Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Voorschrift inzake de heffing van omzetbelasting bij de in- en uitvoer van goederen
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
1.1. Inleiding
1.2. Algemene opmerkingen
1.2.1. Begripsbepalingen
1.2.2. Invoer van goederen
1.2.3. Uitvoer van goederen
1.3. Invoer van goederen
1.3.1. Begrip invoer
1.3.2. Verbinding met de douaneregelingen bij invoer
1.3.3. Douaneregelingen
1.3.4. Intern communautair douanevervoer
1.3.5. Tarieven
1.3.6. Maatstaf van heffing
1.3.7. Douanewaarde
1.3.8. Inruil (vervallen)
1.3.9. Omzetbelasting en andere belastingen en heffingen
1.3.10. Vervoerskosten
1.3.11. Aanbrengingskosten
1.4. Wijze van heffing
1.4.1. Twee heffingswijzen
1.4.2. Aansluiting bij de heffing van invoerrechten
1.4.3. Verlegging van de heffing naar het binnenland
1.4.4. Aanwijzing voor toepassing van de regeling
1.5. Vrijstellingen
1.5.1. Vrijstellingen van de Regeling vrijstellingen belastingen bij invoer; vrijstelling in verband met intracommunautaire transacties
1.5.2. In het binnenland vrijgestelde leveringen van goederen
1.5.3. Actieve veredeling
1.5.4. Toepassing van vrijstellingen bij verlegging van de heffing
1.6. Teruggaven
1.6.1. Teruggaven ingevolge de Beschikking Teruggaaf Heffingen bij Invoer 1980
1.6.2 . Geweigerde en niet-wederuitgevoerde goederen
1.8. Slotbepalingen
1.10. Eerste deel – De beginselen, enz.
1.11. Tweede deel – De grondslagen van de Gemeenschap
1.11.1. Titel I – Het vrije verkeer van goederen
1.11.1.1. Artikel 9
1.11.1.2. Artikel 10
1.11.1.3. Artikel 11, enz.
1.12. Bijlage II. Het binnenland van de gemeenschap
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Let op. Deze wet is vervallen op 24 november 2007. U leest nu de tekst die gold op 23 november 2007.

Voorschrift inzake de heffing van omzetbelasting bij de in- en uitvoer van goederen

Opschrift [Vervallen per 10-05-1995] Aanhef [Vervallen per 10-05-1995]
1.1. Inleiding
Bij de parlementaire behandeling van het voorstel van wet tot invoering van de Wet op de omzetbelasting 1968 zijn nadere aanwijzingen gegeven omtrent de uitleg van de bepalingen van die wet met betrekking tot de heffing van omzetbelasting bij de invoer van goederen in en de uitvoer van goederen uit Nederland. Deze aanwijzingen zijn bekend gemaakt bij de aanschrijving van 3 december 1968, nr. D 68/8054 (OB/BTW-20), waarbij de Toelichting Invoer en Uitvoer is opgenomen als Bijlage E bij de aanschrijving van 29 oktober 1968, nr. 120 (OB/BTW-14). Voorts is nadien een aantal aanschrijvingen verschenen inzake de heffing van omzetbelasting bij de invoer en de uitvoer van goederen.
In verband met de wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 met het oog op de opheffing van de fiscale grenzen binnen de Gemeenschap met ingang van 1 januari 1993, is de heffing van omzetbelasting bij de invoer en de uitvoer van goederen beperkt tot de invoer in en de uitvoer uit de Gemeenschap en hebben ook het begrip invoer en de maatstaf van heffing bij invoer wijzigingen ondergaan.
De wijzigingen in de omzetbelastingwetgeving ten aanzien van de invoer en de uitvoer van goederen hebben mij aanleiding gegeven de hiervoor bedoelde Toelichting Invoer en Uitvoer alsmede de overige hierna in hoofdstuk 9 genoemde aanschrijvingen opnieuw te bezien en deze te vervangen door een nieuw voorschrift inzake de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake de invoer en de uitvoer van goederen en dit voorschrift te uwer kennis te brengen.
Waar in dit voorschrift de letterlijke tekst van wettelijke bepalingen wordt weergegeven, is deze tekst cursief gedrukt.
1.2.1. Begripsbepalingen
Dit voorschrift verstaat onder:
Zesde richtlijn: de Zesde richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake de omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde; uniforme grondslag ( Richtlijn 77/388/EEG);
Wet: Wet op de omzetbelasting 1968;
Uitvoeringsbesluit: Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968;
Uitvoeringsbeschikking: Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968;
Regeling 1992: Ministeriële regeling ter uitvoering van de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 december 1992 tot wijziging van Richtlijn 77/388/EEG (BTW), regeling van 24 december 1992, nr. WV 92/696 (Stcrt. 252) (zie onderdeel 3.50.00);
Regeling 1993: Ministeriële regeling tot wijziging van de heffing van omzetbelasting, regeling van 22 december 1993, nr. WV 93/492 (Stcrt. 251) (zie onderdeel 3.51.00);
Regeling vrijstellingen belastingen bij invoer: Ministeriële regeling van 2 juli 1985, nr. 085-1733 (Stcrt. 1985, 134) (Boekwerk Heffingen bij Invoer, Deel I, onderdeel 3.00.00);
Leidraad vrijstellingen belastingen bij invoer: Beschikking van 29 oktober 1985, nr. 285-14589 (Boekwerk Heffingen bij Invoer, Deel I, onderdeel 3.10.00);
Voorschrift douanewaarde: Beschikking van 11 juni 1980, nr. 080-1231 (Boekwerk Heffingen bij Invoer, Deel V, onderdeel 10.00.00);
Voorschrift Tabel II: Beschikking van 28 maart 1993, nr. VB 93/575 (onderdeel 11.00.00);
Voorschrift teruggaaf: Beschikking van 25 juni 1980, nr. 280-8624, (Boekwerk Heffingen bij Invoer, Deel I, onderdeel 8.00.10);
inspecteur: de inzake omzetbelasting bevoegde inspecteur (tenzij anders is aangegeven);
belasting: omzetbelasting;
accijnsgoederen: bier, wijn, tussenprodukten, overige alcoholhoudende produkten, minerale oliën en de tabaksprodukten als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de accijns;
gecombineerde nomenclatuur: de goederennomenclatuur als bedoeld in artikel 1 van de Verordening (EEG) 2658/87 van 23 juli 1987 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief;
Lid-Staat: een Lid-Staat van de Europese Economische Gemeenschap;
Gemeenschap: het binnenland van de Lid-Staten van de Europese Economische Gemeenschap zoals dat is omschreven in artikel 3, leden 2 en 3, van de Zesde richtlijn; het Vorstendom Monaco wordt behandeld als gebied van de Franse Republiek, het eiland Man als gebied van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland;
derde-land: elk ander grondgebied dan dat van de Gemeenschap;
entrepot: een entrepot als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel p, van de Wet inzake de douane (Stb. 1992, 54) (Boekwerk Douane en Accijnzen Algemeen, deel I, onderdeel 1.00.00).
1.2.2. Invoer van goederen
Teneinde ingevoerde goederen aan dezelfde BTW-druk te onderwerpen als in het binnenland voortgebrachte of geleverde goederen voorziet de Wet in een heffing van omzetbelasting bij invoer van goederen. Het BTW-stelsel maakt het mogelijk om de belasting bij invoer nauwkeurig af te stemmen op de binnenlandse belastingdruk. Behalve het heffingspercentage is in beginsel ook de maatstaf van heffing bij invoer en bij binnenlandse levering gelijk. Voorts komt de ter zake van invoer betaalde belasting op dezelfde voet voor aftrek in aanmerking als de wegens binnenlandse leveringen van goederen aan de ondernemer in rekening gebrachte belasting.
Artikel 23 van de Wet opent de mogelijkheid dat de ondernemer voor wie de goederen zijn bestemd de belasting die ter zake van invoer verschuldigd is, voldoet bij de periodieke aangifte in het kader van de belastingheffing van binnenlandse leveringen en diensten.
1.2.3. Uitvoer van goederen
In het BTW-stelsel geeft het feit van de uitvoer van goederen in beginsel geen aanleiding tot het treffen van bijzondere maatregelen ter ontheffing van de belasting. Zulks is niet nodig, omdat de goederen ten gevolge van de aftrek van voorbelasting vrij van omzetbelasting bij de ondernemers in voorraad liggen en voor de levering van goederen ten uitvoer het nultarief geldt. Voor lichamen die geen aanspraak op vooraftrek hebben, is met betrekking tot door hen in ongebruikte staat uitgevoerde of in entrepot opgeslagen goederen nog wel teruggaaf mogelijk. Aan particulieren wordt ter zake van de uitvoer van goederen geen teruggaaf verleend, al is het wel mogelijk om aan ondernemers die aan particulieren goederen leveren die deze in ongebruikte staat uitvoeren, ten behoeve van de levering aan die personen ontheffing van de belasting te verlenen.
1.3.1. Begrip invoer
Het in artikel 1, onderdeel d, van de Wet opgenomen belastbaar feit invoer van goederen wordt in artikel 18, eerste lid, van de Wet nader gedefinieerd. De tekst van deze wetsbepaling luidt:
‘Invoer van goederen is:
a. het brengen in Nederland van goederen die niet voldoen aan de voorwaarden van de artikelen 9 en 10 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, dan wel van goederen die zich niet overeenkomstig het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal in het vrije verkeer bevinden;
b. het brengen in Nederland van goederen uit de in artikel 7, lid 1, onder b, van de Zesde richtlijn bedoelde gebieden;
c. het in Nederland beëindigen van, dan wel het in Nederland onttrekken van goederen aan een douaneregeling;
d. de bevoorrading in Nederland van vervoermiddelen met goederen welke niet in het vrije verkeer zijn.’
Met de eerste twee onderdelen van vorenstaande omschrijving volgt de Wet artikel 7, lid 1, van de Zesde richtlijn, zij het dat de daarin voorkomende uitdrukking ‘binnenkomen in de Gemeenschap’ is vervangen door ‘brengen in Nederland’.
Met betrekking tot onderdeel b is bij artikel 7 van de Regeling 1992 nader bepaald, dat in afwijking van artikel 18, eerste lid, onderdeel b, van de Wet invoer is het brengen in Nederland vanuit een derde-land van andere dan in artikel 18, eerste lid, onderdeel a, van de Wet bedoelde goederen. In artikel 8 van de Regeling 1992 is voorts bepaald, dat in afwijking van de bepaling van artikel 21, onderdeel b, van de Wet vrijstelling van belasting wordt verleend voor de invoer van goederen waarvan het brengen in Nederland vanuit een derde-land bij artikel 7 van de Regeling 1992 als invoer wordt aangemerkt, indien daarvoor aanspraak op vrijstelling zou bestaan indien zij in de zin van artikel 18, eerste lid, onderdeel a, van de Wet zouden zijn ingevoerd. Beide genoemde bepalingen strekken er toe de definitie van het begrip invoer in de Wet aan te passen aan het feit dat de territoriale reikwijdte van het fiscale grondgebied van de Gemeenschap niet volledig overeenstemt met die van het douanegebied van de Gemeenschap. In bijlage 2 bij dit voorschrift is onder meer vermeld welke gebieden wel deel uitmaken van het douanegebied van de Gemeenschap, maar geen deel uitmaken van het binnenland van de Gemeenschap voor de heffing van de omzetbelasting. Artikel 19 van de Regeling 1992 geeft aan welke douanevoorschriften bij de invoer voor de omzetbelasting voor deze goederen zijn aan te houden.
1.3.2. Verbinding met de douaneregelingen bij invoer
Door de bepaling van artikel 18, eerste lid, onderdeel c, van de Wet wordt een verbinding gelegd met de douaneregelingen bij invoer. In genoemd onderdeel c is bepaald, dat ook als invoer dient te worden aangemerkt het beëindigen van dan wel het onttrekken van goederen aan een douaneregeling. Daardoor houdt de in de Wet neergelegde regeling in feite in, dat het belastbaar feit ‘invoer’ als zodanig direct gebonden is aan de douaneprocedures waaraan in Nederland binnenkomende uit derde-landen afkomstige goederen zijn onderworpen, waarbij het belastbaar feit zich in die gevallen eerst voordoet wanneer die procedures worden beëindigd of de goederen aan die procedures worden onttrokken.
1.3.3. Douaneregelingen
Artikel 18, tweede lid, van de Wet bepaalt wat onder ‘douaneregeling’ dient te worden verstaan. Het betreft:
inslag van goederen in een entrepot als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inzake de douane;
doorvoer van goederen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdelen c, van de Wet inzake de douane;
plaatsing van goederen onder de regeling behandeling onder douanetoezicht als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel d, van de Wet inzake de douane;
tijdelijke opslag van goederen;
inslag van goederen in vrij entrepot;
inslag van goederen een vrije zone.
Vervolgens bepaalt artikel 18, derde lid, van de Wet dat het binnenbrengen van goederen onder geleide van een document voor douanevervoer of de binnenkomst van goederen die onder een douaneregeling bedoeld in het tweede lid worden geplaatst, niet als invoer wordt aangemerkt. Ook wordt ingevolge die bepaling als invoer niet aangemerkt het beëindigen van een douaneregeling indien de goederen daarna wederom onder een douaneregeling worden geplaatst.
Anders dan in de Zesde richtlijn ontbreken bij de genoemde douaneregelingen het plaatsen van goederen onder het stelsel van actieve veredeling en de tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van invoerrechten. Dit houdt verband met de omstandigheid dat in de Wet het belastbaar feit ‘invoer’ zelf rechtstreeks is verbonden aan de beëindiging van of onttrekking van de goederen aan de in de Wet genoemde douaneregelingen. Voor de toepasselijkheid van de genoemde vrijstellingsregelingen diende daarom bedoeld belastbaar feit bij het binnenkomen van de goederen gehandhaafd te blijven. Ook is niet genoemd de toelating tot de territoriale zee; aangezien Nederland bedoelde regeling als zodanig niet kent, bestond er geen behoefte deze als douaneregeling aan te wijzen.
1.3.4. Intern communautair douanevervoer
Een bijzonder geval is gelegen in de bepaling van artikel 18, vierde lid, van de Wet waarin niet tot invoer wordt gerekend de beëindiging van of onttrekking van goederen aan de douaneregeling intern communautair douanevervoer, indien het vervoer aanvangt en eindigt in de Gemeenschap. Normaliter is douanevervoer van goederen die zich in het vrije verkeer bevinden binnen de gemeenschappelijke markt niet meer mogelijk. Het gaat hier dan ook om enkele bijzondere gevallen, zoals het vervoer van goederen van een plaats in de Gemeenschap naar een andere plaats in de Gemeenschap via het grondgebied van een of meer EVA-landen en in overgangssituaties rond de toetreding van Spanje en Portugal tot de Gemeenschap. Waar het in deze gevallen voor de omzetbelasting gaat om de interne verplaatsing binnen de Gemeenschap van de desbetreffende goederen, behoeven voor die belasting geen in- en uitvoerprocedures te worden gevolgd, maar dient daarbij de gebruikelijke communautaire omzetbelastingregeling toepassing te vinden.
1.3.5. Tarieven
De tarieven bij invoer van goederen zijn in beginsel gelijk aan die welke gelden voor de binnenlandse levering van die goederen.
Voor zeeschepen, andere dan pleziervaartuigen, en voor luchtvaartuigen welke hoofdzakelijk als openbaar vervoermiddel in het internationale verkeer zullen worden gebezigd (zie post a 3 van Tabel II), geldt zowel bij levering als bij invoer het nultarief. Artikel 12, eerste en tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit geeft voorschriften omtrent het aantonen van de aanspraak op toepassing van dat tarief.
1.3.6. Maatstaf van heffing
De maatstaf van heffing is de douanewaarde van de ingevoerde goederen. Het bedrag van de douanewaarde wordt vastgesteld overeenkomstig de ter zake geldende communautaire bepalingen, neergelegd in Titel II, Hoofdstuk III, van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het Communautair Douanewetboek, hierna Communautair Douanewetboek (Boekwerk Douanewetgeving Algemeen, onderdeel 1.00.00), en Deel I, Titel V, van Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van het Communautair Douanewetboek, hierna Toepassingsverordening Communautair Douanewetboek (Boekwerk Douanewetgeving Algemeen, onderdeel 2.00.00).
De in voorgaande verordeningen geregelde douanewaarde berust op hetgeen ter zake is overeengekomen in de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de algemene overeenkomst betreffende tarieven en handel (GATT) van 1979, welke overeenkomst is goedgekeurd bij Besluit van de Raad van de EG van 10 december 1979, nr. 80/271/EEG (Pb. EG van 16 maart 1980, nr. L 71).
Ter zake zij verder verwezen naar het Voorschrift douanewaarde.
1.3.7. Douanewaarde
In gevallen waarin de in te voeren goederen worden geleverd en de in rekening te brengen vergoeding de enige tegenprestatie voor de levering vormt, wordt in het algemeen de belasting berekend over de vergoeding die ter zake van de levering van de ingevoerde goederen in rekening wordt gebracht. In het Communautair Douanewetboek, i.c. artikel 29, en het Voorschrift douanewaarde wordt deze vergoeding aangeduid als transactiewaarde, dat wil zeggen de voor de ingevoerde goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs, indien zij worden verkocht voor uitvoer naar douanegebied van de Gemeenschap. Verder worden in het Communautair Douanewetboek en de Toepassingsverordening Communautair Douanewetboek regelingen gegeven met betrekking tot de voorwaarden waaronder een werkelijk betaalde of te betalen prijs als transactiewaarde kan worden aangemerkt en met welke elementen de prijs van de goederen in voorkomende gevallen dient te worden verhoogd.
Indien de goederen niet worden geleverd, ontbreekt de vergoeding welke kan dienen als grondslag voor de vaststelling van de douanewaarde. Doch ook indien de goederen wel worden geleverd, kan het geval zich voordoen dat de prijs van de goederen niet aan de eisen voldoet om te kunnen dienen als maatstaf van heffing bij invoer. De maatstaf van heffing is in deze gevallen te bepalen op de voet van de artikelen 30 en 31 van het Communautair Douanewetboek.
1.3.9. Omzetbelasting en andere belastingen en heffingen
Overeenkomstig hetgeen voor de maatstaf van heffing geldt ten aanzien van leveringen en diensten, maakt blijkens artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de Wet bij invoer de omzetbelasting zelf geen deel uit van de douanewaarde. Daartoe behoren ingevolge genoemde wetsbepaling daarentegen wel de andere belastingen en heffingen. Daaronder zijn met name begrepen de landbouwheffingen, andere dan waarborgheffingen. Aangezien de Belasting van personenauto’s en motorrijwielen niet ter zake van de invoer wordt geheven, behoeft deze belasting niet in de douanewaarde te worden begrepen. Accijnzen behoeven alleen in de douanewaarde te worden begrepen indien deze bij de invoer zijn verschuldigd. Worden accijnsgoederen voor de heffing van omzetbelasting ingevoerd, doch is op de voet van de desbetreffende bepalingen uit de Wet op de accijns (Boekwerk Accijns, onderdeel 1.00.00) geen accijns verschuldigd omdat voor de heffing van de accijns het belastbare feit van invoer zich niet voordoet, dan kan ook geen accijns in de douanewaarde worden begrepen. Hetzelfde is het geval met de Bijzondere verbruiksbelasting op alcoholvrije dranken, pruimtabak en snuiftabak, indien deze goederen voor de heffing van omzetbelasting worden ingevoerd, doch dit belastbare feit, met inachtneming van de desbetreffende bepalingen uit de Wet op de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten (Boekwerk Accijns, onderdeel 71.00.00) zich voor die verbruiksbelasting niet voordoet.
1.3.10. Vervoerskosten
Blijkens artikel 19, tweede lid, onderdeel b, van de Wet dienen voorts de kosten van vervoer tot op de plaats van bestemming in Nederland in de douanewaarde te worden begrepen. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 11, B, lid 3, aanhef en sub b, van de Zesde richtlijn, moet er vanaf 1 januari 1993 met betrekking tot de vaststelling van de maatstaf van heffing bij invoer van worden uitgegaan dat de ‘plaats van bestemming’ de eerste plaats van bestemming in de Lid-Staat van invoer is. Voorts kunnen op grond van artikel 14, lid 1, onder i, van genoemde richtlijn slechts de diensten (waaronder het vervoer) welke betrekking hebben op de invoer van goederen en waarvan de waarde overeenkomstig eerdergenoemde richtlijnbepaling in de maatstaf van heffing bij invoer is opgenomen, aan het nultarief worden onderworpen. In verband hiermede is voor dit vervoer in post b 2 van Tabel II het nultarief voorzien. Onder plaats van bestemming is te verstaan de plaats waarheen degene voor wie de goederen zijn bestemd, blijkens de gegevens die op het moment van de invoer bekend zijn, de goederen wenst te zien overgebracht. In het merendeel van de gevallen zal dat de plaats zijn waar hij woont of is gevestigd. Het is echter niet uitgesloten dat degene voor wie de goederen zijn bestemd, deze goederen elders wenst te hebben bezorgd. In § 2 van de in het Voorschrift Tabel II gegeven toelichting op post b 2, is overigens goedgekeurd, dat bedoeld tarief toepassing kan vinden zowel op het vervoer naar de plaats van bestemming in Nederland als op het vervoer naar een plaats van bestemming in een andere Lid-Staat. Ook in het laatste geval worden de vervoerskosten tot die plaats van bestemming in de douanewaarde opgenomen.
Indien bij het doen van de invoeraangifte geen plaats van bestemming kan worden aangewezen, bijvoorbeeld omdat er nog geen definitieve plaats van bestemming bekend is, wordt ingevolge de hiervoor vermelde bepalingen van de richtlijn de plaats van bestemming geacht te zijn de plaats waar de eerste overlading in de Lid-Staat van invoer geschiedt. Ook in dit geval kan worden aangesloten bij de eerste plaats van overlading binnen de Gemeenschap, dus eventueel eveneens in een andere Lid-Staat dan de Lid-Staat van invoer.
Overigens kan in gevallen waarin geen definitieve plaats van bestemming bekend is, maar de bij de lossing van het binnenkomend vervoermiddel vaststaat dat de goederen na lossing naar een verdeelcentrum in Nederland of in een andere Lid-Staat zullen worden gebracht, dat verdeelcentrum als plaats van bestemming worden aangemerkt.
1.3.11. Aanbrengingskosten
Indien sprake is van levering van het ingevoerde goed in de zin van artikel 3, eerste lid, onderdeel f, van de Wet, vindt bedoelde levering ingevolge het bepaalde in artikel 5, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet in Nederland plaats. In verband hiermede behoeven de aanbrengingskosten van de desbetreffende goederen niet – zoals voorheen het geval was – in de douanewaarde te worden begrepen (vergelijk § 14 van het Voorschrift douanewaarde), ook al zouden die kosten deel uitmaken van de transactiewaarde.
1.4.1. Twee heffingswijzen
De ter zake van de invoer verschuldigde belasting kan op twee wijzen worden geheven. Het verschil daartussen heeft met name betrekking op de voldoening van de ter zake van de invoer verschuldigde belasting en de verantwoording, via een aangifte, van de hoogte van de daadwerkelijk verschuldigde belasting. Ongeacht op welke wijze de belasting moet worden voldaan, moeten de goederen in verband met de invoer bij de douane worden aangebracht en dient een aangifte ten invoer te worden gedaan.
1.4.2. Aansluiting bij de heffing van invoerrechten
Deze wijze van heffing is neergelegd in artikel 22, eerste lid, van de Wet. De tekst van deze bepaling luidt:
‘In afwijking in zoverre van artikel 1, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 1 van de Invorderingswet 1990 (Stb. 221) is ter zake van de belasting bij invoer de Wet inzake de douane, met uitzondering van de artikelen 109, 110 en 220b, van overeenkomstige toepassing. De bepalingen inzake de entrepots als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel p, van laatstgenoemde wet, zijn mede van overeenkomstige toepassing.’
De heffing van omzetbelasting bij invoer geschiedt op de in artikel 22, eerste lid, van de Wet bedoelde wijze die geldt voor het invoerrecht, tenzij de goederen die worden ingevoerd, zijn opgenomen in de bij artikel 17 van de Uitvoeringsbeschikking behorende bijlage A of zijn bedoeld in artikel 17a van die beschikking dan wel zijn bestemd voor de ondernemers die de op de voet van de artikelen 18 en 18a van de Uitvoeringsbeschikking zijn aangewezen. Indien de heffing van de belasting tot stand komt op de wijze die geldt voor het invoerrecht, moeten de goederen bij de douane worden aangebracht en dient ter zake van de invoer aangifte te worden gedaan. De op grond daarvan berekende en verschuldigde belasting dient vervolgens op de voet van hoofdstuk VII van de Wet inzake de douane te worden voldaan en wel door degene die ingevolge dat hoofdstuk daartoe gehouden is (zoals de aangever, de douane-expediteur, de opdrachtgever van de douane-expediteur, de vergunninghouder van het entrepot, de hoofdelijk mede-aansprakelijke personen). Voor particulieren is dit de enige methode van heffing.
In artikel 22, tweede en derde lid, van de Wet wordt de teruggaaf van bij invoer geheven omzetbelasting geregeld. Anders dan bij het invoerrecht speelt hierbij mede een rol, dat de bij invoer geheven omzetbelasting als voorbelasting op de voet van artikel 15 van de Wet voor aftrek in aanmerking kan komen.
Artikel 22, vierde lid, van de Wet bepaalt, dat voor zover krachtens de artikel 108 (bezwaar bij de inspecteur) en 109 (beroep op de Tariefcommissie) van de Wet inzake de douane met betrekking tot het invoerrecht rechtsmiddelen openstaan, hetgeen daarvoor onherroepelijk is komen vast te staan ook geldt voor de heffing van de omzetbelasting. Voor geschillen omtrent het bedrag van de ter zake van de invoer geheven omzetbelasting voorziet de Algemene wet inzake rijksbelastingen in de rechtsmiddelen van bezwaar en beroep en de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken in die van cassatie. De in het vierde lid van artikel 22 van de Wet opgenomen bepaling leidt er toe, dat de rechter voor de beoordeling van het geschil over de heffing van omzetbelasting als uitgangspunt neemt wat voor het invoerrecht is komen vast te staan hetzij naar aanleiding van het gebruik van de rechtsmiddelen voor het invoerrecht, hetzij doordat daarvan geen gebruik is gemaakt. Voorts dient te worden bedacht dat ook in aangelegenheden waarvan het heffingsbelang uitsluitend is gelegen in de omzetbelasting, bijvoorbeeld omdat geen invoerrecht verschuldigd is, en het geschil mede de grondslagen raakt waarvan de vaststelling geschiedt op basis van regels voor het invoerrecht, deze grondslagen voor de beoordeling van het geschil zonder meer als vaststaand worden aangenomen.
1.4.3. Verlegging van de heffing naar het binnenland
Deze wijze van heffing is neergelegd in artikel 23 van de Wet. De tekst van dit artikel luidt:
1. In afwijking van artikel 22 wordt de belasting ter zake van de invoer van goederen, bestemd voor aangewezen ondernemers en lichamen in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, andere dan ondernemers, geheven van die ondernemers en lichamen. Bij ministeriële regeling worden onder daarbij te stellen voorwaarden regels gesteld omtrent de aanwijzing. Daarbij kan worden bepaald dat op verzoek een aanwijzing kan geschieden door de inspecteur.
2. De belasting wordt verschuldigd op het tijdstip waarop de goederen worden ingevoerd.
3. De in een tijdvak verschuldigd geworden belasting moet op aangifte worden voldaan.’
Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de Wet kan de heffing worden verlegd naar de ondernemer voor wie, of het lichaam waarvoor de goederen bij de invoer zijn bestemd. Alvorens kan worden geconstateerd dat de ondernemer of het lichaam voor verlegging van de heffing in aanmerking komt, moeten de goederen bij de douane worden aangebracht. Is de verleggingsregeling van toepassing dan kan worden volstaan met de indiening van een summiere aangifte ten invoer, eventueel ook met een mondelinge aangifte. De verlegging betekent dan verder, dat de op grond van die aangifte verschuldigde belasting niet terstond behoeft te worden voldaan, maar dat deze kan worden voldaan op dezelfde wijze als de in het binnenland wegens leveringen en diensten verschuldigde belasting en moet worden verantwoord op de in verband daarmee periodiek in te dienen aangifte. Daarmee komt de vaststelling van de hoogte van de belasting en de voldoening ervan los te staan van de Wet inzake de douane en wordt zij een aangiftebelasting die door de regelen van de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt beheerst. De wegens invoer van goederen verschuldigde belasting dient op de periodiek in te dienen binnenlandse aangifte in de daarvoor aangewezen rubriek te worden opgenomen. Het wegens invoer verschuldigde bedrag moet bij deze methode dus door de ondernemer of het lichaam zelf worden berekend en op de aangifte worden ingevuld. Het bedrag aan wegens invoer van goederen verschuldigde belasting kan vervolgens door ondernemers, voor zover de wettelijke bepalingen dat toestaan, op de voet van artikel 15 van de Wet bij dezelfde aangifte weer als voorbelasting in aftrek worden gebracht.
De ondernemer of het lichaam voor wie de goederen zijn bestemd is de ondernemer of het lichaam die de goederen invoert of in wiens opdracht de invoer plaatsvindt. Opgemerkt zij, dat uiteraard per goed of zending goederen slechts één ondernemer of lichaam kan worden aangemerkt als degene voor wie de goederen zijn bestemd. De uitdrukking ‘in wiens opdracht de invoer plaatsvindt’ ziet in dit verband op de gevallen waarin aan een buitenlandse leverancier van goederen – die de goederen naar Nederland vervoert of doet vervoeren – of aan een vervoerder, een douane-expediteur of een dergelijke ondernemer door de afnemer van de goederen opdracht wordt gegeven een aangifte ten invoer te doen. Wordt een dergelijke opdracht gegeven, dan voert de douane-expediteur, enz. de goederen weliswaar in, maar degene voor wie de goederen zijn bestemd, is dan niet de ondernemer die feitelijk de invoer verzorgde, maar degene die daartoe opdracht gaf. In gevallen waarin goederen worden ingevoerd die meerdere malen achtereen zijn verhandeld, zal het van de feitelijke omstandigheden afhangen wie van de contracterende partijen bij de invoer moet worden aangemerkt als degene voor wie de goederen zijn bestemd. In feite kan immers in een dergelijk geval ieder van die partijen in beginsel de invoer verzorgen of daartoe opdracht geven. Hierbij is van belang, dat blijkens de bepalingen betreffende de plaats van levering (artikel 5, tweede lid, van de Wet), in samenhang met post a 1 van Tabel II en de bijzondere bepaling op die post, de ondernemer voor wie de goederen zijn bestemd, de eerste afnemer van de goederen is die, indien hij de goederen zou doorleveren, ter zake van die doorlevering geen aanspraak heeft op toepassing van het nultarief krachtens bedoelde post a 1 van Tabel II. Verwezen zij naar § 4 van de in het Voorschrift Tabel II gegeven toelichting op post a 1.
Blijkens de arresten van de Hoge Raad van 4 september 1991, nrs. 26.871 en 27.227 (BNB 1991/314 en 1992/2), heeft ook in gevallen van onregelmatige invoer, zoals niet-zuivering van douanedocumenten, vermis in entrepot, frauduleuze invoer en dergelijke, waarbij zowel artikel 22 als artikel 23 van de Wet voor toepassing in aanmerking komen, de regeling van artikel 23 voorrang, indien overigens aan de voor toepassing van die regeling geldende voorwaarden wordt voldaan. Het gaat er derhalve om of door de onregelmatigheden in de invoerprocedure vóór het tijdstip van de invoer, zoals dat belastbaar feit in artikel 18 van de Wet is verwoord, de eerder vaststaande bestemming is gewijzigd (bijvoorbeeld door diefstal of wederverkoop gedurende douanevervoer en -opslag) of dat die bestemming op dat tijdstip nog aanwezig moet worden geacht. In dit verband kan overigens worden opgemerkt dat genoemd belastbaar feit na deze arresten wijziging heeft ondergaan. Voor de behandeling door de douane van gevallen waarin ondanks onregelmatigheden de oorspronkelijke bestemming door de goederen werd gevolgd zij verwezen naar Mededeling 18, Boekwerk Douane en Accijnzen Algemeen, onderdeel 200.00.00.
De verlegging van de heffing van wegens invoer verschuldigde belasting staat geheel los van de heffing van invoerrecht of van de eventuele heffing van accijns en/of van eventuele landbouwheffingen.
1.4.4. Aanwijzing voor toepassing van de regeling
De verlegging van de heffing naar degene die de ingevoerde goederen betrekt, is mogelijk voor zover aanwijzing ter zake heeft plaatsgevonden. Met betrekking tot die aanwijzing en de regels die daarbij gelden kunnen de navolgende gevallen worden onderscheiden:
a. alle ondernemers of lichamen die bepaalde met name genoemde goederen of goederensoorten invoeren of voor wie deze goederen of goederensoorten bij invoer zijn bestemd (artikel 17 van de Uitvoeringsbeschikking);
b. alle ondernemers of lichamen voor wat betreft de voor hen bestemde, niet in het vrije verkeer zijnde goederen waarmee in Nederland een vervoermiddel wordt bevoorraad (artikel 17a van de Uitvoeringsbeschikking);
c. aangewezen ondernemers of lichamen voor alle goederen die ze invoeren of die bij invoer voor hen zijn bestemd, met uitzondering van personenauto's en motorrijwielen (artikel 18 van de Uitvoeringsbeschikking);
d. aangewezen ondernemers of lichamen voor door hen ingevoerde of bij invoer voor hen bestemde personenauto's en motorrijwielen (artikel 18a van de Uitvoeringsbeschikking).
Bij artikel 17 van de Uitvoeringsbeschikking zijn in de eerste plaats aangewezen alle ondernemers en lichamen, niet zijnde ondernemers, die bepaalde goederen invoeren of voor wie bepaalde goederen bij invoer zijn bestemd. Daartoe zijn ook te rekenen ondernemers die niet in Nederland wonen of gevestigd zijn noch alhier een vaste inrichting hebben. Deze goederen zijn met behulp van posten en omschrijvingen, ontleend aan de gecombineerde nomenclatuur, vermeld in bijlage A van de beschikking. De goederen die in deze bijlage zijn opgenomen, zijn in het algemeen goederen die niet voor particulier gebruik geschikt zijn, waarvoor geen grensformaliteiten uit anderen hoofde dan voor het invoerrecht bestaan en die gemakkelijk herkenbaar zijn. Bij invoer van deze goederen door of ten behoeve van ondernemers of lichamen, niet zijnde ondernemers, behoeft dan ook nooit omzetbelasting aan de grens te worden betaald, maar is de heffing daarvan zonder verdere aanwijzing, vergunning, enz. verlegd naar het binnenland.
In artikel 17a van de Uitvoeringsbeschikking is het bijzondere geval van de bevoorrading van vervoermiddelen met niet in het vrije verkeer zijnde goederen geregeld. Bij de aanpassing van de Nederlandse wetgeving aan de Zesde richtlijn per 1 januari 1979 werd deze vorm van bevoorrading in artikel 18 van de Wet onder het belastbaar feit van de invoer van goederen gebracht. Ter vereenvoudiging van de ter zake van bedoelde bevoorradingen te vervullen formaliteiten is toen eveneens in de onderwerpelijke verlegging van de heffing voorzien. Bij artikel 17a van de Uitvoeringsbeschikking zijn aangewezen alle ondernemers en lichamen, niet zijnde ondernemers, voor wie de bevoorradingsgoederen zijn bestemd. Daartoe zijn ook te rekenen ondernemers die niet in Nederland wonen of gevestigd zijn noch alhier een vaste inrichting hebben.
Artikel 18 van de Uitvoeringsbeschikking voorziet vervolgens in de mogelijkheid ondernemers of lichamen, niet zijnde ondernemers, die in Nederland wonen of zijn gevestigd, dan wel aldaar een vaste inrichting hebben, individueel voor de toepassing van de verleggingsregeling aan te wijzen. De bevoegdheid tot aanwijzing berust bij de inspecteur. De belangrijkste voorwaarden voor een aanwijzing als hier is bedoeld zijn, dat de belanghebbende geregeld goederen invoert en dat zijn bedrijfsadministratie naar het oordeel van de inspecteur aan bepaalde eisen voldoet. Artikel 18 van de Uitvoeringsbeschikking houdt met betrekking tot die bedrijfsadministratie in het vijfde lid, onderdeel a, bovendien nog het bijzondere voorschrift in dat van de invoer op de voet van artikel 31 van die beschikking afzonderlijk aantekening wordt gehouden. De inspecteur kan overigens met betrekking tot de te voeren bedrijfsadministratie geheel of gedeeltelijk ontheffing van de gestelde voorwaarden verlenen, alsmede deze aanvullen en/of wijzigen. Op die wijze heeft hij de ruimte om naar gelang van het geval passende controlemogelijkheden te scheppen. Welke maatregelen in concreto wenselijk zijn, zal in het algemeen kunnen blijken uit het door hem in te stellen onderzoek naar de geschiktheid van de bedrijfsadministratie. Hij dient daarbij in aanmerking te nemen, dat aan de hand van die administratie de nodige controle moet kunnen worden uitgeoefend. De aan de bedrijfsadministratie te stellen eisen kunnen daarom verschillen gelet op onder meer de aard van de ingevoerde goederen.
Het bepaalde in artikel 18 van de Uitvoeringsbeschikking kan ingevolge het tweede lid, onderdeel a, ook toepassing vinden voor een belanghebbende indien deze niet in Nederland woont of is gevestigd, dan wel alhier een vaste inrichting heeft, voor zover hij een fiscaal vertegenwoordiger heeft aangesteld (verwezen zij naar Mededeling 20, onderdeel 200.00.00).
De aanwijzing op verzoek ingevolge artikel 18 van de Uitvoeringsbeschikking geldt voor alle goederen, met uitzondering van personenauto's en motorrijwielen, die de belanghebbende invoert of die in zijn opdracht worden ingevoerd. De uitdrukking ‘in zijn opdracht worden ingevoerd’ ziet in dit verband op de gevallen waarin aan een buitenlandse leverancier van goederen – die de goederen naar Nederland vervoert of doet vervoeren – of aan een vervoerder, een douane-expediteur of een dergelijke ondernemer opdracht wordt gegeven een aangifte ten invoer te doen. Verwezen zij naar hetgeen hierover in § 3 wordt opgemerkt. Ontvangt een op de voet van artikel 23 van de Wet aangewezen ondernemer van zijn afnemer een verklaring blijkens welke de goederen door of in opdracht van deze afnemer, dan wel door of in opdracht van diens afnemer, worden ingevoerd, dan geldt de aanwijzing van eerstbedoelde ondernemer voor die goederen niet. Alsdan is voldaan aan artikel 19a Uitvoeringsbeschikking en heeft de belanghebbende bij doorlevering van de goederen aanspraak op toepassing van het nultarief van post a 1 van Tabel II. In het geval waarin een belanghebbende ten aanzien van goederen die hij van een binnenlandse leverancier betrekt, aan die leverancier een verklaring afgeeft, bedoeld in artikel 19a van de Uitvoeringsbeschikking, blijkens welke hij de goederen invoert dan wel ter zake opdracht tot invoer geeft, geldt de aanwijzing van deze belanghebbende mede voor die goederen. Bij eventuele doorlevering ervan kan deze belanghebbende geen aanspraak maken op toepassing van het nultarief.
Artikel 18a van de Uitvoeringsbeschikking regelt ten slotte op overeenkomstige wijze als artikel 18 de verlegging van de heffing bij de invoer van personenauto's en motorrijwielen in de zin van de artikelen 3 en 4 van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992.
Het bepaalde in artikel 18a van de Uitvoeringsbeschikking kan ingevolge het tweede lid, onderdeel a, ook toepassing vinden voor een belanghebbende indien deze niet in Nederland woont of is gevestigd, dan wel alhier een vaste inrichting heeft, voor zover hij een fiscaal vertegenwoordiger heeft aangesteld (verwezen zij naar Mededeling 20, onderdeel 200.00.00).
1.5.1. Vrijstellingen van de Regeling vrijstellingen belastingen bij invoer; vrijstelling in verband met intracommunautaire transacties
In artikel 21 van de Wet worden vier categorieën goederen vermeld waarvoor bij ministeriële regeling vrijstelling van belasting wordt verleend. Rekening houdend met hetgeen ter zake in artikel 8 van Regeling 1992 met betrekking tot onderdeel b is bepaald, is de tekst van deze wetsbepaling als volgt weer te geven:
‘Bij ministeriële regeling wordt, onder daarbij te stellen voorwaarden en beperkingen, vrijstelling van belasting verleend voor:
a. de invoer van goederen waarvoor aanspraak op vrijstelling van invoerrecht bestaat;
b. de invoer van goederen waarvoor aanspraak op vrijstelling van invoerrecht zou bestaan indien zij zouden zijn ingevoerd in de zin van artikel 18, eerste lid, onderdeel a;
c. de invoer van goederen waarvan de levering in het binnenland in elk geval is vrijgesteld;
d. de invoer van goederen die worden vervoerd naar een andere Lid-Staat wanneer degene die de goederen heeft ingevoerd deze levert met toepassing de bij deze levert met toepassing van de bij deze wet behorende tabel II, onderdeel a, post 6.’
De bestaande tekst van artikel 21, onderdeel b, van de Wet verwijst naar artikel 29 van de Zeventiende richtlijn die per 1 januari 1993 is vervallen. De daarin geregelde vrijstelling voor de invoer van goederen met het oog op de eventuele verkoop in de zin van die richtlijnbepaling was gebaseerd op artikel 14, lid 1, onder c, van de Zesde richtlijn, welke eveneens per 1 januari 1993 is vervallen. In artikel 8 van de Regeling 1992 is thans bepaald, dat in afwijking van de bepaling van artikel 21, onderdeel b, van de Wet vrijstelling van belasting wordt verleend voor de invoer van goederen waarvan het brengen in Nederland vanuit een derde-land bij artikel 7 van de Regeling 1992 als invoer wordt aangemerkt, indien daarvoor aanspraak op vrijstelling zou bestaan indien zij in de zin van artikel 18, eerste lid, onderdeel a, van de Wet zouden zijn ingevoerd. Zoals in § 1 van hoofdstuk 3 reeds is opgemerkt, strekken beide genoemde bepalingen er toe de definitie van het begrip invoer in de Wet aan te passen aan het feit dat de territoriale reikwijdte van het fiscale grondgebied van de Gemeenschap niet volledig overeenstemt met die van het douanegebied van de Gemeenschap (zie in dit verband ook bijlage 2).
Aan de in artikel 21, onderdelen a, b en c, van de Wet bedoelde vrijstellingen is uitvoering gegeven in de Regeling vrijstellingen belastingen bij invoer. Met betrekking tot deze vrijstellingen zij verwezen naar de Leidraad vrijstellingen belastingen bij invoer.
Aan de in artikel 21, onderdeel d, van de Wet bedoelde vrijstelling is uitvoering gegeven in artikel 16b van de Uitvoeringsbeschikking. Deze vrijstelling heeft betrekking op goederen die na de invoer in het kader van een intracommunautaire levering worden vervoerd naar een andere Lid-Staat en aldaar zijn onderworpen aan de heffing ter zake van de intracommunautaire verwerving van goederen. In genoemd artikel 16b, eerste lid, is bepaald dat ter zake een vergunning van de inspecteur is vereist en dat het bepaalde in artikel 2 van de Regeling vrijstelling belastingen bij invoer van overeenkomstige toepassing is. Dit brengt mee dat bij het doen van de aangifte ten invoer een ‘verzoek tot verkrijging van de vrijstellingsvergunning als bedoeld in artikel 21, onderdeel d, van de Wet op de omzetbelasting 1968’ dient te worden overgelegd dan wel dat dit verzoek op die aangifte dient te worden gesteld. Vanwege het bepaalde in artikel 16b, eerste lid, van de Uitvoeringsbeschikking jo. artikel 2 van de Regeling vrijstellingen belastingen bij invoer, brengt artikel 53 van de Wet inzake de douane mee, dat zekerheid dient te worden gesteld alvorens de invoerdocumenten worden afgegeven. De vrijstelling kan uiteraard ook bij wijze van teruggaaf worden verleend, in welk geval geen zekerheid behoeft te worden gesteld. Op de aangifte ten invoer dient verder het BTW-identificatienummer van de afnemer in de andere Lid-Staat te worden vermeld. Aangezien de vrijstelling betrekking heeft op goederen die na de invoer in het kader van een intracommunautaire levering worden vervoerd naar een andere Lid-Staat, dient ingevolge artikel 16b, tweede lid, van de Uitvoeringsbeschikking verder voor de toepassing van de vrijstelling te worden aangetoond dat ter zake van de levering naar de andere Lid-Staat is voldaan aan het bepaalde in de artikelen 14 (binnenlandse aangifte), 35 (facturering) en 37a (indiening opgaaf intracommunautaire leveringen) van de Wet, alsmede in artikel 12 van het Uitvoeringsbesluit (aantonen nultarief aan de hand van boeken en bescheiden). In verband met het laatste is de belanghebbende gehouden aan te tonen dat de goederen in de andere Lid-Staat bij de afnemer zijn onderworpen aan de heffing ter zake van de intracommunautaire verwerving van goederen en dat de goederen ook daadwerkelijk naar een andere Lid-Staat zijn vervoerd. Ook in de gevallen dat een fiscaal vertegenwoordiger ter zake van de invoer een beroep doet op deze vrijstelling, en daarmee geen gebruik maakt van de verlegging van artikel 23 van de Wet, gelden het vorenstaande onverkort, met inbegrip van het stellen van de genoemde zekerheid voor de desbetreffende goederen.
Met betrekking tot een aantal vrijstellingen zal een ondernemer voor de keus staan een verzoek om vrijstelling in te dienen dan wel de belasting ter zake van de invoer te voldoen en daarna in aftrek te brengen. Die keus, welke overigens geheel los staat van de vraag of de ondernemer vrijstelling vraagt met betrekking tot het invoerrecht, kan worden beïnvloed door een aantal factoren, zoals de aard van het goed (met name of daarvoor een zgn. automatische verlegging van de heffing bij invoer geldt, zie Hoofdstuk 4, § 4, onder a), de omstandigheid of de betrokken ondernemer voor verlegging van de heffing van invoer is aangewezen (zie Hoofdstuk 4, § 4, onder b tot en met d) en de formele procedure voor het verkrijgen van de vergunning. Degenen die geen aanspraak hebben op aftrek van voorbelasting (particulieren, vrijgestelde ondernemers, overheidsorganen, organisaties en instellingen die geen ondernemer zijn) zullen uiteraard wel vrijstelling vragen.
1.5.2. In het binnenland vrijgestelde leveringen van goederen
Ingevolge artikel 11, eerste lid, onderdeel i, van de Wet is de levering van munten welke in enig land de hoedanigheid van wettelijk betaalmiddel bezitten, in alle gevallen vrijgesteld. Ten behoeve van banken, wisselkantoren, enz. worden dergelijke munten ook ingevoerd. Ter zake van de invoer van deze munten wordt ook bij invoer vrijstelling van omzetbelasting verleend.
Evenzo is ingevolge artikel 11, eerste lid, onderdeel s, van de Wet de levering van menselijke organen, menselijk bloed en moedermelk in alle gevallen vrijgesteld. Ter zake van de invoer van bedoelde organen, bloed en moedermelk wordt derhalve bij invoer vrijstelling van omzetbelasting verleend.
Met betrekking tot tandtechnische werken zijn in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, van de Wet slechts de door tandartsen en tandtechnici als zodanig verrichte leveringen vrijgesteld. In verband met deze beperking zal bij invoer van deze goederen een beroep op artikel 14, lid 1, onder a, van de Zesde richtlijn niet tot vrijstelling kunnen leiden. Waar ter zake van de invoer van tandtechnische werken omzetbelasting verschuldigd is naar het algemene tarief houdt zulks in dat er, afhankelijk van de omstandigheid of een tandtechnisch werkstuk hier te lande dan wel in het buitenland is vervaardigd, bij invoer door of ten behoeve van ondernemers die geen aanspraak kunnen maken op aftrek van voorbelasting (tandartsen, tandtechnici, instellingen voor medische zorg, enz.) aanzienlijke verschillen kunnen optreden in de omzetbelasting die op bedoelde werkstukken rust. Hierin wordt aanleiding gevonden goed te keuren dat de heffing van omzetbelasting ter zake van de invoer van tandtechnische werken beperkt blijft tot een heffing met toepassing van het verlaagde tarief. Onder tandtechnische werken dienen in dezen te worden verstaan tandtechnische werkstukken welke aan de hand van gipsmodellen, wasafdrukken en dergelijke, ten behoeve van individuele patiënten zijn vervaardigd, zoals (gedeeltelijke) prothesen, stifttanden, kronen en bruggen. Naar het algemene tarief blijven belast volle tanden, gegoten tinnen staafjes voor het verzwaren en stabiliseren van gebitten, staafjes van roestvrij staal ter versterking van gebitten met plaat van gevulcaniseerde rubber, alsmede allerlei andere artikelen (huizen, ringen, stiften, haken, oogjes, enz.) welke kennelijk zijn bestemd om te worden gebezigd voor de vervaardiging van tandtechnische werken als hiervoor zijn bedoeld.
1.5.3. Actieve veredeling
Met betrekking tot de actieve veredeling wordt het volgende opgemerkt. Indien de goederen die door een buitenlandse opdrachtgever aan een hier te lande wonende of gevestigde veredelaar ter beschikking worden gesteld afkomstig zijn uit een land buiten de Gemeenschap, is belasting verschuldigd ter zake van de invoer.
In gevallen van actieve veredeling (bewerking, verwerking en herstelling van goederen) kan – evenals voor het invoerrecht – op grond van artikel 89 van de Regeling vrijstellingen belastingen bij invoer vrijstelling van omzetbelasting bij invoer van de goederen worden verkregen. Indien zulks niet mogelijk is of daarvan wordt afgezien, kan de verschuldigde belasting door de veredelaar op de voet van artikel 15 van de Wet in aftrek worden gebracht alsof de veredelaar degene is voor wie de goederen zijn bestemd. Gaat het om goederen waarvoor automatisch verlegging bij invoer geldt of is de veredelaar anderszins aangewezen voor de toepassing van de verlegging, dan kan de invoer op naam van de veredelaar bovendien met toepassing van de verleggingsregeling plaatsvinden.
De veredeling zelf kan, ook in de gevallen waarin van het vervaardigen van goederen wordt gesproken, worden beschouwd als een ten behoeve van de buitenlandse opdrachtgever verrichte dienst, welke ingevolge post b 5 van Tabel II aan het nultarief is onderworpen. De bewerkte goederen moeten in alle gevallen wèl naar een plaats buiten de Gemeenschap worden verzonden of vervoerd, waarbij – in het geval waarin zulks geschiedt door of voor rekening van de opdrachtgever – de opdrachtgever blijkens artikel 16 van de Regeling 1992 buiten Nederland moet wonen of zijn gevestigd.
1.5.4. Toepassing van vrijstellingen bij verlegging van de heffing
De in artikel 21 van de Wet bedoelde vrijstellingen bij invoer van goederen kunnen doorgaans eerst worden genoten nadat ter zake vooraf een vergunning is verleend. In bepaalde gevallen is het in afwijking daarvan overigens mogelijk dat de goederen bij invoer met vrijstelling worden toegelaten. Een aantal vrijstellingen wordt voorwaardelijk verleend, waarbij zekerheidstelling kan worden gevorderd. Meestal wordt het nakomen van de gestelde voorwaarden verbonden aan het volgen van een douaneprocedure.
Het is niet uitgesloten, dat men in gevallen waarin de verlegging van de heffing bij invoer als bedoeld in artikel 23 van de Wet van toepassing is eveneens van een van de voor de omzetbelasting geldende vrijstellingen gebruik wenst te maken. In deze gevallen zal het veelal niet mogelijk zijn de desbetreffende vrijstelling te verwezenlijken op de in de Regeling vrijstellingen belastingen bij invoer en de daarop gegronde voorschriften voorgeschreven wijze.
Als algemeen uitgangspunt geldt, dat in gevallen waarin artikel 23 van de Wet van toepassing is, geen mogelijkheid meer bestaat de ter zake van de invoer verschuldigde omzetbelasting te heffen of vrijstelling daarvan te verwezenlijken op de wijze van het invoerrecht. Verlegging van de heffing van omzetbelasting naar het binnenland houdt immers in, dat bij invoer de formaliteiten voor de omzetbelasting beperkt blijven tot het doen van aangifte ten invoer zonder betaling van de omzetbelasting. Uitgaande van de toepasselijkheid van artikel 23 van de Wet kunnen met betrekking tot de heffing van omzetbelasting maatregelen van douanetechnische aard ter verzekering van de heffing van omzetbelasting bij misbruik van de vrijstellingen (zekerheidstelling, douanetoezicht en dergelijke) niet meer getroffen worden.
Bij de invoer van goederen ten aanzien waarvan artikel 23 van de Wet van toepassing is, geldt ook als het om goederen gaat waarvoor vrijstelling kan worden genoten, de procedure welke bij heffing op de in dat artikel bedoelde wijze gebruikelijk is, te weten een aangifte ten invoer waarbij van de toepasselijkheid van de verlegging op de voet van artikel 23 van de Wet melding wordt gemaakt, zonder betaling en dus ook – zoals hiervoor is aangegeven – zonder zekerheidstelling en dergelijke. In bepaalde gevallen kan niettemin in het kader van de normale douaneprocedure de aangifte ten invoer mondeling worden gedaan en kan de vrijstellingsvergunning ook op mondeling verzoek worden verleend. Het kan zijn dat geen vergunning is vereist en dat de goederen met vrijstelling worden toegelaten. In dergelijke gevallen dient de omstandigheid dat de verleggingsregeling van toepassing is er niet toe te leiden dat ter zake nog een schriftelijke aangifte ten invoer wordt verlangd.
In gevallen waarin de vrijstelling slechts kan worden genoten indien daartoe een schriftelijke vergunning is verleend, dient, indien men bij samenloop met de regeling van artikel 23 van de Wet een beroep op de vrijstelling wenst te doen, een dergelijke vergunning te zijn verkregen, hetzij op schriftelijk verzoek bij de inspecteur, hetzij op mondeling verzoek bij het doen van mondelinge aangifte ten invoer (in de gevallen van tijdelijke invoer, bedoeld bij de artikelen 110 en 111 van de Regeling vrijstellingen belastingen bij invoer). De desbetreffende goederen behoeven alsdan, voor zover aanspraak op vrijstelling bestaat, niet in de periodieke binnenlandse omzetbelastingaangifte te worden opgenomen. Indien slechts gedeeltelijke vrijstelling kan worden genoten, dient de belasting welke met toepassing van de vrijstelling nog is verschuldigd uiteraard op de gebruikelijke wijze op die aangifte te worden voldaan. Hierbij geldt als voorwaarde, dat de aanspraak op vrijstelling kan worden aangetoond aan de hand van boeken en bescheiden. Zulks houdt met betrekking tot de onderwerpelijke gevallen mede in, dat de verleende vergunning bij vorenbedoelde boeken en bescheiden wordt overgelegd. In gevallen waarin de vrijstelling mede afhankelijk is van voorafgaande uitvoer of van wederuitvoer binnen een bepaalde termijn, houdt het aantonen van de aanspraak op vrijstelling aan de hand van boeken en bescheiden tevens in, dat de voorafgaande uitvoer of de wederuitvoer eveneens blijkt uit boeken en bescheiden. In gevallen waarin de vrijstelling is gebonden aan de voorwaarde dat de goederen een bepaalde binnenlandse bestemming volgen kan in de ter zake te verlenen vergunning worden voorgeschreven, dat ambtelijk wordt vastgesteld dat de goederen hun bestemming hebben gevolgd. In gevallen waarin artikel 23 van de Wet toepassing vindt, dient door de ambtenaren aan de belanghebbende ter zake een schriftelijke verklaring te worden afgegeven, die hij bij zijn boekhouding behoort te bewaren. Is geen ambtelijke vaststelling voorgeschreven, dan dient het volgen van de bestemming niettemin uit boeken en bescheiden te blijken.
Het vorenstaande houdt overigens niet in, dat belanghebbenden ter zake van de invoer van goederen met toepassing van artikel 23 van de Wet in daarvoor in aanmerking komende gevallen gehouden zijn voor de omzetbelasting steeds een beroep te doen op de voor deze belasting van toepassing zijnde vrijstellingen. Met name in gevallen waarin de belanghebbende ondernemer is in de zin van de omzetbelastingwetgeving en de ter zake van de invoer verschuldigde omzetbelasting ten volle voor aftrek op de voet van artikel 15 van de Wet in aanmerking komt, zal voor die belanghebbende veelal geen aanleiding bestaan daarnaast nog aanspraak te maken op één van de hiervoor bedoelde vrijstellingen.
1.6.1. Teruggaven ingevolge de Beschikking Teruggaaf Heffingen bij Invoer 1980
Ingevolge artikel 22, tweede lid, van de Wet kan bij ministeriële regeling worden voorzien in een mogelijkheid tot het verlenen van afschrijving of teruggaaf van bij invoer verschuldigde belasting. Is afschrijving of teruggaaf van bij invoer verschuldigd geworden belasting verleend, dan komt deze belasting ingevolge artikel 22, derde lid, van de Wet niet voor aftrek als voorbelasting in aanmerking. De tekst van genoemde bepalingen luidt:
2. Bij ministeriële regeling kan, onder daarbij te stellen voorwaarden en beperkingen, afschrijving of teruggaaf van bij invoer verschuldigde belasting worden verleend in de gevallen waarin aanspraak op afschrijving of teruggaaf van invoerrecht bestaat of zou bestaan indien de goederen uit een ander land dan een Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen zouden zijn ingevoerd of, in andere gevallen, om redenen van billijkheid.
3. Belasting waarvan krachtens het tweede lid afschrijving of teruggaaf wordt verleend, komt niet voor aftrek op de voet van artikel 15 in aanmerking. Heeft de aftrek reeds plaatsgevonden, dan wordt de ondernemer die de aftrek heeft genoten het in aftrek gebrachte bedrag als belasting verschuldigd.’
Onder het huidige systeem van heffing van omzetbelasting komt aan deze mogelijkheid van afschrijving of teruggaaf van bij invoer verschuldigd geworden belasting overigens slechts beperkte betekenis toe. Alleen bij toepassing van artikel 22, eerste lid, van de Wet en wanneer het aftrekmechanisme niet functioneert, is de teruggaaf van feitelijk belang. Dit zal met name het geval zijn indien de invoer heeft plaatsgevonden door of ten behoeve van ondernemers die de goederen, bijvoorbeeld wederuitgevoerde goederen, niet in het kader van hun onderneming hebben gebezigd, particulieren, vrijgestelde ondernemers, lichamen (andere dan ondernemers) en landbouwers onder de landbouwregeling.
De teruggaven zijn geregeld in de Beschikking Teruggaaf Heffingen bij Invoer 1980 (Boekwerk Heffingen bij invoer, deel I, onderdeel 8.00.00). Voor de toepassing van de daarin vervatte bepalingen zij verwezen naar het Voorschrift teruggaaf. Zoals hiervoor reeds is aangegeven, is in artikel 22, derde lid, van de Wet bepaald, dat belasting waarvan krachtens die regelingen afschrijving of teruggaaf is verleend niet voor aftrek op de voet van artikel 15 van de Wet in aanmerking komt. Heeft die aftrek reeds plaatsgevonden, dan wordt de ondernemer die de aftrek heeft genoten het in aftrek gebrachte bedrag als belasting verschuldigd. In verband daarmee dient van de verleende teruggaaf, welke wordt verleend door de inspecteur der douane in wiens ambtsgebied de aangifte ten invoer is gedaan, kennis te worden gegeven aan de inspecteur die bevoegd is voor de heffing van omzetbelasting ten aanzien van degene voor wie de goederen bij invoer waren bestemd.
1.6.2 . Geweigerde en niet-wederuitgevoerde goederen
Op grond van Titel VII, hoofdstuk 5, van het Communautair Douanewetboek (Boekwerk Douanewetgeving Algemeen, onderdeel 1.00.00), inzake de terugbetaling en kwijtschelding van rechten, jo. artikel 2 van Beschikking Teruggaaf Heffingen bij Invoer kan onder meer afschrijving of teruggaaf worden verleend van belasting welke is verschuldigd geworden voor goederen die door de importeur zijn geweigerd omdat zij gebreken vertonen of omdat zij niet in overeenstemming zijn met de bepalingen van het contract. De goederen worden veelal daarna in opdracht van de afzender aan een hier te lande wonende of gevestigde nieuwe gegadigde geleverd. Op grond van artikel 5, eerste lid, onderdeel a, van de Wet, is dan sprake van een levering hier te lande, aangezien het vervoer in verband met de levering aan de nieuwe gegadigde dan alhier aanvangt.
Indien de belasting ter zake van de invoer van de goederen op grond van artikel 22 van de Wet is geheven, kan bij weigering van de goederen door de geadresseerde, de afzender van de goederen voor de toepassing van artikel 15, eerste lid, onderdeel c, onder 1°, van de Wet worden aangemerkt als de ondernemer voor wie de goederen bij de invoer waren bestemd. Wanneer vervolgens de belasting ter zake van de binnenlandse levering (aan de nieuwe gegadigde) op de voet van artikel 12, eerste lid, van de Wet wordt geheven van de afzender, dient deze zich voor de aangifte en de betaling van de verschuldigde belasting te wenden tot de voor buitenlandse ondernemers bevoegde inspecteur. Daarbij kan hij de ter zake van de invoer betaalde belasting als voorbelasting op de aangifte in aftrek brengen. Wanneer echter de belasting ter zake van de binnenlandse levering (aan de nieuwe gegadigde) op de voet van artikel 12, derde lid, van de Wet wordt geheven van de afnemer van de goederen, bestaat er geen bezwaar tegen dat, met overeenkomstige toepassing van de Beschikking Teruggaaf Heffingen bij Invoer 1980, teruggaaf van de bij invoer betaalde belasting wordt verleend aan de buitenlandse afzender alsof de goederen waren uitgevoerd, zulks teneinde te voorkomen dat deze zich met betrekking tot de bij invoer verschuldigd geworden belasting voor aftrek dan wel teruggaaf tot voornoemde inspecteur zou dienen te wenden. Deze laatste handelwijze kan ook worden gevolgd, indien de op de voet van artikel 22 van de Wet verschuldigde belasting bij invoer niet in opdracht van en voor rekening van de afzender van de goederen werd voldaan, maar voor rekening van degene voor wie de goederen waren bestemd.
Indien de heffing van de belasting ten tijde van de invoer op voet van artikel 23 van de Wet is verlegd naar degene voor wie de goederen waren bestemd, zal deze veelal geen kennis dragen van de omstandigheid dat de goederen nadat ze door hem zijn geweigerd hier te lande aan een andere afnemer worden geleverd. Toegestaan is dat hij de ter zake van de invoer verschuldigde belasting niet opneemt in de periodieke binnenlandse aangifte, mits hij aan de hand van boeken en bescheiden kan aantonen de goederen te hebben geweigerd en tevens aan de hand van de door hem te verschaffen gegevens kan worden vastgesteld voor rekening van welke ondernemer – doorgaans de afzender – de goederen hier te lande ter beschikking zijn gebleven. De afzender blijft in beginsel aansprakelijk voor de belasting welke ter zake van de hier te lande verrichte levering is verschuldigd, tenzij nader blijkt dat de belasting met toepassing van artikel 12, derde lid, van de Wet door de uiteindelijke afnemer verschuldigd is.
1.8. Slotbepalingen
Met de verschijning van dit voorschrift hebben de navolgende voorschriften hun belang verloren en worden in verband daarmee ingetrokken:
de Toelichting Invoer en Uitvoer (bijlage E bij de aanschrijving van 29 oktober 1968, nr. 120, gegeven bij de aanschrijving van 3 december 1968, nr. D68/8054), zoals deze nader is gewijzigd
Vraag en Antwoord 43 inzake de invoer van munten
Vraag en Antwoord 108 inzake het wassen van gebruikte textielgoederen in het veredelingsverkeer
de aanschrijving van 5 december 1968, nr. D68/7127 (OB/BTW-21/ HBI-463) inzake toepassing van de Wet bij de inklaring van postzendingen
de aanschrijving van 10 januari 1969, nr. B69/16958 (OB/BTW-57), bijlage 7 betreffende voorwaarden en bepalingen voor aanwijzing op de voet van artikel 18 van de Uitvoeringsbeschikking
de aanschrijving van 9 april 1969, nr. D69/3579 (OB/BTW-97/ HBI-483) inzake de forfaitaire maatstaf van heffing bij invoer
de aanschrijving van 2 juni 1969, nr. B69/6466 (OB/BTW-130/ DAA-480)inzake invoer door de Post van goederen waarvan de heffing van omzetbelasting plaatsvindt op de in artikel 23 van de Wet bedoelde wijze
de aanschrijving van 13 augustus 1969, nr. B69/11398 (OB/BTW-167) inzake toepassing van artikel 19 van de Wet bij inruil van een goed in het buitenland
de aanschrijving van 15 januari 1970, nr. B70/42 (OB/BTW-204/ DAA-520) inzake toepassing van de artikelen 19 en 23 van de Wet
de aanschrijving van 5 juni 1970, nr. B70/4202 (OB/BTW-241/ HBI-II-391) inzake de berekening van de omzetbelasting bij invoer van accijnsgoederen met krediet voor de accijns
de aanschrijving van 21 december 1970, nr. B70/24627 (OB/BTW-277) inzake toepassing van artikel 23 van de Wet
de aanschrijving van 27 januari 1971, nr. B71/1208 (OB/BTW-288/ HBI-626) inzake toepassing van de in artikel 21 van de Wet bedoelde vrijstellingen
de aanschrijving van 2 februari 1971, nr. B71/1020 (OB/BTW-293/ DAA-601) inzake invoer van uit het vrije verkeer van België en Luxemburg herkomstige nieuwe automobielen
de aanschrijving van 10 februari 1971, nr B70/14621 (OB/BTW-295/DAA-602) inzake de uitvoer van goederen naar Belgische enclaves
de aanschrijving van 21 december 1973, nr. B73/25338 (OB/BTW-457/DAA-748) inzake toepassing van artikel 23 van de Wet bij invoer door de PTT
de aanschrijving van 20 februari 1974, nr. B73/18238 (OB/BTW-463/DAA-756) inzake heffing van omzetbelasting voor goederen welke voor een andere Lid-Staat zijn bestemd
de aanschrijving van 20 februari 1974, nr. B73/18238 (BTW-30/ DAA-756) inzake invoer en opslag zonder heffing van omzetbelasting en accijns
de aanschrijving van 14 december 1979, nr. 278-19003 (BTW-20) inzake heffing van omzetbelasting ter zake van de invoer en de levering van tandtechnische werken (alleen voor wat betreft de heffing bij invoer)
de aanschrijving van 10 mei 1983, nr. 083-998 (BTW-100) inzake wijzigingen in artikel 22 van de Wet en in artikel 58 van de BVTB
de aanschrijving van 18 juni 1984, nr. 284-8037 (BTW-135/ DAA-1162) inzake formaliteiten aan de Benelux-binnengrenzen/ Opgave Benelux 50
de aanschrijving van 8 augustus 1986, nr. 286-1313 (BTW-171/ DAA-1281) inzake invoer van goederen door particulieren
de aanschrijving van 6 januari 1988, nr. WV 87/1813 (BTW-215/ DAA-1361) inzake ontheffing van omzetbelasting bij uitvoer door reizigers met een woon- of verblijfplaats buiten de EEG
de aanschrijving van 22 juni 1989, nr. WV 89/164 (BTW-266/ DAA-1448) inzake ontheffing van omzetbelasting bij uitvoer door particulieren
de aanschrijving van 13 juli 1990, nr. WV 90/195 (BTW-291/ DAA-1524) inzake wijziging van de Uitvoeringsbeschikking in verband met een aanpassing van de regeling voor ontheffing van BTW bij uitvoer van goederen door reizigers uit derde landen
de aanschrijving van 25 juni 1991, nr. WV 91/172 (BTW-304/ DAA-1583) inzake wijziging van de Uitvoeringsbeschikking in verband met een verhoging van de bedragen voor de ontheffing van BTW bij uitvoer door reizigers.
Dit voorschrift kan worden aangehaald als ‘Voorschrift In- en Uitvoer’.
1.11.1.1. Artikel 9
1. De Gemeenschap is gegrondvest op een douane-unie welke zich uitstrekt over het gehele goederenverkeer en welke zowel het verbod meebrengt van in- en uitvoerrechten en van alle heffingen van gelijke werking in het verkeer tussen de Lid-Staten onderling als de invoering van een gemeenschappelijk douanetarief voor hun betrekkingen met derde landen.
2. De bepalingen van hoofdstuk 1, eerste afdeling, en van hoofdstuk 2 van deze titel zijn van toepassing op de produkten welke van oorsprong zijn uit de Lid-Staten alsook op de produkten uit derde landen welke zich in de Lid-Staten in het vrije verkeer bevinden.
1.11.1.2. Artikel 10
1. Als zich bevindend in het vrije verkeer in een Lid-Staat worden beschouwd: de produkten uit derde landen waarvoor in genoemde Lid-Staat de invoerformaliteiten zijn verricht en de verschuldigde douanerechten en heffingen van gelijke werking zijn voldaan en waarvoor geen gehele of gedeeltelijke teruggave van die rechten en heffingen is verleend.
2. Vóór het einde van het eerste jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag, stelt de Commissie vast op welke wijze de administratieve samenwerking inzake de toepassing van artikel 9, lid 2, zal geschieden en houdt daarbij rekening met de noodzaak de aan de handel opgelegde formaliteiten zoveel mogelijk te verlichten.
Vóór het einde van het eerste jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag, stelt de Commissie de bepalingen vast welke in het verkeer tussen de Lid-Staten van toepassing zullen zijn op de goederen van oorsprong uit een andere Lid-Staat, waarin produkten zijn verwerkt op welke de in de uitvoerende Lid-Staat toepasselijke douanerechten en heffingen van gelijke werking niet zijn geheven of waarvoor gehele of gedeeltelijke teruggave van die rechten of heffingen is verleend.
Bij het vaststellen van deze bepalingen houdt de Commissie rekening met de regels inzake de afschaffing van de douanerechten binnen de Gemeenschap en met die welke de geleidelijke toepassing van het gemeenschappelijke douanetarief betreffen.
a. De hierna genoemde gebieden van het douanegebied van Gemeenschap behoren niet tot het binnenland van de Gemeenschap voor de heffing van de omzetbelasting en vormen de in artikel 18, eerste lid, onderdeel b, van de Wet bedoelde gebieden:
de Franse overzeese departementen Guadeloupe, Martinique, Réunion en Guyana
de berg Athos
de gebieden Jungholz en Mittelberg
het Prinsdom Andorra (dit gebied kan in zeker zin worden geacht deel uit te maken van het douanegebied voor zover het goederen betreft die zijn opgenomen in de hoofdstukken 25 tot en met 97 van de gecombineerde nomenclatuur)
de Republiek San Marino
Gibraltar
de Kanaaleilanden Alderney, Jersey, Guernsey, Sark en Herm
de Canarische Eilanden.
b. De hierna volgende gebiedsdelen behoren tot het douanegebied van de Gemeenschap èn tot het binnenland daarvan voor de heffing van de omzetbelasting:
de eilandgroep de Azoren
het eiland Madeira
de eilandgroep de Balearen
het eiland Man
het Vorstendom Monaco.
c. Noch tot het douanegebied van de Gemeenschap noch tot het binnenland daarvan voor de heffing van de omzetbelasting behoren:
de Faeröer-eilanden
Groenland
het gebied Büsingen
het eiland Helgoland
de Franse overzeese gebieden Nieuw-Caledonië, de Wallis-archipel en Futuna-eilanden, Franse Zuidelijke en Antarctische territoria en de Franse territoriale lichamen (Mayotte, Saint-Pierre et Miquelon)
de gemeenten Campione d'Italia en Livigno
de nationale wateren van het meer van Lugano die zijn gelegen tussen de oever en de politieke grens van het gebied tussen Ponte Tresa en Porto Ceresio
de eilanden Aruba, Bonaire, Curaçao, Sint Maarten, Saba en Sint Eustatius
Macao
de enclaves Ceuta en Melilla in Noord-Afrika
de Staat Vaticaanstad
de Britse overzeese gebieden Anguilla, Caymaneilanden, Falklandeilanden, Zuid-Georgia en de Sandwicheilanden, Turks- en Caicoseilanden, Brits Maagdeneiland, Montserrat, Pitcairneilanden, Sint-Helena en afhankelijke gebieden, Brits Antarctisch Territorium en Brits Territorium in de Indische Oceaan.