Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Wet administratieve rechtspraak BES
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Ook bekend als:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Het beroep
+ Hoofdstuk 3. De behandeling in eerste aanleg
+ Hoofdstuk 4. Bestuurlijke heroverweging
+ Hoofdstuk 5. Het hoger beroep
- Hoofdstuk 6. Bijzondere procedures
+ Hoofdstuk 7. Geheimhoudingsplicht
+ Hoofdstuk 8. Strafbepalingen
+ Hoofdstuk 9. Slotbepalingen
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht

Wet administratieve rechtspraak BES

1.
Het Gerecht kan onmiddellijk uitspraak doen indien het kennelijk onbevoegd is, het beroep kennelijk niet ontvankelijk is, dan wel het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, dan wel verdere behandeling van het beroepschrift hem niet nodig voorkomt, omdat:
a. het verzoek kennelijk ongegrond is;
b. de bestreden beschikking kennelijk niet in stand kan blijven;
c. de bestreden beschikking door het bevoegde bestuursorgaan is ingetrokken of gewijzigd, en daarmee kennelijk aan de bezwaren van de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen.
2.
Op de uitspraak, bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 49 tot en met 53 van overeenkomstige toepassing. Partijen wordt gewezen op artikel 80, eerste lid.
3.
Indien het betreft een beroep, bedoeld in artikel 8, wordt de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid uitgeoefend door de voorzitter van de meervoudige kamer van het Gerecht.
4.
Het eerste, tweede en derde lid alsmede artikel 80 zijn van overeenkomstige toepassing in het kader van hoger beroep, bedoeld in artikel 75. Alsdan wordt de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid uitgeoefend door de voorzitter van het Hof.
1.
Tegen een uitspraak, bedoeld in artikel 79, kunnen alle partijen binnen twee weken na de dag van verzending schriftelijk verzet doen bij het Gerecht. De indiener van het verzetschrift dient gemotiveerd aan te geven met welke overwegingen in de uitspraak hij zich niet kan verenigen. De artikelen 15, eerste tot en met derde lid, 20 en 22 zijn van overeenkomstige toepassing.
2.
Alvorens uitspraak te doen op het verzet stelt het Gerecht de indiener van het verzetschrift die daarom vraagt, in de gelegenheid om in een openbare zitting te worden gehoord en de schrifturen, ambtsberichten en bewijsstukken in te zien, tenzij het aanstonds van oordeel is dat het verzet gegrond is. De artikelen 41, 42 en 46 zijn van overeenkomstige toepassing.
3.
Is het Gerecht van oordeel dat het verzet gegrond is, dan vervalt de uitspraak, bedoeld in artikel 79, en wordt het beroepschrift in verdere behandeling genomen door het Gerecht.
4.
Op de uitspraak zijn de artikelen 49 tot en met 53 van overeenkomstige toepassing.
1.
Indien het belang van een partij een onverwijlde uitspraak vordert, kan deze het Gerecht gemotiveerd verzoeken het beroepschrift versneld te behandelen, zonder toepassing van de artikelen 23 tot en met 32.
2.
In afwijking van artikel 17, vijfde lid, wordt een beroep waarbij een verzoek als bedoeld in het eerste lid, is gedaan, ook in behandeling genomen voordat ter griffie het verschuldigde recht is ontvangen en wordt de indiener niet-ontvankelijk verklaard indien ter griffie het verschuldigde recht niet is ontvangen binnen de termijn, bedoeld in artikel 17, vijfde lid. Het Gerecht kan een kortere termijn stellen.
1.
Na ontvangst van een verzoek, bedoeld in artikel 81, eerste lid, bepaalt het Gerecht zo spoedig mogelijk plaats, dag en uur, waarop de openbare zitting zal plaatsvinden en doet daarvan onverwijld mededeling aan partijen. Aan het bestuursorgaan dat de beschikking waartegen beroep wordt ingesteld, heeft genomen, wordt een afschrift van de ingediende stukken gezonden.
2.
Het bestuursorgaan is bevoegd tot zeven dagen voor de zitting schrifturen en bewijsstukken in te dienen ter griffie, tenzij het Gerecht anders bepaalt. De griffier zendt een afschrift van deze stukken aan de andere partijen.
3.
Blijkt het Gerecht ter zitting dat het beroepschrift niet voldoende spoedeisend is om een versnelde behandeling te rechtvaardigen, of dat een versnelde behandeling van het beroepschrift een onevenredig nadeel met zich mee zal brengen in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dan bepaalt het Gerecht dat alsnog toepassing wordt gegeven aan de artikelen 23 tot en met 32.
Artikel 83
In afwijking van artikel 82, eerste lid, kan het Gerecht een verzoek als bedoeld in artikel 81, eerste lid, onmiddellijk afwijzen indien dit kennelijk niet-ontvankelijk dan wel kennelijk ongegrond is. De artikelen 49 tot en met 53 zijn van overeenkomstige toepassing op deze uitspraak.
1.
Een verzoek als bedoeld in artikel 81, eerste lid, kan ook worden gedaan in het kader van een beroep, als bedoeld in artikel 8. Alsdan worden de bevoegdheden van het Gerecht, bedoeld in de artikelen 81, tweede lid, 82 en 83, uitgeoefend door de voorzitter van de meervoudige kamer van het Gerecht.
2.
Een verzoek als bedoeld in artikel 81, eerste lid, kan ook worden gedaan in het kader van het hoger beroep, bedoeld in artikel 75. Alsdan worden de bevoegdheden van het Gerecht, bedoeld in de artikelen 81, tweede lid, 82 en 83, uitgeoefend door de voorzitter van het Hof.
1.
Een beschikking waartegen een beroepschrift bij het Gerecht is ingediend, of waaromtrent een bestuurlijke heroverweging plaatsvindt als bedoeld in hoofdstuk 4, kan op verzoek van de indiener van het beroepschrift onderscheidenlijk de bezwaarde geheel of gedeeltelijk door het Gerecht worden geschorst op grond dat de uitvoering van de beschikking voor hem een onevenredig nadeel met zich mee zal brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van de beschikking te dienen belang. Ook kan op zijn verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen ter voorkoming van onevenredig nadeel als in de eerste volzin bedoeld.
2.
Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt gericht tot het Gerecht, bedoeld in artikel 15.
3.
De artikelen 15, eerste tot en met derde lid, 20 en 22 zijn van overeenkomstige toepassing op het verzoek. Artikel 17 is van overeenkomstige toepassing, indien het betreft een verzoek terzake van een beschikking waaromtrent een bestuurlijke heroverweging plaatsvindt als bedoeld in hoofdstuk 4.
Artikel 86
Het Gerecht beslist in raadkamer met spoed op het verzoek, na het horen, althans na behoorlijke schriftelijke oproeping daartoe, van alle partijen of hun gemachtigden. De artikelen 33, tweede lid, en 37 zijn van overeenkomstige toepassing.
1.
Het Gerecht is bevoegd, hetzij ambtshalve hetzij op verzoek van partijen of hun gemachtigden, getuigen, deskundigen en tolken te doen oproepen. Partijen kunnen getuigen en deskundigen, wier verhoor zij wenselijk achten, meebrengen ter zitting, mits zij voor aanvang van de zitting het Gerecht kennis geven van de namen en woonplaatsen van deze personen. De artikelen 40 en 44 zijn van overeenkomstige toepassing. De artikelen 38, derde en vierde lid, en 39 zijn van overeenkomstige toepassing indien de oproeping schriftelijk geschiedt.
2.
Het horen geschiedt in het openbaar. De artikelen 41, 42 en 46 zijn van overeenkomstige toepassing.
3.
Indien het Gerecht van oordeel is dat partijen er niet door in hun belangen worden geschaad, kan het op het verzoek beslissen met terzijdestelling van artikel 86 en het eerste en tweede lid.
Artikel 88
Schorsing stuit onmiddellijk de werking van de bestreden beschikking.
1.
Het Gerecht kan in zijn beslissing bepalen dat indien of zolang het bestuursorgaan aan de schorsing of voorlopige voorziening niet of niet volledig gevolg heeft gegeven, het door hem bij die beslissing aan te wijzen overheidslichaam aan de indiener van het beroepschrift een dwangsom verbeurt. Artikel 23, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
2.
Zonodig kan het Gerecht bij nadere beslissing bepalen dat een dwangsom als in het eerste lid bedoeld, verbeurd wordt. Het kan daaraan ook zijn eerdere beslissing, bedoeld in artikel 86, aanpassen. Het Gerecht beslist na verhoor, althans na behoorlijke schriftelijke oproeping daartoe, van partijen of hun gemachtigden. De artikelen 33, tweede lid, 37, 23, tweede lid, en 87 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 90
De schorsing, voorlopige voorziening en beslissing tot oplegging van een dwangsom kunnen worden opgeheven of gewijzigd door het Gerecht nadat het partijen of hun gemachtigden heeft gehoord, althans na behoorlijke schriftelijke oproeping daartoe. De artikelen 33, tweede lid, 37, 50, zesde lid, en 87 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 91
De schorsing en voorlopige voorziening vervallen zodra door het Gerecht op het beroepschrift uitspraak is gedaan, voor zover in de beslissing van het Gerecht geen eerder tijdstip is aangegeven.
1.
De schorsing van een beschikking ten aanzien waarvan bij wettelijk voorschrift openbare bekendmaking is voorgeschreven, zomede de wijziging en opheffing van een dergelijke schorsing worden door het tot die bekendmaking bevoegde gezag op gelijke wijze bekend gemaakt.
2.
Ten aanzien van een voorlopige voorziening handelt het bevoegde gezag zoveel mogelijk overeenkomstig het eerste lid.
Artikel 93
Een afschrift van de beslissing met betrekking tot een schorsing, voorlopige voorziening of oplegging van een dwangsom, alsmede van die met betrekking tot de opheffing of wijziging daarvan wordt onverwijld aan alle partijen gezonden.
1.
Een verzoek als bedoeld in artikel 85, eerste lid, kan ook worden ingediend in het kader van het in artikel 8 bedoelde beroep. Alsdan worden de bevoegdheden van het Gerecht, bedoeld in deze paragraaf, uitgeoefend door de voorzitter van de meervoudige kamer van het Gerecht.
2.
Een verzoek als bedoeld in artikel 85, eerste lid, kan ook worden gedaan in het kader van het in artikel 75 bedoelde het hoger beroep. Alsdan worden de bevoegdheden van het Gerecht, bedoeld in deze paragraaf, uitgeoefend door de voorzitter van het Hof.
1.
Indien een verzoek als bedoeld in artikel 85, eerste lid, is gedaan en het Gerecht oordeelt dat de feiten geen nader onderzoek vergen en mits met schriftelijke toestemming van alle partijen, dan wel indien het Gerecht oordeelt dat de behandeling van het beroepschrift zelf moet leiden tot de uitspraak dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is, kan het onmiddellijk uitspraak op het beroepschrift doen.
2.
Op de uitspraak, bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 49 tot en met 53 van overeenkomstige toepassing. Indien het Gerecht kennelijk onbevoegd is, dan wel het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is, is artikel 80 van overeenkomstige toepassing.
3.
Indien het betreft een beroep als bedoeld in artikel 8, wordt de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid uitgeoefend door de voorzitter van de meervoudige kamer van het Gerecht.
1.
Herziening van een onherroepelijke uitspraak van het Gerecht, bedoeld in de artikelen 49, 53, 79, 80 en 95, en van het Hof, bedoeld in de artikelen 78, 79, 80 en 84 kan op verzoek van een partij plaatsvinden op grond van nader gebleken feiten of omstandigheden die hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak, die de verzoekende partij redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en die waren zij eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
2.
Op het verzoek om herziening zijn de hoofdstukken 3 en 6, paragrafen 1 tot en met 3, zoveel nodig van overeenkomstige toepassing.
1.
Indien een bestuursorgaan aan een onherroepelijke uitspraak van het Gerecht, bedoeld in de artikelen 49, 53, 79, 80 of 95, voor zover deze niet verplicht tot betaling van een bepaald geldbedrag, naar zijn oordeel geen of geen volledig gevolg kan geven binnen de bij die uitspraak gestelde termijn of – bij het ontbreken van zulk een termijn – binnen redelijke tijd, geeft het daarvan kennis aan de andere partijen. Indien het niet of niet volledig gevolg geven zijn oorzaak vindt in nieuwe feiten of omstandigheden die zich hebben voorgedaan nadat de beschikking waarop de uitspraak betrekking heeft, is gegeven, doet het bestuursorgaan daarvan gelijktijdig mededeling.
2.
Indien een mededeling als bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, is gedaan, kunnen de andere partijen zich met een verzoek om voorziening wenden tot het Gerecht. Op dit verzoek is hoofdstuk 3, met uitzondering van artikel 17, van overeenkomstige toepassing.
1.
Indien een kennisgeving zonder mededeling of geen kennisgeving als bedoeld in artikel 97, eerste lid, is gedaan, kunnen de andere partijen zich tot het Gerecht wenden met het verzoek om toekenning van een vergoeding dan wel om te bepalen dat het bestuursorgaan alsnog aan de uitspraak van het Gerecht gevolg geeft.
2.
Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt gedaan binnen zes weken na verzending van de kennisgeving, of indien geen kennisgeving is gedaan, binnen zes weken na het einde van het tijdsverloop, bedoeld in artikel 97, eerste lid.
3.
Indien de grief, dat niet of niet volledig aan de uitspraak van het Gerecht gevolg is gegeven, gegrond wordt bevonden, kan het Gerecht uitspreken dat de partijen, bedoeld in het eerste lid, ten laste van het bij zijn uitspraak aangewezen overheidslichaam een bij die uitspraak vast te stellen vergoeding wordt toegekend, dan wel dat het bestuursorgaan alsnog binnen een door het Gerecht te stellen termijn aan de uitspraak van het Gerecht gevolg dient te geven. In het laatste geval bepaalt het Gerecht tevens dat indien en zolang of zo dikwijls het bestuursorgaan aan de uitspraak geen of geen volledig gevolg geeft, het door hem aan te wijzen overheidslichaam aan de partijen, bedoeld in het eerste lid, een door het Gerecht vast te stellen dwangsom verbeurt. Artikel 23, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
4.
Op de uitspraak, bedoeld in het derde lid, zijn de artikelen 49 tot en met 53 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 99
De in de artikelen 97 en 98 aan het Gerecht toegekende bevoegdheden komen toe aan het Hof indien een bestuursorgaan geen of geen volledig gevolg geeft aan een uitspraak van het Hof, bedoeld in de artikelen 78, 79, 80 en 84.