Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Wet inkomstenbelasting 2001
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Ook bekend als:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Raamwerk
+ Hoofdstuk 3. Heffingsgrondslag bij werk en woning
- Hoofdstuk 4. Heffingsgrondslag bij aanmerkelijk belang
+ Hoofdstuk 5. Heffingsgrondslag bij sparen en beleggen
+ Hoofdstuk 6. Persoonsgebonden aftrek
+ Hoofdstuk 7. Belastingheffing van buitenlandse belastingplichtigen
+ Hoofdstuk 8. Heffingskorting
+ Hoofdstuk 9. Wijze van heffing
+ Hoofdstuk 10. Aanvullende regelingen
+ Hoofdstuk 10bis
+ Hoofdstuk 10A. Overig overgangsrecht ten gevolge van wijzigingswetten
+ Hoofdstuk 10b. Horizonbepaling
+ Hoofdstuk 11. Slotbepalingen
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Let op. U leest nu de tekst zoals die zal gelden vanaf 1 januari 2047.

U kunt hier de huidige tekst lezen

Wet inkomstenbelasting 2001

1.
Onder vervreemding van aandelen of winstbewijzen wordt mede verstaan:
a. het inkopen van aandelen;
b. het afkopen en inkopen van winstbewijzen;
c. het betaalbaar stellen van liquidatie-uitkeringen;
d. het van rechtswege worden van aandeelhouder of houder van winstbewijzen in een andere vennootschap indien vermogen van de vennootschap waarin de belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft, onder algemene titel overgaat op een andere vennootschap. De vorige zinsnede is van overeenkomstige toepassing op een belastingplichtige die een aanmerkelijk belang heeft in een vennootschap waarvan vermogen onder algemene titel overgaat op een andere vennootschap en die van rechtswege houder wordt van rechten om aandelen in of winstbewijzen van de andere vennootschap te verwerven;
e. de overgang onder algemene titel alsmede de overgang krachtens erfrecht onder bijzondere titel;
f. het brengen in het vermogen van een onderneming of het tot het resultaat uit een werkzaamheid gaan behoren;
g. het niet langer aanwezig zijn van een aanmerkelijk belang;
h. het anders dan door overlijden ophouden binnenlands belastingplichtige te zijn, hieronder begrepen de situatie waarin de belastingplichtige voor de toepassing van de Belastingregeling voor het Koninkrijk , de Belastingregeling voor het land Nederland of een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting wordt geacht geen inwoner van Nederland meer te zijn;
i. het verlenen van een koopoptie;
j. het niet of niet langer toerekenen aan de belastingplichtige van tot een afgezonderd particulier vermogen behorende aandelen of winstbewijzen vanwege het van toepassing worden van artikel 2.14a, zevende lid.
2.
Indien een aandeel of winstbewijs wordt vervreemd, wordt degene die slechts is gerechtigd tot de voordelen daaruit geacht zijn gerechtigdheid ook te hebben vervreemd, tenzij die gerechtigdheid tot dat aandeel of winstbewijs in stand blijft.
3.
Indien aandelen of winstbewijzen op grond van artikel 4.11 tot een aanmerkelijk belang behoren, worden deze aandelen of winstbewijzen geacht te zijn vervreemd indien de belastingplichtige daarom verzoekt.
4.
Een tot een aanmerkelijk belang behorend genotsrecht wordt geacht te zijn vervreemd indien het genotsrecht eindigt.
5.
Met het betaalbaar stellen van een liquidatie-uitkering als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt gelijkgesteld het voor rekening van de belastingplichtige voortzetten van de onderneming van de vennootschap waarin de belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft, in het kader van de ontbinding van die vennootschap met toepassing van artikel 14c, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
Artikel 4.17. Uitzondering bij overgang krachtens huwelijksvermogensrecht en verdeling huwelijksgemeenschap anders dan door overlijden
De overgang krachtens huwelijksvermogensrecht alsmede de verdeling van een huwelijksgemeenschap binnen twee jaren na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap anders dan door overlijden wordt niet als vervreemding aangemerkt, mits de verkrijger binnenlands belastingplichtige is en de verkregen aandelen of winstbewijzen geen deel uitmaken van het vermogen van een voor zijn rekening gedreven onderneming en niet tot het resultaat uit een werkzaamheid van hem behoren.
1.
De overgang krachtens erfrecht onder algemene titel of onder bijzondere titel wordt op verzoek van de gezamenlijke belanghebbenden niet als vervreemding aangemerkt voor het in het tweede lid omschreven deel van de overdrachtsprijs, indien:
a. de vennootschap waarop de aandelen of winstbewijzen betrekking hebben, een onderneming als bedoeld in artikel 3.2 drijft of een medegerechtigdheid als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, onderdeel a, houdt;
b. de aandelen of winstbewijzen bij de erflater niet tot een aanmerkelijk belang op grond van artikel 4.10 behoren;
c. de verkrijger binnenlands belastingplichtige is en de verkregen aandelen of winstbewijzen geen deel uitmaken van het vermogen van een voor zijn rekening gedreven onderneming en niet tot het resultaat uit een werkzaamheid van hem behoren, en
d. in geval van een overgang krachtens erfrecht onder bijzondere titel, deze plaats vindt binnen twee jaren na het overlijden.
2.
Indien het eerste lid toepassing vindt, wordt niet als vervreemding aangemerkt het deel van de overdrachtsprijs dat toerekenbaar is aan het ondernemingsvermogen van de vennootschap waarop de aandelen of winstbewijzen betrekking hebben.
3.
Dit artikel is met betrekking tot preferente aandelen alleen van toepassing, indien:
a. de preferente aandelen een omzetting vormen van een eerder door de erflater gehouden aanmerkelijk belang van gewone aandelen;
b. de omzetting tot preferente aandelen gepaard is gegaan met het toekennen van gewone aandelen aan een ander;
c. ten tijde van de omzetting tot preferente aandelen de vennootschap waarop de omgezette aandelen betrekking hadden een onderneming dreef als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, of een medegerechtigdheid als aldaar bedoeld hield, en
d. de verkrijger van de preferente aandelen reeds voor ten minste 5% van het geplaatste kapitaal aandeelhouder is van gewone aandelen als bedoeld in onderdeel b.
4.
Het eerste lid, onderdeel a, is met betrekking tot een medegerechtigdheid alleen van toepassing voor zover dit een medegerechtigdheid betreft die een rechtstreekse voortzetting vormt van een eerder door de vennootschap gedreven onderneming als bedoeld in artikel 3.2, en de vervreemde aandelen of winstbewijzen worden verkregen door een persoon die reeds beherend vennoot is van de onderneming waarop de medegerechtigdheid betrekking heeft, dan wel enig aandeelhouder is van een vennootschap die reeds een zodanig beherend vennoot is.
5.
Ingeval het lichaam waarin de erflater een aanmerkelijk belang heeft een belang heeft in een ander lichaam, worden voor de toepassing van dit artikel de bezittingen en schulden van dat andere lichaam, met inachtneming van de omvang van dat belang, toegerekend aan eerstbedoeld lichaam, mits:
a. de erflater in dat andere lichaam indirect een aanmerkelijk belang heeft, of
b. de erflater in dat andere lichaam indirect een belang heeft van minder dan 5% doch ten minste 0,5% en:
Ingeval het aandelenkapitaal van de vennootschap waarin de erflater indirect een belang hield uit meerdere soorten aandelen bestaat, geschiedt de toerekening met inachtneming van de waarde in het economische verkeer van die aandelen. Dit lid vindt met betrekking tot indirect gehouden preferente aandelen alleen toepassing indien deze zijn uitgegeven in het kader van een bedrijfsoverdracht die voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden.
1°. dat belang bij een van zijn rechtsvoorgangers krachtens erfrecht, huwelijksvermogensrecht of schenking een indirect aanmerkelijk belang heeft gevormd als bedoeld in onderdeel a;
2°. dat belang uitsluitend is verwaterd door vererving, overgang krachtens huwelijksvermogensrecht of schenking, en
3°. direct voorafgaande aan de verwatering van dat belang tot beneden de 5% dat andere lichaam een onderneming dreef of een medegerechtigdheid hield als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.
6.
Voor de toepassing van dit artikel worden als ondernemingsvermogen aangemerkt:
1°. de bezittingen en schulden voor zover toerekenbaar aan de onderneming of medegerechtigdheid, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, vermeerderd met:
2°. het beleggingsvermogen tot ten hoogste vijf percent van de waarde in het economische verkeer van de onder 1° bedoelde bezittingen en schulden.
7.
Als ondernemingsvermogen als bedoeld in het zesde lid, onder 1°, wordt mede aangemerkt het in de tweede volzin omschreven deel van een vordering op de verkrijger van aandelen of winstbewijzen die krachtens erfrecht overgaan, of op een vennootschap waarin hij, direct of indirect een aanmerkelijk belang heeft, indien de vordering is ontstaan voor 1 januari 2010 uit hoofde van een overdracht van aandelen of winstbewijzen in een vennootschap, en die vennootschap ten tijde van de overdracht en ten tijde van het toepassing vinden van dit artikel een onderneming als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, drijft.
Het in de eerste volzin bedoelde deel van de vordering dat mede wordt aangemerkt als ondernemingsvermogen, wordt berekend volgens de formule:
A = V x O/T, doch maximaal O
waarin voorstelt,
A: de waarde in het economische verkeer van het in aanmerking te nemen deel van de vordering ten tijde van het toepassing vinden van dit artikel;
V: de waarde in het economische verkeer van de vordering ten tijde van het toepassing vinden van dit artikel;
O: de waarde in het economische verkeer van het ondernemingsvermogen, bedoeld in het zesde lid, van de vennootschap waarop de vordering bestaat ten tijde van het toepassing vinden van dit artikel;
T: de waarde in het economische verkeer van alle bezittingen en schulden van de vennootschap waarop de vordering bestaat ten tijde van het toepassing vinden van dit artikel.
8.
Hetgeen binnen twee jaren na de ontbinding van een huwelijksgemeenschap door overlijden bij de verdeling van die gemeenschap meer aan tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen dan overeenkomt met de evenredige gerechtigdheid van de overledene in die aandelen wordt toebedeeld aan de nalatenschap, is een vervreemding van de langstlevende echtgenoot welke voor de toepassing van dit artikel en artikel 4.39a gelijk wordt gesteld met een overgang krachtens erfrecht en waarbij de langstlevende echtgenoot als erflater wordt aangemerkt.
9.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van dit artikel.
1.
De verdeling van een nalatenschap binnen twee jaren na het overlijden van de erflater, wordt op verzoek van de gezamenlijke belanghebbenden niet als vervreemding aangemerkt, mits de verkrijger binnenlands belastingplichtige is en de verkregen aandelen of winstbewijzen geen deel uitmaken van het vermogen van een voor zijn rekening gedreven onderneming en niet tot het resultaat uit een werkzaamheid van hem behoren.
2.
De in artikel 4.17a, eerste lid, onderdeel c, opgenomen voorwaarde dat de verkrijger een binnenlands belastingplichtige moet zijn geldt op verzoek van de gezamenlijke belanghebbenden niet indien de overgang krachtens erfrecht op de niet in Nederland wonende verkrijger binnen twee jaren na het overlijden van de erflater wordt gevolgd door een verdeling van de nalatenschap voor zover daarbij de verkregen aandelen worden toegedeeld aan een binnenlandse belastingplichtige waarbij deze aandelen of winstbewijzen geen deel uitmaken van het vermogen van een voor zijn rekening gedreven onderneming en niet tot het resultaat uit een werkzaamheid van hem behoren.
3.
Indien ten gevolge van de verdeling van de nalatenschap binnen twee jaren na het overlijden van de erflater wijziging komt in de gerechtigdheid tot preferente aandelen als bedoeld in artikel 4.17a, derde lid, of een vordering als bedoeld in het zevende lid van dat artikel, vindt artikel 4.17a op verzoek van de gezamenlijke belanghebbenden toepassing op basis van de aldus ontstane gerechtigdheid.
4.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van dit artikel.
1.
De overdracht tijdens het leven waarbij artikel 4.22 toepassing vindt, wordt op verzoek van de gezamenlijke belanghebbenden niet als vervreemding aangemerkt voor het in het tweede lid omschreven deel van de overdrachtsprijs, indien:
a. de vennootschap waarop de aandelen of winstbewijzen betrekking hebben, een onderneming als bedoeld in artikel 3.2 drijft, of een medegerechtigdheid als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, onderdeel a, houdt;
b. de aandelen of winstbewijzen bij de vervreemder niet tot een aanmerkelijk belang op grond van artikel 4.10 behoren;
c. de verkrijger binnenlands belastingplichtige is en de verkregen aandelen of winstbewijzen geen deel uitmaken van het vermogen van een voor zijn rekening gedreven onderneming en niet tot het resultaat uit een werkzaamheid van hem behoren, en
d. de verkrijger reeds gedurende de 36 maanden die onmiddellijk voorafgaan aan het tijdstip van de vervreemding in dienstbetrekking is van de vennootschap waarop de aandelen of winstbewijzen betrekking hebben.
2.
Indien het eerste lid toepassing vindt, wordt niet als vervreemding aangemerkt het deel van de overdrachtsprijs dat toerekenbaar is aan het ondernemingsvermogen van de vennootschap waarop de aandelen of winstbewijzen betrekking hebben, doch nooit meer dan de overdrachtsprijs verminderd met de tegenprestatie.
3.
Artikel 4.17a, derde tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
4.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van dit artikel en kan onder nader te stellen voorwaarden worden bepaald dat in bij die regeling te bepalen gevallen de in het eerste lid, onderdeel d, bedoelde termijn tot een bij die regeling te bepalen periode wordt verkort.
Artikel 4.18. Passanten
Artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h, is niet van toepassing bij een aanmerkelijk belang in een niet in Nederland gevestigde vennootschap indien het anders dan door overlijden ophouden binnenlands belastingplichtige te zijn, hieronder begrepen de situatie waarin de belastingplichtige voor de toepassing van de Belastingregeling voor het Koninkrijk , de Belastingregeling voor het land Nederland of een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting wordt geacht geen inwoner van Nederland meer te zijn, plaatsvindt binnen acht jaren nadat de belastingplichtige in Nederland is gaan wonen en de belastingplichtige gedurende de laatste vijfentwintig jaar in totaal niet langer dan tien jaren in Nederland heeft gewoond.
1.
De vervreemdingsvoordelen worden gesteld op de overdrachtsprijs verminderd met de verkrijgingsprijs. In geval van vervreemding van een gedeelte van de in aandelen of winstbewijzen besloten rechten wordt een evenredig gedeelte van de verkrijgingsprijs in aanmerking genomen.
2.
Ingeval artikel 4.17a of artikel 4.17c toepassing vindt, wordt in afwijking van het eerste lid, tweede volzin, als verkrijgingsprijs in aanmerking genomen de verkrijgingsprijs die in aanmerking zou zijn genomen ingeval niet was verzocht om toepassing van artikel 4.17a, onderscheidenlijk artikel 4.17c, met dien verstande dat ingeval alsdan de verkrijgingsprijs meer zou bedragen dan de overdrachtsprijs, als verkrijgingsprijs wordt genomen een bedrag gelijk aan de overdrachtsprijs.
Artikel 4.20. Overdrachtsprijs
Onder overdrachtsprijs wordt verstaan de tegenprestatie bij de vervreemding, verminderd met de ten laste van de vervreemder komende kosten.
1.
Onder verkrijgingsprijs wordt verstaan de tegenprestatie bij de verkrijging vermeerderd met de ten laste van de verkrijger gekomen kosten.
2.
Indien een belastingplichtige aandelen of winstbewijzen van eenzelfde soort heeft met een verschillende verkrijgingsprijs, wordt de verkrijgingsprijs van die aandelen of winstbewijzen gesteld op de gemiddelde verkrijgingsprijs.
3.
Indien bij een vervreemding een verkrijgingsprijs in aanmerking is genomen met toepassing van het tweede lid, wordt bij de berekening van de verkrijgingsprijs van de niet-vervreemde aandelen of winstbewijzen uitgegaan van de bij de vervreemding in aanmerking genomen verkrijgingsprijs.
4.
Indien een inbreng heeft plaatsgevonden op de voet van artikel 3.65 kan de verkrijgingsprijs negatief zijn.
5.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, zo nodig nadere, regels worden gesteld met betrekking tot de omvang van de verkrijgingsprijs en het verminderen van aanslagen ter zake van geconserveerd inkomen wegens vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang voor situaties waarin zich een van de volgende situaties voordoet:
a. de verkrijger van de aandelen huwt met een persoon die in Nederland woont;
b. de verkrijger van de aandelen overlijdt en bij dat overlijden gaan krachtens erfrecht aandelen over op een in Nederland wonende natuurlijk persoon;
c. de verkrijger van de aandelen schenkt aandelen aan een in Nederland wonende natuurlijk persoon;
d. andere situaties waarin de aandelen krachtens een verdeling van een huwelijksgemeenschap of een verdeling van een nalatenschap weer terechtkomen bij een verkrijger die in Nederland woont.
1.
Indien bij een vervreemding of verkrijging een tegenprestatie ontbreekt of is bedongen bij een niet onder normale omstandigheden gesloten overeenkomst, wordt als tegenprestatie aangemerkt de waarde die ten tijde van de vervreemding, respectievelijk de verkrijging, in het economische verkeer aan de aandelen of winstbewijzen kan worden toegekend.
2.
Het eerste lid is ook van toepassing indien bij een vervreemding het belang in de vennootschap wordt behouden, behoudens in geval van uitgifte van aandelen.
Artikel 4.23. Verkrijgingsprijs bij ontstaan aanmerkelijk belang na verkrijging
Indien een aandeel of winstbewijs op een tijdstip na de verkrijging daarvan tot een aanmerkelijk belang gaat behoren, wordt de verkrijgingsprijs van dat aandeel of winstbewijs gesteld op de waarde in het economische verkeer die op dat tijdstip daaraan kan worden toegekend.
1.
Indien de belastingplichtige aandelen of winstbewijzen vervreemdt maar zijn belang bij de activiteiten van de vennootschap direct of indirect geheel of nagenoeg geheel behoudt, wordt een negatief vervreemdingsvoordeel niet in aanmerking genomen.
2.
Het negatieve vervreemdingsvoordeel dat op grond van het eerste lid niet in aanmerking wordt genomen, wordt:
a. indien de belastingplichtige aandelen in de vennootschap behoudt, gevoegd bij de verkrijgingsprijs van de overige aandelen in de vennootschap;
b. indien de belastingplichtige geen aandelen in de vennootschap behoudt, gevoegd bij de verkrijgingsprijs van de aandelen in de vennootschap door middel waarvan hij het belang direct of indirect heeft behouden;
c. indien de verkrijgingsprijs niet op grond van de onderdelen a en b is toegevoegd aan andere aandelen en artikel 4.16, vierde lid, is toegepast, gevoegd bij de verkrijgingsprijs van de winstbewijzen van de vennootschap waarin de belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft.
3.
Het eerste en het tweede lid zijn, behoudens in gevallen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c,niet van toepassing indien het niet in aanmerking genomen negatieve vervreemdingsvoordeel niet gevoegd kan worden bij de verkrijgingsprijs van een aandeel.
4.
Het eerste en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing indien de belastingplichtige aandelen of winstbewijzen vervreemdt aan zijn echtgenoot of partner of een van hun bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of een vennootschap waarin een van deze personen een aanmerkelijk belang heeft, en hij een aanmerkelijk belang behoudt in de vennootschap waarop de aandelen of winstbewijzen betrekking hebben.
5.
Dit artikel is niet van toepassing op vervreemdingen in de zin van artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h, artikel 4.16, derde lid, en artikel 7.5, zevende lid.
1.
Bij een vervreemding van aandelen of winstbewijzen als bedoeld in artikel 4.16, eerste lid, onderdeel j, wordt een negatief vervreemdingsvoordeel niet in aanmerking genomen tenzij deze vervreemding niet in overwegende mate heeft plaatsgevonden met het oog op het in aanmerking nemen van dit negatieve vervreemdingsvoordeel. De inspecteur stelt het bedrag van het niet in aanmerking genomen negatieve vervreemdingsvoordeel op verzoek van de belastingplichtige vast bij voor bezwaar vatbare beschikking.
2.
Het negatieve vervreemdingsvoordeel dat bij de belastingplichtige op grond van het eerste lid niet in aanmerking wordt genomen, wordt in aanmerking genomen zodra de aandelen of winstbewijzen ook zonder de toepassing van artikel 2.14a, zevende lid, niet langer direct of indirect aan hem zouden worden toegerekend, doch uiterlijk 10 jaar na de vervreemding.
Artikel 4.24a. geen negatief vervreemdingsvoordeel bij geruisloze terugkeer uit een BV
Het vervreemdingsvoordeel ter zake van een geruisloze terugkeer als bedoeld in artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt ten minste gesteld op nihil.
1.
Indien een belastingplichtige in Nederland gaat wonen en hij op dat tijdstip aandelen in of winstbewijzen van een vennootschap heeft, wordt de verkrijgingsprijs van die aandelen of die winstbewijzen gesteld op de waarde die op dat tijdstip in het economische verkeer aan die aandelen of die winstbewijzen kan worden toegekend.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing indien de belastingplichtige voordien is opgehouden in Nederland te wonen.
3.
Het eerste lid is voorts niet van toepassing indien het aandelen in of winstbewijzen van een in Nederland gevestigde vennootschap betreft.
4.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld inzake de verkrijgingsprijs voor de gevallen bedoeld in het tweede en derde lid, en voor het geval voordien artikel 7.5, zevende lid, is toegepast.
5.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen tevens regels worden gesteld met betrekking tot het verminderen van de aanslag bij de vaststelling waarvan artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h, of artikel 7.5, zevende lid, is toegepast, in geval van terugkeer van de belastingplichtige naar Nederland binnen tien jaren nadat hij is opgehouden in Nederland te wonen onderscheidenlijk artikel 7.5, zevende lid, is toegepast.
6.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de omvang van de verkrijgingsprijs en het verminderen van aanslagen ter zake van geconserveerd inkomen wegens vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang voor situaties waarin de verkrijger van de aandelen in Nederland gaat wonen.
1.
In geval van uitreiking van aandelen, storting op bewijzen van deelgerechtigdheid in een fonds voor gemene rekening of uitreiking van winstbewijzen aan aandeelhouders, wordt als tegenprestatie aangemerkt het bedrag dat ter zake van die uitreiking of storting als regulier voordeel wordt aangemerkt, verhoogd met een eventuele toebetaling door de belastingplichtige.
2.
Bijschrijving op aandelen wordt met uitreiking van aandelen gelijkgesteld.
1.
Indien een voordeel als bedoeld in artikel 4.13, eerste lid, onderdeel a, in aanmerking is genomen, wordt de verkrijgingsprijs van het desbetreffende aandeel of winstbewijs daarmee verhoogd.
2.
Indien op grond van artikel 4.14, negende lid, een voordeel als bedoeld in artikel 4.13, eerste lid, onderdeel a, in aanmerking is genomen, wordt de verkrijgingsprijs van de aandelen van de in Nederland gevestigde vennootschap door middel waarvan de aandelen of winstbewijzen van de niet in Nederland gevestigde vennootschap worden gehouden, daarmee verhoogd.
1.
Indien een overdrachtsprijs uit een of meer termijnen bestaat waarvan het aantal of de omvang op het tijdstip van de vervreemding nog niet vaststaat, wordt een geschatte overdrachtsprijs in aanmerking genomen.
2.
Het verschil tussen de in het eerste lid bedoelde geschatte overdrachtsprijs en wat daadwerkelijk wordt genoten – opgevat overeenkomstig artikel 4.43 – wordt in aanmerking genomen voorzover de daadwerkelijk genoten termijnen de geschatte overdrachtsprijs te boven gaan.
3.
Indien het totaal van de daadwerkelijk genoten termijnen lager is dan de geschatte overdrachtsprijs, wordt het verschil in aanmerking genomen als negatief vervreemdingsvoordeel.
1.
Indien na het tijdstip van de vervreemding de overdrachtsprijs wordt verhoogd, wordt het verschil met de oorspronkelijke overdrachtsprijs aangemerkt als vervreemdingsvoordeel.
2.
Indien na het tijdstip van de vervreemding de overdrachtsprijs wordt verlaagd, wordt het verschil met de oorspronkelijke overdrachtsprijs als negatief vervreemdingsvoordeel in aanmerking genomen.
1.
Indien een koopoptie wordt uitgeoefend, wordt de verkrijgingsprijs van de koopoptie gerekend tot de verkrijgingsprijs van de verworven aandelen of winstbewijzen.
2.
Indien een koopoptie op aandelen of winstbewijzen niet wordt uitgeoefend, wordt de verkrijgingsprijs van het optierecht gevoegd bij de verkrijgingsprijs van de soort aandelen of winstbewijzen waarop het betrekking had, of bij afwezigheid van die soort, bij de verkrijgingsprijs van de aandelen, respectievelijk winstbewijzen die tot het aanmerkelijk belang behoren.
Artikel 4.31. Verleende koopopties
Het vervreemdingsvoordeel ter zake van het door de belastingplichtige verlenen van een koopoptie wordt gesteld op het bedrag van de vergoeding.
1.
Indien de belastingplichtige een recht verwerft om aandelen of winstbewijzen te vervreemden, wordt de vergoeding daarvoor aangemerkt als kosten ter zake van vervreemding die, indien de belastingplichtige het recht uitoefent, in mindering komen op de overdrachtsprijs.
2.
Bij de belastingplichtige aan wie wordt vervreemd, komt de vergoeding in mindering op de verkrijgingsprijs van de verworven aandelen of winstbewijzen.
Artikel 4.33. Vermindering verkrijgingsprijs bij terugbetaling aandelenkapitaal
Ingeval van teruggaaf van hetgeen op aandelen is gestort, wordt de verkrijgingsprijs verminderd met de teruggaaf voorzover deze niet als regulier voordeel in aanmerking is genomen. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing in geval van teruggaaf op winstbewijzen.
Artikel 4.33a. Vaststelling verkrijgingsprijs bij omzetting afgewaardeerde vordering
Indien zich met betrekking tot een schuldvordering een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3.98a, tweede lid, wordt de verkrijgingsprijs van de verkregen aandelen of winstbewijzen onderscheidenlijk de reeds in het bezit van de belastingplichtige zijnde aandelen in of winstbewijzen in de schuldenaar, verhoogd met het ingevolge artikel 3.98a, eerste lid, eerste volzin, tot het resultaat uit een werkzaamheid gerekende voordeel dan wel, indien een opwaarderingsreserve als bedoeld in artikel 3.98a, eerste lid, tweede volzin, is gevormd, met het sindsdien ingevolge artikel 3.98a, vierde, zevende of achtste lid, tot het resultaat uit een werkzaamheid gerekende voordeel.
1.
In geval van een liquidatie-uitkering wordt als vervreemdingsvoordeel in aanmerking genomen hetgeen wordt uitgekeerd boven de verkrijgingsprijs van de desbetreffende aandelen of winstbewijzen.
2.
Voorzover de liquidatie-uitkering niet als vervreemdingsvoordeel in aanmerking is genomen, wordt de verkrijgingsprijs verminderd.
3.
Indien bij ontbinding van de vennootschap nadat de vereffening van het vermogen is voltooid, na toepassing van het tweede lid een bedrag aan verkrijgingsprijs resteert, wordt het restant aan verkrijgingsprijs aangemerkt als negatief vervreemdingsvoordeel.
4.
Het eerste tot en met derde lid is niet van toepassing op:
a. liquidatie-uitkeringen bestaande uit het voor rekening van de belastingplichtige voortzetten van de onderneming van een vennootschap met toepassing van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969;
b. het vervreemdingsvoordeel dat wordt genoten bij een vervreemding als bedoeld in artikel 4.16, vijfde lid.
5.
Vervreemdingsvoordelen als bedoeld in het vierde lid worden gesteld op de waarde van de vermogensbestanddelen van de onderneming voorzover die door de belastingplichtige wordt voortgezet, vermeerderd met 50% van het verlies dat op grond van artikel 14c, derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt aangemerkt als ondernemersverlies in de zin van artikel 3.148, tweede lid, en verminderd met 20% van het bedrag dat op grond van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt vrijgesteld en voorts verminderd met een evenredig deel van de verkrijgingsprijs. De waarde van de vermogensbestanddelen vermeerderd met 50% van het verlies wordt tenminste gesteld op nihil.
Artikel 4.35. Vestigingsplaats
Voor de toepassing van deze afdeling wordt een lichaam waarvan de oprichting heeft plaatsgevonden naar Nederlands recht steeds geacht in Nederland te zijn gevestigd. Een Europese naamloze vennootschap die bij haar oprichting werd beheerst door Nederlands recht, wordt voor de toepassing van de eerste volzin geacht te zijn opgericht naar Nederlands recht.