Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Wet militaire strafrechtspraak
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Ook bekend als:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk II. Organisatie van de militaire strafrechtspraak
+ Hoofdstuk III. Strafvordering
+ Hoofdstuk IV. Slotbepalingen
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht

Wet militaire strafrechtspraak

Rijkswet van 14 juni 1990, houdende nieuwe regels inzake de militaire strafrechtspraak
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe voorschriften te geven inzake de organisatie van de militaire strafrechtspraak, alsmede enige bepalingen inzake de daarbij plaatsvindende wijze van strafvordering;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
1.
De zowel in deze rijkswet als in het Wetboek van Militair Strafrecht voorkomende uitdrukkingen hebben in beide dezelfde betekenis met dien verstande dat in deze rijkswet onder militairen niet worden begrepen militairen die Gouverneur, minister, staatssecretaris, lid van de Staten van Aruba, Curaçao of Sint Maarten of lid van de Staten-Generaal zijn. Artikel 61 van het Wetboek van Militair Strafrecht is van toepassing.
2.
In deze rijkswet wordt verstaan onder:
a. Wetboek van Strafvordering: het Wetboek van Strafvordering van het Europese deel van Nederland;
b. Wetboek van Strafrecht: het Wetboek van Strafrecht van het Europese deel van Nederland;
c. Gemeenschappelijk Hof van Justitie: het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao en Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
d. Gerechten in eerste aanleg: het Gerecht in eerste aanleg van Aruba, het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten en het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
3.
Het Wetboek van Strafvordering is van toepassing, tenzij daarvan in deze rijkswet wordt afgeweken.
1.
Onverminderd de artikelen 10 en 17 en behoudens de uitzonderingen bij de wet gemaakt, berust de bevoegdheid tot kennisneming in eerste aanleg van strafbare feiten, begaan door militairen en door hen die ten aanzien van zodanige feiten bij of krachtens de wet met Nederlandse militairen zijn gelijkgesteld, bij de rechtbank, genoemd in artikel 55 van de Wet op de rechterlijke organisatie.
2.
Zaken betreffende strafbare feiten als bedoeld in artikel 382 van het Wetboek van Strafvordering worden behandeld en beslist door de militaire kantonrechter, bedoeld in artikel 49 van de Wet op de rechterlijke organisatie. De overige zaken worden behandeld en beslist door de militaire kamers, bedoeld in artikel 55 van de Wet op de rechterlijke organisatie.
3.
In tijd van oorlog is het tweede lid niet van toepassing en nemen de militaire kamers, bedoeld in artikel 55 van de Wet op de rechterlijke organisatie, onverminderd het eerste lid, in eerste aanleg kennis van:
1°. strafbare feiten begaan door militairen, door hen die ten aanzien van zodanige feiten bij of krachtens de wet met Nederlandse militairen zijn gelijkgesteld en door hen die binnen de Nederlandse krijgsmacht een bij koninklijk besluit aan te wijzen vitale functie vervullen;
2°. strafbare feiten begaan door hen die buiten het grondgebied van het Koninkrijk deel uitmaken van de Nederlandse krijgsmacht;
3°. strafbare feiten begaan door personen als bedoeld onder 4 van onderdeel A van artikel 4 van het Verdrag van Genève, betreffende de behandeling van krijgsgevangenen van 12 augustus 1949 (Trb. 1951, nr. 74) voor zover die personen de Nederlandse krijgsmacht volgen buiten het grondgebied van het Koninkrijk;
4°. strafbare feiten door wie ook begaan in door de Nederlandse krijgsmacht bezet gebied, voorzover kennisneming daarvan in overeenstemming is met de regels door het volkenrecht erkend.
4.
De rechtsmacht van de in het eerste lid bedoelde rechtbank strekt zich eveneens uit over de strafbare feiten, omschreven in de Wet op de economische delicten . In afwijking van artikel 38, tweede volzin, van de Wet op de economische delicten worden deze zaken behandeld en beslist door de militaire kamers, bedoeld in artikel 55 van de Wet op de rechterlijke organisatie.
5.
Artikel 45, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie is van toepassing.
6.
Onder oorlog als bedoeld in het derde lid wordt mede verstaan: een gewapend conflict dat niet als oorlog kan worden aangemerkt en waarbij het Koninkrijk is betrokken, hetzij ter individuele of collectieve zelfverdediging, hetzij tot herstel van internationale vrede en veiligheid.
1.
Het rechtsgebied van de rechtbank, genoemd in artikel 55 van de Wet op de rechterlijke organisatie, is met betrekking tot de in artikel 2 omschreven rechtsmacht onbegrensd, doch strekt zich niet uit over het rechtsgebied van enig ander bij of krachtens deze rijkswet aangewezen gerecht, tot de uitoefening van de in artikel 2 omschreven rechtsmacht bevoegd.
2.
De militaire kamers van de rechtbank, genoemd in artikel 55 van de Wet op de rechterlijke organisatie, kunnen zitting houden buiten de zittingsplaatsen van de rechtbank.
1.
De ingevolge de voorgaande artikelen toegekende bevoegdheden lijden uitzondering in het geval van deelneming aan strafbare feiten van iemand die niet valt onder de rechtsmacht, in artikel 2 omschreven.
2.
In dat geval vindt vervolging bij voorkeur plaats voor de rechter in Nederland, tot kennisneming van de door de deelnemer begane feiten bevoegd, tenzij:
a. het betreft een feit strafbaar gesteld in het Wetboek van Militair Strafrecht , in welk geval artikel 6 van het Wetboek van Strafvordering niet van toepassing is;
b. ten aanzien van de deelnemers geen vervolging wordt ingesteld, van verdere vervolging wordt afgezien of berechting door de kinderrechter plaatsvindt.
1.
De militaire leden, bedoeld in artikel 55, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie worden op voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie, in overeenstemming met Onze Minister van Defensie, bij koninklijk besluit benoemd.
2.
Om te kunnen worden benoemd tot militair lid, moet men militair zijn en voldoen aan de bij of krachtens artikel 5 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren gestelde beroepsvereisten en niet behoren tot de Koninklijke marechaussee.
3.
De militaire leden worden voor de tijd van vier jaren benoemd. Zij zijn bij hun aftreden tweemaal herbenoembaar. Het militaire lid wordt op eigen verzoek bij koninklijk besluit ontslagen. Indien het militair lid niet meer voldoet aan een van de eisen, genoemd in het tweede lid, heeft dit van rechtswege ontslag als militair lid tot gevolg.
4.
Op de militaire leden zijn de artikelen 4, 46c tot en met 46g, 46i met uitzondering van het eerste lid, onderdeel c, 46j, 46l, 46m, 46o en 46p van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren van overeenkomstige toepassing.
5.
De militaire leden genieten vergoeding voor reis- en verblijfkosten volgens bij algemene maatregel van Rijksbestuur te stellen regelen.
6.
Alles wat de wijze van eedsaflegging, het kostuum van de militaire leden alsmede de werkwijze van de militaire kamers aangaat, wordt geregeld bij algemene maatregel van Rijksbestuur.
1.
De militaire kamer van het gerechtshof, genoemd in artikel 68 van de Wet op de rechterlijke organisatie, is bevoegd tot het oordeel in hoger beroep over de daarvoor vatbare vonnissen van de militaire kamers van de rechtbank, genoemd in artikel 55 van de Wet op de rechterlijke organisatie.
2.
De militaire kamer van het gerechtshof kan zitting houden buiten de zittingsplaatsen van het gerechtshof.
1.
De militaire leden, bedoeld in artikel 68, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie worden op voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie, in overeenstemming met Onze Minister van Defensie bij koninklijk besluit benoemd.
2.
Tot militair lid wordt slechts benoemd een militair die voldoet aan de bij of krachtens artikel 5 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren gestelde beroepsvereisten, die ten minste de rang van kapitein ter zee of kolonel bekleedt en die niet behoort tot de Koninklijke marechaussee.
3.
Aan militairen met de rang van kapitein ter zee of kolonel wordt als militair lid de titulaire rang van commandeur, brigade-generaal of commodore toegekend.
4.
Artikel 6, derde, vierde, vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
1.
Bij koninklijk besluit kunnen op voordracht van Onze Ministers van Veiligheid en Justitie en van Defensie, in het gebied waarvoor een uitzonderingstoestand is afgekondigd, of voor de berechting buiten het Koninkrijk een of meer mobiele rechtbanken worden ingesteld.
2.
Bij koninklijk besluit kan worden bepaald dat een daarbij aan te wijzen militaire autoriteit in het gebied waarvoor een uitzonderingstoestand is afgekondigd, een of meer mobiele rechtbanken kan instellen.
3.
Artikel 2, met uitzondering van het tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op een mobiele rechtbank.
4.
Indien meer dan een mobiele rechtbank worden ingesteld wordt bij het ingevolge het eerste of tweede lid genomen koninklijk besluit hun onderlinge betrekkelijke bevoegdheid geregeld. De militaire kamers van de rechtbank, genoemd in artikel 55 van de Wet op de rechterlijke organisatie, nemen bij voorkeur geen kennis van een feit waarvan ook een mobiele rechtbank kan kennis nemen.
5.
Zodra de omstandigheden die tot de instelling van een mobiele rechtbank hebben geleid, hebben opgehouden te bestaan, of zoveel eerder als dienstig wordt geoordeeld, wordt die mobiele rechtbank bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Ministers van Veiligheid en Justitie en van Defensie opgeheven. In het koninklijk besluit wordt tevens de afdoening van de nog bij die rechtbank aanhangige zaken geregeld.
1.
Een mobiele rechtbank houdt zitting en beslist met drie leden, van wie twee, onder wie de voorzitter, rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Wet op de rechterlijke organisatie zijn en één militair lid is.
2.
Indien een of twee rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, bedoeld in het eerste lid, niet beschikbaar zijn, wordt hun plaats ingenomen door militaire leden. Ingeval slechts één rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast aanwezig is, fungeert deze als voorzitter. Indien geen rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast, aanwezig is, wordt de rechtbank voorgezeten door het militaire lid dat het oudste is in benoeming als militair lid.
3.
Op de militaire leden, bedoeld in het eerste en tweede lid, is artikel 6, tweede, vierde, vijfde en zesde lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat aan de bij of krachtens artikel 5 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren gestelde beroepsvereisten bij voorkeur dient te worden voldaan. Tevens zijn de artikelen 7, derde lid, 12 en 13 van de Wet op de rechterlijke organisatie van overeenkomstige toepassing.
4.
Indien een mobiele rechtbank is ingesteld, worden bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie, in overeenstemming met Onze Minister van Defensie, de voorzitter en zoveel leden als dienstig wordt geoordeeld, benoemd. Ingeval de in artikel 10, tweede lid, bedoelde militaire autoriteit de rechtbank heeft ingesteld, benoemt hij de voorzitter en zoveel leden als hij dienstig oordeelt. Hij voert inzake die benoemingen zo mogelijk overleg met de genoemde ministers en de voorzitter van de mobiele rechtbank.
1.
Zodra een mobiele rechtbank feitelijk optreedt, kunnen zaken die bij de militaire kamers van de rechtbank, genoemd in artikel 55 van de Wet op de rechterlijke organisatie, aanhangig zijn en tot de bevoegdheid van die mobiele rechtbank behoren, aan deze worden overgedragen in de stand, waarin zij zich op dat ogenblik bevinden.
2.
Overdracht van een zaak die bij een mobiele rechtbank aanhangig is, naar een andere mobiele rechtbank of naar de militaire kamers van de rechtbank, genoemd in artikel 55 van de Wet op de rechterlijke organisatie, kan plaatsvinden in de stand, waarin zij zich op dat ogenblik bevindt.
3.
Uitvoering van dit artikel geschiedt door het openbaar ministerie.
1.
Bij een mobiele rechtbank zijn met de handhaving van de wetten, met de vervolging van strafbare feiten en het doen uitvoeren van de vonnissen belast leden van het openbaar ministerie. De artikelen 2, derde lid, 5, en 5f van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren en artikel 136, vijfde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de benoeming geschiedt op de wijze in artikel 11, vierde lid, voorzien.
2.
Bij afwezigheid van leden van het openbaar ministerie kunnen met de waarneming van de taak van het openbaar ministerie militairen worden belast. Het daartoe strekkend besluit wordt bij koninklijk besluit genomen op voordracht van Onze Ministers van Veiligheid en Justitie en Defensie, of indien zodanig besluit niet kan worden afgewacht, door de voorzitter van de rechtbank.
3.
Op de waarnemende militairen, bedoeld in het tweede lid, is artikel 6, vijfde en zesde lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat zij bij voorkeur dienen te voldoen aan de bij of krachtens artikel 5 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren gestelde beroepsvereisten. Tevens is artikel 13 van de Wet op de rechterlijke organisatie van overeenkomstige toepassing.
1.
Bij een mobiele rechtbank worden op de wijze, in artikel 11, vierde lid, voorzien, gerechtsambtenaren, rechterlijke ambtenaren in opleiding of gerechtsauditeurs benoemd die de werkzaamheden verrichten die bij of krachtens de wet aan de griffier zijn opgedragen.
2.
Bij afwezigheid van de gerechtsambtenaren, rechterlijke ambtenaren in opleiding of gerechtsauditeurs kunnen met de waarneming van de griffierstaken militairen worden belast. Het daartoe strekkend besluit wordt bij koninklijk besluit genomen op voordracht van Onze Ministers van Veiligheid en Justitie en Defensie, of, indien zodanig besluit niet kan worden afgewacht, door de voorzitter van de mobiele rechtbank.
3.
Op de waarnemende militairen, bedoeld in het tweede lid, zijn de artikelen 6, vijfde en zesde lid van deze rijkswet, en 13 en 14, zevende lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie van overeenkomstige toepassing. Tevens is artikel 1 van het Besluit beëdiging en vergoeding buitengriffiers en waarnemend griffiers van overeenkomstige toepassing.
1.
Indien de omstandigheden ter plaatse dit nodig maken, kan de voorzitter van de mobiele rechtbank een of meer enkelvoudige kamers instellen onder de benaming van mobiele politierechter.
2.
Als mobiele politierechter fungeert een door de voorzitter van de mobiele rechtbank aan te wijzen lid van die rechtbank, welk lid bij voorkeur is een rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast.
1.
Artikel 8 is van overeenkomstige toepassing op de vonnissen van de mobiele rechtbank.
2.
Artikel 78, eerste, vijfde en zesde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de mobiele rechtbank.
1.
Het Gerecht in eerste aanleg van Aruba, het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten en het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba oefenen de rechtsmacht omschreven in artikel 2 uit voorzover de verdachte zich bevindt binnen het bij koninklijk besluit vast te stellen bevelsgebied van de hoogste bevelvoerende militair in Aruba, Curaçao en Sint Maarten en in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
2.
Het Gerecht in eerste aanleg van het in het eerste lid genoemde land waar de verdachte zich bevindt, oefent de in het eerste lid omschreven rechtsmacht uit.
3.
Bij de Gerechten in eerste aanleg zijn een meervoudige en een enkelvoudige kamer onder de benaming militaire kamers. Het lid van een enkelvoudige kamer draagt de titel van militaire politierechter.
4.
De behandeling van de in het eerste lid bedoelde zaken geschiedt bij uitsluiting door een militaire kamer.
5.
Artikel 4 is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van zich binnen het in het eerste lid bedoelde bevelsgebied bevindende personen.
6.
Artikel 55, tweede en derde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat twee leden van een meervoudige kamer, onder wie de voorzitter, lid zijn van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie en dat de functie van militaire politierechter wordt vervuld door een lid van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
7.
Artikel 10, tweede en derde lid, van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie, is van overeenkomstige toepassing.
8.
De benoeming van een militair lid in de militaire kamer van het Gerecht in eerste aanleg geschiedt op de wijze zoals neergelegd in artikel 23 van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie. Om te kunnen worden benoemd tot militair lid moet men militair zijn en niet behoren tot de Koninklijke marechaussee. Artikel 6, derde lid, is van overeenkomstige toepassing. Aan de vereisten omschreven in artikel 24, eerste lid, onder a en b, van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie dient bij voorkeur te worden voldaan.
9.
Op de militaire leden zijn de artikelen 6, 12, vierde lid, 13, derde lid, 27 tot en met 34, 36 en 46 van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie van overeenkomstige toepassing, voor zover die artikelen niet afwijken van het in deze wet bepaalde.
10.
Artikel 6, vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de eedaflegging door de militaire leden geschiedt op de wijze zoals is vastgelegd in artikel 28 van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
11.
Overdracht van een zaak die in eerste aanleg bij een militaire kamer van de rechtbank, genoemd in artikel 55 van de Wet op de rechterlijke organisatie, of bij een mobiele rechtbank aanhangig is met betrekking tot een persoon die zich bevindt binnen het in het eerste lid bedoelde bevelsgebied, dan wel overdracht van een zaak die bij een militaire kamer van een der in het eerste lid genoemde gerechten in eerste aanleg aanhangig is met betrekking tot een persoon die zich niet meer in het rechtsgebied van deze gerechten bevindt, naar de militaire kamer van de rechtbank, genoemd in artikel 55 van de Wet op de rechterlijke organisatie, of naar een mobiele rechtbank, kan plaatsvinden in de stand waarin de zaak zich op dat ogenblik bevindt. Uitvoering van deze overdracht geschiedt door het openbaar ministerie.
1.
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie oordeelt in hoger beroep over de daarvoor vatbare vonnissen van de gerechten in eerste aanleg.
2.
Bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie is een meervoudige kamer onder de benaming van militaire kamer.
3.
De behandeling van de in het eerste lid bedoelde zaken geschiedt bij uitsluiting door een militaire kamer. Deze kamer oordeelt over het beklag bedoeld in artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering, indien de persoon wiens vervolging wordt verlangd zich bevindt in binnen het in artikel 17, eerste lid, bedoelde bevelsgebied.
4.
Artikel 68, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie, en de artikelen 8, tweede lid, en 9, eerste en tweede lid, van deze rijkswet zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de benoeming geschiedt overeenkomstig artikel 23 van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie, aan de eisen van artikel 24 van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie zoveel mogelijk wordt voldaan en de militair tenminste een hoofdofficiersrang bekleedt.
5.
Artikel 6, derde, vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
6.
Artikel 17, negende lid, is van overeenkomstige toepassing.
7.
Overdracht van een zaak die bij de militaire kamer van het gerechtshof, genoemd in artikel 68 van de Wet op de rechterlijke organisatie, aanhangig is met betrekking tot een persoon die zich bevindt binnen het in artikel 17, eerste lid, bedoelde bevelsgebied, naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, dan wel overdracht van een zaak die bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie aanhangig is met betrekking tot een persoon die zich niet meer in het rechtsgebied van dit gerecht bevindt, naar het gerechtshof, genoemd in artikel 68 van de Wet op de rechterlijke organisatie, kan plaatsvinden in de stand waarin de zaak zich op dat ogenblik bevindt. Uitvoering van deze overdracht geschiedt door het openbaar ministerie. Het hof waaraan de zaak wordt overgedragen is bevoegd in hoger beroep over de zaak te oordelen.
1.
Artikel 77 van de Wet op de rechterlijke organisatie is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de gerechten in eerste aanleg als rechtbank en het Gemeenschappelijk Hof van Justitie als gerechtshof worden aangemerkt.
2.
De artikelen 75, 78, eerste, vijfde en zesde lid, 79 en 83 van de Wet op de rechterlijke organisatie zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de gerechten in eerste aanleg en het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
1.
Onder leden en rechters in het Wetboek van Strafvordering worden begrepen leden van een militaire kamer als bedoeld in deze rijkswet.
2.
Onder opsporingsambtenaren in de zin van artikel 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering worden mede begrepen de in Aruba, Curaçao en Sint Maarten en in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba als zodanig bevoegde ambtsdragers.
Artikel 21
In zaken betreffende strafbare feiten als bedoeld in artikel 2 treedt als raadkamer een meervoudige militaire kamer op.
1.
De raadkamer van een gerecht bedoeld in deze rijkswet kan een verhoor van een persoon die zich buiten het Europese deel van Nederland bevindt, opdragen aan een van de leden van een militaire kamer van de rechtbank, genoemd in artikel 55 van de Wet op de rechterlijke organisatie, van een krachtens artikel 10 ingestelde mobiele rechtbank of van een militaire kamer van het gerecht in eerste aanleg bedoeld in artikel 17, eerste lid.
2.
Een opdracht als bedoeld in het eerste lid wordt bij voorkeur niet gegeven aan een lid, dat op enigerlei wijze bij de behandeling van een zaak betrokken is geweest.
1.
Als raadslieden kunnen worden toegelaten degenen die worden genoemd in artikel 37 van het Wetboek van Strafvordering, alsmede officieren, met dien verstande dat dezen niet worden toegelaten bij beroep in cassatie.
2.
Voor het optreden buiten het Europese deel van Nederland kan een advocaat alleen worden toegevoegd, indien hij zich daartoe bereid heeft verklaard.
3.
Een officier kan alleen worden toegevoegd, indien een advocaat niet beschikbaar is. Ook indien deze wel beschikbaar is, kan een officier als raadsman worden toegevoegd, mits de verdachte daarom uitdrukkelijk verzoekt. De toevoeging van een officier geschiedt door de voorzitter van de rechtbank, dan wel van het gerechtshof, waarvoor de zaak moet dienen. In het Europese deel van Nederland kan een officier alleen worden toegevoegd, indien hij zich daartoe bereid heeft verklaard. Een toegevoegde officier is, onverminderd het bepaalde in artikel 45 van het Wetboek van Strafvordering, verplicht als raadsman op te treden.
4.
Onder advocaat in het Wetboek van Strafvordering wordt begrepen een officier die als raadsman optreedt. Het bepaalde in de artikelen 37, 40, eerste en tweede lid, en 46 van dat wetboek is echter niet van toepassing op een officier die als raadsman optreedt.
5.
Een officier die als raadsman optreedt, geniet vergoeding voor reis- en verblijfskosten volgens bij algemene maatregel van Rijksbestuur te stellen regelen.
1.
De militair die ingeval van ontdekking op heterdaad van een misdrijf een mindere als verdachte aanhoudt, heeft het recht daarbij de hulp in te roepen van andere militairen. Deze zijn verplicht aan de vordering onmiddellijk te voldoen.
2.
De militair die ingeval van ontdekking op heterdaad van een misdrijf een mindere als verdachte aanhoudt, kan hem indien zijn overlevering aan een opsporingsambtenaar niet kan worden afgewacht, overleveren of doen overleveren aan de bevelvoerende militair van de eenheid waartoe de verdachte behoort of aan een andere door Onze Minister van Defensie aan te wijzen bevelvoerende militair. De verplichting omschreven in artikel 53, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering gaat in dat geval over op die bevelvoerende militair.
Artikel 25
Onverminderd het bepaalde in artikel 57 van het Wetboek van Strafvordering kan de officier van justitie of de hulpofficier van justitie voor wie degene, die verdacht wordt van een van de misdrijven omschreven in de artikelen 96-104, 109 of 110 van het Wetboek van Militair Strafrecht, wordt geleid of die zelf die verdachte heeft aangehouden, na hem te hebben gehoord, bevelen dat hij naar zijn eenheid zal worden overgebracht, teneinde aldaar ter beschikking van de bevelvoerende militair van de eenheid waartoe de verdachte behoort te worden gesteld. Het bevel kan slechts worden gegeven, indien er een redelijk vermoeden bestaat dat de verdachte niet uit eigen beweging naar zijn eenheid zal terugkeren.
Artikel 26
Onverminderd het bepaalde in artikel 67 van het Wetboek van Strafvordering kan een bevel tot voorlopige hechtenis eveneens worden gegeven in geval van verdenking van:
a. een misdrijf omschreven in het Wetboek van Militair Strafrecht waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van twee jaren of meer is gesteld;
1.
Onverminderd het bepaalde in artikel 67a van het Wetboek van Strafvordering kan een op het voorgaand artikel of op artikel 67 van dat wetboek gegrond bevel eveneens worden gegeven, indien uit bepaalde omstandigheden blijkt van een gewichtige reden van militaire veiligheid, welke de onverwijlde vrijheidsbeneming vordert.
2.
Een gewichtige reden van militaire veiligheid kan voor de toepassing van het vorige lid slechts in aanmerking worden genomen:
1°. indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden, dat de verdachte een misdrijf zal begaan als rechtstreeks en onmiddellijk gevolg waarvan schade ontstaat aan of te duchten is voor de gereedheid tot het daadwerkelijk uitvoeren van een operatie of oefening van enig onderdeel van de krijgsmacht;
2°. indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat zonder onverwijlde vrijheidsbeneming van de verdachte andere militairen een misdrijf zullen begaan als rechtstreeks en onmiddellijk gevolg waarvan schade ontstaat aan of te duchten is voor de gereedheid tot het daadwerkelijk uitvoeren van een operatie of oefening van enig onderdeel van de krijgsmacht.
Artikel 28
De strafbepalingen van het Wetboek van Militair Strafrecht en de gedragsregels van de Wet militair tuchtrecht zijn niet van toepassing op de schending van een bevel, dat aan de verdachte is gegeven ingevolge een bij de wet in het belang van strafvordering toegekende bevoegdheid.
1.
Artikel 46 van de Wet op de rechterlijke organisatie is van toepassing met dien verstande, dat de rechters-commissarissen, belast met de behandeling van zaken betreffende strafbare feiten als bedoeld in artikel 2 van deze rijkswet, worden benoemd uit de leden en plaatsvervangende leden van de militaire kamers.
2.
Een militair lid, dat ingevolge het eerste lid is benoemd tot rechter-commissaris, treedt als zodanig op met dien verstande dat hij:
a. niet bevoegd is bevelen als bedoeld in de artikelen 63, 206, 214 en 221 van het Wetboek van Strafvordering te geven;
b. alleen kan optreden indien het onderzoek van de zaak geheel of overwegend buiten Nederland plaatsvindt;
c. buiten het geval bedoeld onder b, kan optreden, indien de zaak naar het oordeel van de voorzitter van de militaire kamer van zodanige aard is dat onderzoek door een militair lid de voorkeur verdient.
Artikel 30
Ingeval van overdracht van een zaak aan een ander gerecht na aanvang van het onderzoek op de terechtzitting, zal dat gerecht het onderzoek opnieuw aanvangen.
1.
In afwijking van het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan de verklaring van een meerdere of gewezen meerdere volledig bewijs van schuld opleveren, indien zij betrekking heeft op de schending van een door hem gegeven dienstbevel, dan wel op een tegen hem gepleegde feitelijke insubordinatie of muiterij.
2.
De militair die zich beroept op een grond die overeenkomstig een van de artikelen 40-43 van het Wetboek van Strafrecht de strafbaarheid van een door hem als schildwacht gepleegd feit zou uitsluiten, wordt geacht rechtmatig te hebben gehandeld, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt.
Artikel 32
De termijn van dagvaarding voor de militaire politierechter en de militaire kantonrechter is tenminste vijf dagen.
1.
Bij algemene maatregel van Rijksbestuur worden regels gesteld met betrekking tot de vergoeding voor reis- en verblijfkosten van de verdachte die in verband met de uitoefening van de dienst in een ander land verblijft dan waarin de rechter zitting houdt, voorzover de rechter zijn verschijning in persoon heeft bevolen.
2.
Onze Minister van Justitie kan aan de verdachte een tegemoetkoming in de reis- en verblijfkosten verlenen, indien de rechter zijn verschijning in persoon heeft bevolen en betrokkene naar het oordeel van Onze Minister zeer hoge kosten heeft moeten maken.
Artikel 35
In geval van hoger beroep is de vorige titel van overeenkomstige toepassing.
Artikel 36
In geval van verwijzing als bedoeld in artikel 440, tweede lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, wordt de zaak verwezen:
a. wanneer de vernietigde uitspraak is gedaan door een militaire kamer van de rechtbank, genoemd in artikel 55 van de Wet op de rechterlijke organisatie, naar het gerechtshof, genoemd in artikel 68 van de Wet op de rechterlijke organisatie;
b. wanneer zij is gedaan door de militaire kamer van het gerechtshof, genoemd in artikel 68 van de Wet op de rechterlijke organisatie, naar datzelfde gerechtshof.
De verwezen zaak wordt behandeld door de militaire kamer. Aan de behandeling van de verwezen zaak nemen bij voorkeur geen leden deel die op enigerlei wijze bij de behandeling van de zaak betrokken zijn geweest.
1.
Bij toepassing van artikel 471, eerste lid, en artikel 472, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering vindt, indien de in die artikelen bedoelde gevallen betrekking hebben op zaken als bedoeld in artikel 2, verwijzing plaats naar het gerechtshof, genoemd in artikel 68 van de Wet op de rechterlijke organisatie.
2.
Bij toepassing van artikel 482g, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering vindt, indien de in die artikelen bedoelde gevallen betrekking hebben op zaken als bedoeld in artikel 2, verwijzing plaats naar de rechtbank, genoemd in artikel 55 van de Wet op de rechterlijke organisatie.
3.
Aan de behandeling van de verwezen zaak nemen bij voorkeur geen leden deel die op enigerlei wijze bij de behandeling van die zaak betrokken zijn geweest.
Artikel 38
Bij de toepassing van artikel 473, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering zijn de artikelen 26 en 27 mede van overeenkomstige toepassing.
1.
In zaken betreffende minderjarigen, die ten tijde van het begaan van het feit de leeftijd van achttien jaren nog niet hebben bereikt zijn de artikelen 488, derde lid, 489, 493, derde lid, 495a, 495b, 496, 497, 500, eerste lid, 504, eerste lid en 505 van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing, indien die zaken betrekking hebben op misdrijven.
2.
Tenzij aanstonds onvoorwaardelijk van vervolging wordt afgezien, wint de officier van justitie in de in het vorige lid bedoelde zaken voorzover nodig inlichtingen in omtrent de opvoeding, het karakter, de ontwikkeling en het doorgaand gedrag van de verdachte, ook door het horen van getuigen die hem door diens ouders of voogd zijn opgegeven.
3.
Ingeval van hoger beroep in de in het eerste lid bedoelde zaken zijn de artikelen 488, derde lid, 489, eerste en tweede lid, 495a, 495b, 496 en 497 van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing.
Artikel 40
De artikelen 510 en 511 van het Wetboek van Strafvordering vinden geen toepassing ten aanzien van de militaire leden van een militaire kamer of van een mobiele rechtbank.
Artikel 41
De bevoegdheden bedoeld in artikel 551 van het Wetboek van Strafvordering kunnen mede worden uitgeoefend in geval van een strafbaar feit als omschreven in de Eerste Titel van het Tweede Boek van het Wetboek van Militair Strafrecht.
Artikel 42
In afwijking van het bepaalde in artikel 588, eerste lid, onder b, en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan het gerechtelijk schrijven bestemd voor hen die feitelijk in werkelijke dienst verblijven worden uitgereikt op het adres van het onderdeel of dienstvak, waarbij zij zijn ingedeeld.
Artikel 43
Op de mobiele rechtbank en de ambtsdragers bij dat college zijn van overeenkomstige toepassing:
a. het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot de rechtbank en de ambtsdragers daarbij;
b. het bepaalde in de titels I-V en VIII van dit hoofdstuk met betrekking tot de rechtbank, de militaire kamers en de ambtsdragers daarbij voorzover daarvan in deze titel niet wordt afgeweken.
1.
Indien de benoeming van de rechter-commissaris niet kan geschieden op de wijze als in de Wet op de rechterlijke organisatie voorzien, benoemt de voorzitter van de mobiele rechtbank een of meer leden tot rechter-commissaris voor de tijd van één jaar. Deze is steeds weer dadelijk benoembaar.
2.
Het bepaalde in artikel 29, tweede lid, is niet van toepassing indien er geen rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Wet op de rechterlijke organisatie beschikbaar zijn om tot rechter-commissaris te worden benoemd.
Artikel 45
De Noodwet rechtspleging is niet van toepassing op de mobiele rechtbank.
Artikel 46
Indien zulks noodzakelijk is om de militaire strafrechtspraak te waarborgen, kan Onze Minister van Justitie bepalen dat:
a. in het rechtsgebied van een mobiele rechtbank:
1°. de termijnen genoemd in de artikelen 58 en 64 van het Wetboek van Strafvordering tijdelijk zijn verdubbeld;
2°. tijdelijk bij dagvaarding betreffende een strafbaar feit kan worden volstaan met een korte aanduiding van het feit dat te laste wordt gelegd met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het begaan zou zijn, en de termijnen genoemd in artikel 265 van het Wetboek van Strafvordering en artikel 32 van deze rijkswet ook zonder toestemming van de verdachte tijdelijk kunnen worden verkort, een en ander voorzover de verdachte daardoor naar het oordeel van de rechtbank niet in zijn verdediging wordt geschaad;
b. de mobiele rechtbank wettelijke voorschriften betreffende de termijnen en vormen, indien deze ten gevolge van de bijzondere omstandigheden in redelijkheid niet konden of kunnen worden in acht genomen, buiten beschouwing kan laten;
c. de beslissingen in zaken van bepaalde mobiele rechtbanken niettegenstaande de artikelen 557-560 van het Wetboek van Strafvordering ten uitvoer kunnen worden gelegd. Zodra de uitvoering van een beslissing een aanvang heeft genomen, vervallen de gewone rechtsmiddelen.
Artikel 47
De krachtens artikel 46 getroffen voorzieningen worden ingetrokken zodra de omstandigheden dit toelaten.
Artikel 48
Krachtens de artikelen 46 en 47 door Onze Minister van Justitie te nemen besluiten treden, tenzij daarbij anders is bepaald, in werking met ingang van de dag na die van hun bekendmaking. Daarin kan worden bepaald dat zij onmiddellijk na hun bekendmaking in werking treden.
1.
Krachtens de artikelen 46, 47 en 48 door Onze Minister van Justitie te nemen besluiten worden bekend gemaakt in de Nederlandse Staatscourant.
2.
Indien het landsbelang dit naar zijn oordeel noodzakelijk maakt, kan de Minister van Justitie een besluit als bedoeld in het voorgaande lid op andere wijze bekend maken.
1.
Indien en voor zolang de verbinding met Onze Minister van Veiligheid en Justitie is verbroken, oefent de in artikel 10, tweede lid, bedoelde militaire autoriteit, ten aanzien van een door hem ingestelde mobiele rechtbank, de bevoegdheden uit, die in de artikelen 46 en 47 aan Onze Minister van Veiligheid en Justitie zijn toegekend.
2.
De artikelen 48 en 49 zijn in dat geval van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor de Minister van Veiligheid en Justitie wordt gelezen de in het eerste lid bedoelde militaire autoriteit.
Artikel 51
Op de Gerechten in eerste aanleg en op het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, de militaire kamers van die colleges en de ambtsdragers daarbij zijn in zaken betreffende personen, die vallen onder de in artikel 17, eerste lid, bedoelde rechtsmacht, van overeenkomstige toepassing:
a. het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot de rechtbank, onderscheidenlijk het gerechtshof en de ambtsdragers bij die colleges;
b. het bepaalde in de titels I-V en VIII van dit hoofdstuk met betrekking tot de rechtbank onderscheidenlijk het gerechtshof, de militaire kamers van die colleges en de ambtsdragers daarbij voorzover daarvan in deze titel niet wordt afgeweken.
Artikel 52
Artikel 22 is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het verhoor van een persoon die zich buiten Aruba, Curaçao of Sint Maarten of buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bevindt.
1.
Onverminderd het bepaalde in artikel 23 kunnen in Aruba, Curaçao en Sint Maarten en in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba ook als raadsman worden toegelaten personen die bevoegd zijn om aldaar als raadsman in strafzaken op te treden.
2.
Als raadsman van de verdachte kunnen bij de Hoge Raad ook optreden advocaten, ingeschreven bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Artikel 54
Onverminderd het bepaalde in artikel 29 kan een militair lid als rechter-commissaris optreden indien het onderzoek van de zaak geheel of overwegend buiten Aruba, Curaçao of Sint Maarten of buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba plaatsvindt.
Artikel 55
Onverminderd het bepaalde in artikel 279 van het Wetboek van Strafvordering kan in zaken betreffende overtredingen, met uitzondering van die bedoeld in artikel 382, onder b, onder 1° tot en met 6°, van het Wetboek van Strafvordering, de verdachte zich op de terechtzitting doen vertegenwoordigen door een daartoe bij bijzondere volmacht schriftelijke gemachtigde, tenzij de rechter beveelt dat hij in persoon zal verschijnen.
Artikel 56
In de gevallen van verwijzing als bedoeld in de artikelen 36, eerste volzin, en 37, eerste volzin, vindt de behandeling van de zaak door de militaire kamer van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie plaats op de wijze als voorzien in artikel 36, tweede volzin.
1.
Artikel 344, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing op geschriften opgemaakt door de in dat artikel bedoelde colleges, ambtenaren of personen van Aruba, Curaçao en Sint Maarten en van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
2.
Artikel 344, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing op het proces-verbaal van een opsporingsambtenaar van Aruba, Curaçao en Sint Maarten en van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 58
In Aruba, Curaçao en Sint Maarten en in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba kunnen opsporingsambtenaren bij de uitoefening van hun bevoegdheden niet dan met inachtneming van de grenzen in de ter plaatse geldende wetgeving voor de gewone strafvordering gesteld, inbreuk maken op de rechten van niet aan de in artikel 2 bedoelde rechtsmacht onderworpen personen.
1.
Buiten het Koninkrijk of binnen de territoriale zee kunnen door Onze Ministers van Justitie en van Defensie aan te wijzen bevelvoerende militairen, indien en zolang geen hulpofficier van justitie aanwezig is en diens komst niet kan worden afgewacht, de bevoegdheden uitoefenen welke het Wetboek van Strafvordering toekent aan de hulpofficier van justitie.
2.
Indien en zolang geen opsporingsambtenaar aanwezig is en diens komst niet kan worden afgewacht, kunnen de krachtens het voorgaande lid aangewezen militairen de bevoegdheden uitoefenen welke het Wetboek van Strafvordering toekent aan de opsporingsambtenaar.
4.
Artikel 539e, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de verrichting bedoeld in artikel 57, eerste lid, van dat wetboek niet kan worden opgedragen.
6.
Artikel 344, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing op het proces-verbaal van een krachtens het eerste lid aangewezen militair.
1.
In geval een verdachte buiten het Koninkrijk of binnen de territoriale zee in verzekering is gesteld, stelt degene die het bevel daartoe heeft gegeven, de officier van justitie hiervan onverwijld en op snelst mogelijke wijze in kennis. De officier van justitie doet, tenzij hij in het belang van het onderzoek anders beslist, de verdachte zo spoedig mogelijk voor zich geleiden.
2.
Indien en zolang de verbinding met de officier van justitie niet mogelijk is, blijft het bevel tot inverzekeringstelling van kracht tot het moment dat de verbinding is hersteld.
1.
Buiten het Koninkrijk kunnen opsporingsambtenaren de bevoegdheden uitoefenen welke aan hen zijn toegekend bij enige bepaling van een andere wet dan deze of het Wetboek van Strafvordering , indien dat bij algemene maatregel van Rijksbestuur is bepaald.
2.
Artikel 59 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 62
Buiten het Koninkrijk kunnen bevoegdheden inzake opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten en tenuitvoerlegging van vonnissen slechts worden uitgeoefend voorzover het volkenrecht dit toelaat.
Artikel 63
Deze Rijkswet kan worden aangehaald als "Wet militaire strafrechtspraak".
1.
Deze Rijkswet treedt in werking met ingang van een nader bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
2.
Bij koninklijk besluit kan voordien een tijdstip worden bepaald met ingang waarvan Titel IIB van het Vierde Boek van het Wetboek van Strafvordering toepassing vindt op aan de militaire rechtsmacht onderworpen personen, met dien verstande dat waar in enige bepaling van die Titel van "rechtbank" wordt gesproken, daaronder "krijgsraad" wordt verstaan.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad, in het Publicatieblad van de Nederlandse Antillen en in het Afkondigingsblad van Aruba zal worden geplaatst en dat alle ministeries, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 14 juni 1990
De Minister van Justitie,
De Minister van Defensie,
Uitgegeven de negentiende juli 1990
De Minister van Justitie,