Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Verordening varkensleveringen (PVV) 2007
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
+ 1. Begripsbepalingen
+ 2. Verlenen en intrekken van de aanwijzing
+ 3. Varkensleveringen
+ 4. Varkensleveringen
+ 5. Toezicht
+ 6. Handhaving
+ 7. Bijzondere bepalingen
+ 8. Gegevensverwerking
+ 9. Overgangs- en slotbepalingen
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2015. U leest nu de tekst die gold op -.

Verordening varkensleveringen (PVV) 2007

Verordening van het bestuur van het Productschap Vee en Vlees van 31 oktober 2007 houdende de regulering van varkensleveringen (Verordening varkensleveringen (PVV) 2007)
Het bestuur van het Productschap Vee en Vlees;
Gelet op de artikelen 93, 95, 102 en 104 van de Wet op de bedrijfsorganisatie en de artikelen 10 en 11 van het Instellingsbesluit Productschap Vee en Vlees;
Gezien de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004;
Besluit:
Artikel 1
In deze verordening wordt verstaan onder: Gezondheids- en welzijnswet voor dieren artikel 3, eerste lid, van het Besluit eisen dierlijk sperma en spermawincentra richtlijn nr. 90/429/EEG artikel 3, eerste lid, van het Besluit eisen dierlijk sperma en spermawincentra artikel 2 artikel 3 artikel 4 artikel 5 artikel 6 artikel 2, aanhef artikel 4, onderdeel b artikel 19, tweede lid artikel 2, aanhef artikel 4, onderdeel b artikel 19, tweede lid artikel 8 van de Wet op de dierproeven richtlijn nr. 64/432/EEG artikel 14, vierde lid artikel 19, eerste lid artikel 30, tweede en derde lid, van de Regeling identificatie en registratie van dieren
a. productschap : Productschap Vee en Vlees;
b. bestuur : bestuur van het productschap;
c. voorzitter : voorzitter van het productschap;
d. wet : ;
e. ondernemer : de natuurlijke of rechtspersoon die een varkenshouderijbedrijf exploiteert;
f. varkenshouderijbedrijf : locatie van een landbouwbedrijf, niet zijnde een spermawincentrum of een quarantaineruimte, waar, anders dan voor educatieve doeleinden, vijf of meer varkens worden gehouden dan wel een locatie die voor het zodanig houden bestemd is;
g. spermawincentrum : varkenshouderij waar beren worden gehouden voor de winning van sperma en dat erkend is krachtens artikel 5 van richtlijn nr. 90/429/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1990 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften van toepassing op het intracommunautaire handelsverkeer in sperma van varkens en de invoer daarvan (PbEG L 224) dan wel krachtens ;
h. quarantaineruimte : afzonderingsruimte die is erkend krachtens bijlage B, hoofdstuk 1, artikel 1, onderdeel a, van van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1990 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften van toepassing op het intracommunautaire handelsverkeer in sperma van varkens en de invoer daarvan (PbEG L 224) dan wel krachtens ;
i. A-bedrijf : varkenshouderijbedrijf dat krachtens is aangewezen als A-bedrijf;
j. B-bedrijf : varkenshouderijbedrijf dat krachtens is aangewezen als B-bedrijf;
k. C-bedrijf : varkenshouderijbedrijf dat krachtens is aangewezen als C-bedrijf;
l. D-bedrijf : varkenshouderijbedrijf, niet zijnde een spermawincentrum of quarantaineruimte, dat niet is aangewezen als een A-bedrijf, een B-bedrijf een C- bedrijf, dan wel een E-bedrijf of een F-bedrijf.
m. E-bedrijf : varkenshouderijbedrijf dat krachtens is aangewezen als E-bedrijf;
n. F-bedrijf : varkenshouderijbedrijf dat krachtens is aangewezen als F-bedrijf;
o. geaccrediteerde keuringsinstantie : keuringsinstantie, waarvan:
      1. door de Nederlandse Raad voor Accreditatie of een gelijkwaardige buitenlandse instantie is verklaard dat de keuringsinstantie voldoet aan de criteria van NEN-EN-ISO 17020, voor zover deze verklaring betrekking heeft op het opstellen van de in , , of , genoemde rapporten, dan wel;
      2. door de Nederlandse Raad voor Accreditatie of een gelijkwaardige buitenlandse instantie is verklaard dat de keuringsinstantie voldoet aan de criteria van NEN-EN-ISO 17020, voor zover deze verklaring betrekking heeft op verrichtingen in de veehouderij, en de keuringsinstantie aan de Nederlandse Raad voor Accreditatie of een gelijkwaardige buitenlandse instantie heeft verzocht te verklaren dat de keuringsinstantie aan genoemde criteria voldoet met betrekking tot de in , , of , genoemde rapporten en dit verzoek niet is afgewezen;
p. meldingsbureau : een door het bestuur bij besluit aangewezen organisatie die namens het productschap alle meldingen met betrekking tot transport van varkens inventariseert en daarvan een bevestiging verstrekt;
q. onderzoeksinstituut : instituut waaraan een vergunning als bedoeld in is verleend, niet zijnde een A-bedrijf, B-bedrijf, C-bedrijf, D-bedrijf, E-bedrijf of een F-bedrijf;
r. verzamelcentrum : verzamelcentrum voor varkens dat is erkend krachtens artikel 11 van van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens (PbEG L 121);
s. cluster : combinatie van ten hoogste drie C-bedrijven die van één A-bedrijf varkens ontvangen, overeenkomstig de opgave van ;
t. transportdocument : door het meldingsbureau afgegeven ontvangstbevestiging van een overeenkomstig , ingediende melding van een voorgenomen levering van varkens. De ontvangstbevestiging wordt overeenkomstig de vereisten opgenomen in opgemaakt;
u. varken : dier behorende tot de familie der Suidae Gray 1821;
v. speenbig : gespeend varken, met een leeftijd van tenminste drie weken en ten hoogste twaalf weken;
w. big : varken vanaf zijn geboorte tot aan het spenen;
x. opfokgelt : vrouwelijk varken, bestemd voor de voortplanting;
y. opfokbeer : mannelijk varken, bestemd voor de voortplanting;
z. fokbijproduct : big die vanwege ongeschiktheid om als opfokgelt of opfokbeer afgezet te worden, als vleesvarken worden;
aa. be- of verwerker : ondernemer die zich toelegt op het slachten van varkens of op de be- of verwerking van varkensvlees;
bb. vervoermiddel : voertuig, waaronder mede begrepen een combinatie van een voertuig met één of meer door dat voortuig voortbewogen aanhangwagens;
cc. vervoerseenheid : voertuig dat, of aanhangwagen die, deel uitmaakt van een combinatie van een vervoermiddel.
1.
De voorzitter wijst op aanvraag van de ondernemer diens varkenshouderijbedrijf aan als een A-bedrijf, indien de ondernemer bij de aanvraag een conform bijlage III opgemaakt bedrijfsrapport van een geaccrediteerde keuringsinstantie waaruit blijkt dat het varkenshouderijbedrijf voldoet aan de in de onderdelen a. tot en met i. gestelde voorwaarden, alsmede een verklaring als bedoeld in het derde lid kan overleggen.
a. Op het varkenshouderijbedrijf worden vrouwelijke varkens gehouden voor het bedrijfsmatig produceren van biggen;
b. Varkens die op het varkenshouderijbedrijf worden aangevoerd, worden gehuisvest in een van de rest van het varkenshouderijbedrijf afgescheiden toevoegstal, waarvan inrichting en gebruik voldoen aan de in bijlage l bij deze verordening opgenomen voorschriften, totdat uit een door een dierenarts na vier weken na aanvoer overeenkomstig bijlage II uitgevoerd serologisch onderzoek blijkt dat in de toevoegstal geen varkens zijn aangetroffen waarvan het bloed antilichamen tegen klassieke varkenspest of gB-antilichamen tegen de Ziekte van Aujeszky bevat;
c. Bij het ontbreken van een toevoegstal als bedoeld in onderdeel b., tot zes weken na de laatste aanvoer van varkens worden geen varkens afgevoerd anders dan, hetzij rechtstreeks, hetzij via een verzamelcentrum, naar het slachthuis;
d. Op het varkenshouderijbedrijf is een voorziening voor reiniging en ontsmetting van vervoermiddelen voor varkens aanwezig;
e. De ondernemer van het varkenshouderijbedrijf verleent alle medewerking aan de reiniging en ontsmetting van het vervoermiddel waarmee de varkens zijn vervoerd;
f. De ondernemer voldoet aan alle, de herkomst van de op het varkenshouderijbedrijf aanwezige varkens betreffende, krachtens artikel 96 van de wet gestelde regels;
g. Op het varkenshouderijbedrijf is een douche aanwezig, die is gelegen in de onmiddellijke nabijheid van de ingang van het varkenshouderijbedrijf, waarvan bezoekers van het varkenshouderijbedrijf voorafgaand aan het betreden van de stallen gebruik maken;
h. Het varkenshouderijbedrijf is voorzien van een erfafscheiding waardoor het betreden van het varkenshouderijbedrijf zonder de medewerking van de ondernemer niet mogelijk is;
i. De ondernemer legt de gegevens met betrekking tot groepsmedicatie in het logboek, bedoeld in artikel 40, tweede lid, van de Diergeneesmiddelenwet vast.
2.
De ondernemer laat één maal per jaar een bedrijfsrapport conform bijlage III opmaken door een geaccrediteerde keuringsinstantie, en overlegt deze ter verificatie van de aanwijzing, jaarlijks voor 1 juni, aan de voorzitter.
3.
De ondernemer overlegt eenmaal per maand een verklaring van een dierenarts waarin deze verklaart dat het in bijlage II bepaalde aantal op het varkenshouderijbedrijf aanwezige varkens serologisch is onderzocht en dat geen varkens zijn aangetroffen waarvan het bloed antilichamen tegen klassieke varkenspest of gE-antilichamen tegen de Ziekte van Aujeszky bevat, dan wel, in geval van leegstand, een verklaring van een geaccrediteerde keuringsinstantie dat de stallen van het varkenshouderijbedrijf ten tijde van de aanvraag leegstaan.
Artikel 3
De voorzitter wijst op aanvraag van de ondernemer diens varkenshouderijbedrijf aan als een B-bedrijf, indien op het varkenshouderijbedrijf vrouwelijke varkens worden gehouden voor het bedrijfsmatig produceren van biggen.
1.
De voorzitter wijst op aanvraag van de ondernemer diens varkenshouderijbedrijf aan als een C-bedrijf, indien:
a. de ondernemer bij aanvraag en volgens het model in bijlage III opgesteld bedrijfsrapport overlegt van een geaccrediteerde keuringsinstantie waaruit blijkt dat het varkenshouderijbedrijf voldoet aan artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdelen d. tot en met i.;
b. de ondernemer een verklaring als bedoeld in artikel 2, derde lid overlegt.
2.
De ondernemer laat één maal per jaar een bedrijfsrapport conform bijlage III opmaken door een geaccrediteerde keuringsinstantie, en overlegt deze ter verificatie van de aanwijzing, jaarlijks voor 1 juni, aan de voorzitter.
3.
De ondernemer overlegt eenmaal per maand een verklaring als bedoeld in artikel 2, derde lid, aan de voorzitter.
1.
De voorzitter wijst op aanvraag van de ondernemer diens varkenshouderijbedrijf aan als een E-bedrijf, indien:
a. op het varkenshouderijbedrijf speenbiggen worden gehouden, uitsluitend afkomstig van één A-bedrijf;
b. de ondernemer bij de aanvraag een volgens het model in bijlage III opgesteld bedrijfsrapport overlegt van een geaccrediteerde keuringsinstantie waaruit blijkt dat het varkenshouderij voldoet aan artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdelen d. tot en met i.;
c. de ondernemer een verklaring als bedoeld in artikel 2, derde lid overlegt.
2.
De ondernemer laat één maal per jaar een bedrijfsrapport conform bijlage III opmaken door een geaccrediteerde keuringsinstantie, en overlegt deze ter verificatie van de aanwijzing, jaarlijks voor 1 juni, aan de voorzitter.
3.
De ondernemer overlegt eenmaal per maand een verklaring als bedoeld in artikel 2, derde lid, aan de voorzitter.
Artikel 6
De voorzitter wijst op aanvraag van de ondernemer diens varkenshouderijbedrijf aan als een F-bedrijf, indien op het varkenshouderijbedrijf speenbiggen worden gehouden, uitsluitend afkomstig van één B-bedrijf.
1.
De voorzitter kan de aanwijzing als A-bedrijf, de aanwijzing van een B-bedrijf, de aanwijzing van een C-bedrijf, de aanwijzing van een E-bedrijf of de aanwijzing van een F-bedrijf met onmiddellijke ingang schorsen voor een termijn van ten hoogste 12 weken, indien:
a. het varkenshouderijbedrijf niet voldoet aan de eisen, bedoeld in de artikelen 2, 3, 4, 5 onderscheidenlijk 6, en veterinaire belangen de schorsing rechtvaardigen, dan wel;
b. blijkt dat in een periode van twaalf maanden de ondernemer meer dan eenmaal varkens van het varkenshouderijbedrijf afvoert of doet afvoeren, dan wel op het varkenshouderijbedrijf ontvangt of aanvoert, zonder dat wordt voldaan aan de artikelen 12, 13, 14, 16 onderscheidenlijk 17.
2.
De voorzitter kan de schorsing, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, telkens verlengen met een termijn van ten hoogste vier weken.
3.
In geval van schorsing van de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 12, 13, 14, 16 en 17 niet van toepassing.
4.
De voorzitter kan de aanwijzing als A-bedrijf, B-bedrijf, C-bedrijf, E-bedrijf of F-bedrijf intrekken, indien:
a. blijkt dat het varkenshouderijbedrijf niet voldoet aan de eisen, bedoeld in de artikelen 2, 3, 4, 5 onderscheidenlijk 6, terwijl de ondernemer in de gelegenheid is gesteld binnen een termijn van ten hoogste zes weken alsnog aan de eisen te voldoen en deze termijn inmiddels is verstreken, dan wel
b. na afloop van de schorsing, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, blijkt dat het varkenshouderijbedrijf nog steeds niet voldoet aan de eisen, bedoeld in de artikelen 2, 3, 4, 5 onderscheidenlijk 6;
c. blijkt dat in een periode van twaalf maanden na de dagtekening van het besluit tot schorsen, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, de ondernemer opnieuw varkens van het varkenshouderijbedrijf afvoert of doet afvoeren, dan wel op het varkenshouderijbedrijf ontvangt of aanvoert, zonder dat wordt voldaan aan de artikelen 12, 13, 14, 16 onderscheidenlijk 17.
1.
Aanvragen, verklaringen en bedrijfsrapporten als bedoeld in de artikelen 2, 3, 4, 5 en 6 worden ingediend bij het productschap.
2.
Voor de aanwijzing als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef, de aanwijzing als bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef, de aanwijzing als bedoeld in artikel 5, eerste lid, aanhef, alsmede voor de jaarlijkse verificatie van de aanwijzing, is de ondernemer een retributie verschuldigd.
Artikel 9
Het is de ondernemer verboden een of meer varkens te vervoeren van of naar, af te voeren of te doen afvoeren van een varkenshouderijbedrijf of een verzamelcentrum dan wel te ontvangen of aan te voeren op een varkenshouderijbedrijf.
Artikel 10
Het verbod, bedoeld in artikel 9, is niet van toepassing op het vervoeren, afvoeren of doen afvoeren van:
a. een of meer varkens van een varkenshouderijbedrijf naar een slachthuis, hetzij rechtstreeks, hetzij via een verzamelcentrum, mits de varkens zijn gemerkt als slachtvarkens en uit het vervoersdocument, bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de Regeling identificatie en registratie van dieren blijkt dat sprake is van vervoer van slachtdieren;
b. een of meer mannelijke varkens van een varkenshouderijbedrijf naar een quarantaineruimte;
c. een of meer varkens van een varkenshouderijbedrijf naar een onderzoeksinstituut;
d. ten hoogste vier varkens per levering van een varkenshouderijbedrijf naar een locatie waar varkens worden gehouden voor recreatieve of educatieve doeleinden, of
e. een of meer varkens van een varkenshouderijbedrijf naar een varkenshouderijbedrijf buiten Nederland, hetzij rechtstreeks, hetzij via een verzamelcentrum.
Artikel 11
Indien na aanvang van het transport van varkens naar een lidstaat of een derde land, ingevolge artikel 59, tweede lid, onderdeel e., van de wet in samenhang met artikel 5, eerste lid van de Regeling dierenvervoer 2007 geen certificaat wordt afgegeven, is het de ondernemer in afwijking van artikel 9 toegestaan, deze varkens op de dag dat dit certificaat geweigerd wordt weer op zijn bedrijf te ontvangen of aan te voeren en, na gedeeltelijke lossing, de niet geloste varkens vervolgens wederom van zijn bedrijf te vervoeren, af te voeren of te doen afvoeren.
1.
In afwijking van artikel 9 is het de ondernemer die een A-bedrijf exploiteert toegestaan een of meer varkens naar dat bedrijf te vervoeren of te doen vervoeren en op dat bedrijf aan te voeren en te ontvangen, voor zover:
a. vrouwelijke varkens worden aangevoerd afkomstig van ten hoogste één A-bedrijf, C-bedrijf, E-bedrijf of varkenshouderijbedrijf buiten Nederland;
b. mannelijke varkens worden aangevoerd afkomstig van ten hoogste één A-bedrijf, C-bedrijf, E-bedrijf, of varkenshouderijbedrijf buiten Nederland, spermawincentrum of quarantaineruimte;
c. het biggen betreft afkomstig van het E-bedrijf waar het A-bedrijf aan heeft geleverd;
d. in een periode van ten minste vijf weken voorafgaand aan de week van aanvoer geen varkens op het A-bedrijf zijn aangevoerd;
e. de aangevoerde varkens na aanvoer worden gehouden in een toevoegstal als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, totdat uit het in artikel 2, onderdeel b, bedoelde serologisch onderzoek blijkt dat geen varkens zijn aangetroffen waarvan het bloed antilichamen tegen klassieke varkenspest en gB-antilichamen tegen de Ziekte van Aujeszky bevat, dan wel binnen vijf weken na aanvoer geen varkens worden afgevoerd anders dan rechtstreeks naar een slachthuis.
2.
In afwijking van artikel 9 is het de ondernemer die een A-bedrijf exploiteert toegestaan een of meer varkens van dat bedrijf te vervoeren, doen vervoeren, af te voeren of te doen afvoeren, voor zover:
a. varkens worden afgevoerd naar A-bedrijven, B-bedrijven, D-bedrijven;
b. varkens worden afgevoerd naar één C-bedrijf of ten hoogste één cluster;
c. varkens worden afgevoerd naar één E-bedrijf, waarbij niet meer naar een ander varkensbedrijf kan worden afgevoerd.
3.
De ondernemer die een A-bedrijf exploiteert kan in een periode van twaalf maanden eenmaal een ander adres voor de aanvoer van varkens kiezen ter vervanging van het adres, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a., onderscheidenlijk b.. De ondernemer doet hiervan schriftelijk mededeling aan het meldingsbureau.
1.
In afwijking van artikel 9 is het de ondernemer die een B-bedrijf exploiteert toegestaan een of meer varkens naar dat bedrijf te vervoeren of te doen vervoeren en op dat bedrijf aan te voeren en te ontvangen, voor zover:
a. vrouwelijke varkens worden aangevoerd afkomstig van ten hoogste één A-bedrijf, C-bedrijf, E-bedrijf of varkenshouderijbedrijf buiten Nederland;
b. mannelijke varkens worden aangevoerd afkomstig van ten hoogste één A-bedrijf, C-bedrijf, E-bedrijf of varkenshouderijbedrijf buiten Nederland, spermawincentrum of quarantaineruimte;
c. het biggen betreft afkomstig van het F-bedrijf waar het B-bedrijf aan heeft geleverd;
d. de aan te voeren varkens een gewicht hebben van ten minste 25 kg per dier, en
e. in een periode van ten minste vijf weken voorafgaand aan de week van aanvoer geen varkens op het B-bedrijf zijn aangevoerd.
2.
In afwijking van artikel 9 is het de ondernemer die een B-bedrijf exploiteert toegestaan een of meer varkens van dat bedrijf te vervoeren, doen vervoeren, af te voeren of te doen afvoeren, voor zover in een periode van zes weken slechts varkens worden afgevoerd naar ten hoogste zes D-bedrijven en in een periode van vier maanden slechts varkens worden afgevoerd naar ten hoogste twaalf D-bedrijven.
3.
Indien de ondernemer die een B-bedrijf exploiteert varkens vervoert, doet vervoeren, afvoert of doet afvoeren naar een D-bedrijf waarop in een periode van drie weken voorafgaand aan de dag van afvoer van het B-bedrijf op enig tijdstip geen varkens aanwezig waren en de stallen op dat tijdstip zijn gereinigd en ontsmet, terwijl in een periode van twee maanden voor dat tijdstip geen varkens op het D-bedrijf zijn aangevoerd, is deze levering in afwijking van artikel 9 toegestaan, zonder dat deze levering wordt begrepen in de op grond van het tweede lid toegestane leveringen.
4.
De ondernemer die een B-bedrijf exploiteert kan in een periode van twaalf maanden eenmaal een ander adres voor de aanvoer van varkens kiezen ter vervanging van het adres, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a., onderscheidenlijk b.. De ondernemer doet hiervan schriftelijk mededeling aan het meldingsbureau.
5.
Het afvoeren van varkens van een B-bedrijf overeenkomstig het tweede of derde lid is slechts toegestaan voor op het B-bedrijf geboren varkens met een gewicht van ten hoogste 35 kg.
6.
In afwijking van artikel 9 is het de ondernemer die een B-bedrijf exploiteert toegestaan een of meer varkens van dat bedrijf te vervoeren, doen vervoeren, af te voeren of te doen afvoeren, voor zover varkens worden afgevoerd naar één F-bedrijf, waarbij niet meer naar een ander varkensbedrijf kan worden afgevoerd.
1.
In afwijking van artikel 9 is het de ondernemer die een C-bedrijf exploiteert toegestaan een of meer varkens naar dat bedrijf te vervoeren of te doen vervoeren en op dat bedrijf aan te voeren en te ontvangen, voor zover varkens worden aangevoerd afkomstig van ten hoogste één A-bedrijf, E-bedrijf of varkenshouderijbedrijf buiten Nederland.
2.
In afwijking van artikel 9 is het de exploitant van een C-bedrijf toegestaan een of meer varkens van dat bedrijf te vervoeren, doen vervoeren, af te voeren of te doen afvoeren, voor zover:
a. varkens worden afgevoerd naar een of meerdere A-bedrijven;
b. in een periode van twaalf maanden slechts varkens worden afgevoerd naar ten hoogste 40 B-bedrijven en D-bedrijven gezamenlijk, dan wel;
1e. wanneer het C-bedrijf deel uitmaakt van een cluster van twee C-bedrijven, in een periode van twaalf maanden door het cluster slechts varkens worden afgevoerd naar ten hoogste 30 B-bedrijven en D-bedrijven gezamenlijk;
2e. wanneer het C-bedrijf deel uitmaakt van een cluster van drie C-bedrijven, in een periode van twaalf maanden door het cluster slechts varkens worden afgevoerd naar ten hoogste 30 B-bedrijven en D-bedrijven gezamenlijk.
3.
Het afvoeren van varkens van een C-bedrijf naar een D-bedrijf overeenkomstig het tweede lid is slechts toegestaan voor varkens met een gewicht van ten minste 80 kg.
4.
De ondernemer die een A-bedrijf of E-bedrijf exploiteert doet bij de aanvraag, bedoeld in artikel 2 of 5, opgave van de samenstelling van het cluster als bedoeld in artikel 12, tweede lid, onderdeel b. De ondernemers die de betreffende C-bedrijven exploiteren medeondertekenen deze opgave. De opgave bevat de verdeling onder de betreffende C-bedrijven van het aantal afvoeradressen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, onder 1 e of 2 e .
5.
Het is de ondernemer die een C-bedrijf exploiteert slechts toegestaan één of meer varkens van dat bedrijf te vervoeren, te doen vervoeren, af te voeren of te doen afvoeren, als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, onder 1 e of 2 e , indien daarmee het aantal bij de verdeling aan dat bedrijf toebedeelde afleveradressen niet wordt overschreden.
6.
De samenstelling van een cluster en de verdeling van het aantal afvoeradressen kunnen in een periode van twaalf maanden eenmaal worden gewijzigd. Een wijziging van de samenstelling van het cluster en de verdeling van het aantal afvoeradressen wordt bij het meldingsbureau gemeld voorafgaand aan de toepassing van de wijziging. Deze melding wordt mede ondertekend door de ondernemers die het A-bedrijf of E-bedrijf en de betreffende C-bedrijven uitoefenen.
1.
In afwijking van artikel 9 is het de ondernemer die een D-bedrijf exploiteert toegestaan een of meer varkens naar dat bedrijf te vervoeren of te doen vervoeren en op dat bedrijf aan te voeren en te ontvangen, voor zover in een periode van zestien weken slechts varkens worden aangevoerd, afkomstig van ten hoogste zes A-bedrijven, B-bedrijven, C-bedrijven, E-bedrijven of F-bedrijven of varkenshouderijbedrijven buiten Nederland, al dan niet via een verzamelcentrum, gezamenlijk.
2.
Indien op het D-bedrijf in een periode van drie weken voorafgaand aan de dag van aanvoer op enig tijdstip geen varkens aanwezig waren en de stallen op dat tijdstip zijn gereinigd en ontsmet, terwijl in een periode van twee maanden voor dat tijdstip geen varkens op het D-bedrijf zijn aangevoerd, is het in afwijking van het eerste lid de exploitant van een D-bedrijf toegestaan een of meer varkens naar dat bedrijf te vervoeren of te doen vervoeren en op dat bedrijf aan te voeren en te ontvangen, voor zover in een periode van vier maanden te rekenen vanaf de eerste week van aanvoer slechts varkens worden aangevoerd, afkomstig van ten hoogste twaalf A-bedrijven, B-bedrijven, C-bedrijven, E-bedrijven of F-bedrijven of varkenshouderijbedrijven buiten Nederland, al dan niet via een verzamelcentrum, gezamenlijk.
1.
In afwijking van artikel 9 is het de ondernemer die een E-bedrijf exploiteert toegestaan een of meer varkens naar dat bedrijf te vervoeren of te doen vervoeren en op dat bedrijf aan te voeren en te ontvangen, voor zover varkens worden aangevoerd afkomstig van ten hoogste één A-bedrijf waar een vaste relatie mee bestaat en waarvan het E-bedrijf de aflevermogelijkheden overneemt.
2.
In afwijking van artikel 9 is het de ondernemer die een E-bedrijf exploiteert toegestaan een of meer varkens van dat bedrijf te vervoeren, doen vervoeren, af te voeren of te doen afvoeren, voor zover:
a. het E-bedrijf de afvoermogelijkheden van het A-bedrijf waarvan het E-bedrijf de biggen ontvangt overneemt;
b. varkens worden afgevoerd naar A-bedrijven, B-bedrijven, D-bedrijven;
c. varkens worden afgevoerd naar één C-bedrijf of ten hoogste één cluster.
3.
Het afvoeren van varkens van een E-bedrijf naar een C-bedrijf is slechts toegestaan voor varkens met een gewicht van ten hoogste 35 kilogram.
1.
In afwijking van artikel 9 is het de ondernemer die een F-bedrijf exploiteert toegestaan een of meer varkens naar dat bedrijf te vervoeren of te doen vervoeren en op dat bedrijf aan te voeren en te ontvangen, voor zover de speenbiggen worden aangevoerd afkomstig van ten hoogste van ten hoogste één B-bedrijf.
2.
In afwijking van artikel 9 is het de exploitant van een F-bedrijf toegestaan een of meer varkens van dat bedrijf te vervoeren, doen vervoeren, af te voeren of te doen afvoeren, voor zover:
a. het F-bedrijf de afvoermogelijkheden van het B-bedrijf waarvan het F-bedrijf de speenbiggen ontvangt overneemt;
b. in een periode van zes weken slechts varkens worden afgevoerd naar ten hoogste zes D-bedrijven en in een periode van vier maanden slechts varkens worden afgevoerd naar ten hoogste twaalf D-bedrijven;
c. het terugleveren betreft aan het B-bedrijf waarvan de speenbiggen betrokken zijn.
3.
Indien de ondernemer die een F-bedrijf exploiteert varkens vervoert, doet vervoeren, afvoert of doet afvoeren naar een D-bedrijf waarop in een periode van drie weken voorafgaand aan de dag van afvoer van het F-bedrijf op enig tijdstip geen varkens aanwezig waren en de stallen op dat tijdstip zijn gereinigd en ontsmet, terwijl in een periode van twee maanden voor dat tijdstip geen varkens op het D-bedrijf zijn aangevoerd, is deze levering in afwijking van artikel 9 toegestaan, zonder dat deze levering wordt begrepen in de op grond van het tweede lid toegestane leveringen.
4.
Het afvoeren van varkens van een F-bedrijf naar een D-bedrijf overeenkomstig het tweede lid is slechts toegestaan voor varkens met een gewicht van ten hoogste 35 kilogram.
1.
Het verbod, bedoeld in artikel 9, is niet van toepassing op het, hetzij rechtstreeks, hetzij via een Nederlands verzamelcentrum, aanvoeren en ontvangen op een varkenshouderijbedrijf van een of meer varkens afkomstig van een varkenshouderijbedrijf of verzamelcentrum buiten Nederland, voor zover:
a. de varkens voldoen aan alle van toepassing zijnde communautaire en overige internationale veterinaire voorschriften;
b. de ondernemer van het varkenshouderijbedrijf waarop de varkens worden ontvangen, ten minste één werkdag vóór de periode van 48 uur waarbinnen de voorgenomen ontvangst zal plaatsvinden, die voorgenomen ontvangst bij het meldingsbureau meldt, op de in artikel 19, lid 1 omschreven wijze;
c. bij de melding als bedoeld in onderdeel b de gegevens worden verstrekt die moeten zijn opgenomen in het gezondheidscertificaat van bijlage F, model 2, van richtlijn nr. 64/432/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens (PbEG L 121), dan wel artikel 11 van richtlijn nr. 72/462/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 december 1972 inzake gezondheidsvraagstukken en veterinairrechtelijke vraagstukken bij de invoer van runderen, varkens, schapen en geiten, van vers vlees of vleesprodukten uit derde landen (PbEG L 302); en
d. de ondernemer van het varkenshouderijbedrijf medewerking verleent aan bestemmingscontrole van de varkens op zijn bedrijf overeenkomstig artikel 5 van richtlijn nr. 90/425/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1990 inzake veterinaire en zoötechnische controles in het intracommunautair handelsverkeer in bepaalde levende dieren en produkten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (PbEG L 224);
2.
Een levering als bedoeld in het eerste lid wordt in mindering gebracht op het aantal op grond van de artikelen 12, eerste lid, 13, eerste lid, 14, eerste lid, onderscheidenlijk 15 op een varkenshouderijbedrijf toegestane leveringen.
3.
Op een levering als bedoeld in het eerste lid zijn de artikelen 12, eerste lid, onderdelen d en e en 13, eerste lid, onderdelen d en e, van overeenkomstige toepassing.
1.
De ondernemer die het varkenshouderijbedrijf exploiteert waarvan varkens worden afgevoerd, meldt die voorgenomen levering bij het meldingsbureau, door middel van een per fax verzonden door het meldingsbureau verstrekt en volledig ingevuld formulier, dan wel via het voice response systeem van het meldingsbureau, dan wel, indien het meldingsbureau met deze wijze van melden vooraf heeft ingestemd, via electronische data interchange of I&RVL-online. De melding strekt tot aanvraag van een transportdocument. Voor de afgifte van een transportdocument is de aanvrager een retributie verschuldigd. Het transportdocument wordt uiterlijk twee weken voor de week van het voorgenomen transport aangevraagd en is alleen geldig in de week van het voorgenomen transport.
2.
Indien de melding, bedoeld in het eerste lid, betrekking heeft op de levering van varkens aan een D-bedrijf als bedoeld in artikel 13, derde lid, onderscheidenlijk een D-bedrijf als bedoeld in artikel 15, tweede lid, gaat de melding vergezeld van een door een geaccrediteerde keuringsinstantie opgesteld rapport waaruit blijkt dat het D-bedrijf voldoet aan artikel 13, derde lid, dan wel artikel 15, tweede lid. Bij ontbreken van een rapport van een geaccrediteerde keuringsinstantie geldt de melding als een melding ten behoeve van het vervoer van varkens, bedoeld in artikel 13, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 15 eerste lid.
3.
Een kopie van het transportdocument wordt door de ondernemer die de melding, als bedoeld in het eerste lid, heeft gedaan, bewaard tot twee jaar na de datum waarop de varkens van het varkenshouderijbedrijf zijn afgevoerd. Het transportdocument wordt door de ontvanger van de varkens op het varkenshouderijbedrijf bewaard tot twee jaar na de datum waarop de varkens op het varkenshouderijbedrijf zijn ontvangen.
4.
Indien de levering waarop de melding betrekking heeft niet plaats zal vinden, of niet heeft plaats gehad, doet de ondernemer daarvan onverwijld mededeling bij het meldingsbureau. Indien het aantal geleverde varkens afwijkt van het gemelde aantal, doet de ondernemer daarbij opgave van het feitelijk geleverde aantal varkens.
5.
Het eerste lid is niet van toepassing op het vervoer, de afvoer, de ontvangst en de aflevering van varkens, bedoeld in artikel 10, onderdeel a.
6.
In afwijking van het eerste lid geschiedt de melding bij aanvoer van varkens uit het buitenland, door de ondernemer van het varkenshouderijbedrijf waarheen varkens worden aangevoerd. Het tweede lid is dan niet van toepassing.
7.
Het eerste lid is niet van toepassing op het wederom vervoeren, afvoeren of doen afvoeren van de niet geloste varkens als bedoeld in artikel 11.
8.
De voorzitter kan in het geval van een uitbraak van de Ziekte van Aujeszky bij varkens overgaan tot het schorsen of intrekken van de op dat moment reeds uitgegeven transportdocumenten en tot het afgeven van transportdocumenten met een beperkte geldigheidsduur.
1.
De ondernemer weigert de ontvangst van varkens indien bij de aanvoer een transportdocument met betrekking tot deze aanvoer ontbreekt.
2.
De exploitant van een verzamelcentrum weigert de ontvangst van varkens indien een transportdocument met betrekking tot deze aanvoer ontbreekt, tenzij de varkens zijn gemerkt als slachtvarkens en uit het vervoersdocument, bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de Regeling identificatie en registratie dieren blijkt dat sprake is van vervoer van slachtvarkens.
3.
Het is verboden om voor de afvoer van varkens met bestemming slacht een vervoermiddel op het erf van het varkenshouderijbedrijf toe te laten, waarop varkens aanwezig zijn, afkomstig van meer dan één varkenshouderijbedrijf.
4.
Het is verboden om voor de afvoer van zeugen met bestemming slacht een vervoermiddel op het erf van het varkenshouderijbedrijf toe te laten, waarop zeugen aanwezig zijn, afkomstig van meer dan twee varkenshouderijbedrijven.
5.
De be- of verwerker of het verzamelcentrum weigert de ontvangst van varkens, indien op een vervoerseenheid van het vervoermiddel varkens aanwezig zijn van meer dan twee varkenshouderijbedrijven.
6.
De be- of verwerker of het verzamelcentrum weigert de ontvangst van zeugen, indien op een vervoerseenheid van het vervoermiddel zeugen aanwezig zijn van meer dan drie varkenshouderijbedrijven.
1.
Het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze verordening gestelde voorschriften wordt namens het productschap uitgeoefend door een door het bestuur bij besluit aangewezen dienst of de door het bestuur bij besluit aangewezen personen. Dit besluit wordt gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie.
2.
Ondernemers zijn verplicht:
a. aan de door het bestuur aangewezen dienst en personen al die gegevens te verstrekken of te doen verstrekken, die nodig zijn voor de vervulling van hun taak;
b. aan de door het bestuur aangewezen dienst en personen te allen tijde toegang te geven of te doen geven tot hun bedrijfsruimten en tot die plaatsen of vervoermiddelen, waar dan wel waarin voorraden, dan wel varkens, tot het bedrijf van de ondernemer behorende, zijn opgeslagen dan wel worden vervoerd;
c. te gedogen dat controleurs van de door het bestuur aangewezen dienst en de door het bestuur aangewezen personen monsters nemen uit de voorraden, dan wel varkens van het bedrijf van de ondernemer, ongeacht de plaats waar of waarin zich die voorraden bevinden. De ondernemer zal alsdan de van hem gevorderde medewerking verlenen overeenkomstig de aanwijzingen van de door het bestuur aangewezen dienst en personen.
3.
De in het eerste lid bedoelde personen zijn bevoegd berechtingsrapporten ten behoeve van tuchtrechtelijke afhandeling op te maken.
Artikel 22
Op overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze verordening worden tuchtrechtelijke maatregelen gesteld zoals voorzien in de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 .
1.
De voorzitter kan, voor zover het belang van preventie en bestrijding van dierziekten zich daartegen niet verzet, namens het bestuur op schriftelijk verzoek van belanghebbende, ontheffing verlenen van het gestelde in artikel 9. Aan de ontheffing kunnen bijzondere voorwaarden worden gesteld. De ontheffing kan te allen tijde worden ingetrokken.
2.
Voor de verlening van een ontheffing is de aanvrager een retributie verschuldigd.
3.
Het bestuur stelt bij besluit nadere voorwaarden aan het verlenen van ontheffingen. Dit besluit wordt gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie.
Artikel 24
Het bestuur regelt bij verordening de wijze waarop de retributies, bedoeld in artikel 8, tweede lid, artikel 19, eerste lid, en artikel 23, tweede lid, worden vastgesteld en opgelegd, alsmede de hoogte van de retributies.
Artikel 24a
Leveringen van varkens door of aan een varkenshouderijbedrijf of aan een verzamelcentrum waarvan de exploitatie nadien blijvend is gestaakt, worden niet begrepen onder de op grond van de artikelen 12, eerste lid, onderdelen a. en b., 13, eerste lid, onderdelen a. en b., en tweede lid, 14, eerste lid, en tweede lid, onderdeel b., en 15, eerste en tweede lid, toegestane leveringen, indien door de levering door of aan het bedrijf waarvan de exploitatie blijvend is gestaakt het in genoemde artikelen opgenomen maximum aantal toegestane leveringen wordt bereikt.
1.
De door het productschap uit hoofde van deze verordening verkregen gegevens omtrent ondernemingen worden in handen gesteld van de voorzitter; zij worden, behoudens aan personeelsleden van het secretariaat van het productschap, het meldingsbureau, de diensten en personen als bedoeld in artikel 21, eerste lid, alsmede ten behoeve van de handhaving van het bepaalde in deze verordening en de Dienst Regelingen, van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit voor zover ten behoeve van het I&R-systeem, niet verder bekend gemaakt.
2.
De in het eerste lid bedoelde diensten en personen zijn gehouden de op voet van het eerste lid verkregen gegevens vertrouwelijk te behandelen.
3.
De voorzitter kan, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, besluiten tot bekendmaking van getotaliseerde gegevens omtrent groepen van ondernemingen, doch nimmer op zodanige wijze dat daaruit gegevens omtrent een bepaalde onderneming kunnen worden afgeleid.
4.
Uit hoofde van deze verordening verkregen gegevens omtrent ondernemingen worden aan anderen dan de in het eerste lid genoemde personen en instanties slechts verstrekt voor zover zulks in overeenstemming is met de artikelen 8 en 9 van de Wet bescherming persoonsgegevens.
1.
De Verordening varkensleveringen (PVV) 2006 wordt ingetrokken.
2.
Verwijzingen naar de Verordening varkensleveringen (PVV) 2006 dienen gelezen te worden als verwijzingen naar deze verordening.
1.
Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening varkensleveringen (PVV) 2007.
2.
Deze verordening zal worden geplaatst in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie.
3.
Deze verordening treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dag van dagtekening het Verordeningenblad waarin zij wordt geplaatst.
Zoetermeer, 31 oktober 2007
voorzitter
secretaris