Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Voorlichtingspublicatie beloningsdifferentiatie in het primair onderwijs
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
1. Inleiding
2. Decentrale afspraken
3. Wijzigingen RPBO
Beoordeling van het functioneren ingeval van onderbroken loopbaan
Voorbeeld
Beoordeling van het functioneren in andere gevallen
Vaststelling van salaris bij (her)indiensttreding in relatie tot onbetaalde relevante ervaring
Voorbeeld:
4. Duur
5. Inwerkingtreding
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht

Voorlichtingspublicatie beloningsdifferentiatie in het primair onderwijs

Voorlichtingspublicatie beloningsdifferentiatie in het primair onderwijs
1. Inleiding
In het akkoord over de uitwerking van de maatregelen naar aanleiding van het rapport van de werkgroep Van Rijn en de verlenging van de CAO sector onderwijs (PO, VO, BVE) 2000-2002 zijn afspraken gemaakt over beloningsdifferentiatie. Geconstateerd is dat de huidige salarisbepalingen in het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel onvoldoende ruimte bieden voor de honorering van het functioneren van personeel op basis van een beoordeling. Omdat dit in de praktijk vaak nadelig uitwerkt voor vrouwen staan de RPBO-bepalingen op gespannen voet met de wetgeving inzake de gelijke behandeling van mannen en vrouwen.
Ten aanzien van deze salarisbepalingen zijn in het genoemde akkoord daarom de volgende afspraken gemaakt:
a) de belemmeringen in het RPBO voor het toekennen van extra periodieke verhogingen worden opgeheven;
b) in het RPBO wordt een bepaling opgenomen op basis waarvan de werkgever gehouden is zowel betaalde alsonbetaalde relevante ervaring te wegen bij de salarisvaststelling in geval van (her)indiensttreding;
c) tevens wordt bepaald dat de werkgever tijdens de onderwijsloopbaan op verzoek van de werknemer toetst of een - door loopbaanonderbreking ontstaan -beloningsverschil op basis van het functioneren nog gerechtvaardigd is;
d) de extra kosten die hieruit voortvloeien, komen ten laste van het schoolbudget.
Voor deze afspraken geldt een terugwerkende kracht tot en met 1 augustus 2001.
2. Decentrale afspraken
Inmiddels hebben de centrales en werkgeversorganisaties als voorlopige invulling van deze RPBO-bepalingen decentraal afspraken gemaakt over de positie van herintreders in het onderwijs in de CAO-PO 2002-2004. Deze voorlopige invulling is uitgewerkt in een overgangsregeling. De CAO-partijen streven ernaar de overgangsregeling te laten opgaan in een structurele regeling ”competentiegericht belonen”.
De beoordeling of de aanwezige salarisachterstand nog gerechtvaardigd is, is voor veel schoolbesturen lastig. In de regel bestaat weinig ervaring met het beoordelen van personeel in relatie tot de mate van belonen. Dit betekent dat de werkgever een indicatie moet geven van wat van een werknemer mag worden verwacht in een bepaalde fase van de onderwijsloopbaan.
Om te voorkomen dat de inschaling van ”zittende” herintreders tot veel discussie en onrust op schoolniveau leidt, hebben de sociale partners als overgangsregeling voor een normatieve aanpak gekozen. Dit houdt in dat op basis van de geconstateerde salarisachterstand één of meer vaste periodiek(en) worden toegekend.
De afspraak in de CAO-PO 2002 - 2004 houdt op hoofdlijnen het volgende in:
de zittende herintreder die een salarisachterstand heeft van één tot vijf periodieken kan met terugwerkende kracht vanaf 1 augustus 2001 voor een extra periodiek in aanmerking komen;
de zittende herintreder die een salarisachterstand heeft opgelopen van vijf of meer periodieken kan vanaf 1 augustus 2001 voor twee extra periodieken in aanmerking komen;
het recht op deze extra periodiek(en) blijft bestaan tot het moment waarop de werknemer het schaalmaximum heeft bereikt;
in alle gevallen geldt de voorwaarde dat de werknemer na het moment van herintreden twee jaar heeft gewerkt. Vervolgens kan de werknemer aan de werkgever het verzoek doen om vast te stellen of er sprake is van een door loopbaanonderbreking ontstane salarisachterstand;
dit verzoek wordt uiterlijk 6 maanden na ingang van het derde jaar na herintreding gedaan. Voor werknemers die op 1 augustus 2001 al aan deze eisen voldeden geldt een overgangsregeling. Zij dienen hun verzoek vóór 1 januari 2003 bij de werkgever in te dienen;
de toekenning van de extra periodieken blijft achterwege indien op basis van het beoordelingsgesprek blijkt dat het functioneren van de werknemer deze toekenning niet rechtvaardigt.
Voor nadere informatie over deze decentrale afspraken, die in de CAO-PO 2002-2004 zijn opgenomen, kunt u bij uw vakorganisatie of werkgeversorganisatie terecht.
Beoordeling van het functioneren ingeval van onderbroken loopbaan
Het kader waarbinnen deze decentrale afspraken gemaakt zijn, wordt gevormd door enkele bepalingen die in het RPBO zullen worden opgenomen. Deze bepalingen treden met terugwerkende kracht per 1 augustus 2001 in werking.
De basis voor de decentrale afspraken rond herintreders vormt een artikel dat de werknemer die in een onderwijsfunctie is benoemd na onderbreking van zijn onderwijsloopbaan, het recht geeft van zijn werkgever een beoordeling te vragen of een opgelopen salarisachterstand nog wel gerechtvaardigd is op basis van zijn/haar functioneren.
Indien de opgelopen achterstand niet meer (geheel) gerechtvaardigd is, dient het bevoegd gezag de werknemer een passend (hoger) salarisbedrag toe te kennen binnen de functie. In dat geval dient de werkgever afspraken met de werknemer te maken over de termijn waarbinnen en de wijze waarop de achterstand kan worden ingelopen.
Voor de wijze waarop het bevoegd gezag invulling geeft aan deze bepalingen, moet het bevoegd gezag nadere beleidsregels vaststellen. Met de in de vorige paragraaf beschreven decentrale afspraken die de sociale partners gemaakt hebben, is daaraan voorlopig invulling gegeven.
Het verschil tussen de oude inschaling en de uiteindelijke inschaling kan het bevoegd gezag uitsluitend ten laste van de eigen middelen toekennen. Dat betekent dat de hogere inschaling niet in aanmerking komt voor declaratie bij het Rijk.
Voorbeeld
Een leerkracht is drie jaar geleden in dienst getreden van een basisschool in Eindhoven. Voor die tijd had zij gedurende een periode van 6 jaar niet gewerkt, maar daarvoor had zij 4 jaar gewerkt op een basisschool in Amsterdam Zuid-Oost. Op basis van haar werkervaring is haar salaris drie jaar geleden vastgesteld op een schaalbedrag dat drie periodieken hoger ligt dan het schaalbedrag dat zij had op het moment dat zij stopte met werken (één periodiek op basis van artikel I-P8, tweede lid en twee periodieken op basis van artikel I-P11, eerste en derde lid). De leerkracht stelt een salarisverschil tussen haarzelf en haar collega’s vast en verzoekt haar werkgever daarom om een hogere inschaling. Het bevoegd gezag is op grond van de nieuwe CAO-teksten verplicht haar één of meer extra periodieken te geven, tenzij dat niet gerechtvaardigd is op basis van haar functioneren. In vergelijking met een collega die de loopbaan niet heeft onderbroken, heeft zij een salarisachterstand van 4 periodieken. Op grond van de decentrale afspraken die de sociale partners betreffende herintreders hebben gemaakt, komt de leerkracht met terugwerkende kracht vanaf 1 augustus 2001 in aanmerking voor één extra periodiek.
Beoordeling van het functioneren in andere gevallen
In het RPBO wordt verder ruimte gecreëerd voor het toekennen van extra periodieke verhogingen op basis van andere gronden dan een door loopbaanonderbreking ontstane salarisachterstand. Op basis van het huidige RPBO (artikel I-P13) wordt het salaris jaarlijks met één periodiek verhoogd, voor zover dat binnen de bij de functie behorende salarisschaal mogelijk is. In de CAO 2001 is afgesproken dat de scholen ruimte moeten krijgen om personeel te belonen op basis van een beoordeling.
Per 1-8-2001 hebben de bevoegde gezagsorganen van de scholen daarom middelen toegekend gekregen in de vorm van een schoolbudget waardoor het mogelijk wordt gemaakt een werknemer individueel te belonen voor zijn werkzaamheden.
Om het voor een bevoegd gezag mogelijk te maken af te wijken van hetgeen in artikel I-P13 is bepaald, zal aan het RPBO een artikel worden toegevoegd. Daarin wordt vastgelegd dat het salaris kan worden vastgesteld op een hoger bedrag binnen de bij de functie behorende salarisschaal, mits daaraan een beoordeling van het bevoegd gezag ten grondslag ligt.
Het bevoegd gezag kan de extra periodieke verhoging uitsluitend ten laste van de eigen middelen toekennen. Dat betekent dus dat het bedrag van de extra periodieke verhoging niet in aanmerking komt voor declaratie bij het Rijk.
Vaststelling van salaris bij (her)indiensttreding in relatie tot onbetaalde relevante ervaring
Op basis van de huidige RPBO-bepalingen (artikelen I-P7, I-P8 en I-P11) vindt de inschaling van iemand die opnieuw in dienst genomen wordt in een onderwijsfunctie plaats op basis van het laatstgenoten onderwijssalaris. In geval iemand voorafgaande aan zijn benoeming in het onderwijs betaalde ervaring heeft opgedaan buiten het onderwijs, wordt bij de inschaling eveneens aangesloten bij het laatstgenoten salaris (artikel I-P10), mits deze ervaring relevant is voor de te vervullen onderwijsfunctie. Wat relevante ervaring buiten het onderwijs is, wordt aan het oordeel van het bevoegd gezag overgelaten.
In aanvulling daarop is in de CAO 2001 afgesproken dat in het RPBO tevens de mogelijkheid opgenomen wordt om buiten het onderwijs opgedane relevante onbetaalde (werk-)ervaring mee te laten wegen in de inschaling. Ook hierbij geldt dat de beoordeling welke ervaring relevant is voor de onderwijsfunctie aan het bevoegd gezag overgelaten wordt.
Net als bij de weging van betaalde werkervaring kan bij de weging van onbetaalde werkervaring het salaris alleen worden vastgesteld op een bedrag binnen de bij de onderwijsfunctie behorende salarisschaal.
Het verschil tussen de reguliere inschaling (op grond van de artikelen I-P7, I-P8, I-P10 of I-P11) en de uiteindelijke inschaling door het bevoegd gezag, kan het bevoegde gezag uitsluitend ten laste van de eigen middelen aan de betrokkene toekennen en komt dus niet in aanmerking voor declaratie bij het Rijk.
Voorbeeld:
Het bevoegd gezag van een school heeft een leerkracht aangenomen met een aantal jaar ervaring in het primair onderwijs. Zeven jaar geleden is zij wegens zorgtaken gestopt met haar werk als leerkracht. De afgelopen vijf jaar heeft zij 2 middagen per week als vrijwilliger diverse soorten cursussen gegeven aan allochtone moeders in het buurthuis. Nu haar kinderen wat groter worden wil zij graag weer aan de slag als leerkracht.
Haar salaris wordt in beginsel vastgesteld volgens de bepalingen in de artikelen I-P8 en I-P11 van het RPBO . Het bevoegd gezag heeft daarnaast vastgesteld dat de onbetaalde ervaring die zij heeft opgedaan relevant is voor haar nieuwe functie en besluit daarom haar salaris vast te stellen op een bedrag dat twee periodieken hoger ligt dan het salaris volgens de artikelen I-P8 en I-P11. Deze twee periodieken komen ten laste van het schoolbudget van de school waarop zij aangesteld / benoemd wordt.
4. Duur
Het schoolbestuur kan extra periodieke verhogingen op basis van één van de bovengenoemde bepalingen op ieder moment in het schooljaar, ook binnen de maand toekennen. Aan de extra periodieke verhoging(-en) die het bevoegd gezag op basis van één van deze bepalingen aan de betrokkene heeft toegekend, kan de betrokkene dezelfde rechten ontlenen als aan de normale periodieke verhogingen. Dat betekent dat de periodiek voor onbepaalde tijd wordt toegekend. Het bevoegd gezag zal deze periodieke verhoging(en) uit de eigen middelen moeten betalen, tot het moment waarop de betrokkene volgens het reguliere carrièrepatroon, dus zonder de extra periodieken, het maximumsalaris zou hebben bereikt.
De betrokkene die een achterstand in het salaris opgelopen heeft als gevolg van een onderbroken loopbaan heeft recht op een beoordeling. Er is geen minimum of maximum termijn bepaald waarbinnen de betrokkene een dergelijke salarisachterstand in kan lopen. Basis voor het inlopen van de salarisachterstand zijn de decentrale afspraken die de sociale partners voorlopig over herintreders hebben gemaakt.
Bij de overgang van een werknemer die op basis van één van deze bepalingen een extra periodiek heeft toegekend gekregen naar een ander bevoegd gezag, gaat de verplichting tot het betalen van deze extra periodiek uit de eigen middelen over op het bevoegde gezag waar de werknemer op dat moment in dienst treedt. Ook voor de nieuwe werkgever geldt dus dat de extra periodiek(en) niet in aanmerking komen voor declaratie bij het Rijk.
5. Inwerkingtreding
De nieuwe bepalingen in het RPBO zullen met terugwerkende kracht tot 1 augustus 2001 in werking treden. De decentrale afspraken in de CAO-PO 2002-2004 gelden eveneens vanaf 1 augustus 2001.
De
directeur primair onderwijs