Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Wet administratieve rechtspraak BES
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Ook bekend als:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Het beroep
- Hoofdstuk 3. De behandeling in eerste aanleg
+ Hoofdstuk 4. Bestuurlijke heroverweging
+ Hoofdstuk 5. Het hoger beroep
+ Hoofdstuk 6. Bijzondere procedures
+ Hoofdstuk 7. Geheimhoudingsplicht
+ Hoofdstuk 8. Strafbepalingen
+ Hoofdstuk 9. Slotbepalingen
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht

Wet administratieve rechtspraak BES

Artikel 10
[vervallen]
1.
De behandeling van het beroep en de uitspraak geschieden door het Gerecht.
2.
Wanneer artikel 8 van toepassing is, geschieden de behandeling en de uitspraak door een meervoudige kamer van het Gerecht, bestaande uit een lid van het Hof als voorzitter en twee bijzondere rechters.
3.
De bevoegdheden die in de artikelen 17, tweede, derde en vierde lid, 21, 23, 26 tot en met 32, 37 tot en met 40, 44, tweede, derde, zesde en zevende lid, 48 en 54 zijn toegekend aan het Gerecht, worden in geval van behandeling door een meervoudige kamer uitgeoefend door de voorzitter.
1.
De bijzondere rechters bedoeld in artikel 11, tweede lid, worden bij koninklijk besluit benoemd en ontslagen. De benoeming geschiedt voor een tijdvak van zes jaren. Op hun verzoek wordt aan hen bij koninklijk besluit voor de afloop van voornoemd tijdvak ontslag verleend.
2.
Benoembaar tot bijzondere rechter is iedere Nederlander.
3.
Niet benoembaar zijn:
a. [vervallen]
b. de actief dienende of op non-activiteit gestelde ambtenaren alsmede hun levenspartners, met uitzondering van de voor het leven benoemde ambtenaren.
4.
Indien ten aanzien van een bijzondere rechter zich na zijn benoeming een van de gevallen voordoet die grond zijn voor niet-benoembaarheid, wordt hij bij koninklijk besluit uit zijn ambt ontslagen.
5.
Op met redenen omkleed voorstel van het Hof kan de bijzondere rechter worden ontslagen:
1°. wanneer zij de leeftijd van vijfenzestig jaren hebben bereikt;
2°. indien zij uit hoofde van ziekte of gebreken blijvend ongeschikt zijn om hun functies te vervullen;
3°. bij het verlies van het Nederlanderschap;
4°. wanneer zij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf zijn veroordeeld, dan wel bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd, die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
5°. wanneer zij bij een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak onder curatele zijn gesteld, in staat van faillissement zijn verklaard, surseance van betaling hebben verkregen of wegens schulden zijn gegijzeld;
6°. wegens handelen of nalaten, dat ernstig nadeel toebrengt aan de goede gang van zaken bij de rechtspraak of aan het in haar te stellen vertrouwen;
7°. wanneer zij, na eerder wegens gelijke overtreding te zijn gewaarschuwd, de bepalingen overtreden waarbij hun:
a. het uitoefenen van enig beroep wordt verboden;
b. een vast en voortdurend verblijf wordt aangewezen;
c. verboden wordt zich in enig onderhoud of gesprek in te laten met partijen of haar advocaten, procureurs of gemachtigden, of enige bijzondere inlichting of schriftelijk stuk van hen aan te nemen;
d. de verplichting wordt opgelegd een geheim te bewaren.
6.
In geval van tussentijds ontslag of overlijden wordt een nieuwe bijzondere rechter benoemd.
7.
Bij algemene maatregel van bestuur, worden regels gegeven omtrent de aan de bijzondere rechters toekomende vergoedingen.
1.
De bijzondere rechters leggen de volgende eed of belofte af:
«Ik zweer (beloof) getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de wettelijke regelingen, eerbied voor de rechterlijke autoriteiten, en dat ik geen zaak zal aanraden of verdedigen, die ik in gemoede niet gelove rechtvaardig te zijn.»
2.
Alvorens tot die eed of belofte te worden toegelaten, leggen zij de volgende eed (verklaring en belofte) van zuivering af: «Ik zweer (verklaar), dat ik middellijk noch onmiddellijk, onder welke naam of voorwendsel ook, tot het verkrijgen van mijn aanstelling, aan iemand wie hij ook zij, iets heb gegeven of beloofd, noch zal geven. Ik zweer (beloof), dat ik nimmer enige giften of geschenken hoe ook genaamd, zal aannemen of ontvangen van enig persoon van wie ik weet of vermoed dat hij in een rechtszaak is of zal worden betrokken, waarin mijn ambtsverrichtingen te pas zouden kunnen komen. Zo waarlijk helpe mij God Almachtig (Dat beloof ik)».
3.
De eedsaflegging (verklaring en belofte) van de bijzondere rechters geschiedt ten overstaan van de president van het Hof of een door deze aangewezen ambtenaar.
Artikel 14
Bij de beraadslaging over rechtszaken maken eerst de bijzondere rechters, van de jongstbenoemde tot de oudste, en als laatste de voorzitter hun gevoelen kenbaar. In diezelfde volgorde heeft, zo nodig, de stemming plaats. Er wordt beslist bij meerderheid van stemmen. Een rechter, die niet bij de beraadslaging aanwezig kan zijn, kan zijn gevoelen niet schriftelijk kenbaar maken of door een van zijn mederechters doen voordragen.
1.
Het beroep wordt aanhangig gemaakt met een aan het Gerecht gericht beroepschrift, dat in tweevoud wordt ingediend bij de griffie van het Gerecht dat zijn zittingsplaats heeft in het eilandgebied waar de indiener zijn woonplaats heeft.
2.
Het beroepschrift kan worden ingediend door degene die tot het beroep gerechtigd is, of door een door deze aangewezen gemachtigde. De machtiging wordt schriftelijk gegeven en bij het beroepschrift overgelegd.
3.
In afwijking van het tweede lid behoeft een advocaat geen machtiging over te leggen.
4.
Als woonplaats van de indiener die zich door een gemachtigde doet vertegenwoordigen, wordt aangemerkt de woonplaats van die gemachtigde.
5.
Het beroepschrift houdt in:
a. de naam, voornamen en woonplaats van de indiener van het beroepschrift en, indien het door een gemachtigde wordt ingediend, tevens de naam, voornamen en woonplaats van die gemachtigde;
b. een duidelijke omschrijving van de beschikking waartegen het beroep is gericht;
c. de gronden waarop het beroep berust, waaronder het belang dat de indiener bij het beroep heeft;
d. een aanduiding van hetgeen gevorderd wordt;
e. de ondertekening door de indiener of zijn gemachtigde;
f. de keuze van een domicilie op Bonaire, Sint Eustatius of Saba, indien de indiener geen woonplaats heeft op Bonaire, Sint Eustatius of Saba;
g. de dagtekening.
6.
Bij het beroepschrift worden zo mogelijk de beschikking waarop het beroepschrift betrekking heeft, en de overige op de beschikking betrekking hebbende stukken overgelegd.
1.
Het beroepschrift wordt ingediend binnen zes weken na de dag waarop de beschikking is gegeven, of geldt als geweigerd.
2.
De dag waarop de beschikking is verzonden of uitgereikt, geldt als de dag waarop deze is gegeven.
3.
Wanneer het beroepschrift na afloop van de daarvoor gestelde termijn is ingediend, blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien de indiener aantoont dat de termijnoverschrijding het gevolg is van niet aan hem toe te rekenen bijzondere omstandigheden en dat hij het beroep heeft ingesteld zo spoedig als dit redelijkerwijs verlangd kon worden.
4.
Het bestuursorgaan doet bij zijn beschikking mededeling van de mogelijkheid van het indienen van beroep en de termijn, waarbinnen het beroepschrift moet worden ingediend. In de oorspronkelijke beschikking wordt gewezen op de mogelijkheid van het indienen van een bezwaarschrift en de termijn waarbinnen het bezwaarschrift moet worden ingediend.
1.
Voor het indienen van een beroepschrift wordt van de indiener door de griffier een griffierecht geheven van USD 84,–, met uitzondering van beroepschriften als bedoeld in artikel 8, waarvoor een griffiegeld wordt geheven van USD 28,–. Indien twee of meer personen gezamenlijk een beroepschrift indienen terzake van eenzelfde beschikking is slechts éénmaal bedoeld recht verschuldigd. Het griffierecht kan worden gewijzigd bij algemene maatregel van bestuur.
2.
Een natuurlijke persoon kan vrijstelling van betaling van het recht, bedoeld in het eerste lid, vragen. Hij legt daartoe aan het Gerecht over een bewijs van onvermogen, bedoeld in artikel 878, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES.
3.
Aan de natuurlijke persoon die vrijstelling van het recht, bedoeld in het eerste lid, vraagt, maar die niet in staat is tijdig een bewijs van onvermogen over te leggen, kan het Gerecht voorlopige vrijstelling verlenen.
4.
Indien voorlopige vrijstelling wordt geweigerd, dient de indiener het volle griffierecht te storten. Zodra het bewijs van onvermogen alsnog door de indiener is overgelegd en hem op grond daarvan vrijstelling is verleend, wordt het gestorte bedrag zo spoedig mogelijk door de griffier aan hem terugbetaald.
5.
Het beroepschrift wordt niet in behandeling genomen voordat het verschuldigde griffierecht ter griffie is ontvangen. Indien het verschuldigde recht niet is gestort binnen vier weken na de dag van verzending van een mededeling waarin de griffier de indiener van het beroepschrift op de verschuldigdheid van het bedrag heeft gewezen, wordt de indiener door het Gerecht niet-ontvankelijk verklaard.
6.
Aan de indiener van het beroepschrift wordt, bij intrekking ervan om redenen dat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan zijn bezwaren is tegemoetgekomen, het door hem gestorte griffierecht vergoed door dat orgaan. In de overige gevallen heeft het bestuursorgaan bij intrekking van het beroepschrift de bevoegdheid het gestorte recht geheel of gedeeltelijk te vergoeden.
7.
Bij gegrondverklaring van het beroepschrift houdt de uitspraak van het Gerecht tevens in dat aan de indiener van het beroepschrift het door hem gestorte griffierecht wordt vergoed ten laste van het bij de uitspraak aangewezen overheidslichaam.
8.
Het gestorte griffierecht wordt terugbetaald door het Gerecht, indien artikel 54, derde lid, van toepassing is
Artikel 18
De griffier houdt een algemeen register bij, waarin alle bij het Gerecht aanhangige beroepschriften, elk beroepschrift onder een afzonderlijk nummer, worden ingeschreven met de namen van de indieners en andere partijen en hun woonplaatsen, alsmede, zo zij die hebben, van hun gemachtigden en hun woonplaatsen. In het register wordt, met vermelding van de dagtekening, tevens kort aantekening gehouden van het voorgevallene en de terzake gedane uitspraken. Het register is openbaar.
Artikel 19
De griffier is verplicht naar vermogen en kosteloos aan de indieners van een beroepschrift en de andere partijen de inlichtingen te verschaffen, die zij voor het aanhangig maken en de behandeling van een beroepschrift bij het Gerecht nodig hebben.
1.
De griffier tekent op het beroepschrift de datum van ontvangst aan en geeft op verzoek van de indiener of zijn gemachtigde kosteloos een bewijs van ontvangst af.
2.
Is het beroepschrift ingediend bij een onbevoegd Gerecht of het Hof, dan zendt het Gerecht of het Hof het beroepschrift naar de bevogde rechter of het bevoegde bestuursorgaan. De dag waarop het bij het eerste Gerecht of het Hof is ingediend, geldt als de dag waarop het is ontvangen.
Artikel 21
Het Gerecht is bevoegd samenhangende beroepschriften te voegen en gevoegde beroepschriften te splitsen.
1.
Een beroepschrift dat niet aan de bij artikel 15 gestelde eisen voldoet, wordt door de griffier aan de indiener in persoon of, indien een gemachtigde is aangewezen, aan die gemachtigde met mondelinge of schriftelijke opgave van redenen ter verbetering of aanvulling dan wel ter bijvoeging van de machtiging of andere bescheiden teruggegeven of teruggezonden. Daarbij wordt vermeld de termijn waarbinnen de verbetering of aanvulling van het beroepschrift dan wel de bijvoeging van de machtiging of andere bescheiden dient te geschieden.
2.
Indien binnen de vastgestelde termijn het beroepschrift niet is verbeterd of aangevuld, dan wel de machtiging of andere bescheiden niet zijn bijgevoegd, kan het Gerecht de indiener van het beroepschrift niet-ontvankelijk verklaren.
1.
De griffier zendt onverwijld een afschrift van het beroepschrift en van de daarbij behorende bescheiden aan het bestuursorgaan. Daarbij wordt een bevelschrift van het Gerecht gevoegd tot het onverwijld overleggen van alle op het beroepschrift betrekking hebbende stukken. Indien het bestuursorgaan weigert op het beroepschrift betrekking hebbende stukken over te leggen, kan het Gerecht bepalen dat het door hem aan te wijzen overheidslichaam aan de indiener een door hem vast te stellen dwangsom verbeurt voor elke dag, dat het orgaan in gebreke blijft.
2.
Het in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES omtrent de dwangsom bepaalde is van overeenkomstige toepassing.
3.
Bij de toezending van het beroepschrift aan het bestuursorgaan wordt vermeld de termijn waarbinnen een verweerschrift kan worden ingediend. Deze termijn kan het Gerecht verlengen zo dikwijls het belang van de behandeling van het beroepschrift dat vordert. Bij het indienen van het verweerschrift wordt een afschrift daarvan bijgevoegd.
1.
Het bestuursorgaan kan, voorzover gewichtige redenen daartoe aanleiding geven, het verstrekken van inlichtingen of stukken weigeren dan wel meedelen dat uitsluitend het Gerecht kennis mag nemen van de verstrekte inlichtingen of stukken.
2.
Van gewichtige redenen is in ieder geval geen sprake, voorzover ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur BES de verplichting bestaat om een verzoek om informatie, vervat in de te verstrekken stukken, in te willigen.
3.
Het Gerecht beslist terzake van de gerechtvaardigdheid van een weigering of beperking, bedoeld in het eerste lid.
4.
Indien het Gerecht beslist dat een weigering, bedoeld in het eerste lid, gerechtvaardigd is, vervalt de verplichting, bedoeld in artikel 23.
5.
Indien het Gerecht beslist dat een beperking, bedoeld in het eerste lid, gerechtvaardigd is, kan het slechts met toestemming van de andere partijen mede op grondslag van de in dat lid bedoelde inlichtingen of stukken uitspraak doen.
Artikel 25
De griffier zendt een afschrift van het verweerschrift onverwijld aan de indiener van het beroepschrift of diens gemachtigde.
1.
Degene die door het Gerecht als mede- of derde-belanghebbende wordt aangemerkt, wordt partij in de behandeling. De griffier zendt onverwijld een afschrift van het beroepschrift en het verweerschrift aan deze partij.
2.
De griffier deelt de belanghebbende, bedoeld in het eerste lid, mee dat hij binnen een termijn van vier weken schrifturen en bewijsstukken, die hij voor de behandeling van het beroepschrift dienstig acht, kan indienen. Deze termijn kan door het Gerecht worden verlengd zo dikwijls het belang van de behandeling van het beroepschrift dat naar zijn oordeel vordert.
3.
Indien er naar het vermoeden van het Gerecht onbekende derde-belanghebbenden zijn, kan het Gerecht de griffier opdragen dat de mededeling, bedoeld in het tweede lid, tevens wordt gedaan door aankondiging in de Staatscourant. De laatste volzin van het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.
4.
De schrifturen moeten door de belanghebbende, bedoeld in het eerste lid, of zijn gemachtigde worden ondertekend. Artikel 15 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat twee afschriften van de schrifturen moeten worden bijgevoegd.
5.
De griffier tekent op de schrifturen de dag van ontvangst aan en zendt onverwijld een afschrift daarvan aan de indiener van het beroepschrift en het bestuursorgaan.
1.
Op grond van bijzondere omstandigheden kan het Gerecht de indiener van het beroepschrift toestaan om binnen een door het Gerecht te bepalen termijn een conclusie van repliek in te dienen. In dat geval wordt het bestuursorgaan toegestaan een conclusie van dupliek in te dienen, nadat het kennis heeft kunnen nemen van de conclusie van repliek. Het Gerecht stelt daarvoor eenzelfde termijn als is gesteld aan de indiening van de conclusie van repliek.
2.
Het Gerecht kan de termijn, bedoeld in het eerste lid, op verzoek van de betreffende partij verlengen of verkorten.
3.
De conclusies van repliek en dupliek, bedoeld in het eerste lid, worden door de griffier onverwijld toegezonden aan de andere partijen. Aan dezen wordt toegestaan een aanvullende schriftuur in te dienen binnen eenzelfde termijn als gegund is aan de indiener en het bestuursorgaan.
4.
Partijen kunnen tot zeven dagen voor de zitting, bedoeld in artikel 33, nadere stukken indienen. Op deze bevoegdheid wordt gewezen in de oproeping voor de zitting.
1.
Het Gerecht kan aanvullende ambtsberichten inwinnen. Het kan deze ambtsberichten ook inwinnen bij andere overheidsinstanties dan het betrokken bestuursorgaan.
2.
De overheidsinstantie waaraan een ambtsbericht is gevraagd, zendt dit onder bijvoeging van alle zich onder zijn berusting bevindende, op het beroepschrift betrekking hebbende, stukken toe aan het Gerecht.
3.
Het Gerecht kan een termijn stellen waarbinnen het ambtsbericht moet worden uitgebracht.
4.
De artikelen 23 en 24 zijn van overeenkomstige toepassing.
1.
Het Gerecht kan de indiener van het beroepschrift, de andere partijen en andere natuurlijke of privaatrechtelijke rechtspersonen verzoeken binnen een door het Gerecht te stellen termijn schriftelijk inlichtingen te verschaffen en onder hen berustende of te hunner beschikking staande stukken over te leggen. Degene aan wie het Gerecht het verzoek richt, is verplicht tot het verschaffen van de gevraagde inlichtingen en het overleggen van de gevraagde stukken.
2.
Het Gerecht is bevoegd deskundigen op te dragen om binnen een door het Gerecht te bepalen termijn schriftelijk verslag en advies uit te brengen. Van de opdracht aan de deskundige geeft de griffier aan alle partijen kennis. Partijen kunnen binnen zeven dagen na de dag van verzending van het verslag aan hen schriftelijk hun zienswijze ter zake naar voren brengen. Het Gerecht kan deze termijn verlengen.
3.
Artikel 24 is van overeenkomstige toepassing.
1.
Indien naar zijn oordeel de feiten of omstandigheden nog niet voldoende tot klaarheid zijn gebracht, kan het Gerecht een voorbereidend onderzoek gelasten.
2.
Het Gerecht kan bepalen dat het voorbereidend onderzoek wordt verricht door een lid of plaatsvervangend lid van het Hof dan wel door een rechter-plaatsvervanger in eerste aanleg, als rechter-commissaris.
3.
De rechter-commissaris is bevoegd:
a. de door het Gerecht als getuige of deskundige opgegeven personen of anderen wier verhoor hem ter uitvoering van zijn opdracht wenselijk voorkomt, op te roepen om te verschijnen op de plaats bij die oproeping bepaald;
b. aan deskundigen op te dragen schriftelijk verslag en advies uit te brengen binnen een door hem te bepalen termijn;
c. vergezeld van de door hem voor het onderzoek dringend noodzakelijke getuigen en deskundigen binnen te treden in alle plaatsen;
d. aanvullende ambtsberichten in te winnen als bedoeld in artikel 28;
e. schriftelijke inlichtingen in te winnen als bedoeld in artikel 29;
f. een comparitie van partijen te bevelen.
4.
Van het binnentreden wordt een proces-verbaal opgemaakt dat binnen tweemaal 24 uur aan de bewoner in afschrift wordt uitgereikt of toegezonden.
5.
Tijd en plaats van een voorgenomen plaatselijk onderzoek of een verhoor van getuigen en deskundigen worden door de rechter-commissaris, zo mogelijk, tijdig vooraf ter kennis van alle partijen gebracht. Deze kunnen bij het plaatselijk onderzoek en het verhoor van getuigen en deskundigen aanwezig zijn en verzoeken, dat door hen meegebrachte personen als getuige en deskundige zullen worden gehoord. De rechter-commissaris kan bevelen, dat dit geheel of gedeeltelijk zal plaats hebben buiten tegenwoordigheid van een partij. Van een plaatselijk onderzoek of verhoor wordt een proces-verbaal opgemaakt.
6.
De rechter-commissaris handhaaft de orde ter plaatse, waar hij zijn ambtsverrichtingen vervult. Hij heeft daarbij de bevoegdheden in artikel 41 aan het Gerecht verleend voor het handhaven van de orde ter terechtzitting.
7.
De uitkomsten van het voorbereidend onderzoek worden door de rechter-commissaris geconstateerd bij proces-verbaal. Na afloop van het onderzoek zendt de rechter-commissaris de door het Gerecht in zijn handen gestelde stukken van de behandeling terug. Hij voegt daarbij het opgemaakte proces-verbaal.
8.
De rechter-commissaris wordt in zijn ambtsverrichtingen bijgestaan door de griffier, die hem bij het voorbereidend onderzoek vergezelt, de vereiste processen-verbaal opstelt, deze met hem ondertekent en namens hem getuigen en deskundigen oproept. Artikel 46, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
9.
Indien het Gerecht of de rechter-commissaris bezichtiging ter plaatse nodig oordeelt, verlenen overheidsinstanties desgevraagd de medewerking die in het belang van het onderzoek vereist is. De artikelen 23 en 24 zijn van overeenkomstige toepassing.
10.
Artikel 44 is van overeenkomstige toepassing op het voorbereidend onderzoek.
1.
Het beroepschrift en de daarop betrekking hebbende schrifturen en bewijsstukken, bij het Gerecht aanwezig, worden, onverminderd de artikelen 23, 24, 28, 29 en 30, neergelegd ter griffie of op een andere door het Gerecht te bepalen plaats. Hiervan wordt aan alle partijen mededeling gedaan.
2.
Partijen kunnen de schrifturen en bewijsstukken binnen een door het Gerecht bepaalde en aan hen meegedeelde termijn, welke in de regel ten minste zeven dagen beloopt, inzien en daarvan afschriften of uittreksels vragen.
3.
Aan partijen worden de kosten van deze afschriften en uittreksels in rekening gebracht, uitgezonderd de indiener van een beroepschrift die is vrijgesteld van het betalen van het recht, bedoeld in artikel 17, eerste lid.
Artikel 32
Het Gerecht kan in het belang van de geestelijke of lichamelijke gezondheid van een partij, ambtshalve of op verzoek van het betrokken bestuursorgaan, bepalen dat het inzien van geneeskundige of psychologische rapporten niet is toegestaan aan een partij persoonlijk, maar uitsluitend aan een gemachtigde die hetzij geneeskundige, hetzij advocaat, hetzij academisch gevormd psycholoog is, dan wel van het Gerecht bijzondere toestemming heeft verkregen.
1.
Alle partijen en hun gemachtigden worden opgeroepen om na afloop van de in artikel 31, tweede lid, genoemde termijn in een openbare zitting van het Gerecht te verschijnen, ten einde desgewenst hun standpunt toe te lichten.
2.
Het Gerecht bepaalt plaats en tijdstip van de zitting.
1.
Voor aanvang van de openbare behandeling van een beroepschrift door het Gerecht kan de zittende rechter of, indien het een beroepschrift betreft als bedoeld in artikel 8, elk der zittende leden, door partijen worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden die het vormen van een onpartijdig oordeel zouden belemmeren.
2.
Een rechter wiens wraking is verzocht, kan in de wraking berusten.
3.
Omtrent de wraking beslist het Hof.
4.
Indien een rechter berust in de wraking of de wraking wordt toegestaan, wijst de President van het Hof een andere rechter aan.
Artikel 35
De behandeling van een beroepschrift in een openbare zitting kan met toestemming van alle partijen achterwege blijven.
Artikel 36
Een gemachtigde niet zijnde advocaat, moet voorzien zijn van een schriftelijke machtiging, tenzij de gemachtigde verschijnt in gezelschap van de betrokken partij.
1.
Het Gerecht kan een partij schriftelijk doen oproepen om in een openbare zitting persoonlijk te verschijnen tot het geven van inlichtingen.
2.
Geldt de oproeping een privaatrechtelijke rechtspersoon of een overheidsinstantie, dan verschijnt een der bestuursleden onderscheidenlijk een der bestuurders, tenzij de oproeping een of meer bepaalde bestuursleden onderscheidenlijk een of meer bepaalde bestuurders aanwijst.
1.
Het Gerecht is bevoegd, hetzij ambtshalve hetzij op verzoek van partijen of hun gemachtigden, getuigen, deskundigen en tolken schriftelijk te doen oproepen.
2.
Namen en woonplaatsen van de getuigen, deskundigen en tolken worden bij de oproeping, bedoeld in het eerste lid, aan alle partijen en hun gemachtigden zoveel mogelijk meegedeeld.
3.
Partijen of hun gemachtigden kunnen getuigen en deskundigen, wier verhoor zij wenselijk achten, meebrengen of bij deurwaardersexploot oproepen, mits daarvan tijdig aan het Gerecht is kennis gegeven, onder opgave van hun namen en woonplaatsen. Van een en ander wordt door de Griffier aan de andere partijen en hun gemachtigden mededeling gedaan.
4.
Zij die ingevolge dit artikel als getuige, deskundige of tolk zijn opgeroepen, zijn verplicht aan die oproeping gevolg te geven.
Artikel 39
Het Gerecht kan bevelen dat getuigen, deskundigen en tolken die, hoewel wettelijk opgeroepen, niet zijn verschenen, en partijen die aan een oproeping, bedoeld in artikel 37, geen gevolg hebben gegeven, door de sterke arm voor hem worden gebracht om aan hun verplichting te voldoen.
1.
Getuigen, deskundigen en tolken, op last van het Gerecht opgeroepen, kunnen op hun verzoek een vergoeding ten laste van de Staat ontvangen. Het Besluit tarieven in burgerlijke zaken BES is van overeenkomstige toepassing.
2.
Personen aangesteld in openbare dienst, ontvangen geen vergoeding indien zij in verband met hun taak zijn opgeroepen.
3.
Getuigen en deskundigen door partijen meegebracht of opgeroepen, ontvangen van dezen een vergoeding, indien zij daarom verzoeken. Het Besluit tarieven in burgerlijke zaken BES is van overeenkomstige toepassing.
4.
Het Gerecht begroot de ingevolge dit artikel verschuldigde vergoeding. De begroting is op de minuut uitvoerbaar overeenkomstig het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES.
Artikel 41
Het Gerecht zorgt tijdens de zitting voor de handhaving van de orde en is bevoegd wanneer de orde op enige wijze door een aanwezige wordt verstoord, degene die dit doet of alle aanwezigen te doen vertrekken.
Artikel 42
Om gewichtige, in het proces-verbaal van de zitting te vermelden, redenen kan het Gerecht besluiten dat de behandeling van het beroepschrift geheel of gedeeltelijk zal plaatsvinden in een zitting met gesloten deuren.
1.
Ter zitting verschenen partijen of hun gemachtigden worden in de gelegenheid gesteld het woord te voeren.
2.
Het Gerecht is bevoegd aan partijen en hun gemachtigden vragen te stellen.
1.
De getuigen zijn verplicht getuigenis af te leggen, de deskundigen en tolken hun diensten als zodanig te verlenen, een en ander behoudens geldige redenen van verschoning of overeenkomstig het Wetboek van Strafvordering BES.
2.
Het Gerecht kan bevelen dat getuigen niet worden gehoord en tolken niet tot de uitoefening van hun taak worden toegelaten dan na het afleggen van een eed of belofte. Zij leggen in dat geval de eed of belofte af in handen van het Gerecht.
3.
De formule van de eed of belofte luidt voor de getuigen: dat zij zullen zeggen de gehele waarheid en niets dan de waarheid; voor de tolken: dat zij hun plichten als tolk met nauwgezetheid zullen vervullen.
4.
Het Gerecht ondervraagt de getuigen en deskundigen. Partijen of hun gemachtigden kunnen met toestemming van het Gerecht en door zijn tussenkomst aan getuigen en deskundigen vragen stellen.
5.
Getuigen en deskundigen, overeenkomstig artikel 38 ter zitting meegebracht of opgeroepen, kunnen ook bij verzuim van de daar vermelde kennisgeving worden gehoord, tenzij de andere partijen of hun gemachtigden daartegen bezwaar maken.
5.
De volgorde waarin de getuigen en deskundigen worden gehoord, alsmede de met het oog op hun onbevangenheid ter zitting te nemen maatregelen worden door het Gerecht bepaald.
6.
Getuigen, deskundigen en tolken mogen zich niet verwijderen dan nadat het Gerecht hun daartoe verlof heeft gegeven.
Artikel 45
Na afloop van het verhoor worden partijen of hun gemachtigden in de gelegenheid gesteld, naar aanleiding van hetgeen door de getuigen en deskundigen is verklaard, het woord te voeren.
1.
De griffier maakt proces-verbaal op van de zitting.
2.
Het proces-verbaal vermeldt het volgnummer van het beroepschrift, de datum van de zitting, de naam van de rechter of rechters, de naam van de griffier, de namen van de partijen en hun gemachtigden die ter zitting zijn verschenen, alsmede de namen van de ter zitting verschenen getuigen, deskundigen en tolken.
3.
Het proces-verbaal houdt verder een korte vermelding in van hetgeen ter zitting met betrekking tot het beroepschrift voorvalt.
4.
Het proces-verbaal wordt door de rechter of de voorzitter van de meervoudige kamer en de griffier ondertekend. Bij verhindering van één van hen wordt de reden daarvan in het proces-verbaal vermeld.
5.
Het Gerecht kan, ambtshalve of op verzoek van een partij bepalen dat de verklaring van een partij, getuige of deskundige geheel in het proces-verbaal van de zitting zal worden opgenomen. In dat geval wordt de verklaring terstond op schrift gesteld, aan die partij, getuige of deskundige voorgelezen en door deze met het Gerecht en de griffier medeondertekend. Heeft geen ondertekening plaats, dan wordt de reden daarvan in het proces-verbaal vermeld.
6.
De rechter kan bepalen dat geen griffier aanwezig zal zijn ter zitting. In dat geval wordt het proces-verbaal door hem opgemaakt en slechts door hem ondertekend.
1.
Het Gerecht beraadslaagt en beslist in raadkamer en grondt de uitspraak uitsluitend op hetgeen ter zitting te berde is gebracht en op de stukken, bedoeld in § 6 van dit hoofdstuk.
2.
Het Gerecht vult ambtshalve de rechtsgronden aan. Het Gerecht kan ambtshalve de feiten aanvullen.
1.
Blijkt tijdens de behandeling in raadkamer dat het onderzoek niet volledig is geweest, dan kan de behandeling van het beroepschrift worden hervat. Van een hervatting wordt terstond door de griffier schriftelijk mededeling gedaan aan alle partijen.
2.
§ 5 van dit hoofdstuk is van overeenkomstige toepassing op de voortgezette behandeling van het beroepschrift.
3.
Indien nieuwe schrifturen of bewijsstukken aan het procesdossier worden toegevoegd, wordt opnieuw toepassing gegeven aan § 6 van dit hoofdstuk.
4.
Alvorens opnieuw in raadkamer te beraadslagen en te beslissen, vindt wederom een openbare behandeling plaats met inachtneming van § 7 van dit hoofdstuk.
1.
Het Gerecht doet, behoudens artikel 52, schriftelijk uitspraak. De uitspraak bevat de gronden waarop zij berust.
2.
De uitspraak vermeldt wanneer en door welke rechter of rechters zij is vastgesteld.
3.
De uitspraak wordt door de rechter of de voorzitter van de meervoudige kamer en de griffier ondertekend. Bij verhindering van één van hen wordt de reden daarvan in de uitspraak vermeld.
1.
De uitspraak van het Gerecht strekt tot:
a. onbevoegdverklaring van het Gerecht;
b. niet-ontvankelijkverklaring van het beroep;
c. ongegrondverklaring van het beroep; of
d. gegrondverklaring van het beroep.
2.
Voor zover uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter kan worden ingesteld, wordt dat in de uitspraak vermeld. De burgerlijke rechter is aan die uitspraak gebonden.
3.
Indien het Gerecht het beroep gegrond verklaart, vernietigt het de beschikking geheel of gedeeltelijk. Vernietiging van de beschikking of een deel daarvan brengt vernietiging van de rechtsgevolgen van die beschikking of het vernietigde deel daarvan mee. Het Gerecht kan bepalen dat de rechtsgevolgen van de vernietigde beschikking of het vernietigde deel daarvan geheel of gedeeltelijk in stand blijven.
4.
Indien het Gerecht het beroep gegrond verklaart, kan het bestuursorgaan opdragen een nieuwe beschikking te nemen of een andere handeling te verrichten met inachtneming van de uitspraak, dan wel kan het bepalen dat de uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde beschikking of het vernietigde deel daarvan. Het Gerecht kan een termijn stellen voor het nemen van een nieuwe beschikking of het verrichten van een andere handeling.
5.
Indien het Gerecht het beroep gegrond verklaart, kan het, indien daarvoor gronden zijn, bepalen dat een vergoeding wordt toegekend ten laste van het bij de uitspraak aangewezen over lichaam. Wordt de vergoeding toegekend op verzoek van de partij zelf, dan wordt deze geacht daarmee afstand te hebben gedaan van het recht om op grond van andere wettelijke voorschriften schadevergoeding te vragen.
6.
Indien het Gerecht de omvang van de schadevergoeding bij de uitspraak niet of niet volledig kan vaststellen, bepaalt het in de uitspraak, dat ter voorbereiding van een nadere uitspraak het onderzoek daarover wordt heropend en bepaalt het daarbij hoe het onderzoek wordt voortgezet.
7.
Het Gerecht kan bepalen dat een voorlopige voorziening op een later tijdstip dan het tijdstip waarop het uitspraak heeft gedaan, vervalt.
8.
Het Gerecht kan bepalen dat indien en zolang het bestuursorgaan niet voldoet aan de uitspraak, het door het Gerecht aangewezen overheidslichaam aan een door het Gerecht aangewezen partij een bij de uitspraak vast te stellen dwangsom verbeurt. Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES is van overeenkomstige toepassing.
9.
Het Gerecht is bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep en in voorkomend geval het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. Artikel 58, tweede lid, eerste volzin, derde en vierde lid, is van toepassing. Een natuurlijke persoon kan slechts in de kosten worden veroordeeld, in geval van een kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de kosten waarop de veroordeling, bedoeld in de eerste volzin, uitsluitend betrekking kan hebben, en omtrent de wijze waarop in de uitspraak het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.
10.
In geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de betreffende partij is tegemoet gekomen, kan het betrokken overheidslichaam op verzoek van die partij bij afzonderlijke uitspraak in de kosten, bedoeld in het negende lid, worden veroordeeld. Het verzoek wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep. Indien aan dit vereiste niet is voldaan, wordt de verzoeker niet-ontvankelijk verklaard.
11.
Het Gerecht stelt de partij, bedoeld in het tiende lid, zo nodig in de gelegenheid het verzoek schriftelijk toe te lichten en stelt het bestuursorgaan in de gelegenheid een verweerschrift in te dienen. Het stelt hiervoor termijnen. Indien het verzoek mondeling wordt gedaan, kan het Gerecht bepalen, dat het toelichten en het voeren van verweer onmiddellijk mondeling geschieden. Indien het toelichten en het voeren van verweer mondeling zijn geschied, sluit het Gerecht het onderzoek. In de overige gevallen zijn de hoofdstukken 3, § 7, en 6, § 1, van overeenkomstige toepassing.
12.
Voor zover de uitspraak verplicht tot betaling van een geldbedrag, kan zij worden ten uitvoer gelegd overeenkomstig het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES. In geval van een vergoeding van de kosten ten behoeve van een partij aan wie een toevoeging is verleend krachtens de Wet kosteloze rechtskundige bijstand BES wordt het bedrag van de kosten betaald aan de griffier.
1.
De uitspraak van het Gerecht wordt zo spoedig mogelijk openbaar gemaakt door mededeling daarvan in een openbare zitting van het Gerecht. Het Gerecht kan bepalen dat de mededeling plaatsvindt in een ander eilandgebied dan waar de behandeling heeft plaats gevonden.
2.
Van de uitspraak van het Gerecht zendt de griffier onverwijld na de openbaarmaking daarvan kosteloos een door hem getekend afschrift aan partijen.
1.
Het Gerecht kan aan het slot van de zitting mondeling uitspraak doen, indien de behandeling van het beroepschrift zich daartoe leent. De uitspraak kan met het oog daarop voor ten hoogste veertien dagen worden verdaagd onder aanzegging aan de op de zitting verschenen partijen van dag en uur van de uitspraak. De mondelinge uitspraak bestaat uit een opgave van de beslissing van het Gerecht en van de daarvoor gebezigde gronden.
2.
Van de mondelinge uitspraak wordt proces-verbaal opgemaakt. Het proces-verbaal wordt door de rechter of, wanneer toepassing is gegeven aan artikel 11, tweede lid, door de voorzitter van de meervoudige kamer en de griffier ondertekend. Artikel 46, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3.
Met betrekking tot het proces-verbaal, bedoeld in het tweede lid, is artikel 51, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 53
De griffier is bevoegd afschriften en uittreksels van uitspraken van het Gerecht te verstrekken. Aan de verzoeker worden in rekening gebracht de kosten ten behoeve van het maken van deze afschriften en uitreksels.