze aftrek kan over de bedoelde kalenderjaren ten hoogste achtereenvolgens 50, 40, 30 en 10 procent van de betrokken heffing bedragen.