Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Verordening vaccinatie Newcastle Disease (PPE) 2006
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
+ 1. Begripsbepalingen
+ 2. Vaccineren en bloedonderzoek
+ 3. Minimum weerstand
+ 4. Maatregelen bij te lage weerstand
+ 5. Maatregelen bij verplaatsing
+ 6. Administratie
+ 7. Toezicht
+ 8. Tuchtrechtelijke maatregelen
+ 9. Bijzondere bepalingen
+ 10. Slotbepalingen
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Let op. Deze wet is vervallen op 10 augustus 2014. U leest nu de tekst die gold op 9 augustus 2014.

Verordening vaccinatie Newcastle Disease (PPE) 2006

Verordening van het Productschap Pluimvee en Eieren van 15 juni 2006 houdende regels ter zake van de vaccinatie tegen Newcastle Disease (Verordening vaccinatie Newcastle Disease (PPE) 2006)
Het bestuur van het Productschap Pluimvee en Eieren,
Gelet op richtlijn 92/66/EEG van de Raad van 14 juli 1992 tot vaststelling van communautaire maatregelen voor de bestrijding van de ziekte van Newcastle (PbEG L 260) en richtlijn 90/539/EEG van de Raad van 15 oktober 1990 tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer en de invoer uit derde landen van pluimvee en broedeieren (PbEG L 303), alsmede de artikelen 92 en 93 van de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s en de artikelen 96, 97 en 98 van de Wet op de bedrijfsorganisatie;
Besluit:
Artikel 1
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
a. productschap: Productschap Pluimvee en Eieren;
b. bestuur: bestuur van het productschap;
c. voorzitter: voorzitter van het productschap;
d. NCD: Newcastle Disease (pseudovogelpest);
e. vleeskuikens: kippen, waarvan de punt van het borstbeen nog niet is verbeend, die worden gehouden voor de vleesproductie;
f. vleeskalkoenen: kalkoenen die worden gehouden voor de vleesproductie;
g. vermeerderingsdieren: kippen of kalkoenen die worden gehouden voor de productie van broedeieren, alsmede kippen of kalkoenen die voor dit doel worden opgefokt;
h. leghennen: kippen die worden gehouden voor de productie van andere eieren dan broedeieren, alsmede kippen die voor dit doel worden opgefokt;
i. pluimvee: vleeskuikens, vleeskalkoenen, vermeerderingsdieren of leghennen;
j. pluimveebedrijf: voorziening – die een inrichting kan omvatten – die wordt gebruikt voor het op een locatie (op)fokken of houden van pluimvee en die als zodanig bij het productschap is geregistreerd, dan wel geregistreerd had moeten zijn;
k. koppel: groep pluimvee met dezelfde gezondheidsstatus en van dezelfde leeftijd, die een epidemiologische eenheid vormt;
l. ondernemer: een natuurlijk persoon of rechtspersoon die een pluimveebedrijf uitoefent;
m. dierenarts: diegene die is ingeschreven in het register van praktizerende dierenartsen, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990;
n. paraveterinair: een op aanwijzing van en onder een dierenarts handelende dierenartsassistent als bedoeld in artikel 9 van het Besluit paraveterinairen (Stb. 1991, 526);
o. richtlijn 92/66/EEG: richtlijn 92/66/EEG van de Raad van 14 juli 1992 tot vaststelling van communautaire maatregelen voor de bestrijding van de ziekte van Newcastle (PbEG L 260);
p. HAR-test: Hemagglutinatieremmingstest.
1.
De ondernemer zorgt ervoor dat het op zijn pluimveehedrijf aanwezige pluimvee overeenkomstig de door het bestuur bij besluit vastgestelde voorschriften wordt gevaccineerd tegen NCD.
2.
Ter controle van het effect van de in het eerste lid bedoelde vaccinaties op de immuniteit, zorgt de ondernemer ervoor dat overeenkomstig de door het bestuur bij besluit vastgestelde voorschriften, bloedmonsters worden genomen van het op zijn pluimveebedrijf aanwezige pluimvee en dat deze bloedmonsters door middel van de HAR-test worden onderzocht op de aanwezigheid van antistoffen tegen NCD.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op vermeerderingsdieren of leghennen die voorafgaand aan de aanvoer op het pluimveebedrijf van de ondernemer overeenkomstig het eerste lid zijn gevaccineerd en waarvan de ondernemer door middel van de uitslag van het bloedonderzoek aantoont dat de dieren aan de in artikel 5, derde lid, onder a. of b., bedoelde waarde voldoen.
4.
Het in het tweede lid bedoelde onderzoek van bloedmonsters wordt uitgevoerd door het met betrekking tot NCD in de Regeling erkenning en aanwijzing veterinaire laboratoria aangewezen laboratorium.
5.
De vaccinatie, het nemen van bloedmonsters en het onderzoeken van bloedmonsters, zoals bedoeld in het eerste en tweede lid van dit artikel, worden verricht op kosten van de ondernemer.
6.
De in het eerste en tweede lid bedoelde besluiten worden gepubliceerd in het Verordeningblad Bedrijfsorganisatie.
Artikel 3
Ter uitvoering van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde vaccinatieverplichting zorgt de ondernemer ervoor dat:
a. het op het pluimveebedrijf aanwezige pluimvee met een leeftijd vanaf 72 uur na de geboorte tot en met een leeftijd van 18 dagen, uiterlijk de 18e levensdag ten minste eenmaal wordt gevaccineerd;
b. indien het onder a. bedoelde pluimvee afkomstig is van vermeerderingsdieren die niet zijn gevaccineerd tegen NCD, de onder a. bedoelde vaccinatie in ieder geval onmiddellijk na plaatsing op het pluimveebedrijf wordt uitgevoerd;
c. het op het pluimveebedrijf aanwezige pluimvee dat ouder is dan 18 dagen, afkomstig van een buiten Nederland gelegen bedrijf en dat niet is gevaccineerd tegen NCD, onmiddellijk na plaatsing op het pluimveebedrijf wordt gevaccineerd;
d. de op het pluimveebedrijf aanwezige leghennen of vermeerderingsdieren, niet zijnde kalkoenen, onverminderd de onder b. of c. bedoelde vaccinatie, voordat zij de leeftijd van 22 weken hebben bereikt, door middel van een injectie worden gevaccineerd met een geïnactiveerd vaccin; en
e. voor wat betreft kalkoenen, de op het pluimveebedrijf aanwezige vermeerderingsdieren, onverminderd de onder b. of c. bedoelde vaccinatie, voordat zij de leeftijd van 30 weken hebben bereikt, door middel van een injectie worden gevaccineerd met een geïnactiveerd vaccin.
1.
In afwijking van artikel 2, eerste lid, en artikel 3, kan de voorzitter in het geval van een dreiging van een uitbraak van NCD bij besluit gelasten dat pluimvee in bepaalde delen van Nederland binnen een daarbij bepaalde termijn moet worden gevaccineerd.
2.
Het besluit als bedoeld in het eerste lid wordt gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie.
1.
De met het in artikel 2, tweede lid, bedoelde onderzoek vastgestelde immuniteit van koppels pluimvee voldoet aan de in het tweede of derde lid bedoelde waarde.
2.
Van een koppel pluimvee met een leeftijd van ten minste 28 dagen, voldoet ten minste één van de onderzochte bloedmonsters als bedoeld in artikel 2, tweede lid, aan de waarde van 1:8 of hoger.
3.
Van een koppel:
a. vermeerderingsdieren of leghennen dat is gevaccineerd met een geïnactiveerd vaccin voldoet, vanaf zes weken na de datum waarop de vaccinatie met het geïnactiveerde vaccin heeft plaatsgevonden, ten minste 83% van het aantal onderzochte bloedmonsters aan de waarde van 1:8 of hoger;
b. vermeerderingsdieren of leghennen, dat nog niet is gevaccineerd met een geïnactiveerd vaccin of waarvan de vaccinatie met een geïnactiveerd vaccin minder dan zes weken geleden heeft plaatsgevonden, voldoet vanaf een leeftijd van 70 dagen ten minste 83% van het aantal onderzochte bloedmonsters aan de waarde van 1:8 of hoger, tenzij het betreffende koppel sinds de geboorte steeds, met tussenpozen van ten hoogste 6 weken, door een dierenarts is gevaccineerd met een levende entstof en die vaccinaties via een spray of aërosol zijn uitgevoerd en ten minste één van de onderzochte bloedmonsters als bedoeld in artikel 2, tweede lid, voldoet aan de waarde 1:8 of hoger;
c. vleeskalkoenen en vleeskuikens vanaf een leeftijd van 70 dagen, voldoet ten minste 83% van het aantal onderzochte monsters aan de waarde van 1:8 of hoger, tenzij het betreffende koppel sinds de geboorte steeds, met tussenpozen van ten hoogste 6 weken, door een dierenarts door middel van een spray of aerosol is gevaccineerd met een levende entstof en ten minste één van de onderzochte bloedmonsters als bedoeld in artikel 2, tweede lid, voldoet aan de waarde 1:8 of hoger.
1.
Onverminderd de in artikel 2, eerste lid, bedoelde vaccinaties zorgt de ondernemer ervoor dat, indien de met het in artikel 2, tweede lid, bedoelde onderzoek vastgestelde immuniteit van:
a. een koppel vermeerderingsdieren of leghennen niet voldoet aan de in artikel 5, tweede of derde lid bedoelde waarde, het betreffende koppel terstond wordt gevaccineerd en dat het koppel uiterlijk vier weken na deze vaccinatie, overeenkomstig artikel 2, tweede lid, wordt onderzocht tenzij het voordien is geslacht;
b. een koppel vleeskuikens niet voldoet aan de in artikel 5, tweede lid, bedoelde waarde, de eerstvolgende twee koppels vleeskuikens op zijn bedrijf worden gevaccineerd;
c. de onder b. bedoelde eerstvolgende twee koppels niet voldoen of als één van deze twee koppels niet voldoet, aan de in artikel 5, tweede lid, bedoelde waarde, de eerstvolgende zes koppels vleeskuikens op zijn bedrijf worden gevaccineerd;
d. een koppel vleeskalkoenen van een leeftijd van ten minste 70 dagen, niet voldoet aan de in artikel 5, derde lid, onder c., bedoelde waarde, de eerstvolgende twee koppels vleeskalkoenen worden gevaccineerd;
e. de onder d. hedoelde eerstvolgende twee koppels, niet voldoet aan de in artikel 5, derde lid, onder c., bedoelde waarde, de eerstvolgende drie koppels vleeskalkoenen (die op zijn pluimveebedrijf worden gehouden) worden gevaccineerd.
2.
Vaccinatie als bedoeld in het eerste lid, onder a. tot en met e., vindt, op kosten van de ondernemer, plaats overeenkomstig het in artikel 2, eerste lid, bedoelde besluit.
3.
De in het eerste lid, onder a. tot en met e. bedoelde vaccinaties, worden uitgevoerd door een dierenarts. Indien de vaccinaties van de eerstvolgende zes koppels vleeskuikens, bedoeld in het eerste lid, onder c. worden uitgevoerd via het drinkwater, dient de dierenarts op het bedrijf aanwezig te zijn vanaf het moment dat het drinkwater wordt onthouden aan het te vaccineren pluimvee, tot het moment dat alle entstof is toegediend.
4.
De ondernemer is verplicht een kopie van de vaccinatieverklaringen van de in artikel 6, eerste lid, onder a. tot en met e., bedoelde vaccinaties binnen twee weken nadat de vaccinaties zijn verricht te zenden naar de het bestuur bij besluit aangewezen uitvoerende instantie.
5.
Het besluit als bedoeld in het vierde lid wordt gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie.
1.
Onverminderd de in artikel 2, eerste lid, bedoelde vaccinaties zorgt de ondernemer ervoor dat indien op zijn pluimveebedrijf aanwezig pluimvee verplaatst wordt naar een ander pluimveebedrijf, in het geval:
a. het koppel pluimvee jonger is dan 28 dagen, dit koppel ten minste 7 dagen vóór de verplaatsing door middel van een spray of aërosol is gevaccineerd met een levend vaccin;
b. het koppel pluimvee ouder is dan 28 dagen doch jonger dan 70 dagen, dit koppel slechts wordt verplaatst indien de immuniteit van het koppel aantoonbaar voldoet aan de in artikel 5, tweede lid, bedoelde waarde en het ten minste 7 en ten hoogste 42 dagen vóór de datum van de verplaatsing door middel van een spray of aërosol is gevaccineerd met een levend vaccin;
c. het een koppel vermeerderingsdieren of leghennen betreft dat ouder is dan 70 dagen, dit koppel voldoet aan artikel 5, derde lid, onder a. of b.;
d. het koppel vermeerderingsdieren of leghennen dat ouder is dan 70 dagen en waarvan de immuniteit niet voldoet aan de in artikel 5, derde lid, onder a. of b. bepaalde waarde, maar dat sinds de geboorte met tussenpozen van ten hoogste zes weken door middel van een spray of aërosol is gevaccineerd met een levende entstof, de laatste vaccinatie met een levende entstof ten minste zeven dagen vóór de verplaatsing is uitgevoerd;
e. het koppel vleeskalkoenen of vleeskuikens ouder is dan 70 dagen, de immuniteit voldoet aan de in artikel 5, derde lid, onder c., bepaalde waarde.
2.
Het eerste lid, onder a., is niet van toepassing op koppels pluimvee die jonger zijn dan 8 dagen en afkomstig zijn van ouderdieren die aantoonbaar gevaccineerd zijn tegen NCD.
3.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien de koppels binnen één pluimveebedrijf worden verplaatst en daarbij vervoer over de openbare weg plaatsvindt.
4.
Vaccinatie als bedoeld in het eerste of derde lid, vindt, op kosten van de ondernemer, plaats overeenkomstig het in artikel 3 vermelde schema.
1.
De ondernemer draagt er voor zorg dat terstond nadat de in deze verordening bedoelde vaccinaties zijn verricht, de vaccinatieverklaring overeenkomstig het door het bestuur bij besluit vastgestelde model naar waarheid wordt ingevuld en ondertekend.
2.
De ondernemer bewaart de in het eerste lid bedoelde vaccinatieverklaringen alsmede de resultaten van het in artikel 2, tweede en derde lid, bedoelde onderzoek, gedurende een periode van twee jaren in zijn bedrijfsadministratie.
3.
De ondernemer die leghennen dan wel vermeerderingsdieren houdt bewaart de in het eerste lid bedoelde vaccinatieverklaringen en de uitslagen van het in artikel 2, tweede en derde lid, bedoelde onderzoek gedurende een periode van twee jaren op zijn bedrijf, voorzover de genoemde gegevens betrekking hebben op vaccinaties en bloedonderzoeken van koppels pluimvee die op zijn bedrijf zijn of worden gehouden en de vaccinaties en bloedonderzoeken op zijn bedrijf of op een bedrijf waar de koppels eerder werden gehouden, zijn uitgevoerd.
4.
Het in het eerste lid bedoelde besluit wordt gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie.
Artikel 9
De ondernemer is verplicht de daartoe bevoegde ambtenaren alsmede de door of namens het bestuur aangewezen personen alle medewerking ten behoeve van de uitvoering van deze verordening te verlenen. Deze medewerking kan onder meer bestaan uit het desgevraagd toegang geven tot het bedrijf, het ter inzage verstrekken van bescheiden en het verschaffen van inlichtingen.
1.
Het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze verordening gestelde voorschriften wordt namens het productschap uitgeoefend door een door het bestuur bij besluit aangewezen dienst en door het bestuur aangewezen personen.
2.
Ondernemers zijn verplicht:
a. Aan de door het bestuur aangewezen dienst en personen al die gegevens te verstrekken of te doen verstrekken, die nodig zijn voor de vervulling van hun taak;
b. Aan de door het bestuur aangewezen dienst en personen inzage te geven of te doen geven van die boeken en bescheiden, die nodig zijn voor de vervulling van hun taak;
c. Aan de door het bestuur aangewezen dienst en personen te allen tijde toegang te geven of te doen geven tot hun bedrijfsruimten en tot die plaatsen of vervoermiddelen, waar dan wel waarin voorraden (waaronder begrepen pluimvee, karkassen, monsters en verpakkingsmateriaal), tot het bedrijf van de ondernemer behorende, zijn opgeslagen dan wel worden vervoerd;
d. Te gedogen dat de door het bestuur aangewezen dienst en personen monsters nemen uit de voorraden van het bedrijf van de ondernemer (waaronder begrepen pluimvee, karkassen, monsters en verpakkingsmateriaal), ongeacht de plaats waar of waarin zich die voorraden bevinden en de ondernemer zal alsdan de van hem gevorderde medewerking verlenen overeenkomstig de aanwijzingen van de door het bestuur aangewezen dienst en personen.
3.
De in het eerste lid bedoelde personen zijn bevoegd berechtingsrapporten op te maken ten behoeve van tuchtrechtelijke afhandeling van overtredingen.
1.
Op overtreding van het in de artikelen 2 tot en met 10 bepaalde worden tuchtrechtelijke maatregelen gesteld.
2.
De tuchtrechtelijke maatregelen zijn:
a. een berisping;
b. een geldboete tot ten hoogste het bedrag van de derde categorie bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht;
c. het stellen van de betrokkene onder verscherpte controle op zijn kosten, voor ten hoogste 2 jaren;
d. openbaarmaking van de tuchtbeschikking op kosten van de betrokkene.
1.
De voorzitter kan de ondernemer, namens het bestuur, in uitzonderlijke gevallen en voor zover het belang van de bestrijding van dierziekten zich daartegen niet verzet, op schriftelijk verzoek vrijstelling of ontheffing verlenen van de verplichtingen bedoeld in de artikelen 2 tot en met 8.
2.
Aan een vrijstelling of ontheffing als bedoeld in het eerste lid, kunnen voorschriften of voorwaarden worden verbonden.
3.
Een verleende vrijstelling of ontheffing als bedoeld in het eerste lid, kan te allen tijde worden ingetrokken.
1.
Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening vaccinatie Newcastle Disease (PPE) 2006.
2.
Deze verordening treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dag van dagtekening van het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie waarin zij wordt geplaatst.
Zoetermeer, 15 juni 2006
voorzitter
secretaris